03 Bestemmingsplan Herontwikkeling Eindstraat Bontekoestraat
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Eindstraat – Bontekoestraat, Venray’ Gemeente Venray Ontwerp
Bestemmingsplan ‘Herontwikkeling Eindstraat – Bontekoestraat, Venray’ Gemeente Venray Ontwerp
Rapportnummer:
P01161
IMRO:
NL.IMRO.0984.BP19029-ON01
Datum:
29 januari 2021
Opdrachtgever:
Ter Horst Beleggingen BV
Projectteam BRO:
LN
Concept:
25 november 2019
Ontwerp:
29 januari 2021
Vastgesteld: Trefwoorden:
Bestemmingsplan, Venray, Eindstraat, Bontekoestraat.
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 14
Beknopte inhoud:
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de realisatie van 16 wooneenheden aan de Eindstraat – Bontekoestraat te Venray. BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en plangrens 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Opbouw bestemmingsplan
3 3 4 5 6
2. GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing
7 7 8 9
3. BELEID 3.1 Rijksbeleid
10 10
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Barro (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid
10 11 12 13
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3 Regionaal beleid
13 15 15
3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 3.3.2 Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid
15 17 18
3.4.1 Woonvisie Venray 2017 3.4.2 Centrumvisie Venray 3.4.3 Toekomstvisie Venray 2030
18 19 20
4. ONDERZOEK 4.1 Milieuaspecten
23 23
4.1.1 Bodem 4.1.2 Geluidhinder wegverkeerslawaai 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Milieuzonering 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Leidingen en infrastructuur
Inhoudsopgave
23 25 26 28 30 31 33
1
4.4 Ecologie 4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Waterhuishouding 4.7 Onderzoek niet gesprongen explosieven 4.8 M.e.r.-beoordeling 4.9 Duurzaamheid
33 36 37 40 41 46
5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
47 47 47 47
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
48 48 49 50
6. HANDHAVING
52
7. HAALBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53 53 53
8. PROCEDURE
56
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Historisch bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Stikstofdepositieberekening aanlegfase Bijlage 5: Stikstofdepositieberekening gebruiksfase Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek incl. asbest
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Ter Horst Belegging B.V. is voornemens om drie percelen aan de Bontekoestraat 2 en Eindstraat in Venray te herontwikkelen tot woningbouw. Het voornemen bestaat om op deze percelen na de sloop van de bestaande bebouwing, in totaal maximaal zestien wooneenheden te realiseren (8 sociale huur en 8 middenhuur/koop). De ontwikkelingen vinden plaats op de percelen kadastraal bekend als Venray, sectie C, nummers 6942, 7954 en 7964.
Figuur 1 Topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rode pijl plangebied)
De voorgenomen ontwikkeling is niet rechtstreeks mogelijk op basis van het vigerend ‘omgevingsplan Centrum Venray’, dat op 27 oktober 2020 is vastgesteld door de gemeenteraad van Venray. Binnen dit bestemmingsplan is het perceel (nr. 7964) aan de Bontekoestraat 2 bestemd tot ‘Gemengd – Aanloopstraten’ en de twee percelen aan de zuidzijde (nr. 6942 en 7954) bestemd tot ‘Woongebied Grondgebonden’. Hier geldt dat wonen is toegestaan op de begane grond en op de verdieping. Echter is ten hoogste één woning per perceel is toegestaan. De beoogde gestapelde woningbouw (appartementen) is conform het ‘omgevingsplan Centrum Venray’ derhalve niet toegestaan op de planlocatie.
Hoofdstuk 1
3
De beoogde ontwikkeling is wel mogelijk middels het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor de planlocatie. Initiatiefnemer heeft er zodoende voor gekozen om een separaat bestemmingsplan op te stellen. Doel van dit bestemmingsplan is om te beschikken over een actueel bestemmingsplan voor het gewenste wooncomplex, waarin: (1) ontwikkelingsmogelijkheden worden vastgesteld, (2) een juridisch systeem wordt gekozen, dat past bij deze tijd, (3) passende zorg wordt gegeven aan milieucomponenten en (4) beschikt kan worden over een digitale verbeelding, conform IMRO-model, waardoor het plan ook digitaal geraadpleegd kan worden.
1.2 Ligging en plangrens Het plangebied ligt globaal gezien nagenoeg in het midden van het centrum van Venray tussen de Langeweg en Julianasingel. Het plangebied is gelegen op de hoek waar de Bontekoestraat en Eindstraat elkaar kruisen. Het noordelijk gelegen perceel bestaat voornamelijk uit bebouwing, welke in de toekomstige situatie gesloopt wordt. De twee zuidelijk gelegen percelen bestaan uit braakliggend terrein. In de directe omgeving bevinden zich voornamelijk woningen, enkele groenstroken en parkeerplaatsen. Noordelijke perceel plangebied Het noordelijke gelegen perceel grenst in noordoostelijke en zuidwestelijke richting aan twee woningen. In zuidelijke richting wordt dit perceel ontsloten door de Bontekoestraat. In noordwestelijke richting grenst het perceel aan een grasveld, welke momenteel een groenbestemming kent. Zuidelijke percelen plangebied De twee zuidelijk gelegen percelen worden in oostelijke richting ontsloten door de Eindstraat en in noordwestelijke richting door de Bontekoestraat. Ten zuiden van dit gebied ligt een woning en ten zuidwesten een parkeerplaats.
Figuur 2 Uitsnede luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
4
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerend ‘omgevingsplan Centrum Venray’, zoals vastgesteld op 27 oktober 2020 door de gemeenteraad van Venray. Binnen dit bestemmingsplan is het perceel (nr. 7964) aan de Bontekoestraat 2 bestemd tot ‘Gemengd - Aanloopstraten’ en de twee zuidelijke percelen (nr. 6942 en 7954) bestemd tot ‘Woongebied – Grondgebonden’. Ter plaatse van de bestemming ‘Gemengd – Aanloopstraten’ en ‘Woongebied – Grondgebonden’ geldt dat een woonfunctie toegestaan is op de begane grond en op de verdieping (artikel 6.2.2. onder i en artikel 19.2.2. onder a). Echter conform de specificatie in de planregels onder ‘welke voorwaarde is nog meer van toepassing’ geldt dat ten hoogste één woning per perceel is toegestaan. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van gestapelde woningbouw (appartementen). Tot slot geldt dat plaatse van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Binnen paragraaf 4.2 vindt een uiteenzetting plaats ten aanzien van deze dubbelbestemming. Voor een gedeelte van de noordelijke locatie gelden tevens de maatvoeringen ‘maximum bouwhoogte: 9m, maximum goothoogte 6m’ en ‘maximum bouwhoogte 7m, maximum goothoogte 6 m.
Figuur 3 Uitsnede vigerend bestemmingplan 'omgevingsplan Centrum Venray’ (plangebied rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
5
1.4 Opbouw bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 beschrijft het gebiedsprofiel en het besluitprofiel. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleidskader aan de orde. In hoofdstuk 4 komt de toetsing aan de milieu- en overige onderzoeksaspecten aan bod. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten en hoofdstuk 6 gaat in op de handhaving. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de haalbaarheid beschreven en wordt in hoofdstuk 8 de procedure toegelicht.
Hoofdstuk 1
6
2.
GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel Het plangebied omvat de percelen kadastraal bekend als Venray, sectie C, nummers 6942, 7954 en 7964. Het noordelijk gelegen perceel (nr. 7964) wordt deels gebruikt voor woondoeleinden en voorheen werd de bebouwing gebruikt door de Winkel van Sinkel. De Winkel van Sinkel is inmiddels verhuisd naar het centrum en het pand staat hierdoor momenteel leeg. Het vestigen van een nieuwe winkel (detailhandel) binnen de bebouwing aan de noordzijde is niet wenselijk, aangezien de beleidsdoelen uit de Centrumvisie voorzien in het compacter maken van het kernwinkelgebied. De twee zuidelijk gelegen percelen (nr. 6942 en 7954) bestaan uit braakliggend terrein met hierop enkele algemene ruigtekruiden.
Figuur 4 Uitsnede luchtfoto plangebied met aanzichten en directe omgeving (plangebied rood omlijnd)
Hoofdstuk 2
7
2.2 Toekomstige ontwikkeling Het voornemen bestaat om binnen het plangebied maximaal 16 wooneenheden (8 sociale huur en 8 middenhuur/koop) te realiseren. Hiervan zullen 8 wooneenheden zich bevinden op het noordelijk gedeelte en 8 wooneenheden op het zuidelijk gedeelte. De bebouwing zal hierbij bestaan uit twee bouwlagen. Op het noordelijk gelegen gedeelte wordt achter de wooneenheden een parkeerterrein gerealiseerd. In totaal zullen op dit parkeerterrein 16 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Op het zuidelijk gelegen gedeelte worden 4 bergingen gerealiseerd, daarnaast worden 12 bergingen gerealiseerd op het noordelijk terrein. Het parkeerterrein is bereikbaar middels een poort die is gelegen aan de Bontekoestraat. Het parkeerterrein zal alleen dienen voor eigen gebruik van de bewoners. Op de navolgende afbeelding is een afbeelding met de stedenbouwkundige invulling van het plangebied zichtbaar met daarin de ruimtelijke hoofdopzet van onderhavig plan.
Figuur 5 Stedenbouwkundige invulling plangebied
Hoofdstuk 2
8
2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing Aangezien er reeds woningen rondom het plangebied aanwezig zijn en het plangebied is gelegen binnen een bestaand woongebied, passen de nieuw te bouwen woningen functioneel in de omgeving. Daarnaast wordt qua hoogte en opbouw aangesloten bij de woningen in de omgeving, waar reeds diverse woningtypes, bouwhoogtes en kaprichtingen te zien zijn. Qua situering zullen de woningen met de voorgevel richting de omliggende wegen geprojecteerd worden. Gezien in de nabijheid van het plangebied een nieuw appartementencomplex gerealiseerd is (ten oosten van het plangebied) voorziet deze ontwikkeling in een aaneenschakeling van nieuwe kwalitatief hoogwaardige woningbouw. De beoogde nieuwbouw op de noordelijke locatie voorziet in de realisatie van nieuwe bebouwing die vanuit stedenbouwkundig perspectief goed aansluit op de omliggende bestaande bebouwing. In de onderstaande afbeelding volgt een sfeerbeeld met betrekking tot de te realiseren bebouwing binnen het plangebied.
Figuur 6 3D Sfeerbeeld toekomstige bebouwing plangebied
Tot slot bestaat het zuidelijke gedeelte van het plangebied uit een braakliggend terrein. Dit braakliggend terrein is niet passend binnen de omliggende omgeving, welke hoofdzakelijk bestaat uit het dicht verstedelijkte centrumgebied. De huidige invulling van het zuidelijk gedeelte van het plangebied doet daarnaast afbreuk aan de reeds gerealiseerde nieuwbouw ten noordoosten van het plangebied. Door de realisatie van kwalitatief hoogwaardige nieuwe wooneenheden sluit de zuidelijke locatie beter aan op de omliggende omgeving en ontstaat vanuit stedenbouwkundig perspectief daarnaast een straatbeeld dat beter op elkaar aansluit.
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEID In dit hoofdstuk wordt (beknopt) ingegaan op de relevante beleidsaspecten op rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 4. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 5. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 6. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 7. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.
Hoofdstuk 3
10
8. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 9. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 10. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 11. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 12. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 13. Beperken van klimaatverandering. 14. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 15. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 16. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 17. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 18. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 19. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 20. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 22. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 23. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 24.
Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de realisatie van de woningbouwkavels.
Hoofdstuk 3
11
3.1.3
Barro (Ladder voor duurzame verstedelijking)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Hierbij is de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om te motiveren hoe de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Indien de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, is een motivering nodig waarom men deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan realiseren (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
Afweging Conform het bestemmingsplan ‘Centrum’, zoals vastgesteld op 2 februari 2007 door de gemeenteraad van Venray was het mogelijk om op de locatie van de ‘Winkel van Sinkel’ in theorie een onbeperkt aantal woningen te realiseren. Binnen dit bestemmingsplan waren er geen beperkingen, zoals bijvoorbeeld een ‘maximum aantal wooneenheden’ of de voorwaarde dat enkel voorzien mag worden in de realisatie van één specifiek woningtype. Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van 8 appartementen op het noordelijk gedeelte van het plangebied. Binnen de bestemmingsplanregels wordt deze ontwikkeling ook gewaarborgd, middels de maatvoeringaanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 8’. Ten opzichte van de oorspronkelijke bouwregels werden de mogelijkheden omtrent woningbouw derhalve ingeperkt. Zodoende was er sprake van een sanering van woningbouw. Op de zuidelijke locatie van het plangebied wordt ook voorzien in de realisatie van 8 appartementen. Voorheen was hier een verkeersbestemming van toepassing conform het bestemmingsplan ‘Centrum’. Derhalve was er sprake van een kwantitatieve toevoeging van 8 wooneenheden. Het totale planvoornemen voorzag derhalve in de toevoeging van 8 wooneenheden.
Hiermee was er géén sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van het Bro, aangezien het aantal woningen minder bedraagt dan de in de jurisprudentie vastgestelde ondergrens van 11 woningen. Zodoende was er geen sprake van een toetsing ten aanzien van de behoefte aan de woningen. Volledigheidshalve dient daarnaast gesteld te worden dat de beoogde ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, hetgeen aansluit op de uitgangspunten binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast komt de ontwikkeling ook overeen met de regionale vraag naar woningen binnen centrumdorpen in de nabijheid van voorzieningen. Tot slot sluit onderhavig plan ook aan op de 1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
12
toekomstige woonwensen van de Venrayse bevolking en de groeiende geconstateerde verhuispatronen naar het stedelijk gebied. In afwijking van het voorgaande is bij de vaststelling van het ‘omgevingsplan Centrum Venray’ echter geen rekening gehouden met de bovenstaande planologische rechten. Hierdoor geldt in principe ter plaatse van de twee deellocaties dat nu een woonfunctie toegestaan is op de begane grond en op de verdieping (artikel 6.2.2. onder i en artikel 19.2.2. onder a). Echter conform de specificatie in de planregels onder ‘welke voorwaarde is nog meer van toepassing’ geldt dat ten hoogste één woning per perceel is toegestaan. Voor een gedeelte van het noordelijk perceel is daarnaast de aanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 1’ opgenomen. Onderhavige ontwikkeling was echter al bekend toen het ‘omgevingsplan Centrum Venray’ nog als ontwerp ter inzage lag. Derhalve is bij uitwerking van onderhavig plan uitgegaan van de juridisch planologische bepalingen, zoals deze voorheen van toepassing waren ten aanzien van het plangebied.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1
Provinciaal Omgevingsplan 2014
Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Figuur 7 Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering-Limburg' met gloable aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 3
13
Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ van het POL2014 ligt het plangebied in de zone ‘stedelijk centrum’. Dit zijn de gebieden binnen grotere binnensteden die gekenmerkt worden door een mix aan functies. Het accent binnen deze gebieden ligt op de ontwikkeling van centrum-stedelijk woonmilieu, bovenregionale centrumvoorzieningen en detailhandel, multimodaal bereik en cultuurhistorie. De Limburgse woningmarkt moet kwalitatief en kwantitatief de sprong maken naar een nieuwe werkelijkheid. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De groei eindigt, maar niet in de hele provincie gelijktijdig en op dezelfde manier: de top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord-Limburg bereikt rond 2028, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg vanaf 2017 al daalt, wat in delen van het gebied nu al volop waarneembaar is. Binnen de gemeente Venray is er naar schatting een woningbehoefte tot 2034. Overal moet de programmering ‘over de top heen kijken’, ook in de regio’s Noord en Midden, waar de woningbehoefte nog toeneemt. Dat vergt andere benaderingen, als inbreiding in plaats van uitleglocaties, planmatig verdichten en verdunnen. De opgave ligt vooral in het onttrekken van incourante (particuliere) woningen, het omvangrijk genoeg houden (c.q.
maken) van het aanbod aan huurwoningen en het planologisch niet meer uitbreiden van woonmilieus die er al in overvloed zijn. Naast de kwantitatieve uitdaging is er nog een kwalitatieve uitdaging. Deze kwalitatieve uitdaging vraagt om een andere manier van denken. Het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande woningvoorraad is dan ook een aanzienlijke opgave. De Limburgse woningmarkt heeft belang bij de ontwikkeling naar meer toekomstbestendigheid. Deze toekomstbestendigheid omvat meerdere aspecten: duurzaamheid (energieprestatie en-gebruik gedurende de hele levenscyclus van vastgoed, duurzaamheid en energie tijdens de bouw en sloop en hergebruik van materialen); flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden en functies; levensloopbestendigheid (gebruikskwaliteiten gedurende de levensloop van gebruikers); als ruimtelijke basis: de locatie van woning(en), wat een focus inhoudt op plaatsen waar de randvoorwaarden voor een hoogwaardig woonklimaat ook op langere termijn aanwezig zijn. Maatschappelijke en demografische trends leveren een vraag naar een ander type woningen op dan de voorraad nu biedt. Er komt bijvoorbeeld meer vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, in plaats van de gezinswoningen, meer vraag naar aanpasbare en levensloopbestendige woningen en naar energiezuinige woningen. De Limburgse woningmarkt kent hierdoor een paradox.
Er ontstaat namelijk (nu of op termijn) een overschot aan woningen (vooral particulier eigendom, waaronder incourant bezit), terwijl er tegelijk een impuls in de vorm van nieuwbouw nodig is (vooral huurwoningen) om ook op de langere termijn de gevraagde kwaliteiten te kunnen bieden. Deze kwalitatieve opgave moet, gezien de afnemende kwantitatieve vraag, vooral gerealiseerd worden in de bestaande woningvoorraad, waarbij nieuwbouw (in de vorm van uitbreiding dan wel vervanging) vooral moet worden ingezet om te voorzien in de vraag naar datgene waaraan ook op langere termijn het meest behoefte bestaat.
Hoofdstuk 3
14
Afweging Middels onderhavig plan wordt ingespeeld op de veranderende vraag naar woningen. Er zal een herstructurering plaats vinden, waarbij de bestaande bebouwing gesloopt wordt en passende nieuwbouw terugkomt die aansluit op de groeiende kwalitatieve opgave. De beoogde appartementen zijn gelegen in het centrum van Venray in de nabijheid van een groot aantal voorzieningen. De locatie van de woningen sluit derhalve aan de regionale en lokale geconstateerde verhuisbewegingen naar het stedelijk gebied. Daarnaast is de beoogde nieuwbouw in vergelijking tot de bestaande bebouwing zuiniger qua energieverbruik (zie paragraaf 4.9). Dit sluit aan bij het toekomstbestendig maken van de Limburgse woningmarkt. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met het POL2014. 3.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ vastgesteld. Hierin worden de regels beschreven die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL-2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Sinds december 2014 is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL-2014. Afweging Uit de kaarten behorende bij de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ bestaan er hiermee geen belemmeringen.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1
Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024
In de Regionale woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.
Hoofdstuk 3
15
Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen. Gekeken dient te worden naar koppelkansen. Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte. De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na. Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.
Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie NoordLimburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. Binnen het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad.
Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen. Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koopen ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan.
Hoofdstuk 3
16
In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft het overzicht met theoretische tekorten en overschotten een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.
Figuur 8: Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)
Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 16 appartementen mogelijk gemaakt op een inbreidingslocatie in het centrumgebied van Venray (in de directe nabijheid van een groot aantal voorzieningen). Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De realisatie van de beoogde appartementen (8 sociale huur en 8 middenhuur/koop, hoofdzakelijk bestemd voor kleinere huishoudens en gelegen binnen een kern) zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Er is een groeiende vraag naar de beoogde woningbouwsegmenten die gerealiseerd worden binnen onderhavig plan. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.3.2
Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg
De ‘Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg’ is een uitwerking van het POL2014, waarin de regiogemeenten door de Provincie Limburg worden aangespoord om een aanpak te formuleren voor het
Hoofdstuk 3
17
´nieuwe groeien´. Ten aanzien van het thema detailhandel zijn de afgelopen jaren diverse rapporten verschenen, zoals de ‘Detailhandelsvisie Provincie Limburg’ (Kamer van Koophandel/Ondernemend Limburg), herijking detailhandelsvisie Limburg 2015 (MKB Limburg) en het rapport ‘Het winkelgebied van de toekomst’ van Platform 31. De ‘Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg’ bevat een beschrijving van het doel en de reikwijdte van de visie. Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de relevante kaders op rijks- en provinciaalniveau. Tevens wordt een overzicht van de trends en ontwikkelingen gegeven en vindt een analyse plaats van de regionale winkelgebieden. Binnen de detailhandelsvisie wordt ook beschreven welke aanpak en afspraken regionaal gemaakt worden om een gezond en gedifferentieerd winkelklimaat te behouden. Binnen de analyse voor het winkelgebied van ‘Venray’ wordt gesteld dat het centrum van Venray een sterke positie heeft als 2e winkelstad van Noord-Limburg. Echter wordt het centrum van Venray geconfronteerd met dezelfde ontwikkelingen op retailgebied die zich ook in de rest van Nederland voordoen. Het meest zichtbaar is dit in de toenemende leegstand binnen het centrum. De gemeente wil hier samen met haar partners iets aan gaan doen.
In 2015 heeft de gemeente Venray een ‘retaildeal’ gesloten in het kader van de landelijke Retailagenda, en in 2016 is een centrumvisie inclusief actieprogramma opgesteld. De belangrijkste ruimtelijke opgave is het compacter maken van het kernwinkelgebied (met ca. 15%) door het stimuleren van verplaatsingen en de transformatie van (leegstaande) winkelpanden in de aanloopstraten. Afweging Het plangebied is gelegen aan een aanloopstraat, waarbij de detailhandelsfunctie (Winkel van Sinkel) reeds verplaatst is naar het centrum van Venray. Deze ontwikkeling sluit aan op de opgave voor Venray, zoals geformuleerd binnen de ‘Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg’. Onderhavig plan voorziet daarnaast in de transformatie van het momenteel leegstaande winkelpand. Ook deze ontwikkeling sluit aan op de opgave voor Venray, zoals geformuleerd binnen de ‘Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg. Het beoogde planvoornemen om binnen het plangebied winkelmeters te saneren en de locatie te transformeren tot kwalitatief hoogwaardige woningbouw is dan ook in lijn met de ‘Regionale detailhandelsvisie Noord-Limburg’.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1
Woonvisie Venray 2017
Op 16 mei 2017 heeft de gemeenteraad van Venray de ‘Woonvisie Venray 2017’ vastgesteld. De woonvisie geeft op hoofdlijnen de visie van het gemeentebestuur voor de komende jaren, met een focus op de rol van het wonen in de algehele ambitie om Venray sterker en aantrekkelijker te maken.
Hoofdstuk 3
18
Uit de in het kader van de woonvisie verrichte onderzoeken is gebleken dat in Limburg, dat wordt aangeduid als een anticipeergebied, er tegen de stroom in nog drie plaatsen zijn die groeien; één daarvan is de gemeente Venray. De kwaliteit van het wonen speelt een grote rol voor de tevredenheid, identiteit, zelfredzaamheid en participatie van Venraynaren en is ook van belang voor de economische ontwikkeling van Venray. Wanneer wordt gekeken naar de woonwensen van de Venrayse bevolking blijkt dat er een toename is in de vraag naar huur eengezinswoningen en huur appartementen. Daarnaast heeft de toenemende groep oudere huishoudens ook een voorkeur voor appartementen. Tevens wordt er de afgelopen jaren een trend gezien onder alleenstaanden om meer te kiezen voor stedelijk wonen. De effectieve vraag (gebaseerd op verhuispatronen in de periode 2010-2015) toont een vraag naar eengezinswoningen van 60% en appartementen van 40%. Dit is een verschuiving ten opzichte van de huidige verhoudingen in de woningvoorraad, waar 85% van de woningen een eengezinswoning is. Nieuwe inwoners van de gemeente Venray gaan zorgen voor een belangrijke vraag naar nieuwe woningen. Deze vraag is een kans voor de gemeente om haar woningvoorraad toekomstbestendig te maken. Een deel van de toekomstbestendigheid wordt gezocht in de verbetering van de kwaliteit van de bestaande woningen.
Het andere deel wordt gezocht in de vergroting van de woningdifferentiatie door de nieuwbouw van andere woningtypes. Afweging Het voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 16 wooneenheden (8 sociale huur en 8 middenhuur/koop) binnen het centrum van Venray. De woningen zijn bestemd voor kleinere huishoudens. Er is een druk op het goedkope en betaalbare segment van de sociale voorraad en daarnaast zal er volgens E’til de komende jaren meer behoefte zijn aan goedkope, kleinere huurwoningen in het stedelijk gebied (en aan voor senioren geschikte woningen). Onderhavig plan sluit gezien de ruimtelijke opzet en woningbouwsegmenten aan op de toekomstige woonwensen van de Venrayse bevolking (groeiende vraag naar appartementen) en de groeiende geconstateerde verhuispatronen naar het stedelijk gebied (mede veroorzaakt door alleenstaanden en ouderen). De woonvoorkeuren wijzen op een dreigend overschot aan de woonmilieus ‘dorps milieu’ en in de ‘laagbouwwijk’. Derhalve heeft het de voorkeur om woningbouw niet binnen deze woonmilieus plaats te laten vinden, maar te richten op woonmilieus waar een groeiende vraag naar is (stedelijk gebied). Gezien de ligging van het plangebied binnen het stedelijk woonmilieu en het beoogde woningtype ‘appartementen’ sluit de ontwikkeling aan op de uitgangspunten binnen de ‘Woonvisie Venray 2017’. 3.4.2
Centrumvisie Venray
De gemeente Venray heeft samen met ondernemers, eigenaren en bewoners de Centrumvisie Venray opgesteld, welke door de gemeenteraad is vastgesteld op 27 september 2016. Deze centrumvisie is opgesteld om te anticiperen op de huidige en toekomstige dynamiek in het centrumgebied. De visie fungeert als stip op de horizon, als inspiratiekader voor de samenwerking tussen betrokken partijen. Het doel van de centrumvisie is het versterken van het centrumgebied, het oplossen van de problemen met leegstand en het grijpen van kansen.
Hoofdstuk 3
19
Binnen de Centrumvisie Venray wordt aangedragen dat binnen het centrum een mix nodig is van functies bestaande uit winkelen, boodschappen doen, doelgerichte aankopen, marktbezoek, evenementen, horeca, leisure, cultuur, uitgaan en vermaak. Maar ook wonen, werken, studie en zorg horen weer belangrijke dragers te worden. Opgave binnen het centrumgebied van Venray is om in te zetten op een juiste mix van functies met maximale onderlinge synergie. Het uitgangspunt hierbij is dat er een compacte en heldere winkelroute in het hart van Venray ontstaat met daaromheen onderscheidende deelgebieden. Binnen de zogenoemde transformatiegebieden zal het accent komen te liggen op andersoortige functies. Binnen deze gebieden ontstaat ook ruimte voor nieuwe vormen van ondernemerschap, bedrijvigheid en wonen. De Eindstraat wordt binnen de Centrumvisie Venray aangemerkt als een ‘aanloopstraat’. Dit zijn de straten in het centrumgebied die direct aanhaken op het kernwinkelgebied. De winkel- en horecafunctie is hier niet dominant. Doelstelling is om hier zakelijke dienstverlening, ambacht, cultuur, zorg, werken en wonen te laten domineren. De aanloopstraten liggen in sommige gevallen nabij bronpunten van verkeer en sommige zijn toegankelijk per auto. De aanloopstraten vervullen hiermee een belangrijke functie tussen het kernwinkelgebied en de bronpunten.
Het streven om het kernwinkelgebied compacter te maken, vormt het nieuwe beleid en de basis voor het ‘omgevingsplan Centrum Venray’. Vertaald naar het bestemmingsplan betekent dit dat het gebied met een centrumbestemming (het kernwinkelgebied) kleiner wordt en het gebied met een gemengde bestemming (de aanloopstraten) groter wordt. Binnen de centrumbestemming voeren de functies detailhandel, dienstverlening en horeca de hoofdmoot. Binnen de gemengde bestemming ligt minder de nadruk op detailhandel maar zal de bestemming juist worden verruimd met meer mogelijkheden voor bijvoorbeeld wonen. De huidige gedeeltelijke functionele invulling van het noordelijk perceel als detailhandel sluit niet aan op de beoogde doelstelling. Binnen de Centrumvisie Venray wordt aangegeven dat de gemeente de detailhandelsfunctie in het kernwinkelgebied versterkt, maar in de aanloopstraten wordt gekozen voor transformatie. Het accent komt hierbij te liggen op andersoortige functies. Hierbij ontstaat onder andere ruimte voor wonen. De nieuwe beoogde functionele invulling (woningbouw) sluit zodoende beter aan op de gestelde doelen binnen de Centrumvisie Venray. Afweging In lijn met de ‘Centrumvisie Venray’ is het plangebied gelegen aan een aanloopstraat, waarbij de functie wonen wordt erkend als een gewenste functionele invulling.
De realisatie van de wooneenheden sluit hierdoor aan op de beoogde transformatie van het centrumgebied van Venray. De ‘Centrumvisie Venray’ vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.4.3
Toekomstvisie Venray 2030
Binnen de ‘Toekomstvisie Venray’ staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie is tot stand gekomen op basis van de inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray.
Hoofdstuk 3
20
De gemeente Venray heeft voor de komende tien jaar de navolgende vijf concrete ambities geformuleerd: 1. zijn inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen met elkaar verboden; Ambitie in het jaar 2030: Om deze eerste ambitie te realiseren zal de gemeente Venray de komende tien jaar op actieve wijze initiatieven stimuleren en ondersteunen die ontmoeting en verbinding tussen verschillende leeftijdsgroepen of culturele groepen tot stand brengen. Hierbij moet gedacht worden aan (goede verbindingen naar) brede, maatschappelijke en passende voorzieningen, die met elkaar samenwerken. Hiervoor gebruiken inwoners bijvoorbeeld klimaatneutrale pendelbusjes, veelal met vrijwilligers achter het stuur. Ook moet gedacht worden aan een actief verenigingsleven, waar vrijwilligers van elkaar leren. Hierdoor is er in 2030 voor iedereen een ontmoetingsplek in een gebouw of buiten, hoeft niemand zich meer eenzaam of onveilig te voelen en kan iedereen meedoen. 2. woon je groen en sociaal; Ambitie in het jaar 2030: Tot 2030 is nog sprake van een bevolkingstoename in Venray. Desondanks kan je de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus.
Jonge gezinnen vinden er bijvoorbeeld geschikte woningen voor een redelijke prijs en met tal van voorzieningen. Kinderen kunnen naar goede scholen en veilig buiten spelen. Er zijn betaalbare starterswoningen, en lange wachtlijsten voor (sociale) huurwoningen zijn in 2030 verleden tijd. 3. zorgt ondernemerschap met aandacht voor mens, dier en milieu, voor nieuwe economische kansen; Ambitie in het jaar 2030: Hergebruik, recycling en het gebruik van herbruikbare materialen is in 2030 de norm, waardoor we zowel de grondstoffenvoorziening als onze milieu-impact beperken. Bovendien hebben we in 2030 de verantwoordelijkheid genomen voor onze eigen energievoorziening en zijn we aan de slag met energiebesparing, opwekking van duurzame elektriciteit en het gebruik van duurzame warmte. De energietransitie zet zich nog voort tot 2050. Dan willen we energieneutraal zijn. Kleinschalige coöperatieve burgerinitiatieven worden gestimuleerd. 4. stroomt kennis, creativiteit en vernieuwing; Ambitie in het jaar 2030: In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. In 2030 is de regionale arbeidsmarkt versterkt vanuit de driehoek bedrijven, onderwijs en overheid.
Er is flink geïnvesteerd in stagemogelijkheden en om-, bij- en herscholing van de beroepsbevolking. Tweedekansonderwijs helpt mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk. En scholing van arbeidsmigranten, in de vorm van bijvoorbeeld taallessen, heeft de integratie bevorderd en biedt hen een duurzame verbondenheid met Venray. Dit wordt versterkt door echt mee te doen in de samenleving met bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. 5. is iedereen mobiel. Ambitie in het jaar 2030: Het bevorderen van de bereikbaarheid staat hoog op de gemeentelijke en regionale agenda. Venray heeft in 2030 een veilig, toegankelijk en betrouwbaar mobiliteitssysteem met, waar mogelijk, schone en stille mobiliteit. Dat zorgt ervoor dat bedrijven en
Hoofdstuk 3
21
voorzieningen binnen Venray goed bereikbaar zijn, maar ook dat inwoners die buiten de gemeente werken of studeren snel op hun werk of onderwijsinstelling zijn. De bereikbaarheid binnen de gemeente en richting Nijmegen (noord), Venlo (zuid), Eindhoven (west) en Duitsland (oost) is verder verbeterd met het streven naar een robuust mobiliteitssysteem, nieuwe (organisatie)vormen van vervoer en door gebruik te maken van nieuwe en slimme technologieën. In 2030 zijn er vormen van deelvervoer (deelauto) geïntroduceerd. De bovenstaande ambities zijn gebaseerd op een aantal trends- en ontwikkeling die geconstateerd zijn binnen de gemeente Venray. Deze trends- en ontwikkeling zijn: andere invulling van de (schaarse) ruimte; klimaatverandering en energietransitie; nieuwe technologie; langer leven; nieuwe rolinvulling inwoners en overheid; toenemende diversiteit; veranderede economie. Afweging Wanneer gekeken wordt naar onderhavig planvoornemen is hoofdzakelijk de ambitie ‘woon je groen en sociaal’ van belang. Doelstelling is dat er tot 2030 voor elke levensfase een passende woning te vinden is binnen de gemeente Venray. Daarnaast moet er geen sprake meer zijn van een mismatch tussen inwoners en het woningaanbod. Er dient een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus te zijn.
Jonge gezinnen vinden er bijvoorbeeld geschikte woningen voor een redelijke prijs en met tal van voorzieningen. Het beoogde planvoornemen voorziet in de realisatie van betaalbare appartementen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een groot aantal voorzieningen. De vraag naar appartementen stijgt naar verwachting de komende jaren, waardoor wordt voorzien in een passend woningaanbod. De beoogde appartementen zijn daarnaast gezien hun ligging in de directe nabijheid aantrekkelijk voor de groeiende groep ouderen. De direct nabijheid van voorzieningen zorgt ervoor dat deze groep ouderen langer zelfstandig kan blijven wonen.
Hoofdstuk 3
22
4.
ONDERZOEK Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten geluid en lichthinder voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.
4.1 Milieuaspecten 4.1.1
Bodem
Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een planologische procedure (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem beschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen op deze (deel)locatie, wat gevoelige functies zijn, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor op deze locatie geschikt is. Onderzoek In het kader van onderhavige ontwikkeling is door Econsultancy een historisch bodemonderzoek2 uitgevoerd voor het plangebied. Uit dit onderzoek is gebleken dat voor de noordelijke locatie bijmengingen met puin zijn waargenomen op het maaiveld. Daarnaast is binnen deze locatie tevens asbestverdachte dakbedekking waargenomen. Deze dakbedekking is niet voorzien van een dakgoot, waardoor hemelwater direct afstroom op de onverharde ondergrond. Verwacht wordt daarom, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen kunnen voorkomen in de bodem. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn zware metalen, PAK en asbest. Er wordt daarom aanbevolen de noordelijke locatie te onderzoeken volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL)”.
Het doel van dit verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt. Ter plaatse van de zuidelijke locatie is een half-verharding met puin/grind aanwezig. Het materiaal in de halfverharding is van onbekende herkomst en dient daarom als verdacht te worden beschouwd op de aanwezigheid van asbest. Daarnaast kan door mogelijke uitloging van zware metalen de onderliggende bodem verontreinigd zijn geraakt. 2
Econsultancy, Historisch bodemonderzoek Bontekoestraat/Eindstraat te Venray, rapportnr.: 9932.00, d.d. 6 juni 2019
Hoofdstuk 4
23
In het kader van de bestemmingsplanwijziging dient de bodem onder de half-verharding te worden onderzocht volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL)”. Omdat bij de herontwikkeling van het terrein ook de half-verharding verwijderd wordt, wordt geadviseerd om ook de half-verharding te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest. Gezien de bovenstaande bevindingen is in het kader van onderhavig plan een verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in puin/grond3 uitgevoerd. Deellocatie A (winkelpand en tuin) Op basis van het historisch bodemonderzoek is geconcludeerd, dat dit deel van het plangebied onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig” (VED-HE-NL). De bodem ter plaatse van deellocatie A (winkelpand en tuin) bestaat voornamelijk uit matig tot uiterst siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus en plaatselijk zwak grindig. De ondergrond is plaatselijk zwak humeus en zwak tot sterk gleyhoudend. Bovendien is de ondergrond plaatselijk zwak grindig. De bovengrond is plaatselijk zwak puinhoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
Daarnaast zijn er ook tijdens de werkzaamheden zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond ter plaatse van boring A06 is sterk verontreinigd met zink en matig verontreinigd met lood. Verder is de bovengrond ter plaatse van boring A02 en A04 licht tot matig verontreinigd met lood en zink. De overige bovengrond is licht verontreinigd met lood en zink. Bovendien is de gehele bovengrond licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik en PAK. De ondergrond is zeer plaatselijk licht verontreinigd met lood en zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en xylenen. Deze metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Deellocatie B (Parkeerplaats en omliggend terrein) Op basis van het historisch bodemonderzoek is geconcludeerd dat dit deel van het plangebied onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bodem ter plaatse van deellocatie B (parkeerplaats en omliggend terrein) bestaat voornamelijk uit matig tot uiterst siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus en zwak tot sterk grindig. De ondergrond is plaatselijk zwak tot matig gleyhoudend.
In de bodem tot maximaal 1,5 m -mv van de gehele onderzoekslocatie zijn plaatselijk in verschillende gradaties baksteen- en be-
3
Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in puin/grond, rapportnummer.: 9932.002, d.d. 17 januari 2020
Hoofdstuk 4
24
ton-delen aangetroffen. Bovendien is ter plaatse van boring B03 een volledige baksteenlaag aangetroffen over het traject 0,5-1,2 m -mv. Deze volledig baksteen houdende laag wordt niet gezien als ‘bodem’. En is derhalve niet onderzocht. Ter plaatse van boring B03 zijn verder dakpan-delen aangetroffen. Tijdens de werkzaamheden zijn er zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is licht verontreinigd met lood en PAK. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met lood. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen en xylenen. Asbest Tijdens de werkzaamheden zijn er op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem en in de volledige baksteenlaag zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Conclusie Gezien de bovenstaande bevindingen dient er ten aanzien van deellocatie A (winkelpand en tuin) een nader onderzoek plaats te vinden naar de aard en omvang van de geconstateerde verontreiniging met lood en zink.
Gelet op de aard en mate van verontreinig in de grond en het grondwater ter plaatse van deellocatie B is er geen nadere onderzoek noodzakelijk. Milieuhygiënisch bestaan er derhalve géén belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging op deellocatie B (parkeerplaats). Om te waarborgen dat er op deellocatie A (winkelpand en tuin) een nader onderzoek naar de verontreiniging met lood en zink plaatsvindt is binnen de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting bepaalt dat het gebruiken van gronden, het bouwen van hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ter plaatse van deellocatie A uitsluitend is toegestaan indien een nader onderzoek naar de verontreiniging met lood en zink plaatsvindt. Indien dit onderzoek aantoont dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoet aan het gebruik ten behoeve van de beoogde woonfunctie is geen verder onderzoek noodzakelijk. Deze voorwaardelijke verplichting zorgt er zodoende voor dat het aspect ‘bodem’ in voldoende mate is gewaarborgd binnen het voorliggend plan. 4.1.2
Geluidhinder wegverkeerslawaai
Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Hoofdstuk 4
25
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Onderzoek In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. De Bontekoestraat en Eindstraat hebben zodoende geen wettelijke geluidszone. Er is wel een wettelijke geluidszone voor de Julianasingel/Raadhuisstraat (50km/uur). Gezien de afstand tussen de beoogde woningen en de afschermende werking zal de geluidsbelasting van deze wegen echter niet relevant zijn. De te bouwen woningen zijn daarnaast gelegen binnen de wettelijke geluidszone van 200 meter vanaf de Langeweg. Het onderzoeksbureau M-Tech heeft zodoende een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai4 uitgevoerd. Hieronder wordt kortstondig ingegaan op de bevindingen uit dit onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. De beoogde ontwikkeling bevindt zich binnen de invloedssfeer van de Langeweg, 50 km/uur. De geluidsbelasting vanwege de Langeweg bedraagt ten hoogste 37 dB.
De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee gerespecteerd. In het kader van de Wet geluidhinder vormt de geluidbelasting vanwege de omliggende geluidgezoneerde wegen geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. Conclusie Vanuit het aspect ‘geluidhinder wegverkeerslawaai’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.3
Luchtkwaliteit
Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) b) c) d)
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Het Besluit NIBM 4
M-Tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, rapportnummer.: Bon.Ven.19.AO BP-01, d.d. 16 mei 2019
Hoofdstuk 4
26
De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.