005 Toelichting v2026-03-23
Tekst van het document
Daarmee is wat betreft geur sprake van een aanvaardbare situatie. Fijnstof Bij de uitoefening van veehouderijen is behalve geur ook sprake van fijnstof. Om de situatie met betrekking tot dit aspect te beoordelen, is een berekening uitgevoerd (zie bijlage 3). Hieruit blijkt dat bij alle toetspunten wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen. Gezien deze resultaten levert fijnstof geen belemmeringen op voor de ontwikkeling. De afstand tussen de woning en agrarische bedrijven, ten noorden en zuiden van het plangebied, verandert niet. Belemmeringen in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van in de omgeving gelegen bedrijven zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.6
Gewasbeschermingsmiddelen
Bij het telen van bollen-, boom- en fruit in de open lucht kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen van belang zijn. Dit vanwege mogelijk vrijkomende dri� (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten. Er gelden, behoudens het niet mogen belasten van oppervlaktewater, in Nederland geen wetelijke bepalingen over een minimaal aan te houden afstand tussen de teeltgronden en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen en bedrijven. In de prak�jk wordt daarom een vuistregel gehanteerd om een afstand van 50 meter aan te houden tussen genoemde teelten en een gevoelige bestemming. Dit is een in de prak�jk gegroeide indica�eve vuistregel. Er kunnen omstandigheden zijn om (gemo�veerd) van deze indica�eve afstand af te wijken. Planspecifiek De bedrijfswoning op de loca�e Ysselsteynseweg 76 is op basis van het huidige omgevingsplan reeds toegestaan. Dit plan voorziet niet in een func�ewijziging van de woning Ysselsteynseweg 76, enkel het rela�eteken wordt verplaatst. Het aspect gewasbeschermingsmiddelen levert daarmee geen belemmeringen op voor het ini�a�ef.
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.
5.1
Algemeen
Voorliggend initiatief maakt een nieuwe bedrijfswoning mogelijk op een plek waar in de bestaande situatie reeds een bedrijfswoning legaal aanwezig en in gebruik was. Via een planologische wijziging wordt de nieuwe bedrijfswoning gekoppeld aan het bedrijf aan Ysselsteynseweg 70 in Ysselsteyn. Een bedrijfswoning op deze plek is ruimtelijk reeds onderdeel van het omliggende agrarische gebied en past qua gebruik, schaal en uitstraling goed in de bestaande omgeving. Er is geen sprake van aantasting van de ruimtelijke kwaliteit, het landschap, cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische of andere waarden. Ook is er geen sprake van een verandering met betrekking tot de verkeerssituatie en/of parkeren. De ontwikkeling leidt daarmee niet tot een verslechtering van de omgevingskwaliteit. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.2
Ecologie
De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. De omgevingswaarden voor stikstofdepositie zijn vastgesteld op grond van artikel 2.15a van de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
28
Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en faunaactiviteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 4. De belangrijkste conclusies zijn in navolgende paragraaf opgenomen. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen naar verwachting geen negatief effect heeft op de staat van instandhouding van beschermde soorten.
Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Ook heeft het plan geen directe of indirecte gevolgen op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek is voor het initiatief niet nodig. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door de locatie buiten het broedseizoen bouwrijp te maken. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in of naast het Natuurnetwerk Nederland en buiten andere natuurgebieden zoals Natura 2000. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied 'Deurnsche Peel & Mariapeel'. De afstand hiertoe bedraagt circa 3,4 km. De effecten met betrekking tot stikstof zijn beoordeeld aan de hand van een AERIUS-berekening (zie bijlage 5). Hieruit volgt dat dat het initiatief geen nadelige effecten heeft met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de sloop- en aanlegfase. Wat betreft de gebruiksfase verandert er niets ten opzichte van de bestaande situatie. Andere affecten op de gebieden zijn niet te verwachten. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
5.3
Duurzaamheid en klimaatadapta�e
Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek 29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Uit de kaartbeelden van de klimaateffectatlas is op te maken dat ter plaatse van het plangebied geen wateroverlast, hitestress, droogte of overstroming te verwachten valt. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blij� het hemelwater ook in het gebied zelf. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoet de woning aan de toegenomen koelbehoe�e die kan ontstaan als een gevolg van hitestress. Daarbij zal het plangebied rondom de woning zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, eveneens ter voorkoming van hitestress. De nieuw te bouwen woning zal als energieneutraal worden gebouwd waarbij onder andere zonnepanelen worden aangebracht. Zie ook paragraaf 3.3.5. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
30
Hoofdstuk 6
Conclusie
Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.
Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen.
Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).
7.2
Juridische systema�ek
Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken: Preambule; Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Functieregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 3: Overgangsregels.
7.3
Toepassingsbereik TAM-omgevingsplan
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22af wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22af van het omgevingsplan Venray. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. Overige regels blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen.
7.4
Beschrijving per func�e
Onderhavige ontwikkeling behoudt de bestaande agrarische functie ter plaatse van het plangebied. Aan de ligging en vorm van het bouwvlak verandert niets. Op de verbeelding is het relatieteken verplaatst van Ysselsteynseweg 78 naar Ysselsteynseweg 70.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
32
Hoofdstuk 8
Overige aspecten
Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.
8.1
Par�cipa�e
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden Planspecifiek Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht. Dat is in dit geval de eigenaar van de locatie Ysselsteynseweg 78, die is akkoord met het verplaatsen van het relatieteken, zie bijlage 6. De pluimveehouderij op de locatie Ysselsteynseweg 59-61 (inclusief de bedrijfswoning Ysselsteynseweg 55) is in eigendom van initiatiefnemer, vandaaruit zijn geen zienswijzen te verwachten. Gelet op het ontbreken van andere woningen/bedrijven in de directe omgeving is het niet nodig om een omgevingsdialoog te voeren.
8.2
Kostenverhaal
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de ini�a�efnemer. Omdat er geen sprake is van een func�ewijziging, wordt voor de ontwikkeling geen anterieure overeenkomst afgesloten. Voor de realisa�e van het plan hoe� de gemeente geen investering te doen.
De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure zijn verrekend in de leges op grond van de legesverordening. Daarnaast wordt een overeenkomst nadeelcompensa�e gesloten. Eventuele nadeelcompensa�e komt voor rekening van de ini�a�efnemer. Omdat er geen woning wordt toegevoegd is er geen bijdrage ruimtelijke kwaliteit of financiële bijdrage (ar�kel 4.9 Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet en Structuurvisie) verschuldigd.
8.3
Vooroverleg
In het kader van vooroverleg is overleg gevoerd met de Provincie Limburg. De Provincie Limburg heeft laten weten dat de beoordeling van het plan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op deze wijze wordt voortzet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
Bijlagen bij de Toelich�ng
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
34
Bijlage 1
35
Nadere onderbouwing verplaatsen rela�eteken
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
Bijlage 2
Vooronderzoek bodem
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
36
Bijlage 3
37
Berekening fijnstof
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
Bijlage 4
Quickscan flora en fauna
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
38
Bijlage 5
39
AERIUS-berekening sloop- en aanlegfase
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
Bijlage 6
Akkoord eigenaar Ysselsteynseweg 78
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
40
Bijlage 7
41
Sloopkaart Veldstraat 21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
Verbeelding
61
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22af Ysselsteynseweg 76, Ysselsteyn
62