Beantwoording Technische vragen Leon van den Beucken RV 15-2023 Grondstoffenplan 2030.pdf
Tekst van het document
Beantwoording Technische vragen RV 15-2023 Grondstoffenplan 2030 Geachte heer van den Beucken, Bij deze een antwoord op uw technische vragen. Mocht u nog aanvullende vragen hebben dan hoor ik dat uiteraard graag. “1.3 Het uiteindelijke resultaat ligt hiermee vast maar uitvoering en de route ernaar toe blijft dynamisch Het Uitvoeringsprogramma zal tot stand gebracht worden door middel van participatie met uw raad, en met onze inwoners, ondernemers en andere maatschappelijke betrokkenen. Met dit Uitvoeringsprogramma kan flexibel worden gestuurd op het behalen van de ambities en doelstellingen. Gedurende de looptijd van het beleidsplan kan het worden aangevuld en bijgesteld.” Uiteraard zijn er natuurlijk contracten gesloten met bedrijven zoals Renewi.
Vraag 1 Zijn die contracten altijd zodanig ingericht dat wendbaarheid te allen tijde mogelijk is, zoals een overstap naar een systeem waarbij volledig overgestapt wordt op nascheiding? Of het veranderen van de ophaalfrequentie. Antwoord op vraag 1: Als het gaat om overeenkomsten, zoals bijvoorbeeld de bestaande overeenkomst op basis waarvan Renewi GFT-, PMD- en restafval ophaalt, dan geldt dat deze tot stand komen nadat een aanbestedingsprocedure is doorlopen. In geval van dergelijke omvangrijke overeenkomsten met een aanzienlijk financieel belang dient een Europese aanbestedingsprocedure te worden gevolgd. Het uitgangspunt is dat dergelijke overeenkomsten slechts kunnen worden gewijzigd na het volgen een nieuwe (Europese) aanbestedingsprocedure. Dit is bepaald in de Aanbestedingswet. Deze wet bevat echter ook uitzonderingen op dit uitgangspunt. Als de overeenkomst een herzieningsbepaling/herzieningsclausule bevat, dan is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk een overeenkomst te wijzigen. Daarbij is het steeds van belang ervoor te waken dat er geen zogenoemde ‘wezenlijke wijziging’ optreedt. De Aanbestedingswet bepaalt wanneer een wijziging als wezenlijk geldt en in dat geval dient een nieuwe aanbestedingsprocedure te worden gevolgd.
Ook in een aantal andere situaties is het juridisch gezien mogelijk een overeenkomst te wijzigen, zonder het volgen van een nieuwe aanbestedingsprocedure. Bijvoorbeeld als zich onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan. Verder levert een beperkte looptijd van een overeenkomst een zekere mate van flexibiliteit op, maar biedt dit ook minder zekerheid ten opzichte van overeenkomsten met een lange(re) looptijd. Of de wijziging van een overeenkomst zoals genoemd in de vraagstelling mogelijk is, dient tegen de hiervoor geschetste juridische achtergrond te worden beoordeeld. In algemene zin kan worden gesteld dat de kans groter is dat de overstap naar een systeem waarbij wordt nagescheiden geldt als wezenlijke wijziging, dan in geval van de wijziging van de ophaalfrequentie. Of er echter sprake is van een wezenlijke wijziging in een specifiek geval dient op basis van de feiten en omstandigheden van dat geval te worden beoordeeld. In RIB 102 van afgelopen juli, werd aangegeven dat (door ontbreken van geschikte duocontainerwagens) meer en meer PMD afval, tot bijna 100% thans, ongescheiden ingezameld. Ter compensatie van dit ongescheiden inzamelen, wordt nascheiding ingezet. Dit om de “afval-isgrondstof-gedachte” voor wat PMD (Plastic, Metaal en Drinkverpakkingen) gestand te doen.
Vraag 2 Wat heeft deze ontwikkeling gebracht voor het inzicht, de drijfveer en de mogelijkheden om op termijn over te gaan naar volledige nascheiding?
Antwoord op vraag 2: Er is vooralsnog nog geen volledig eenduidig antwoord te geven op wat de technisch en financiële mogelijkheden en voordelen zijn van bron- en/of nascheiding. Er zijn daarbij veel verschillende factoren en (technische) ontwikkelingen die daarbij een rol spelen en (verschillende) financiële effecten hebben. Ook afhankelijk van schaalgrootte van gemeenten en consumentengedrag. Ook is een belangrijk gegeven dat in de bewustwording van consumenten de beweging van afval naar grondstof uiteindelijk alleen slaagt als vooral consumenten in de basis de hergebruikspotentie van afvalstof als grondstof gaan zien, ervaren en gebruiken. Het niet meer onderscheiden van grondstoffen aan de bron kan leiden tot een steeds grotere toename van afvalstoffen en een steeds grotere en diversere stroom voor nascheiding. En dat terwijl er voor diverse (zuivere) reststromen steeds meer economisch rendabele toepassingen zijn. Het is vooralsnog de verwachting dat enkel nascheiding in Venlo niet tot betere resultaten gaat leiden. De resultaten die de gemeenten met nascheiding halen zijn namelijk niet beter dan de resultaten die Venlo via het huidige systeem met de duo-bak haalt. Een inzamelsysteem dat gebaseerd is op een afgewogen combinatie van bron- en nascheiding gaat dat naar verwachting wel doen.
Het blijkt dat de koplopergemeenten op gebied van PMD de gemeenten zijn die een systeem van bronscheiding hanteren. Verder geldt daarbij dat inzameling middels (transparante) zakken de minste hoeveelheid stoorstoffen in het PMD oplevert. In Venlo zou nascheiding wellicht een positieve bijdrage kunnen hebben bij hoogbouw / dichtbevolkte gebieden waar brongescheiden inzameling met pmd-zakken niet goed mogelijk is. En toen kwam er het statiegeld op blik. Dat zou moeten betekenen dat er (substantieel) minder blikjes in de container terecht komen. Vraag 3 Is bekend wat het aandeel van blik geweest is op het aanbod van PMD en wat is het effect tot nu toe op het heffen van statiegeld op (drank) blikjes? Antwoord op vraag 3: Daar zijn op dit moment nog geen cijfers over bekend. We kunnen het effect van statiegeld op blikjes dus nog niet aangeven. Wel weten we dat in 2021 het aangeboden PMD in Limburg op basis van gewicht voor gemiddeld 10% uit metaal bestond. Vraag 4 Wat is tot nu toe de verhouding restafval enerzijds en PMG anderzijds geweest? Antwoord op vraag 4: In 2021 werd er 1.875 ton PMD en 16.069 ton restafval ingezameld. Bijlage, bladzijde 6: “Gemeente- en keten overstijgende samenwerking is dus niet nieuw in Limburg, maar er zijn wel nog grote regionale verschillen qua vorm en intensiteit van de samenwerking.
Zo zijn er in Zuid- en (een deel van) Midden-Limburg enkele samenwerkingsverbanden actief, zoals Rd4, RWM en Reinigingsdienst Maasland. Waar ASL vooral gericht is op de afvalverwerking, ligt de focus van deze samenwerkingsverbanden vooral op de inzameling van afval. Deze intergemeentelijke samenwerkingsverbanden leiden tot een effectiever afvalbeheer en –beleid, minder restafval, meer grondstoffen en beter beheersbare kosten. In Noord- (en ander deel van) Midden-Limburg is een dergelijke intensieve regionale samenwerking nog niet gerealiseerd”
Vraag 5 Gaat er in het werkgebied van ASL (focus afvalverwerking) een bredere kijk ontstaan, dat wil zeggen dat het ASL ook de link legt met afval inzameling? Zou dat niet beter zijn om beide “vakgebieden” te integreren? Antwoord op vraag 5: Nee, ASL is specifiek door 30 Limburgse gemeenten gezamenlijk opgericht om met name de contractvorming met de afvalverwerkers te organiseren, omdat daarmee volumevoordelen gerealiseerd kunnen worden. Daarnaast fungeert ASL als een platform voor kennisdeling over afvalverwerking. Er zijn in met name zuid en midden Limburg daarnaast regionale samenwerkingsverbanden op het gebied van inzameling. In noord Limburg is een dergelijk samenwerkingsverband er nog niet. Een van de doelen van het nieuwe grondstoffenkader is om ook in noord Limburg een dergelijke samenwerking van de grond te krijgen.