03 Bestemmingsplan Kievitsweg 6 tm16 - Kievitsakker Ysselsteyn (bijlage)
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Kievitsweg 6 t/m 16- Kievitsakker Ysselsteyn’ Gemeente Venray Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Kievitsweg 6 t/m 16- Kievitsakker Ysselsteyn’ Gemeente Venray Vastgesteld
Rapportnummer:
211x09516_7
IMRO IDN:
NL.IMRO.0984.BP20012.VA01
Datum:
16 december 2020
Contactpersoon opdrachtgever:
Venterra
Projectteam BRO:
MOo, SRo
Concept:
april 2020
Voorontwerp:
juni 2020
Ontwerp:
oktober 2020
Vastgesteld: Trefwoorden:
Bestemmingsplan, woningbouw, Ysselsteyn, Kievitsweg, gemeente Venray
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 14
Beknopte inhoud:
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de realisatie van 19 wooneenheden aan de Kievitsweg te Ysselsteyn in de gemeente Venray.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en plangrens 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Opbouw bestemmingsplan
3 3 4 4 5
2. GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing
7 7 8 9
3. BELEID 3.1 Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
11 12 12 13 13
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3 Regionaal beleid
13 15 16
3.3.1 Regionaal woonbeleid 3.4 Gemeentelijk beleid
16 17
3.4.1 Woonvisie Venray 2017 3.4.2 Structuurvisie Dorpsontwikkelingsplan Ysselsteyn 3.4.3 Toekomstvisie Venray 2030
17 18 20
4. UITVOERINGSASPECTEN 4.1 Milieuaspecten
22 22
4.1.1 Bodem 4.1.2 Geluidhinder wegverkeerslawaai 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Milieuzonering 4.1.6 Geurhinder 4.1.7 M.e.r.-plicht
Inhoudsopgave
22 23 24 25 28 29 30
1
4.2 Archeologie en cultuurhistorie
35
4.2.1 Archeologie 4.2.2 Cultuurhistorie 4.3 Leidingen en infrastructuur 4.4 Ecologie 4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Waterhuishouding 4.7 Onderzoek niet gesprongen explosieven 4.8 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.9 Duurzaamheid
35 36 37 37 39 40 43 44 45
5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
47 47 47 47
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
48 48 49 50
6. HANDHAVING
51
7. HAALBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
52 52 52
8. PROCEDURE
55
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stedenbouwkundig plan Bijlage 2: Bodemonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Archeologisch onderzoek Bijlage 5: Stikstofdepositieberekeningen Bijlage 6: Quickscan flora en fauna Bijlage 7: Advies omgang Salamanders Bijlage 8: Ladderonderbouwing Bijlage 9: Omgevingsdialoog
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Venterra (hierna: initiatiefnemer) is voornemens om twee percelen aan de Kievitsweg 4-6 in Ysselsteyn te herontwikkelen tot woningbouw. Het voornemen bestaat om op deze percelen na de sloop van de bestaande bebouwing in totaal maximaal 19 wooneenheden te realiseren.
Topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
De voorgenomen ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Ysselsteyn’, dat op 27 september 2016 is vastgesteld door de gemeenteraad van Venray. Binnen dit bestemmingsplan is het perceel (nr. 972) bestemd tot ‘Wonen’ waar binnen het bouwvlak slechts een woning is toegestaan. Binnen het vigerende bestemmingsplan is het perceel (nr. 973) bestemd tot ‘Agrarisch’. De beoogde ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan, aangezien de voorgenomen ontwikkeling in strijd is met de regels van de vigerende bestemmingen. De gemeente Venray heeft laten weten in principe medewerking te verlenen aan het initiatief. De gemeente Venray wil deze ontwikkeling mogelijk maken door middel van een herziening van het juridisch-planologisch kader. In voorliggend bestemmingsplan wordt de woningbouwontwikkeling juridisch-planologisch geregeld.
Hoofdstuk 1
3
1.2 Ligging en plangrens De planlocatie aan de Kievitsweg is gelegen in de zuidoosthoek van de kern Ysselsteyn aan de rand van bestaand stedelijk gebied. De ontwikkelingen vinden plaats op de percelen kadastraal bekend als Venray, sectie M, nummers 972 (ged.) en 973.
Uitsnede luchtfoto met kadastrale percelen met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerend bestemmingsplan ‘Ysselsteyn’, zoals vastgesteld op 27 september 2016 door de gemeenteraad van Venray. Binnen het plangebied liggen de enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch. Daarnaast geldt op een groot deel van het bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’.
Hoofdstuk 1
4
Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Ysselsteyn’ met rood omlijnd het plangebied van het planvoornemen
De beoogde ontwikkeling is strijdig met de geldende bestemmingen. Binnen het vigerende bestemmingsplan is het perceel (nr. 972) bestemd tot ‘Wonen’ waar binnen het bouwvlak slechts een woning is toegestaan. Binnen het vigerende bestemmingsplan is het perceel (nr. 973) bestemd tot ‘Agrarisch’. Formeel betekent dit dat binnen de bestemming ‘Wonen’ een woning is toegestaan. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ is daarnaast geen woningbouw mogelijk. Derhalve is het planvoornemen niet rechtstreeks toegestaan conform het vigerende bestemmingsplan en dient de voorliggende ontwikkeling planologisch te worden geregeld via een herziening van het bestemmingsplan.
1.4 Opbouw bestemmingsplan Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
Hoofdstuk 1
5
De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van zowel de bestaande situatie als de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 wordt een beschrijving gegeven van de handhaving en economische- en maatschappelijke haalbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 8 vindt tot slot een beschrijving van het (voor)overleg, inspraak en van de procedure plaats.
Hoofdstuk 1
6
2.
GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in de zuidoosthoek van de kern Ysselsteyn aan de rand van bestaand stedelijk gebied. De kern Ysselsteyn maakt onderdeel uit van de gemeente Venray. De hoofdkern Venray ligt circa 5 kilometer ten noordoosten van Ysselsteyn. In de huidige situatie heeft de Kievitsweg reeds overwegend een woonkarakter (in een groene, open omgeving). De noordkant van de straat wordt gekenmerkt door woningbouw met meerdere (vrijstaande) woningen. Aan de overzijde van de Kievitsweg staan twee vrijstaande woningen, waarvan bij huisnummer 4 het nieuwbouwplan wordt ontwikkeld. De omgeving van het plangebied heeft een overwegend groen karakter en vormt een overgangsgebied richting het buitengebied.
Luchtfoto de omgeving van het plangebied met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 2
7
2.2 Toekomstige ontwikkeling
Impressie Stedenbouwkundig plan (5 oktober 2020)
Initiatiefnemer is voornemens om twee percelen aan de Kievitsweg 4-6 in Ysselsteyn te herontwikkelen tot woningbouw. De huidige woonboerderij en het daarachter gelegen bijgebouw ter hoogte van de Kievitsweg 4 worden gehandhaafd. Het oostelijke af te splitsen deel wordt tezamen met het perceel van Kievitsweg 6 ontwikkeld voor woningbouw. Na sloop van de overige opstallen worden hier in to-
Hoofdstuk 2
8
taal maximaal 19 wooneenheden gerealiseerd. Het betreft een gedifferentieerd programma, bestaande uit 4 twee-onder-een-kap woningen, 8 levensloopbestendige woningen, 2 hoekwoningen en 5 tussenwoningen (start/levensloopbestendig). Het totale plangebied is circa 6.450 m2 groot. In voorgaande impressie van het stedenbouwkundig plan zijn de locatie van de levensloopbestendige woningen aangeduid. De 8 levensloopbestendige woningen betreffen de woningtypes A1 tot en met A6 en B2.7 plus B2.11. De 4 twee-onder-een-kap woningen betreffen de woningtypes C12 tot en met C15. De 2 hoekwoningen betreffen de woningtypes D2.16 en D2.19 en de tussenwoningen betreffen de woningtypes D17 plus D18 en B8 tot en met B10. In het kader van het plan worden naast 19 woningen ook een straat met parkeervoorzieningen en openbaar groen aangelegd. Er worden in totaal 39 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 17 op eigen terrein en 22 in de openbare ruimte. Het plangebied is bereikbaar via een ontsluitingsweg die door middel van een verkeersplateau is ontsloten op de Kievitsweg. De groene inrichting van het middengebied voorziet in de benodigde waterberging van hemelwater uit het openbare gebied.
3D Impressie planvoornemen
2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing Aangezien er reeds woningen rondom het plangebied aanwezig zijn en het plangebied zowel is gelegen binnen een bestaand woongebied, passen de nieuw te bouwen woningen functioneel in de omgeving. Daarnaast wordt qua hoogte en opbouw aangesloten bij de woningen in de omgeving, waar reeds diverse woningtypes, bouwhoogtes en kaprichtingen te zien zijn.
Hoofdstuk 2
9
Qua situering zullen de woningen gelegen aan de Kievitsweg met de voorgevel richting de weg geprojecteerd worden. De woningen te midden van de nieuwe buurt worden met de voorgevels richting de nieuw aan te leggen weg geprojecteerd. Hierdoor krijgt het plangebied het karakter van een binnenhof. Gezien in de nabijheid van het plangebied het buitengebied begint (ten oosten van het plangebied), voorziet deze ontwikkeling in een open karakter richting het landelijk gebied. De nieuw te realiseren woningen zullen geïmplementeerd worden in deze landelijke omgeving. Voor een impressie van het planvoornemen zie stedenbouwkundig plan in bijlage 1. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, is er kortom geen sprake van negatieve ruimtelijke en/of stedenbouwkundige effecten op de korte als op (middel) lange termijn. Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt wordt de ontwikkeling goed inpasbaar geacht.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEID In dit hoofdstuk wordt (beknopt) ingegaan op de relevante beleidsaspecten op rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Hoofdstuk 3
11
Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Afweging Met het planvoornemen wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het project. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Ruimtereservering parallelle Kaagbaan, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de realisatie van de woningbouwkavels. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende gebieden en objecten worden aangewezen, waar gemeenten bij vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.
Wel is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel. Gelet op de toegestane hoogtes is dit planvoornemen geen probleem. Afweging Vanuit het Rarro bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 3
12
3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Hierbij is de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om te motiveren hoe de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Indien de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, is een motivering nodig waarom men deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan realiseren (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
Doorwerking plangebied Aangezien de realisatie het planvoornemen conform het Besluit ruimtelijke ordening een nieuwe stedelijke ontwikkeling betreft dient er een behoefte onderbouwing ten aanzien van de beoogde woningbouw plaats te vinden. In paragraaf 4.8 vindt derhalve een behoefte onderbouwing plaats.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1
Provinciaal Omgevingsplan 2014
Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ van het POL2014 ligt het plangebied in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Overige bebouwde gebieden zijn gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen met deels een stedelijk karakter en deels een dorps karakter.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
13
Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering-Limburg' met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
De Limburgse woningmarkt moet kwalitatief en kwantitatief de sprong maken naar een nieuwe werkelijkheid. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De groei eindigt, maar niet in de hele provincie gelijktijdig en op dezelfde manier: de top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord-Limburg bereikt rond 2028, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg vanaf 2017 al daalt, wat in delen van het gebied nu al volop waarneembaar is. Binnen de gemeente Venray is er naar schatting een woningbehoefte tot 2034. Overal moet de programmering ‘over de top heen kijken’, ook in de regio’s Noord en Midden, waar de woningbehoefte nog toeneemt. Dat vergt andere benaderingen, als inbreiding in plaats van uitleglocaties, planmatig verdichten en verdunnen. De opgave ligt vooral in het onttrekken van incourante (particuliere) woningen, het omvangrijk genoeg houden (c.q. maken) van het aanbod aan huurwoningen en het planologisch niet meer uitbreiden van woonmilieus die er al in overvloed zijn. Naast de kwantitatieve uitdaging is er nog een kwalitatieve uitdaging. Deze uitdaging vraagt in een omslag in denken. Het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande woningvoorraad is dan ook een aanzienlijke opgave.
De Limburgse woningmarkt heeft belang bij de ontwikkeling naar meer toekomstbestendigheid. Deze toekomstbestendigheid omvat meerdere aspecten: duurzaamheid (energieprestatie en-gebruik gedurende de hele levenscyclus van vastgoed, duurzaamheid en energie tijdens de bouw en sloop en hergebruik van materialen); flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden en functies;
Hoofdstuk 3
14
levensloopbestendigheid (gebruikskwaliteiten gedurende de levensloop van gebruikers); als ruimtelijke basis: de locatie van woning(en), wat een focus inhoudt op plaatsen waar de randvoorwaarden voor een hoogwaardig woonklimaat ook op langere termijn aanwezig zijn.
Maatschappelijke en demografische trends leveren een vraag naar een ander type woningen op dan de voorraad nu biedt. Er komt bijvoorbeeld meer vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, in plaats van de gezinswoningen, meer vraag naar aanpasbare en levensloopbestendige woningen en naar energiezuinige woningen. De Limburgse woningmarkt kent hierdoor een paradox. Er ontstaat namelijk (nu of op termijn) een overschot aan woningen (vooral particulier eigendom, waaronder incourant bezit), terwijl er tegelijk een impuls in de vorm van nieuwbouw nodig is (vooral huurwoningen) om ook op de langere termijn de gevraagde kwaliteiten te kunnen bieden. Deze kwalitatieve opgave moet, gezien de afnemende kwantitatieve vraag, vooral gerealiseerd worden in de bestaande woningvoorraad, waarbij nieuwbouw (in de vorm van uitbreiding dan wel vervanging) vooral moet worden ingezet om te voorzien in de vraag naar datgene waaraan ook op langere termijn het meest behoefte bestaat. Afweging Middels onderhavig plan wordt ingespeeld op de veranderende vraag naar woningen. Er zal een herstructurering plaats vinden, waarbij de bestaande bebouwing gesloopt worden en passende nieuwbouw terugkomt die aansluit op de groeiende kwalitatieve opgave binnen de gemeente en de regio. Daarnaast is de beoogde nieuwbouw in vergelijking tot de bestaande bebouwing zuiniger qua energieverbruik (zie paragraaf 4.9).
Dit sluit aan bij het toekomstbestendig maken van de Limburgse woningmarkt. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met het POL2014. 3.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ vastgesteld. Hierin worden de regels beschreven die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL-2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Sinds december 2014 is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL-2014. Afweging Uit de kaarten behorende bij de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ bestaan er hiermee geen belemmeringen.
Hoofdstuk 3
15
3.3 Regionaal beleid 3.3.1
Regionaal woonbeleid
De gemeente Venray heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Venray gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ (2016) een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Venray de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgaven in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.
Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.
Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.
Hoofdstuk 3
16
Afweging De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 19 wooneenheden binnen de kern van Ysselsteyn in de nabijheid van diverse voorzieningen. Gezien de situering en aard van het planvoornemen en de vraag naar woningen binnen dorpen sluit de beoogde ontwikkeling aan op regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1
Woonvisie Venray 2017
Op 16 mei 2017 heeft de gemeenteraad van Venray de ‘Woonvisie Venray 2017’ vastgesteld. De woonvisie geeft op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende jaren, met een focus op de rol van het wonen in de algehele ambitie om Venray sterker en aantrekkelijker te maken. Uit de in het kader van de woonvisie verrichte onderzoeken is gebleken dat in Limburg, dat wordt aangeduid als een anticipeergebied, er tegen de stroom in nog drie plaatsen zijn die groeien; één daarvan is de gemeente Venray. De kwaliteit van het wonen speelt een grote rol voor de tevredenheid, identiteit, zelfredzaamheid en participatie van Venraynaren en is ook van belang voor de economische ontwikkeling van Venray. Wanneer wordt gekeken naar de woonwensen van de Venrayse bevolking blijkt dat er een toename is in de vraag naar huur eengezinswoningen en huur appartementen. Daarnaast heeft de toenemende groep oudere huishoudens ook een voorkeur voor appartementen. Tevens wordt er de afgelopen jaren een trend gezien onder alleenstaanden om meer te kiezen voor stedelijk wonen. De effectieve vraag (gebaseerd op verhuispatronen in de periode 2010-2015) toont een vraag naar eengezinswoningen van 60% en appartementen van 40%. Dit is een verschuiving ten opzichte van de huidige verhoudingen in de woningvoorraad, waar 85% van de woningen een eengezinswoning is.
Nieuwe inwoners van de gemeente Venray gaan zorgen voor een belangrijke vraag naar nieuwe woningen. Deze vraag is een kans voor de gemeente om haar woningvoorraad toekomstbestendig te maken. Een deel van de toekomstbestendigheid wordt gezocht in de verbetering van de kwaliteit van de bestaande woningen. Het andere deel wordt gezocht in de vergroting van de woningdifferentiatie door de nieuwbouw van andere woningtypes. Onderhavige ontwikkeling voorziet in deze woningdifferentiatie door het realiseren van 19 wooneenheden (koopsegment) binnen de kern van Ysselsteyn. De woonvoorkeuren van de inwoners van Venray (afkomstig uit de ‘Woonvisie Venray 2017’) wijzen op een overschot aan woningen binnen het dorps milieu en in de laagbouwwijken. Dit zijn dan ook risicovolle segmenten voor de ontwikkeling van nieuwe woningbouw. Het verhuispatroon naar het dorps woonmilieu laat daarnaast een relatieve afname zien.
Hoofdstuk 3
17
Afweging Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 19 wooneenheden binnen de kern van Ysselsteyn. Het betreft een gedifferentieerd programma, bestaande uit 4 twee-onder-een-kap woningen, 8 levensloopbestendige woningen, 2 hoekwoningen en 5 tussenwoningen (start/levensloopbestendig). In het kader van het planvoornemen is een behoefte onderbouwing uitgevoerd, zie paragraaf 4.8. 3.4.2 Structuurvisie Dorpsontwikkelingsplan Ysselsteyn De gemeenteraad van Venray heeft op 28 september 2010 de structuurvisie Dorpsontwikkelingsplan Ysselsteyn vastgesteld. Hierin is een analyse van de huidige situatie van de kern Ysselsteyn en een hierop gebaseerde strategische visie neergelegd. In de strategische visie wordt de visie op Ysselsteyn voor de periode tot 2020 beschreven.
Uitsnede analysekaart behorende bij structuurvisie Dorpsontwikkelingsplan Ysselsteyn met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Op basis van de analyse van de huidige situatie zijn de sterktes en zwaktes, en de hiermee samenhangende kansen en bedreigingen van de kern Ysselsteyn in beeld gebracht, hetgeen heeft geresulteerd in een integrale gebiedsvisie. Deze visie voor de kern Ysselsteyn is gestoeld op 4 pijlers, te weten een ruimtelijke, functionele, economische en sociaal maatschappelijke pijler. In de ruimtelijke pijler
Hoofdstuk 3
18
wordt aangegeven op welke locaties in en rond de kern nieuwe (woningbouw)ontwikkelingen mogelijk zijn, en welke voorwaarden hieraan zijn verbonden. Op basis van de visiebepaling is een aantal speerpunten geformuleerd voor concrete ontwikkelingen in en rond de kern Ysselsteyn. Deze speerpunten zijn opgenomen in de uitvoeringsagenda behorende bij het dorpsontwikkelingsplan. Enkele van deze speerpunten zijn de herinrichting van het Lovinckplein, vermindering van overlast als gevolg van de omliggende intensieve veehouderijen, het stimuleren van bedrijvigheid en een concentratie van de gezondheidszorg in en rondom het dorp. Op basis van de strategische visie en de hierin geformuleerde speerpunten is een uitvoeringsagenda opgesteld, waarin 14 concrete agendapunten zijn benoemd. Deze punten zijn onder te verdelen in projecten op het gebied van: sociaal maatschappelijke aard; bedrijvigheid; openbare ruimte; milieu; verkeer. Onderhavig planvoornemen betreft deels de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van 19 wooneenheden. De locatie wordt in het DOP Ysselsteyn niet genoemd als mogelijke locatie voor woningbouwontwikkelingen. In principe is onderhavige ontwikkeling in strijd met het DOP Ysselsteyn.
Echter, het DOP is inmiddels achterhaald en zoals uit paragraaf 4.8 blijkt bestaat er zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte ten behoeve het planinitiatief binnen het verzorgingsgebied. Naast de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte is ook de locatie van het planvoornemen uitermate geschikt. De planlocatie is gelegen op de overgang van bestaand stedelijk gebied. Binnen bestaand stedelijk gebied is geen ruimte om 19 woningen te realiseren (daarbij wordt tevens rekening gehouden met andere woningbouwplannen). De locatie is onderdeel van het kern bestemmingsplan Ysselsteyn. Ruimtelijk gezien vormt de oostelijk gelegen Ringweg een contour rondom de kern en tevens een harde barrière met het buitengebied. Onderhavig plangebied is gelegen binnen deze contour. Het initiatief sluit direct aan op bestaand stedelijk gebied aan de Kievitsweg. Bovendien heeft de Kievitsweg reeds het karakter van een woonstraat. Het initiatief wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied en daarmee is er sprake van duurzaam ruimtegebruik. Derhalve kan geconcludeerd worden dat onderhavige projectlocatie een geschikte uitbreidingslocatie betreft binnen de dorpskern van Ysselsteyn en in lijn is met de beleidsuitgangspunten van het DOP Ysselsteyn. Afweging Het planvoornemen is in lijn met de beleidsuitgangspunten van het Dorpsontwikkelingsplan Ysselsteyn.
Hoofdstuk 3
19
3.4.3
Toekomstvisie Venray 2030
Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verbonden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. Hierbij moet gedacht worden aan (goede verbindingen naar) brede, maatschappelijke en passende voorzieningen, die met elkaar samenwerken. Hiervoor gebruiken inwoners bijvoorbeeld klimaatneutrale pendelbusjes, veelal met vrijwilligers achter het stuur. Ook moet gedacht worden aan een actief verenigingsleven, waar vrijwilligers van elkaar leren. Hierdoor is er in 2030 voor iedereen een ontmoetingsplek in een gebouw of buiten, hoeft niemand zich meer eenzaam of onveilig te voelen en kan iedereen meedoen. 2. woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray. Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden.
De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. Jonge gezinnen vinden er bijvoorbeeld geschikte woningen voor een redelijke prijs en met tal van voorzieningen. Kinderen kunnen naar goede scholen en veilig buiten spelen. Er zijn betaalbare starterswoningen, en lange wachtlijsten voor (sociale) huurwoningen zijn in 2030 verleden tijd. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken. Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. Kleinschalige coöperatieve burgerinitiatieven worden gestimuleerd. 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden.
In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid. Er is flink geïnvesteerd in stagemogelijkheden en om-, bij- en herscholing van de beroepsbevolking. Tweedekansonderwijs helpt mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk. En scholing van arbeidsmigranten, in de vorm van bijvoorbeeld taallessen, heeft de integratie bevorderd en biedt hen een duurzame verbondenheid met Venray. Dit wordt versterkt door echt mee te doen in de samenleving met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk.
Hoofdstuk 3
20
5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. Dat zorgt ervoor dat bedrijven en voorzieningen binnen Venray goed bereikbaar zijn, maar ook dat inwoners die buiten de gemeente werken of studeren snel op hun werk of onderwijsinstelling zijn. De bereikbaarheid binnen de gemeente en richting Nijmegen (noord), Venlo (zuid), Eindhoven (west) en Duitsland (oost) is verder verbeterd met het streven naar een robuust mobiliteitssysteem, nieuwe (organisatie)vormen van vervoer en door gebruik te maken van nieuwe en slimme technologieën. In 2030 zijn er vormen van deelvervoer (deelauto) geïntroduceerd. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends en ontwikkelingen die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends en ontwikkelingen zijn: andere invulling van de (schaarse) ruimte; klimaatverandering en energietransitie; nieuwe technologie; langer leven; nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; toenemende diversiteit; veranderende economie. Afweging Wanneer gekeken wordt naar onderhavig planvoornemen is hoofdzakelijk de ambitie ‘woon je groen en sociaal’ van belang.
Doelstelling is dat er tot 2030 voor elke levensfase een passende woning te vinden is binnen de gemeente Venray. Daarnaast moet er geen sprake meer zijn van een mismatch tussen inwoners en het woningaanbod. Er dient een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus te zijn. Jonge gezinnen vinden er bijvoorbeeld geschikte woningen voor een redelijke prijs en met tal van voorzieningen. Het beoogde planvoornemen voorziet in de realisatie van betaalbare woningen die in de directe nabijheid van de voorzieningen van de kern Ysselsteyn zijn gelegen. De levensloopbestendige woningen zijn daarnaast gezien hun uitvoering en ligging aantrekkelijk voor de groeiende groep ouderen. De beperkte afstand tot de voorzieningen in de kern (600m) zorgt ervoor dat deze groep ouderen langer zelfstandig kan blijven wonen. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen in lijn is met de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid.
Hoofdstuk 3
21
4.
UITVOERINGSASPECTEN Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Binnen dit hoofdstuk wordt gekeken naar de aspecten geluid, archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.
4.1 Milieuaspecten 4.1.1
Bodem
Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies zijn, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Onderzoek In het kader van onderhavige ontwikkeling is door Aeres Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd voor het plangebied. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 2. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium en lood. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. De lichte verontreinigingen in de bovengrond vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek wat betreft de gemeten componenten. De aanwezigheid van de gemeten componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar; Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, cadmium, koper, nikkel en zink. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is hierdoor niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Bij de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond plaatselijk bijmengingen met baksteen waargenomen. De aanwezige bebouwing bestaat uit een asbestverdachte dakbedekking. Op het maaiveld zijn bij de oostelijke stal enkele asbestverdachte golfplaten waargenomen. In de fijne en grove fractie ter plaatse van een asbestinspectiegat is asbesthoudend materiaal aangetroffen. In de fijne fractie van enkele grondmengmonsters overschrijdt de indicatief berekende asbestconcentratie de helft van de interventiewaarde (100 mg/kg d.s.). In de fijne fractie (<20 mm) van de grondmengmonsters is geen tot een licht verhoogde asbestconcentratie aangetoond. Conclusie 2
Aeres Milieu B.V., Verkennend bodemonderzoek Kievitsweg Ysselsteyn, rapportnummer AM19063, d.d. 10 februari 2020
Hoofdstuk 4
22
Op basis van het verkennend bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat een nader asbest in bodem onderzoek benodigd is en dat er een sanering plaats dient te vinden van asbestverdachte materialen. Globaal wordt volgend stappenplan voorgesteld: asbest dak verwijderen van de oostelijke stal; links en rechts van de oostelijke stal over een breedte van 1 meter de grond afgraven/saneren en afvoeren. Afgraven minimaal 20 cm, zie bijlage 4 van het betreffende bodemonderzoek boring ABG01. Hier is aangeven dat in de eerste 20 cm asbestverdacht materiaal is aangetroffen dat de waarde overschrijdt; sloop overige onderdelen oostelijke stal. De resultaten van het onderzoek en de sanering worden op een later moment bijgevoegd ten tijde van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen. Om de uitvoering van de sanering planologisch te waarborgen, is in het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, op basis waarvan de gronden uitsluitend bebouwd en gebruikt mogen worden ten behoeve van woondoeleinden, nadat de ter plaatse aanwezige asbestverdachte materialen zijn verwijderd / gesaneerd, conform een goedgekeurd saneringsplan of BUSmelding. Voor het overige kan op basis van het verkennend bodemonderzoek geconcludeerd worden dat de milieu hygiënische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.
De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond kunnen wel bij grondafvoer beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. 4.1.2
Geluidhinder wegverkeerslawaai
Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Hoofdstuk 4
23
Onderzoek In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. De Kievitsweg heeft zodoende geen wettelijke geluidszone. Er is wel een wettelijke geluidszone voor de Puttenweg en de Ringweg (50km/uur). Het onderzoeksbureau M-Tech heeft derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai3 uitgevoerd. Hieronder wordt kortstondig ingegaan op de bevindingen uit dit onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage in bijlage 3. Conform opgave gemeente dient enkel de Puttenweg te worden beschouwd. Overige wegen, inclusief de Kievitsweg, vallen buiten de Wet geluidhinder. Uit de akoestische berekeningen blijkt dat de berekende geluidbelasting (Lden) ter plaatse van de beoogde woningen ten hoogste 47 dB bedraagt. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer van 48 dB gerespecteerd. In het kader van de Wet geluidhinder vormt de geluidbelasting vanwege de geluid gezoneerde Puttenweg geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Een hogere waarde procedure is derhalve niet nodig. Conclusie Vanuit het aspect ‘geluidhinder wegverkeerslawaai’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.3
Luchtkwaliteit
Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal een van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) b) c) d)
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
3
M-Tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, rapportnummer.: Kie.Yss.19.AO BP-01, d.d. 28 november 2019
Hoofdstuk 4
24
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van 19 wooneenheden, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM 10 ter plaatse tussen de 18 en 20 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 20 en 25 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Hoofdstuk 4
25
Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Toetsing
Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 4
26
Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten, waarvoor de effecten op het gebied van externe veiligheid moeten worden getoetst. Inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat erin en in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen, waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden. In de onderstaande tabel zijn de inrichtingen in de omgeving weergeven inclusief afstanden tot aan het onderhavige plangebied. Afstand (m)
Adres
Functie
Activiteit
600
Jan Poelsweg 3
Benzineservicestation
700
Jan Poelsweg 4 Ysselsteynseweg 78 Rouwkuilenweg 25 Rouwkuilenweg 27
Akkerbouw
LPG-vulpunt, LPG-tank ondergronds, LPG-afleverinstallatie Bovengrondse propaantank 3.000 liter Bovengrondse propaantank 5.000 liter Bovengrondse propaantank 3.000 liter Bovengrondse propaantank 8.000 liter
815 1000 1000
Fokken en houden van Varkens Fokken en houden van pluimvee Fokken en houden van pluimvee
Risicoafstand (PR 10-6) (m) 35
Invloedsgebied (M)
20
0
20
0
20
0
25
0
150
Kortom, gelet op de afstanden in de tabel liggen risicovolle inrichtingen op dusdanige afstand dat het invloedsgebied niet tot het plangebied reikt. Derhalve vormt de ligging ten opzichte van de risicovolle activiteiten geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die een belemmering vormen voor de ontwikkeling van de wooneenheden. De dichtstbijzijnde leiding is gelegen op meer dan 1,1 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt hierdoor buiten het invloedsgebied van deze leiding. Spoorwegen Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Waterwegen Er is in de directe omgeving van het plangebied geen water gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Wegverkeer De dichtstbijzijnde wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zijn de N270 (Deurneseweg) en de N277 (Puttenweg). Deze wegen zijn respectievelijk op een afstand van circa 1,2 ten
Hoofdstuk 4
27
noorden van het plangebied gelegen en op een afstand van 70 meter ten zuiden van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 is 0 meter. Hier ligt het plangebied buiten. De overschrijdingsfactor van het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In het rapport 'Externe veiligheid provinciale wegen' van de Provincie Limburg zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N277 geen gegevens opgenomen. Ten aanzien van de N270 zijn wel transportgegevens bekend. Met betrekking tot de relevante stof categorie GF3 (brandbaar tot vloeibaar verdicht gas) geldt voor de N270 een te verwachten vervoersintensiteit van 390 transportbewegingen per jaar. Uit bijlage 4 van het betreffende rapport (kaartbeelden plaatsgebonden risico en groepsrisico huidige situatie) kan worden afgeleid dat ten aanzien van de N277 mag worden aangenomen dat dit aantal aanmerkelijk lager zal liggen. Gelet op deze lage transportintensiteiten, de afstand van het plangebied tot de N277 (70 m) en de N270 (1200 m) en de beperkte impact op het aantal personen binnen het gebied als gevolg van de toevoeging van 19 woningen, zal het groepsrisico als gevolg van beide transportassen de oriëntatiewaarde niet benaderen of overschrijden. De ligging ten opzichte van de N270 en N277 vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Verder vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen plaats. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.5
Milieuzonering
Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. Milieucategorie
Richtafstand tot gevoelige functies in
Richtafstand tot gevoelige
een rustige woonwijk
functies in gemengd gebied
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
Hoofdstuk 4
28
Toetsing In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De beoogde 19 wooneenheden zijn geen functies die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De wooneenheden betreffen daarentegen wel milieugevoelige functies. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert. De dichtstbijzijnde milieubelastende activiteit betreft een dierenartsenpraktijk aan de Ringweg 25 te Ysselsteyn. Deze milieucategorie 2 activiteit ligt op circa 90 meter ten zuiden van het plangebied. Formeel geldt een richtafstand van 30 meter tot de milieugevoelige functie. Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan. Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van de milieubelastende activiteiten waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De 19 wooneenheden belemmeren bedrijven en inrichtingen in de omgeving niet. Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief. 4.1.6
Geurhinder
Wet geurhinder en veehouderij De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De gemeenteraad van de gemeente Venray heeft een Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In deze verordening wijkt de gemeente Venray deels af van de wettelijke normen uit de Wgv. De geurverordening van de gemeente Venray stelt de volgende normen: a) Bestaande woongebieden 3,0 ouE/m3 b) Zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen 8,0 ouE/m3 c) Buitengebied 14,0 ouE/m3 De normstelling is onderbouwd in de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij (inclusief aanvulling uit 2011). Toetsing Voorgrondbelasting Ter plaatse van het onderhavige plangebied geld er conform de Geurverordening een geurnorm van 14 ouE/m3. Uit de geurhinderkaart met de voorgrondgeurbelastingen blijkt dat er in dat geval geen 14 ouE/m3-geurcontouren van andere intensieve veehouderijen over het te ontwikkelen plangebied liggen.
Hoofdstuk 4
29
Achtergrondbelasting
Uitsnede kaart ‘Achtergrondbelastingen Geurhinder (November 2018) met globale aanduiding plangebied (blauw omlijnd)
Voor nieuwe bouwplannen binnen het invloedsgebied van intensieve veehouderijen geldt dat, alvorens er gebouwd kan worden, verzekerd dient te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit de gemeentelijke kaart 'Achtergrondbelastingen Geurhinder' (november 2018) blijkt dat er ter plaatse van het te ontwikkelen deel van het plangebied sprake is van een matig leefklimaat. Uit het voorgaande blijkt dat er ter plaatse van de initiatieflocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat aan de vaste afstanden wordt voldaan. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat zowel voor de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting wordt voldaan aan de normen volgens de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray. Vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. Bovendien worden de veehouderijen in de omgeving niet beperkt als gevolg van deze ontwikkeling, omdat andere woningen in de omgeving dichter bij de veehouderijen zijn gelegen. 4.1.7 M.e.r.-plicht Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht.
Hoofdstuk 4
30
Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk.