CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

NDSD - Vragen van overmorgen in het sociaal domein juni 2022.pdf

Raadsvergadering 29 juni 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 4.9: RV 36 Regiovisie Meedoen en Wonen 2022-202615.178 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ten derde proportionaliteit, wat wil zeggen dat je een middel inzet dat past bij het doel. Het vierde principe is doelbinding. Als je data verzamelt voor doel A, dan moet je deze ook gebruiken voor doel A en niet voor doel B (iets dat in de praktijk voortdurend gebeurt). Tot slot: laten we weer proberen rustig van tevoren na te denken. Dat is natuurlijk het meest logische principe van het leven, een spreekwoordelijk tegeltje. Maar we hebben het wel afgeleerd in de afgelopen dertig jaar. Het verhaal is niet somber bedoeld. En we mogen ook niet fatalistisch worden. Technologie is niet iets dat ons overkomt, maar iets waar we zelf vorm en richting aan kunnen geven. Hoe we technologie veilig en rechtvaardig kunnen ontwikkelen voor de maatschappij is wat centraal staat in Sanders reflectie. Daarvoor moeten we afdalen naar het fundament (wat wij van technologie zien is meestal alleen het topje van de ijsberg): de oorsprong van waaruit technologie ontworpen en ontwikkeld wordt. Vier aspecten zijn hierin belangrijk. Ten eerste de uitgangspunten en aannames waar vanuit technologie wordt gebouwd. Ten tweede het waarborgen van grondrechten en publieke waarden (technologische ontwikkelingen gaan zo snel, dat wet- en regelgeving steeds worden overschreden). Ten derde governance en toezicht: het inrichten hoe technologie beheerd wordt; de processen, structuren en het toezicht daarop.

Het vierde aspect zijn de maatschappelijk-economische overwegingen. Hoe zorgen wij ervoor dat mens en planeet worden gerespecteerd? Laten we er samen vat op krijgen en laten we er met elkaar voor zorgen dat technologie in ons belang, het belang van onze samenleving, wordt uitgerold en toegepast.

22

Individualisering of samen leven? (Noreena Hertz en Anja Machielse) Eenzaamheid is een begrip met vele definities. Noreena Hertz gebruikt heel bewust een brede definitie van eenzaamheid. Eenzaamheid met een interne en een existentiële component. Zowel persoonlijk, als maatschappelijk, zowel economisch als politiek. Eenzaamheid raakt tal van aspecten: het gevoel niet verbonden te zijn met familie en vrienden, maar ook het bredere gevoel niet verbonden te zijn met de medemens. Niet verbonden met je werkgever, instituties en de overheid. Het raakt aan een diepe behoefte van mensen om gezien en gehoord te worden door anderen. Deze definitie heeft te maken met de tijd waarin wij leven. Een tijd van groeiende ongelijkheid op tal van vlakken. Een tijd waarin mensen zich minder met elkaar verbonden voelen. Waarin het vertrouwen in instituties en overheden daalt. Deze vraagstukken zijn verbonden met elkaar, door de brede definitie van eenzaamheid. Waarom moeten overheden zich zorgen maken om eenzaamheid? Eenzaamheid is slecht voor de gezondheid. Zowel mentaal als fysiek. Je zou kunnen stellen dat eenzaamheid hiermee een van de grootste bedreigingen is van de (publieke) gezondheid op dit moment. Daarnaast is er een economisch argument. Eenzame werknemers zijn minder gemotiveerd, minder productief en eerder geneigd om ontslag te nemen dan niet eenzame medewerkers.

Verder is er een duidelijk verband tussen eenzaamheid en stemgedrag. Een rode draad uit interviews met stemmers op (extreem rechtse) populistische partijen is het gevoel van isolement, het gevoel op niemand terug te kunnen vallen, het gevoel in de steek gelaten te zijn. In de verhalen en beloftes van de populistische partijen vinden zij gemeenschapszin. Voor de toekomst van de democratie is het tegengaan van eenzaamheid van belang. Een van de aanleidingen voor Noreena’s onderzoek naar eenzaamheid was het stijgende aantal studenten die zij tegenkwam met eenzaamheidsgevoelens, omdat ze verleerd zijn hoe ze echt contact met elkaar kunnen maken. De ontwikkeling van de smartphones en sociale media heeft hier in de afgelopen decennia een enorme impact op gehad. Scholen signaleren in diverse landen een schrikbarende stijging in het aandeel kleuters dat op school start zonder te beschikken over de meest basale sociale vaardigheden. Omdat de ouders de kinderen zelf te vaak achter een scherm zetten, en/of omdat de ouders zelf veel te veel tijd doorbrengen met hun eigen scherm, en hierdoor de sociale basisvaardigheden niet overdragen aan hun kinderen.

Hier waarschuwt Noreena voor een dreigende tweedeling met gevolgen voor de lange termijn: terwijl rijke, theoretisch opgeleide ouders van hun oppas eisen geen scherm te gebruiken in het bijzijn van hun kinderen, en terwijl prestigieuze universiteiten lessen aanbieden in het herkennen van emoties in gezichtsuitdrukkingen, hebben lage inkomens hier niet de mogelijkheden toe. Met dalende sociale en communicatieve vaardigheden tot gevolg. In het dagelijks leven is het nodig dat wij op tal van manieren (groot en klein) via menselijke interacties (onbewust) oefenen in wederkerigheid, empathie, gevoeligheden, meningsverschillen en het oplossen daarvan.

23

De fysieke omgeving beïnvloedt eenzaamheid. Hoewel eenzaamheid zowel in de stad als op het platteland voorkomt, zijn er een aantal factoren die eenzaamheid bevorderen, die vooral samenhangen met het leven in de stad. Bijvoorbeeld stijgende woning- en huurprijzen, die mede zorgen voor een groot verloop in bepaalde wijken. Mensen die ergens niet lang wonen, investeren minder in verbinding maken met elkaar en met de wijk. Publieke, gemeenschappelijke ruimtes waar mensen van verschillende achtergronden elkaar kunnen ontmoeten zijn essentieel. Helaas zijn dit ook de plekken waar vanaf 2008 veel op bezuinigd is door (lokale) overheden. Ook de manier waarop de publieke buitenruimte is ingericht, is van invloed op eenzaamheid. Van de beschikbaarheid van aantrekkelijke plekken om ‘te hangen’ tot de verkeersdrukte in de wijken. De aanwezigheid van een betrokken lokale middenstand is ook van groot belang. Winkels en horeca die een positieve rol spelen in de ontmoeting tussen mensen. Overheden kunnen dit stimuleren door bijvoorbeeld een belasting te heffen op leegstand (waardoor het aantrekkelijker wordt voor vastgoedeigenaren om hun panden te vullen in plaats van leeg laten staan, in afwachting van iemand die de hogere huurprijs wel kan betalen). Of door (belasting)voordelen te geven aan bedrijven die zich aantoonbaar inzetten voor de gemeenschap in de buurt.

Eenzaamheid is ook gerelateerd aan de arbeidsmarkt. Het heeft grote invloed op de verbondenheid die mensen voelen als ze werk doen dat ze waardevol vinden. Iets produceren of maken draagt aan dit gevoel bij. Veel van deze banen zijn verdwenen naar lagelonenlanden. Wat overblijft is praktisch geschoold werk in de dienstverleningssector. Verder is de groei in flexibele arbeid groot – zeker in Nederland. Uit onderzoek blijkt ook dat deze flexwerkers in de ‘gig economy’ zich minder verbonden voelen. Dit komt grotendeels door de onzekerheid van hun werk (en hiermee hun inkomen), maar ook door de druk van het continu beoordeeld worden door de consument (in het doorgeschoten systeem waarin de consumenten via een app alle diensten op de persoon waarderen). Op termijn zullen de multinationals die deze flexwerkers het meest benutten (of gebruiken) ze niet meer nodig hebben door robotisering. Dit vraagt dat we komen tot een hele andere kijk op wat zij als werk beschouwen. (Hierover meer in het derde college). In het bestrijden van deze eenzaamheid heeft iedereen een rol te spelen. Overheid, bedrijven en zeker burgers zelf. Op systeemniveau vraagt dit om een andere kijk op het huidige kapitalistische, neoliberale systeem.

Waarbij burgers op zijn minst kunnen vertrouwen op een overheid die diepgewortelde ongelijkheden tegengaat, en er voor die burger is op momenten dat de burger dit nodig heeft. Het vraagt een andere kijk op definities van arbeid en werk. Met aandacht voor de waardevolle sociale- en zorgtaken die mensen nu onbetaald verrichten maar die van onschatbare economische waarde zijn. Met aandacht voor passende beloning voor de sectoren die er het meest toe doen (en tijdens de pandemie de zwaarste klappen hebben gehad), zoals de zorgsector. Ook bedrijven, groot en klein, hebben een taak. Zeker ook sociale mediabedrijven. En waar hun goede voornemens bij woorden blijven, hebben overheden de taak om deze bedrijven strakker te reguleren. Dat de overheid weer (fysiek) toegankelijk wordt is zeker belangrijk. Maar om het vertrouwen van burgers in de overheid te herstellen is meer nodig. (Lokale) overheden moeten blijven nadenken over manieren om de gemeenschap een echte stem te geven in het co-creëren van beleid. Dit stimuleert en versterkt de gemeenschapszin, en geeft mensen het gevoel gehoord te worden. Op persoonlijk niveau vraagt het om een andere mindset (die makkelijker vol te houden is als aan de eerdergenoemde systeemvoorwaarden wordt voldaan). Van consument naar burger, van observeerder naar actieve deelnemer. Van haasten naar stilstaan, praten en luisteren.

24

Want hoe minder wij doen aan deze persoonlijke interacties, hoe slechter wij er in worden. Hoe slechter wij erin worden, des te eenzamer onze maatschappij zal worden. Veranderende arbeidsmarkt en onderwijs: Hoe zorgen we dat het werk dat er echt toe doet aantrekkelijk wordt (of blijft)? En welke rol speelt onderwijs hierin? (Joop Schippers en Marjolein ten Hoonte) Veel problemen in de Nederlandse arbeidsmarkt zijn niet nieuw. Desondanks zijn ze tot op heden niet opgelost. Een van de aandachtspunten is dat werkgevers in Nederland (meer dan in andere landen) ‘verslaafd’ zijn aan flex. Ze hebben wellicht niet altijd door wat de gevolgen en onzekerheden hiervan zijn voor werknemers buiten de directe werksfeer. Hoewel veel mensen het erover eens zijn dat de flexibilisering in Nederland is doorgeslagen, is het maar de vraag of we terug kunnen naar het vaste contract van weleer. Dit vraagt aanpassingsvermogen van mensen. Tegelijkertijd moeten overheden nadenken over hoe ze (nieuwe) vormen van zekerheid aan mensen kunnen bieden. Er wordt nog steeds (te) weinig geïnvesteerd in een leven lang leren en ontwikkelen.

Daarbij loopt die investering af met het oplopen van de leeftijd, waardoor de groepen die het leren en zich ontwikkelen het hardste nodig hebben er het minst voor in aanmerking komen.Door opleidingshomogamie (het trouwen met iemand van hetzelfde opleidingsniveau) ontstaat een steeds groter wordende tweedeling tussen groepen mensen. De SER omschrijft het zelfs als ‘een muur’ die tussen deze groepen staat, waarbij mensen aan de ene kant van de muur nauwelijks in staat zijn er overheen te komen.Terwijl steeds meer ouders druk uitoefenen om hun kinderen steeds beter te laten presteren op school, is er juist een heel groot tekort aan tal van – zeer belangrijke – praktische beroepen. In de zorg, in de energietransitie, enzovoorts. Werkgevers staan voor de uitdaging hoe ze werk interessant kunnen houden voor mensen. Doordat iedereen langer doorwerkt, daalt de instroom van nieuwe mensen, en hiermee ook de instroom van de nieuwste kennis vanuit het onderwijs. Werkgevers moeten ook leren denken in termen van wat mensen kunnen, in plaats van het scheppen van een vacature, waarna ze moeten constateren dat bijna niemand er aan voldoet. Deze manier van denken sluit een grote groep mensen bij voorbaat uit van de arbeidsmarkt.

De uitdaging is om als werkgevers tijd te faciliteren voor de zorgtaken die steeds zwaarder gaan wegen op een steeds groter deel van de arbeidsmarkt. Waar je vroeger de zorg voor je ouders kon delen met meerdere broers of zussen, staan de mantelzorgers van de toekomst er door gezinsverdunning steeds vaker (bijna) alleen voor. Gemeenten hebben een belangrijk taak in het vroegtijdiger bij elkaar brengen van werkzoekenden en werkgevers, en in het creëren van een ecosysteem waarin voorop staat dat alle partijen (het onderwijs, uitkeringsinstanties, werkgevers, stagebedrijven, woningcorporaties) steeds met elkaar in gesprek blijven. Het is belangrijk dat het uitgangspunt binnen dit ecosysteem verschuift naar wat mensen nodig hebben, en in plaats van waar werkgevers en gemeenten de mensen uiteindelijk terecht willen laten komen. Vaak zitten er veel stappen tussen deze twee punten. Verder kunnen gemeenten een rol spelen als ‘employer of last resort’, wat diverse vormen kan aannemen. Belangrijk is dat we dit in een ontkokerde omgeving doen, niet het Rijk enerzijds en gemeenten anderzijds, met elk aparte budgetten, maar samen. Niet vanuit hokjes, maar vanuit wat mensen nodig hebben om verder te komen.

25

De toekomst van de arbeidsmarkt vraagt ook een daadwerkelijk andere manier van denken. Dat is de kern van het betoog van Marjolein ten Hoonte. Zijn we met elkaar in staat stappen te maken richting een maatschappij waar mensen nooit meer een uitkering (hoeven) aanvragen? Een ‘ontslagvrije’ samenleving waar mensen bagage en reisgeld meekrijgen? Zodat zij van school op reis kunnen op de arbeidsmarkt, en waar nodig weer terug kunnen naar school, en zo verder. Tot het moment waarop zij zelf beslissen te stoppen met werken. Waar nu er met name zekerheden worden geboden als mensen van de arbeidsmarkt ‘afstappen’ is het de uitdaging nieuwe zekerheden te organiseren, gericht op de ‘op- en overstap’ in de arbeidsmarkt. Dit vraag ook om mensen breed opleiden. Om nadenken over hoe lang mensen bepaalde vormen van werk kunnen doen. En of dat wel fulltime moet of met iets anders ernaast. En om nadenken over hoe we mensen proactief loopbaangedrag aan kunnen leren. Hoe kunnen we er voor zorgen dat het werk dat er toe doet aantrekkelijk blijft? Dit vraagt tot slot ook iets van ons als burger en consument. Aan de ene kant vinden we arbeid te duur. Maar aan de andere kant leven we zo langzamerhand in een maatschappij waarin ons consumeren het belangrijkst voor ons is, wat we afwentelen op anderen die dat niet altijd kunnen dragen.

Een gesprek over wat maatschappelijk verantwoord ondernemen op niveau inhoudt hoort hier ook bij. Uiteindelijk moeten we er met elkaar voor zorgen dat we in een land leven waar er aandacht is voor iedereen. En dat we er voor zorgen dat mensen op een waardige manier economisch onafhankelijk kunnen blijven. Waarbij ook een andere kijk op wat wij ‘werk’ vinden nodig zal zijn. Waar mensen dingen voor elkaar doen die wij (nu) geen werk noemen. Dat we meer kijken naar wat iemand bijdraagt aan de samenleving, niet alleen op het gebied van werk, maar ook via zorgtaken, via de voetbalclub, via vormen van burgerschap. Die belangrijke bijdragen moeten er ook meer toe gaan doen.

26

Groeiende tweedeling, de rol die steden daarin (kunnen) spelen en het maatschappelijk belang van gelijkheid (Maarten van Ham en Gea Vermeulen) De tweedeling groeit, zowel wereldwijd als binnen Nederland. Qua inkomen maar nog meer qua vermogen, en ook steeds meer ruimtelijk. De segregatie neemt verder toe, waarbij de laatste jaren de trend is dat de hoogopgeleiden en welgestelden meer richting de centra van steden trekken en de lagere inkomens meer en meer richting de periferie worden gedrukt. Maar hoe erg is het dan dat ‘arm’ en ‘rijk’ steeds verder uit elkaar leven? Recente data laten zien dat deze segregatie lang, veel langer dan gedacht, doorwerkt op tal van terreinen. Hierdoor ontstaat een vicieuze cirkel van dalende kansen en verder groeiende ongelijkheid. Kinderen uit achterstandsbuurten hebben later in hun leven een veel lager inkomen dan kinderen die opgroeien in een rijkere buurt. Die effecten werken hun leven lang door, en vervolgens ook weer op het leven van hun kinderen. Deze effecten lopen via vier processen: z Sociale processen: de invloed van mensen in de buurt op attitudes op (hoger) onderwijs, op gezondheidskeuzes, etc. z Stigma en reputatie: hoe werkgevers en overheden omgaan met mensen wordt beïnvloed door de buurt waar ze wonen. z Omgevingskenmerken: vervuiling, geluid, kwaliteit van de woning, etc.

Deze effecten zijn door de Covid-19 pandemie extra zichtbaar geworden. z Toegang tot werk en voorzieningen: de toegang tot werk, onderwijs en voorzieningen hangt af van waar je woont en het vervoer dat je hebt om daar te komen. De afhankelijkheid van goed openbaar vervoer (en de mate waarin je dat kan betalen) is groot. Hoewel we het in Nederland in vergelijking met andere landen erg goed hebben (zeker als het gaat om de mate van inkomensgelijkheid), is aandacht voor de tweedeling wel degelijk hard nodig. Er zijn drie soorten beleidsingrepen om deze (fysieke) tweedeling en groeiende kansongelijkheid tegen te gaan. Place based: Het zorgen voor een betere mix. Belangrijk is dat niet op een te klein niveau te doen (zoals straatniveau), maar op buurtniveau. Mensen wonen nu eenmaal graag onder ‘gelijken’. Maar het is wel zo fijn als de inwoners van de verschillende straten elkaar nog tegenkomen in dezelfde supermarkt, hetzelfde speelplein en hopelijk dezelfde school. Mengen op schoolniveau blijft een uitdaging omdat theoretisch opgeleide ouders hun kinderen eerder naar een ‘betere’ school verder weg sturen dan praktisch opgeleide ouders, die eerder kijken naar de afstand tot een school. Let bij beleid op buurten vooral op de randen van buurten. Uit langlopend onderzoek blijkt dat het mengen van wijken op langere termijn positieve effecten heeft.

Waar dit vraagt om sloop en nieuwbouw is het cruciaal dat de mensen die gedwongen weg moeten, ergens komen waar ze het beter hebben dan voorheen. Voordat mensen moeten vertrekken uit hun oude buurt moeten er dus eerst woningen voor hen komen in een goede buurt.

27

People based: Het kansen bieden via opleidingen, scholing en werk. Hierbij is het meeste rendement te behalen bij investeringen in gezinnen met kinderen. Dit vraagt een zeer lange adem. En het succes dat je behaalt is niet altijd zichtbaar in de wijk waar je je op richt, omdat een deel van de mensen die een betere baan krijgen ook vertrekt uit die wijk. Connectivity based: Dit gaat om de ruimtelijke toegang. Het zorgen voor goed en goedkoop openbaar vervoer. Voorbeelden zijn de ambitie van steden dat je binnen 10 minuten met het OV bijna overal in de stad moet kunnen komen. Om de problemen met de woningmarkt op te lossen zal er bijgebouwd moeten worden. Maar er valt nog veel winst te behalen met het creatiever omgaan met gebouwen die er al staan (met name kantoorpanden). Het grootschalig bouwen van nieuwe wijken buiten de stad is bijna per definitie een slecht idee. Belangrijk bij grote nieuwbouwprojecten is bewustzijn van de effecten op de al bestaande wijken in de stad (en de omgeving). Vaak leiden nieuwbouwwijken tot toenemende segregatie, doordat welgestelden wegtrekken uit de al bestaande lage inkomenswijken. Denk daarom in termen van doorstroom. Kijk daarbij niet (alleen) op buurt- en wijkniveau, maar naar de stadsregio als geheel. Bouw ook niet alleen voor starters, want een starterswoning brengt nauwelijks een verhuisketen op gang.

Door ook voldoende huizen te bouwen voor hoge inkomens ontstaat een langere verhuisketen van soms wel vijf verhuizingen. Voor pogingen om scholen beter te mengen geldt dat bij nieuwbouwwijken het percentage woningen voor lage inkomens beter niet groter is dan 20% à 25%. Bij een hoger percentage blijkt dat rijke ouders hun kinderen op andere scholen gaan doen buiten de wijk. Bij concepten als autoluwe wijken komt het voor dat deze tot meer vervoersongelijkheid leiden. Doordat het beperkte aantal beschikbare autoplekken ingenomen wordt door de meest welgestelden. Maar het zijn vaak juist de lagere inkomens die hun auto nodig hebben voor bijvoorbeeld nachtdiensten. Tot slot: wat voor beleid je ook verzint, problemen verplaatsen zich van de ene naar de andere wijk. Het is daarom een kwestie van blijven investeren in onderwijs en kansen op werk. Maar moet je alles altijd willen ‘verbeteren’? Moet je altijd meer theoretisch opgeleiden willen aantrekken? Daar kan je over discussiëren. In Almere gebeurt dat bijvoorbeeld volop. Daar is weinig ruimtelijke segregatie, er is veel diversiteit en een hele vlakke inkomensverdeling. Mensen hebben woningen, veel groen en recreatiemogelijkheden. Mensen hebben daardoor ook het gevoel dat ze iets te verliezen hebben.

De ideeën over hoe er meer studenten en theoretisch opgeleiden naar de stad kunnen worden getrokken, gaan in hun ogen over ‘prestigeprojecten’ en vormen een bedreiging. Is dat ook zo? Of zal bijvoorbeeld een technische universiteit ook leiden tot betere banen voor de praktisch opgeleiden in de stad (zoals dat met Brainport gebeurt)? Het maken van die afweging tussen korte en lange termijn voor- en nadelen, moet gebeuren in gesprek met de mensen om wie het gaat (niet over hen zonder hen).

28

Hoe kunnen beleid en uitvoering beter samenwerken, juist om hun impact op de samenleving te verbeteren en zichtbaarder te maken? (Alnoor Ebrahim en Souhail Chaghouani) Door onder andere het New Public Management-denken zijn overheden zich de laatste decennia teveel gaan richten op verantwoording. Verantwoording gericht op ‘compliance’, het volgzaam nakomen van afspraken, en te weinig gericht op vertrouwen. Het verlies aan vertrouwen binnen de publieke sector en bijbehorende verantwoordingsdrift zijn ten koste gegaan van de tijd die sociale professionals (in de breedste zin) hebben om te investeren in hun relatie met mensen. En juist die relatie is zo cruciaal. (Zie ook de verhalen van Floortje Scheepers en Noreena Hertz). Wij moeten daarom toe naar een vorm van verantwoording die ons juist helpt om onze doelen te bereiken, in plaats van dat die ons afstraft wanneer iets ons niet lukt. Hiervoor zijn drie vragen cruciaal: 1.

2. 3.

Wat willen wij bereiken en voor wie (value proposition)? Dit moet concreet zijn en niet vaag. Zoals Nietzsche zei: “De meest fundamentele vorm van menselijke domheid is vergeten wat we in de eerste plaats probeerden te doen”. Hoe gaan we deze verandering teweeg brengen (social change model)? Waarover leggen wij verantwoording af en aan wie (accountability)? Zeker in de politieke werkelijkheid waarin er aan alle kanten wordt getrokken aan bestuurders, is het belangrijk gefocust te blijven op wat je wil bereiken, en op degenen aan wie je daarvoor verantwoording verschuldigd bent.

Om sociale veranderingen teweeg te brengen zijn vier strategieën te onderscheiden. Deze zijn gebaseerd op de mate van (on)zekerheid over de causale relatie tussen oorzaak en gevolg enerzijds, en de controle over de uitkomsten (outcomes) anderzijds.

z

High

Emergent strategy

Ecosystem strategy

influence (interim outcomes)

outcomes (individual + societal)

Ontplooiende strategie

Ecosysteem strategie

Een voorbeeld van een niche strategie is een Niche strategy Integrated strategy ambulancedienst. Zij richten zich in hun moniNiche strategie Geïntegreerde strategie toring en verantwoording op outputs (bijvoorbeeld reactietijd). Het is niet hun taak te registreren in hoeverre de patiënt vervolgens in outputs outputs + outcomes het ziekenhuis geholpen wordt. Ook voor vragen waar er veel (wetenschappelijk) bewijs Low High Control is voor de relatie tussen oorzaak en gevolg, (over outcomes) © Alnoor Ebrahim. Measuring Social Change (2019), Stanford University Press. Do not copy or post without permission. is het monitoren van outputs voldoende. (Bijvoorbeeld in geval van vaccinatiecampagnes, waar je het aantal gezette prikken kan bijhouden). Low

z

(about cause-effect)

Door de strategie te kiezen die het meest past bij de context waarin je werkt, voorkom je dat er onrealistische verantwoording gevraagd wordt van partijen.

Uncertainty (Onzekerheid)

4 Primary Strategies

Een voorbeeld van een geïntegreerde strategie is het onderwijssysteem, waarbij een leerling verschillende scholen doorloopt. Een basisschool draagt een leerling over aan het middelbaar onderwijs en hoeft niet standaard bij de houden of deze leerling later een universitaire opleiding afrondt. 29

z

z

Een ontplooiende strategie moet zichzelf continu kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden. Een voorbeeld hiervan is het beïnvloedingswerk van (belangen)organisaties. Hun aanpak moeten zij continu afstemmen op veranderingen in de (publieke opinie van de) samenleving, en verschillende regeringscoalities die komen en gaan. Een ecosysteemstrategie is van toepassing op complexe situaties waar de uiteindelijk controle over outcomes wel groot kan zijn, maar de onzekerheid over oorzaak en gevolg ook groot is. Dit zijn de complexe problemen waar geen enkele partij het alleen aan kan. Waar je soms te maken hebt met een gefragmenteerd landschap van partijen die zich elk richten op hun eigen aandeel. Hier is het van belang dat één partij opstaat en een rol neemt in het orkestreren van de samenwerking tussen de relevante partijen, om zo het gewenste resultaat te kunnen bereiken.

Alnoor noemt het voorbeeld van Miriam’s Kitchen, een organisatie wiens core business het was om maaltijden te bieden aan dak- en thuislozen in Washington DC, die uiteindelijk regie nam in het regisseren van de inzet van verschillende partijen in een ‘housing first’ concept. Tal van partijen dragen daar nu bij aan een concreet geformuleerd gezamenlijk doel, waar zij zich allen achter scharen. In Nederland lijken gemeenten een logische partij om in het sociaal domein deze rol op zich te nemen. Een ecosysteemstrategie bestaat uit vier componenten: een systeemanalyse (welke actoren spelen allemaal mee in dit sociale probleem, en wat is hun rol?), een social change model dat rekening houdt met de wederzijdse afhankelijkheden die er zijn (een verandertheorie). De capaciteit om mensen, organisaties en middelen te organiseren. En tot slot de verantwoording van collectieve outcomes. Zo is in Alnoors voorbeeld de gewenste outcome uiteindelijk relatief eenvoudig te volgen: namelijk dat het aantal chronische daklozen afneemt. Deze outcome is echter niet toe te schrijven aan één partij in het systeem. Wel dragen alle partijen bij aan de gewenste outcome door hun samenwerking. Het is belangrijk om ons te realiseren dat de te kiezen strategie afhangt van de context. De een is niet ‘beter’ dan de ander. Een organisatie kan ook uitblinken in meerdere strategieën.

Binnen teams die samenwerken aan projecten is het wel goed om met één strategie tegelijk te werken. De verschillende strategieën komen dan samen op een ander niveau

30

Een voorbeeld van hoe een gemeente dit model en/of modellen die hierop lijken in de praktijk kunnen gebruiken, is hoe de gemeente Utrecht het jeugdstelsel inrichtte. Zij hebben daar als uitgangspunt de jeugdige en zijn/haar gezin genomen voor de verandering die zij teweeg willen brengen. De gemeente wil haar rol invullen als partner en niet als directieve opdrachtgever. En de verantwoording willen zij inrichten, niet vanuit de eerder genoemde compliance, maar zodat zij juist controle hebben over de beweging. ‘Controle’ definieert Souhail hier als het dichterbij brengen van het hoofddoel dat je wil bereiken, continu in gesprek blijvend over de risico’s, en het informeren en meenemen van de verschillende belanghebbenden. Hier moet je soms scherpe keuzes in maken. Soms moet je compliance ook wel eens bewust en selectief loslaten om in control te zijn. Dit doet de gemeente Utrecht op basis van vier pijlers: 1) Leidende principes, 2) Inrichtingskeuzes, 3) Financiering en inkoop, 4) Volgen, spiegelen en leren. Het is hierbij van groot belang dat deze pijlers elkaar versterken en niet in de weg zitten. Dit lijkt een open deur, maar in de praktijk komt het teveel voor dat deze vier worden ingevuld vanuit elk een eigen perspectief.

Hoe kan je alle partijen die je nodig hebt voor zo’n opgave samenbrengen rond het doel dat je wil bereiken? In Utrecht hebben ze hier hun leidende principes voor geformuleerd. Om mee te doen moet je je als organisatie ook volmondig achter deze principes scharen. Door hier expliciet met elkaar een gesprek over te voeren, vallen sommige partijen af. Maar met de partners die overblijven zorg je hiermee dat je werkt vanuit een gezamenlijk perspectief waar je elkaar wederzijds op kan aanspreken. Hoe kan je met elkaar die beweging die je wilt zien zichtbaar maken? Belangrijk hierbij is dat de andere partners in het ecosysteem moeten ervaren dat de data die je daarvoor verzamelt, ook hun data is. Dat die data ook hun verhaal vertelt. Verder is het belangrijk om te (durven) accepteren dat er dingen fout zullen gaan, en dat er (soms heftige) incidenten zullen plaatsvinden. Muhammad Ali zei ooit: “Everyone has a plan until they get punched in the face”. Bereid je dus voor op die incidenten, zodat je niet in de reflex schiet en weer in de compliance-stand gaat. Zodat je niet alles wil controleren met nog meer regels, en hiermee juist de controle verliest over het hogere doel dat je nastreeft. En tot slot ‘denk groot, maar begin klein’.

In de dialoog achteraf stelde iemand de vraag: ‘Wie zijn wij als gemeenten om deze rol in het ecosysteem op ons te nemen?’ Alnoor antwoorde hierop met wat Miriam’s Kitchen hem ooit vertelde over het moment dat zij die rol op zich namen: “The role can be uncomfortable, but no one else was doing it.”

31

Wat vraagt dit van gemeenten? De kunst en belang van tegenmacht (Met Erik Pool) Deze opgaven vragen veel van gemeenten, zowel bestuurlijk als ambtelijk. Het vraagt iets van de eigen professie als directeur sociaal domein. In hoeverre lukt het om uit je eigen denken te stappen, en vervolgens om collega’s daarin mee te krijgen? Want het erkennen van onzekerheid (zie het 1e college), is iets waar zowel de politiek als de meeste (overheids) organisaties slecht in zijn. Onmisbaar hier is het zorgen voor tegenmacht in het denken binnen en buiten de eigen organisatie. Maar wat is tegenmacht? Waarom is het zo moeilijk? En hoe kunnen organisaties leren om hier beter mee om te gaan?

Voor tegenmacht is ‘vrijmoedig spreken’ een vereiste. Vrijmoedig spreken komt uit een filosofische traditie. De spreker heeft moed nodig om het spreken van de waarheid aan te gaan, want het is niet zonder risico. Als leidinggevende zit je aan de andere kant. Heb jij voldoende moed om de waarheid over jezelf of jouw plan te ontvangen? Je moet wat de spreker zegt accepteren, en respecteren en waarderen dat zij dat risico nemen om vrijmoedig te spreken. Dat is leiderschap. En in een cultuur waarin je vrijmoedig met elkaar spreekt maken mensen fouten, maar die worden eerder gecorrigeerd dan in organisaties waarbinnen dat niet gebeurt. Effectieve tegenspraak is volgens Erik ‘In een situatie van afhankelijkheid door machtsongelijkheid, de eigen angst overwinnen en in verbinding blijven, met jezelf en de ander, en op het juiste moment spreken met woorden die de ander kan begrijpen en die handig gekozen zijn om taalgevoeligheden te omzeilen. (Dit) zodat de ander zich zowel bekritiseerd als begrepen weet en juist dáárom de noodzaak voelt om de tegendraadse woorden of afwijkende adviezen serieus te overwegen’. Waarom is tegenspraak (of waarheidsspreken) zo moeilijk? Vaak wordt loyaliteit (aan ‘de minister’ of ‘de wethouder’) aangedragen als reden. Maar denk eraan: je bent loyaal aan het ambt, niet aan de persoon. Het ambt wordt geacht de waarden van de samenleving te dienen.

Beschouw tegenspraak als een collectieve inspanning. Want de toeslagenaffaire heeft zichtbaar gemaakt dat heel veel individuen een strijd in hun eentje hebben gevoerd. Individuen kunnen systemen niet veranderen. Overheidstermen als ‘efficiëntie’ verhouden zich slecht tot de nabijheid van burgers en hun leefwereld. Dat draait om andere woorden en waarden. Als ambtenaar heb je een belangrijke positie tussen de leefwereld van burgers en de politiek bestuurlijke context in. Het slaan van een brug tussen die werelden is een vorm van tegenspraak. Als vertegenwoordiger van de overheid ben je soms de brenger van een vervelende boodschap aan burgers. Maar binnen de burelen van de overheid kan je het perspectief van mensen van vlees en bloed ook naar de politiek brengen.

32

Er zijn zes vormen van tegenspraak: 1. 2. 3. 4. 5.

6.

Een kritische uiting. Een gesprekstechniek: vind de goede formulering of het juiste moment om iets aan de orde te stellen. Gewetensonderzoek: in gesprek gaan met jezelf. Een innerlijke tegenspraak die voedend is voor de externe tegenspraak. Een managementinstrument: perspectieven naast elkaar leggen en trechteren tot besluitvorming. Hoe weeg je de verschillende belangen hierbij tegen elkaar af? Een beleidsinstrument: richting het college alternatieve scenario’s uitwerken naast de politieke lijn en deze alternatieven even veel gewicht geven. Dit is ingewikkeld omdat het capaciteit vraagt en de loyaliteitsvraag weer bovenkomt. Wat kan je of moet je vanuit je ambtseed gebruiken om alternatieve scenario’s even goed op tafel te leggen. Het dichter bij elkaar brengen van leef- en systeemwereld: de mensen (om wie het gaat) even naderbij brengen op de plekken waar beleid wordt gemaakt. Tegenspraak is een verbindende taal tussen beide werelden.

Het is belangrijk dat we complexiteit leren erkennen, en niet tegen elkaar zeggen: ‘Laten we het eenvoudig houden’. Het is niet eenvoudig. Het vraagt een andere vorm van denken dan het gebruikelijke “laten we conclusies trekken en aan de slag gaan”. Want dat is wel hoe het meestal gaat. Een groot deel van de complexiteit is alleen te doorzien via andere wegen dan die we normaal nemen. Dit vraagt om een andere vorm van leren. Leren kent drie niveaus, gerepresenteerd door drie vragen. Eerste orde: de dingen die we doen, doen we die goed? Tweede orde: doen we de goede dingen? En tot slot de derde orde: zijn we zelf in staat om te doen wat nodig is? Zijn wij zelf goed? En deze derde vorm van leren vindt in de politiek te weinig plaats. We worden in ons dagelijkse werk geleefd door krachten van buiten en driften van binnen. Zelfzorg is een cruciaal vertrekpunt om jezelf te wapenen, te weten tot hoever jouw invloed rijkt, maar wel datgene te doen wat bij jouw verantwoordelijkheid past. Erik geeft ons de opdracht om onszelf te leren kennen, onszelf vorm te geven, en boven onszelf uit te stijgen. Waarbij de eerdere vraag ‘Als wij het niet doen, wie dan wel?’ een goede is om te blijven stellen.

Zijn wij in staat onszelf met de goede opdracht op pad te sturen, daar trouw aan te blijven, goed voor onszelf te zorgen en ons niet te vertillen aan de dingen die we echt niet zelf in de hand hebben? Laten we daarbij dit citaat van Zlatko Valentié als houvast en waarschuwing zien: “De ander als mens te zien is misschien wel de grootste opgave waarvoor het leven ons stelt.”

33

COLOFON Opdrachtgever Auteurs Foto omslag Uitgave

Netwerk Directeuren Sociaal Domein Drs. A. E. Britt Dr. O. de Zwart AdobeStock, 269205422, rachid amrous Verwey-Jonker Instituut Kromme Nieuwegracht 6 3512 HG Utrecht T (030) 230 07 99 E secr@verwey-jonker.nl I www.verwey-jonker.nl

De publicatie kan gedownload worden via onze website: http://www.verwey-jonker.nl ISBN 978-94-6409-164-9 © Verwey-Jonker Instituut, Utrecht, mei 2022. Het auteursrecht van deze publicatie berust bij het Verwey-Jonker Instituut. Gedeeltelijke overname van teksten is toegestaan, mits daarbij de bron wordt vermeld. The copyright of this publication rests with the Verwey-Jonker Institute. Partial reproduction of the text is allowed, on condition that the source is mentioned.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/66/documents/1079