02 Actualisatie APV 2023 (concept raadsbesluit)
Tekst van het document
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Venray 2023 De raad van de gemeente Venray;
gelezen het advies van B en W van 28 maart 2023,
gelezen het advies van de commissie d.d. 19 april 2023,
gelet op artikel 149 Gemeentewet,
besluit vast te stellen de volgende verordening:
Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Venray 2023
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1:1
Definities
Artikel 1:2
Beslistermijn
Artikel 1:3
Indiening aanvraag
Artikel 1:4
Voorschriften en beperkingen
Artikel 1:5
Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
Artikel 1:6
Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
Artikel 1:7
Termijnen
Artikel 1:8
Weigeringsgronden
1
Hoofdstuk 2
Openbare Orde
Afdeling 1
Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1
Samenscholing en ongeregeldheden
Afdeling 2
Betoging
Artikel 2:2
Optochten
Artikel 2:3
Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
Artikel 2:4
Afwijking termijn
Artikel 2:5
Te verstrekken gegevens
Afdeling 3
Verspreiden van gedrukte stukken
Artikel 2:6
Beperkingen aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
Afdeling 4
Vertoningen en dergelijke op de weg
Artikel 2:7
Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke
Artikel 2:8
Dienstverlening
Artikel 2:9
Straatartiest en dergelijke
Afdeling 5
Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:10
Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd met de publieke functie ervan
Artikel 2:10a
Het gebruik van een evenemententerras
Artikel 2:10b
Vrij te stellen categorieën
Artikel 2:11
(Omgevings-) vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Artikel 2:12
Maken, veranderen van een uitweg
Afdeling 6
Veiligheid op de weg
Artikel 2:13
Veroorzaken van gladheid
Artikel 2:14
Winkelwagentjes
Artikel 2:15
Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
2
Artikel 2:16
Openen straatkolken en dergelijke
Artikel 2:17
Kelderingangen en dergelijke
Artikel 2:18
Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Artikel 2:19
Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
Artikel 2:20
Vallende voorwerpen
Artikel 2:21
Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Artikel 2:22
Objecten onder hoogspanningslijn
Artikel 2:23
Veiligheid op het ijs
Afdeling 7
Evenementen
Artikel 2:24
Definities
Artikel 2:25
Evenementenvergunning
Artikel 2:25a
Ontheffing vergunningplicht
Artikel 2:26
Ordeverstoring
Afdeling 8
Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27
Definities
Artikel 2:28
Exploitatie openbare inrichting
Artikel 2:28a
Overgangsbepaling
Artikel 2:29
Sluitingstijd
Artikel 2:30
Afwijking sluitingstijd, tijdelijke sluiting
Artikel 2:31
Verboden gedragingen
Artikel 2:32
Handel binnen openbare inrichtingen
Artikel 2:33
Zwarte lijst
Artikel 2:34
Het college als bevoegd bestuursorgaan
Artikel 2:35
Kunststof drinkgerei
3
Afdeling 9
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:36
Definitie inrichting
Artikel 2:37
Kennisgeving exploitatie
Artikel 2:37a
Nachtregister
Artikel 2:38
Verschaffing gegevens nachtregister
Afdeling 9a
Toezicht op kamerverhuur
Artikel 2:38a
Definities
Artikel 2:38b
Meldplicht kamerverhuurbedrijf
Afdeling 10
Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:39
Speelgelegenheden
Artikel 2:40
Kansspelautomaten
Afdeling 11
Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:41
Betreden gesloten woning of lokaal
Artikel 2:42
Plakken en kladden
Artikel 2:43
Vervoer plakgereedschap en dergelijke
Artikel 2:44
Vervoer inbrekerswerktuigen
Artikel 2:44a
Lachgas
Artikel 2:45
Betreden van plantsoenen en dergelijke
Artikel 2:46
Rijden over bermen en dergelijke
Artikel 2:47
Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel 2:48
Verboden drankgebruik
Artikel 2:49
Verboden gedrag bij of in gebouwen
Artikel 2:50
Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Artikel 2:51
Neerzetten van fietsen en dergelijke
Artikel 2:52
Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein en dergelijke
4
Artikel 2:53
Bespieden van personen
Artikel 2:54
Bewakingsapparatuur
Artikel 2:55
Nodeloos alarmeren
Artikel 2:56
Alarminstallaties
Artikel 2:57
Loslopende honden
Artikel 2:58
Verontreiniging door honden
Artikel 2:59
Gevaarlijke honden
Artikel 2:60
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Artikel 2:61
Wilde dieren
Artikel 2:62
Loslopend vee
Artikel 2:63
Duiven
Artikel 2:64
Bijen
Artikel 2:65
Bedelarij
Artikel 2:65a
Slaapverblijf op de weg
Afdeling 12
Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66
Definitie
Artikel 2:67
Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
Artikel 2:68
Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
Artikel 2:69
Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
Artikel 2:70
Handel in horecabedrijven
Afdeling 13
Vuurwerk
Artikel 2:71
Definitie
Artikel 2:72
Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen
Artikel 2:73
Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens jaarwisseling
Artikel 2:73a
Carbidschieten 5
Afdeling 14
Drugsoverlast
Artikel 2:74
Drugshandel op straat
Artikel 2:74a
Verzameling van personen in verband met drugs
Artikel 2:74b
Verblijfsontzegging in verband met drugs
Artikel 2:74c
Openlijk gebruik van drugs
Artikel 2:74d
Weggooien spuiten en dergelijke
Afdeling 15
Bestuurlijke ophouding, gebiedsontzeggingen en cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:75
Bestuurlijke ophouding
Artikel 2:76
Gebiedsontzeggingen
Artikel 2:77
Cameratoezicht op openbare plaatsen
Artikel 2:78
Veiligheidsrisicogebieden
Artikel 2:79
Woonoverlast
Afdeling 16
Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Artikel 2:80
Begripsomschrijvingen
Artikel 2:81
Exploitatie bedrijf
Artikel 2:82
Weigeringsgronden
Artikel 2:83
Beheerder
Artikel 2:84
Intrekken vergunning
Artikel 2:85
Bevelen tijdelijke sluiting
Artikel 2:86
Overgangsregeling
Hoofdstuk 3
Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen
Afdeling 1
Algemene Bepalingen
Artikel 3:1
Definities
Artikel 3:2
Bevoegd bestuursorgaan
6
Artikel 3:3
Nadere regels
Afdeling 2
Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke
Artikel 3:4
Seksinrichtingen
Artikel 3:5
Gedragseisen exploitant en beheerder
Artikel 3:6
Sluitingstijden
Artikel 3:7
Tijdelijke afwijking sluitingstijden, (tijdelijke) sluiting
Artikel 3:8
Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
Artikel 3:9
Straatprostitutie
Artikel 3:10
Sekswinkels
Artikel 3:11
Tenstoonstellen en aanbieden erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
Afdeling 3
Beslistermijn, weigeringsgronden
Artikel 3:12
Beslistermijn
Artikel 3:13
Weigeringsgronden
Afdeling 4
Beëindiging exploitatie, wijziging beheer
Artikel 3:14
Beëindiging exploitatie
Artikel 3:15
Wijziging beheer
Hoofdstuk 4
Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1
Geluidhinder en verlichting
Artikel 4:1
Definities
Artikel 4:2
Aanwijzen collectieve festiviteiten
Artikel 4:3
Kennisgeving individuele festiviteiten
Artikel 4:4
Verboden incidentele festiviteiten
Artikel 4:5
Onversterkte muziek
Artikel 4:5a
Traditioneel schieten
7
Artikel 4:6
Overige geluidhinder
Artikel 4:6a
Mosquito
Artikel 4:6b
(Geluid-)hinder door dieren
Afdeling 2
Bodem- weg- en milieuverontreiniging
Artikel 4:7
Straatvegen
Artikel 4:8
Natuurlijke behoefte doen
Artikel 4:9
Toestand sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
Afdeling 3
Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:10
Definities
Artikel 4:11
Bomenlijst en aangewezen aandachtsgebieden
Artikel 4:12
Kapverbod monumentale of waardevolle boom
Artikel 4:12a
Criteria ontheffing
Artikel 4:12b
Kapverbod in overige gevallen
Artikel 4:12c
Criteria vergunning
Artikel 4:12d
Aanvraag
Artikel 4:12e
Beperking geldigheidsduur
Artikel 4:12f
Bijzondere voorschriften
Artikel 4:12g
Herplant-/instandhoudingsplicht
Artikel 4:12h
Schadevergoeding
Artikel 4:12i
Afstand tot de erfgrenslijn
Artikel 4:12j
Bestrijding van boomziekten
Artikel 4:12k
Voorkomen van boomschade
Afdeling 4
Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast
Artikel 4:13
Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz.
8
Artikel 4:14
Stankoverlast door gebruik van meststoffen
Artikel 4:15
Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
Artikel 4:16
Vergunningplicht lichtreclame
Afdeling 5
Kamperen buiten kampeerterreinen
Artikel 4:17
Definitie
Artikel 4:18
Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
Artikel 4:19
Aanwijzing kampeerplaatsen
Hoofdstuk 5
Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling 1
Parkeerexcessen
Artikel 5:1
Definities
Artikel 5:2
Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke.
Artikel 5:3
Te koop aanbieden van voertuigen
Artikel 5:4
Defecte voertuigen
Artikel 5:5
Voertuigwrakken
Artikel 5:6
Kampeermiddelen en andere voertuigen (zie aanwijzingsbesluit): (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR647839?&show-wti=true)
Artikel 5:7
Parkeren van reclamevoertuigen
Artikel 5:8
Parkeren van grote voertuigen
Artikel 5:9
Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
Artikel 5:10
Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
Artikel 5:11
Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen
Artikel 5:12
Overlast van fiets of bromfiets
Afdeling 2
Collecteren
Artikel 5:13
Inzameling van geld of goederen
Afdeling 3
Venten
9
Artikel 5:14
Definitie
Artikel 5:15
Ventverbod
Artikel 5:16
Vrijheid van meningsuiting
Afdeling 4
Standplaatsen
Artikel 5:17
Definities
Artikel 5:18
Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
Artikel 5:19
Toestemming rechthebbende
Artikel 5:20
Afbakeningsbepalingen
Afdeling 5
Snuffelmarkten
Afdeling 6
Openbaar water
Artikel 5:24
Voorwerpen op, in of boven openbaar water
Artikel 5:25
Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen
Artikel 5:26
Aanwijzingen ligplaats
Artikel 5:27
Verbod innemen ligplaats
Artikel 5:28
Beschadiging van waterstaatswerken
Artikel 5:29
Reddingsmiddelen
Artikel 5:30
Veiligheid op het water
Artikel 5:31
Overlast aan vaartuigen
Afdeling 7
Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden
Artikel 5:31a
Definities
Artikel 5:32
Crossterreinen
Artikel 5:33
Beperking verkeer in natuurgebieden
Afdeling 8
Vuurverbod
Artikel 5:34
Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
10
Afdeling 9
Verstrooiing van as
Artikel 5:35
Definitie
Artikel 5:36
Verboden plaatsen
Artikel 5:37
Hinder of overlast
Hoofdstuk 6
Straf-, overgangs-, en slotbepalingen
Artikel 6:1
Strafbepaling
Artikel 6:2
Toezichthouders
Artikel 6:3
Binnentreden woningen
Artikel 6:4
Intrekking oude verordening
Artikel 6:5
Overgangsbepaling
Artikel 6:6
Inwerkingtreding nieuwe verordening
Artikel 6:7
Citeertitel
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
bebouwde kom: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
b.
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
c.
bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan;
d.
college: het college van burgemeester en wethouders;
e.
gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan;
f.
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
g.
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
h.
openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;
i.
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
11
j.
snuffelmarkt: een markt (niet zijnde een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de Gemeentewet) in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats;
k.
weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan;
l.
outlaw Motor Gang (OMG): een groep met een hiërarchische structuur die affiniteit met motorrijden uitdraagt met herkenbare groepssymbolen, waarbij geweld of dreiging met geweld en verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groepscultuur of het groepsgedrag.
m. ongewenste groep: een door de burgemeester aangewezen groep personen met een herkenbare organisatiestructuur of herkenbare groepssymbolen of een herkenbaar optreden naar buiten als groep, waarbij geweld of dreiging met geweld of verstoring van de openbare orde onderdeel zijn van de groepscultuur of het groepsgedrag; n.
verboden rechtspersoon: een op grond van artikel 2.20 Burgerlijk Wetboek verboden rechtspersoon.
o.
uitweg: een uitweg is de ruimte (uitgedrukt in lengte en breedte) die dienst doet als in- en uitgang voor voertuigen ter ontsluiting van gebouwen, bouwwerken niet zijnde gebouwen (bijv. telecommunicatiemasten) of percelen op de openbare weg. Met uitwegen worden ook de in het spraakgebruik voorkomende termijn “in- en uitritten” en “opritten” bedoeld. Ook de verbreding van “uitwegen”, ”in- en uitritten” en “opritten” valt onder het begrip uitweg;
Artikel 1:2 Beslistermijn 1
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
2
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:11.
Artikel 1:3 Indiening aanvraag (vervallen)
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.
ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
12
b.
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
e.
de houder dit verzoekt.
f.
de houder overlijdt.
Artikel 1:7 Termijnen 1
De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.
2
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen beperkt is en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.
Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1.
2.
De vergunning of ontheffing kan in ieder geval geweigerd worden in het belang van: a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Hoofdstuk 2. Openbare orde Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden, dan wel te vechten.
2
Degene die op een openbare plaats a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van de politie of buitengewoon opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
13
4.
Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openbare gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde, waarbij dit verbod niet geldt voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
5.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
6.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
7.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2. Betoging Artikel 2:2 Optochten (gereserveerd)
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
2
De kennisgeving bevat: a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
b.
het doel van de betoging;
c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
e.
voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en
f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
3
Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
4
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.
5
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid)
Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3, tweede lid)
Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken 14
Artikel 2:6 Beperking verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1
Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.
2
Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
3
Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.
4
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
5
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 4. Vertoningen op de weg Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke (gereserveerd)
Artikel 2:8 Dienstverlening (gereserveerd)
Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke 1
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.
2
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
3
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Voorwerpen op, aan of boven de weg of een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan 1
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2
Het bevoegde bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en (reclame)uitingen voor zover deze regels niet zien op een activiteit die de fysieke leefomgeving wijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid van het Omgevingsbesluit.
3
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.
4
Het bevoegde bestuursorgaan kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of onder k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a.
als het gebruik van de weg of een weggedeelte is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 (evenementenvergunning);
15
b.
als het gebruik van de weg of een weggedeelte is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2:28 (horeca-exploitatievergunning);
c.
als het gebruik van de weg of een weggedeelte is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2:10a (evenemententerras);
d.
als het gebruik van de weg of een weggedeelte is toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 5:18 (standplaatsvergunning of het omgevingsplan);
e.
als door het gebruik, bedoeld in het eerste lid, de fysieke leefomgeving wijzigt, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.
6
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
7
Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:10a Het gebruik van een evenemententerras 1
In dit artikel wordt verstaan onder een evenemententerras: een op een openbare plaats liggend deel waar tijdens een evenement als bedoeld in artikel 2:24 sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden verstrekt.
2
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een openbare plaats in te richten als evenemententerras.
3
Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing: a.
als het gebruik van het evenemententerras is toegestaan middels een vergunning als bedoeld
b.
als het gebruik van de weg of een weggedeelte is toegestaan middels een vergunning als
in artikel 2:25 (evenementenvergunning); bedoeld in artikel 2:28 (horeca-exploitatievergunning); c.
als het gebruik van de weg of een weggedeelte is toegestaan middels een vergunning als bedoeld in artikel 5:18 (standplaatsvergunning).
Artikel 2:10b vrij te stellen categorieën De burgemeester kan categorieën aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel 2:10 niet geldt.
Artikel 2:11 (Omgevings-)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2
De vergunning wordt verleend : a.
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan of voorbereidingsbesluit; of
b. 3
door het college in de overige gevallen.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 16
4
Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening het provinciaal wegenreglement, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening.
5
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: 1.
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; of
2.
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaan van een openbaar verlichtingspunt; of
3.
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; of
4.
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
5.
als door de uitweg het gemeentelijke waterbeheer op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.
3.
Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het aanleggen of veranderen van de uitweg.
4.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Afdeling 6. Veiligheid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (gereserveerd)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.
Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg is verplicht deze a.
te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en
b.
de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
2.
Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
3.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. 17
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke (gereserveerd)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a.
te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
3.
Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (gereserveerd)
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (gereserveerd)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (gereserveerd)
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs (gereserveerd)
Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 18
2.
Onder evenement wordt mede verstaan: a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
c.
een optocht, op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.
een snuffelmarkt
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.
Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.
3.
Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier waarin ook de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, worden opgevraagd. Deze aanvraag wordt tevens aangemerkt als een melding als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
4.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een aanvraag als meldingplichtig evenement worden aangemerkt in die gevallen dat het evenement voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde criteria voor meldingplichtige evenementen. Voor meldingplichtige evenementen stelt de burgemeester een formulier vast, waarin ook de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, worden opgevraagd. Deze melding wordt tevens aangemerkt als een melding als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
5.
De burgemeester kan naar aanleiding van de melding als bedoeld in het derde lid binnen twee weken na ontvangst van de melding, voorschriften verbinden aan het te houden evenement in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de brandveiligheid en de volksgezondheid of het milieu.
6.
De burgemeester kan, indien het vermoeden ontstaat dat een of meer van de in artikel 1:8 van deze verordening opgenomen weigeringsgronden van toepassing is op een evenement als bedoeld in het vorige lid, besluiten dat evenement alsnog als vergunningplichtig aan te merken hetzij het te verbieden. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd wegens strijdigheid met het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening en overige plaatsen.
7.
Als ook een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de behandeling van de aanvragen om een vergunning. De burgemeester is het coördinerend bestuursorgaan.
8.
Voor vergunningplichtige evenementen gelden de geluidsvoorschriften zoals genoemd in artikel 4:3 zesde lid.
9.
De in het artikel 4:3 zesde lid genoemde geluidsvoorschriften zijn niet van toepassing indien sprake is van een collectieve festiviteit, zoals bedoeld in artikel 4:2.
10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:25a Ontheffing vergunningplicht 19
De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2:25 niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten evenementen in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1.
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
2.
Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.
3.
Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan: 1.
een hotel, camping of recreatiepark, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
2.
Een buiten de in het eerste lid bedoelde ruimte liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die ruimte.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of voorbereidingsbesluit.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of als de aanvrager van slecht levensgedrag is. De burgemeester houdt bij de toepassing van deze weigeringsgrond rekening met:
a.
het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;
b.
de aard van het horecabedrijf;
c.
de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds bloot staat;
d.
de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende;
e.
het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.
4.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a.
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b.
zorginstelling;
c.
museum; 20
d.
bedrijfskantine of -restaurant.
e.
campings, recreatieparken en bed- en breakfasts waar aan 20 personen of minder gelijktijdig logies kan worden verstrekt.
5.
Een vergunninghouder verzoekt schriftelijk aan de burgemeester om een persoon als leidinggevende op het aanhangsel bij de exploitatievergunning bij te laten schrijven of te laten verwijderen.
6.
Het in het vorige lid bedoelde verzoek geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel.
7.
De burgemeester weigert in ieder geval de wijziging van het aanhangsel indien de bij te schrijven persoon bedoeld in het vijfde lid van slecht levensgedrag is.
8.
De burgemeester verstrekt een gewijzigd aanhangsel indien de openbare inrichting ook beschikt over een geldige drank- en horecavergunning waarop ingevolge artikel 30a Alcoholwet één of meer leidinggevende(n) is/zijn bijgeschreven.
9.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 2:28a Overgangsbepaling Aan bestaande campings en recreatieparken wordt na inwerkingtreding van artikelen 2:27 en 2:28 ambtshalve een exploitatievergunning verstrekt voor een periode van 6 maanden. Voor het verstrijken van deze periode dienen de campings en recreatieparken een nieuwe vergunning aan te vragen.
Artikel 2:29 Sluitingstijd 1.
Het gedeelte van openbare inrichtingen waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt is gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 04.30 en 06.00 uur.
2.
Het is verboden het gedeelte van een openbare inrichting waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was dranken worden geschonken en of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
3.
Het is de vergunninghouder van een openbare inrichting verboden het terras voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 09.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 09.00 uur.
4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.
5.
Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
6.
Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.
7.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
21
Artikel 2:31 Verboden gedragingen 1.
Het is verboden in een openbare inrichting: a.
de orde te verstoren;
b.
zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;
c.
op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
2.
Het is verboden voor een exploitant om een bijeenkomst van een Outlaw Motor Gang, een verboden rechtspersoon of een ongewenste groep te laten plaatsvinden in een openbare inrichting.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar , aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Zwarte lijst (vervallen)
Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:35 “Kunststof drinkgerei” De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid of in het geval van bijzondere omstandigheden, voor een of meer horecabedrijven en openbare plaatsen tijdelijk het gebruik van drinkgerei en flessen, bedoeld voor gebruik ter plaatse, anders dan van kunststof materiaal verbieden.
Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:36 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:37 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37a Nachtregister 22
(vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 9a Toezicht op kamerverhuur Artikel 2:38a Definities In dit artikel wordt verstaan onder: a.
kamerverhuurbedrijf: een gebouw of deel van een gebouw, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was (daarvan is sprake bij drie of meerdere kamers) kamers worden verhuurd, welke als hoofdverblijf apart zijn of kunnen worden bewoond door niet in het verband van een huishouden levende personen;
b.
huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een gemeenschappelijke huishouding voeren.
Artikel 2:38b meldplicht kamerverhuurbedrijf 1.
Degene die voornemens is een kamerverhuurbedrijf te exploiteren dient hiervan binnen 3 weken schriftelijk een melding te doen bij het college.
2.
Degene die reeds een kamerverhuurbedrijf exploiteert dient hiervan binnen 3 maanden schriftelijk een melding te doen bij het college.
3.
De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, de locatiegegevens van het kamerverhuurbedrijf en het aantal kamers dat wordt verhuurd.
4.
Geen vergunning is vereist voor woonruimtes die deel uitmaken van een seniorencomplex, herstelinrichtingen en verzorgingstehuizen of daarmee naar hun aard vergelijk te stellen woonvormen, zolang deze worden verhuurd overeenkomstig de specifieke functies van de in dit lid bedoelde woonvormen. Voor de door zorgaanbieders geboden of te bieden huisvesting (verhuur van kamers) en begeleiding aan zorgcliënten, is de verplichting van een exploitatievergunning wel van toepassing.
Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Definitie 1.
In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gebouw waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
2.
In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet
23
Artikel 2:39a Speelgelegenheden 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Speelautomatenhalverordening.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als:
4.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
5.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
6.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
artikel 2:39b Sluiting van voor publiek toegankelijke gebouwen 1.
De burgemeester kan de sluiting - al dan niet voor een bepaalde duur - bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw of daarbij behorend erf, inrichting of ruimte of gedeelte daarvan als daar: a.
is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen
b.
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
c.
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of
d.
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
2.
De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen.
3.
Onverminderde hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang tot het gebouw of het daarbij behorende erf, inrichting of ruimte of gedeelte daarvan;
4.
het is verboden een gebouw of daarbij behorend erf, inrichting of ruimte of gedeelte daarvan en/of erf te betreden waarvan sluiting is bevolen.
5.
Het is rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw of daarbij behorend erf, inrichting of ruimte of gedeelte daarvan te betreden.
6.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1.
In dit artikel wordt verstaan onder: a.
Wet: de Wet op de kansspelen;
b.
speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30 onder a, van de Wet; 24
2.
c.
kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet;
d.
hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;
e.
laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.
In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.
3.
In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.
Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
4.
De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het college kan locaties aanwijzen waar het verbod zoals bedoeld in het eerste lid niet geldt.
3.
Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
4.
Het is verboden de in het tweede lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
5.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke 25
1.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.
2.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke (gereserveerd)
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.
Het is verboden op een openbare plaats: a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen of (bedrijfs-)panden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, verboden alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben binnen de bebouwde kom: a.
op of aan de weg;
b.
op of nabij een schoolterrein, jeugdontmoetingsplaats of een andere locatie in het openbaar gebied waar personen elkaar plegen te ontmoeten.
2.
Het is verboden onaangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben met het kennelijk doel deze alcoholhoudende drank in het openbaar gebied te nuttigen op of nabij een schoolplein, een jeugdontmoetingsplaats of overige locaties in het openbaar gebied waar personen elkaar plegen te ontmoeten.
3.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik 1.
Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.
2.
Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.
26
3.
Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.
2.
Het is verboden zonder redelijk doel: a.
zich in een portiek of poort op te houden;
b.
zich op te houden op schoolterreinen;
c.
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen en dergelijke Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of een bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Artikel 2:53 Bespieden van personen (gereserveerd)
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (gereserveerd)
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (gereserveerd)
Artikel 2:56 Alarminstallaties (gereserveerd)
Artikel 2:57 Loslopende honden 27
1.
Het is de eigenaar, houder, verzorger of degene die feitelijke zeggenschap heeft over een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
c.
buiten de bebouwde kom op de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats als de hond niet is aangelijnd; of
d.
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a.
die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is; of
b.
die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1
Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
2
Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
3
Degene dient daartoe een deugdelijke voorziening bij zich te hebben waarin of waarmee hij/zij de uitwerpselen kan meenemen en dient deze voorziening op eerste vordering te tonen aan de met het toezicht belaste ambtenaar.
4
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "deugdelijke voorziening" verstaan een voorwerp waarmee uitwerpselen op een hygiënisch verantwoorde wijze opgeraapt kunnen worden, alsmede een voorwerp waarin de uitwerpselen op een hygiënisch verantwoorde wijze kunnen worden meegenomen, zoals een hondenpoepzakje of een hondenpoepschepje.
5
Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1
Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond, anders dan kort aangelijnd, verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2
Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3
Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. 28
Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1
Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
2
a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels;
c.
aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
3
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61 Wilde dieren (gereserveerd)
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikel 2:63 Duiven (gereserveerd)
Artikel 2:64 Bijen 1
Het is verboden bijen te houden: a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
b. 2
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen.
3
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
4
Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement.
5
Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen.
6
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken ter voorkoming of beëindiging van overlast.
Artikel 2:65a Slaapverblijf op de weg 29
1
Het is verboden op een openbare plaats, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.