650037Bijl03 Beantwoording Adviesraden N en M Limburg adviezen Beleidsplan.pdf
Tekst van het document
Hanzeplaats 1, 5912 AT Venlo | Postbus 3434, 5902 RK Venlo Telefoonnummer: 14 077 | www.venlo.nl/contact
Adviesraad sociaal domein gemeente Venlo Hanzeplaats 1 5912 AT Venlo
uw kenmerk Zie Relaties hoofdzaaknummer uw brief d.d. ons kenmerk 650037 behandelaar Maatschappelijke ondersteuning en zorg telefoonnummer 14 077 contact www.venlo.nl/contact collegebesluit d.d. bijlage(n) datum
onderwerp Beantwoording adviesraden Noord- en Midden-Limburg inzake advies Beleidsplan toezien, toezicht en handhaving Wmo en jeugd Noord- en Midden-Limburg
Beste adviesraden, Hartelijk dank voor de zorgvuldige en betrokken wijze waarop u het conceptbeleidsplan Toezien, Toezicht en Handhaving Wmo en Jeugdwet Noord- en Midden-Limburg heeft beoordeeld. De tien ontvangen adviezen bevatten waardevolle inzichten die ons helpen om het beleidsplan aan te scherpen en het uitvoerend kader verder vorm te geven. Uw inzet wordt gewaardeerd en we zien dat u vanuit verschillende invalshoeken steeds hetzelfde doel benadrukt: een systeem dat inwoners beschermt, aanbieders ondersteunt en gemeenten helpt om rechtmatige en kwalitatief goede ondersteuning te organiseren. De hoofdthema's die voortkomen uit uw adviezen hebben we hieronder geformuleerd en voorzien van beantwoording en aanpassing in het beleidsplan. In alle adviezen wordt terecht gewezen op het feit dat in het beleidsplan het 'hoe’ van de invulling van het toezicht ontbreekt. Het beleidsplan is namelijk voor ons het eerste document dat nodig is om toezicht vorm te geven. Naast het beleidsplan wordt ook een uitvoerend kader geschreven en maken de toezichthouders zelf, binnen de kaders van het beleidsplan en uitvoerend kader, een werkplan. Voordat de hoofdthema’s worden besproken wordt kort beschreven hoe deze drie documenten zich tot elkaar verhouden:
Een beleidsplan heeft primair een visievormend en richtinggevend karakter. Het beschrijft op
hoofdlijnen de ambities, doelstellingen en strategische keuzes voor de komende jaren. Omdat het beleidsplan zich richt op een meerjarige periode, blijft het bewust op een hoger abstractieniveau en gaat het niet in op gedetailleerde uitvoering. 650037
1
Het uitvoerend kader vormt hierop een nadere uitwerking en concretisering. Dit document
gaat dieper in op het “hoe” van de uitvoering en biedt handvatten voor de toepassing van het beleid in de praktijk. Ook het uitvoerend kader heeft echter, net als het beleidsplan, een meerjarig perspectief, dat wel een kortere periode betreft dan het beleidsplan, en kan daardoor niet alle details bevatten die nodig zijn voor de dagelijkse uitvoering.
Het werkplan, dat toezichthouders onafhankelijk opstellen, voorziet juist wél in dit
detailniveau. Hierin worden de concrete activiteiten, prioriteiten en werkwijzen voor het betreffende jaar vastgelegd. Daarmee vormt het werkplan de praktische vertaling van zowel het beleidsplan als het uitvoerend kader naar de dagelijkse praktijk. Als bijlage bij deze antwoordbrief sturen wij u ter informatie het concept uitvoerend kader toe. Dit uitvoerend kader zal op een aantal aandachtspunten in de gegeven adviezen al antwoord geven. Voor het uitvoerend kader wordt geen formeel advies gevraagd. Uiteraard is het wel beschikbaar voor de adviesraden ter verdieping op het thema toezicht. Hieronder gaan wij in op de hoofdthema’s die in alle adviezen terugkomen. 1. Evenwicht tussen preventie, toezien, toezicht en handhaving Veel adviesraden wijzen erop dat het beleidsplan stevig is uitgewerkt op het gebied van handhaving, terwijl de preventieve en stimulerende kant nog sterker kan worden verankerd. Het college onderschrijft het belang van dit evenwicht. Dat is ook het uitgangspunt geweest in het opstellen van de visie in het beleidsplan. In het uitvoerend kader wordt preventie prominent opgenomen en verder uitgewerkt. Daarnaast wordt hierin opgenomen dat toezicht en handhaving proportioneel en subsidiair wordt ingezet. Dit houdt in het kort in dat er maatregelen worden ingezet die passend zijn bij de situatie. 2.
Betrokkenheid van inwoners en cliënten(organisaties) Diverse adviesraden benadrukken dat het perspectief van inwoners sterker in het beleidsplan terug mag komen. Hier wordt in sommige adviezen ook een sterkere focus op het toezicht op het persoonsgebonden budget (PGB) gevraagd. Verondersteld wordt dat bij gebruikers van een PGB minder procedurele kennis aanwezig zou zijn. In het beleidsplan ligt de nadruk op de beoogde resultaten voor inwoners: het waarborgen dat inwoners die ondersteuning nodig hebben, deze tijdig ontvangen en dat deze van voldoende kwaliteit is. Door toezicht goed vorm te geven draagt dit tevens bij aan het versterken van de autonomie en zelfredzaamheid van inwoners. Gestart wordt vanuit de ondersteuningsbehoefte van de inwoner, waarbij het systeem ondersteunend moet zijn en niet leidend. Om de positie van inwoners ook in het beleidsplan verder te verstevigen is ‘de inwoner’ opgenomen in het hoofdstuk waar het gaat om samenwerkingspartners. In het beleidsplan wordt het toezicht op PGB ook benoemd, waarbij onder andere ook de verschillen tussen PGB en zorg in natura (direct via aanbieders ingekocht door gemeenten) meer 650037
2
aandacht krijgen, zowel in het beleidsplan als het uitvoerend kader. Zo proberen we ook duidelijker aan te geven op basis van adviezen dat differentiatie tussen inwoners en aanbieders nodig is. PGB is daarmee duidelijker beschreven en toegelicht. Wanneer PGB op basis van signalen uit de praktijk als thema voor toezicht wordt aangemerkt, wordt dit opgenomen in het werkplan van de toezichthouders. Daarbij wordt rekening gehouden met het verschil tussen aanbieders en PGB-houders, zoals ook uitgewerkt in het uitvoerend kader. 3. Samenwerking, rollen en verantwoordelijkheden Een aantal adviezen vragen verduidelijking van de rolverdeling tussen: •
toezichthouders
•
contractmanagers en inkoop
•
toegangsteams
•
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
•
lokale teams
•
ketenpartners
In het beleidsplan is het belangrijk om te benoemen wie de belangrijkste stakeholders/samenwerkingspartners zijn. De rol van de toezichthouder is ook uitgeschreven in het uitvoerend kader. In dit uitvoerend kader wordt bijvoorbeeld ook in meer detail de samenwerking met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en contractmanagers benoemd en is als bijlage een schema toegevoegd met partners en verantwoordelijkheden. Naast het uitvoerend kader worden nog werkinstructies geschreven met onder andere contractmanagers en toezichthouders. Eén van de doelen van het uitvoerend kader is om te komen deze werkafspraken. Voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is duidelijk dat de invulling van kwaliteitstoezicht en verdiepend kwaliteitstoezicht, op basis van aanvullende indicatoren, door toezichthouders kan plaatsvinden, vanwege het wettelijke karakter specifiek voor de jeugdwet. Dit is uitgewerkt in het uitvoerend kader. Samenvattend kan worden gesteld dat in het beleidsplan samenwerkingspartners op hoofdlijnen worden benoemd, terwijl in het uitvoerend kader een nadere uitwerking is opgenomen van rollen en taken. Daarnaast is vastgesteld dat op termijn, als gevolg van een verbeterde en geïntensiveerde samenwerking tussen betrokken professionals, behoefte kan ontstaan aan aanvullende en meer gedetailleerde werkafspraken.
Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt hierop gestuurd door het opstellen van dergelijke werkafspraken. Dit sluit aan bij de doelstelling zoals opgenomen in het uitvoerend kader ten aanzien van de samenwerking tussen contractmanagement en toezicht. 4. Onafhankelijkheid en professionalisering van toezichthouders en bekendheid bij gemeenteambtenaren Meerdere adviesraden vragen aandacht voor de onafhankelijkheid van toezichthouders en voor hun kennisniveau. Toezichthouders vervullen een onafhankelijke rol en stellen hun werkplan 650037
3
zelfstandig op. Dit laat onverlet dat zij actief input ophalen bij verschillende stakeholders. Deze input wordt gebundeld en vertaald naar het werkplan, met als doel het toezicht en het toezichtproces verder te versterken. De werkwijze hiervoor is uitgewerkt in het uitvoerend kader. Daarnaast is in het beleidsplan opgenomen dat het versterken van de signaleringsfunctie ten aanzien van risico’s op het gebied van rechtmatigheid en kwaliteit van ondersteuning aandacht vraagt. In het uitvoerend kader zijn daarom verschillende doelen opgenomen, waaronder de inrichting van een uniform meldpunt. De verdere implementatie hiervan vraagt om lokale invulling binnen gemeenten. Daarnaast bevat het uitvoerend kader doelen gericht op de inzet van aandachtsfunctionarissen en het versterken van kennis en bewustwording. Zo is onder meer opgenomen dat toegangsmedewerkers deelnemen aan trainingsaanbod, gericht op het vergroten van het bewustzijn en de meldingsmogelijkheden rondom zorgfraude. 5. Relatie tussen toezicht en vertrouwen Enkele adviesraden wijzen erop dat regels en sanctionering op gespannen voet kunnen staan met het uitgangspunt van vertrouwen. Daarbij wordt benadrukt dat de balans tussen controle en vertrouwen zorgvuldig bewaakt moet worden en dat het aspect vertrouwen nadrukkelijker mag worden uitgelicht.
Hieraan is invulling gegeven binnen het onderdeel samenwerking, waarbij vertrouwen als basis wordt gezien voor het handelen vanuit de bedoeling. Toezicht dient bij te dragen aan het versterken van vertrouwen in de samenwerking met aanbieders en pgb-houders/inwoners. Dit uitgangspunt komt op meerdere plaatsen terug in het beleidsplan en wordt verder uitgewerkt in het uitvoerend kader. In de visie is dit onder meer verwoord in de missie: ‘Voorkomen is beter dan genezen: samen tegen zorgfraude’. Uitgangspunt daarbij is dat fouten van aanbieders en inwoners in beginsel niet bewust worden gemaakt en dat hier primair op wordt gestuurd door middel van informeren en ondersteunen. Tegelijkertijd blijkt uit onder andere het rapport van het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum Limburg (RIEC Limburg) dat zorgfraude voorkomt. Om die reden zijn ook handhavingsmaatregelen beschikbaar. Hoewel de nadruk ligt op preventie en ondersteuning, moeten waar nodig passende maatregelen kunnen worden ingezet. Dit past binnen de principes van proportionaliteit en subsidiariteit, zoals nader uitgewerkt in het uitvoerend kader. Het uiteindelijke doel van toezicht blijft dat inwoners die ondersteuning of zorg nodig hebben, deze ontvangen en dat deze van voldoende kwaliteit is.
Daarnaast benadrukken de adviesraden het belang van transparantie in onderzoeken, als middel om vertrouwen in de samenwerking te versterken. In het uitvoerend kader is hiervoor een doel opgenomen, gericht op het maken van afspraken over het – waar mogelijk – publiceren van onderzoeksresultaten van toezichthouders. 6. Zelfonderzoek bij calamiteiten
650037
4
Enkele adviesraden plaatsen kritische kanttekeningen bij het huidige systeem waarin zorgaanbieders zelf onderzoek uitvoeren naar calamiteiten. Daarbij wordt gewezen op het risico van belangenverstrengeling, geïllustreerd met het beeld van “de slager die zijn eigen vlees keurt”. Vanuit dat perspectief pleiten de adviesraden voor een grotere rol van de toezichthouder, bijvoorbeeld door de regie over het onderzoek te voeren, om onafhankelijkheid en objectiviteit te waarborgen. Het belang van onafhankelijk toezicht wordt onderkend, maar de conclusie dat de toezichthouder het onderzoek zou moeten leiden, wordt niet gevolgd. Het uitgangspunt dat de aanbieder bij een calamiteit als eerste verantwoordelijk is voor het uitvoeren van onderzoek, draagt juist bij aan snelle waarheidsvinding en directe verbetering van de praktijk. De aanbieder beschikt over actuele kennis van de situatie, de betrokken medewerkers en de context waarin het incident heeft plaatsgevonden. Door deze verantwoordelijkheid primair bij de aanbieder te beleggen, wordt het lerend vermogen van de organisatie versterkt en kunnen snel passende maatregelen worden getroffen. Daarnaast vindt het onderzoek plaats binnen vastgestelde kaders, met transparantie richting de toezichthouder en ruimte voor toetsing en interventie waar nodig.
Op deze wijze wordt een evenwicht bereikt tussen eigenaarschap bij de aanbieder en onafhankelijk toezicht, zonder dat snelheid en leervermogen verloren gaan. 7. Toegankelijkheid en begrijpelijkheid Adviesraden geven aan dat inwoners behoefte hebben aan heldere en toegankelijke (ook nonverbale) informatie over: •
de wijze waarop toezicht wordt uitgevoerd;
•
wat zij daarbij kunnen verwachten;
•
hoe zij signalen kunnen melden. Het meldpunt zorgfraude, dat steeds uniformer wordt ingericht, biedt centrale informatie over het melden van signalen met betrekking tot de kwaliteit en rechtmatigheid van ondersteuning. Vanuit gemeenten wordt hierop gerichte communicatie ontwikkeld. De samenwerking met de MGR draagt daarbij bij aan verdere uniformiteit. Alle publieksvriendelijke informatie die inwoners nodig hebben om signalen te melden, wordt beschikbaar gesteld via de gemeentelijke websites. In het uitvoerend kader wordt daarnaast nadrukkelijker aandacht besteed aan het stimuleren van inwoners om meldingen te doen. Dit sluit aan bij de zogenoemde ‘cirkel van naleving’, die in het beleidsplan op begrijpelijke wijze is toegelicht en voorzien van voorbeelden. 8. Werkwijze toezichthouders en link met inkoop, aanbesteding Verschillende adviesraden benadrukken dat preventie reeds begint bij: •
650037
een werkwijze van toezichthouders die is ingericht op screening en selectie, en zich niet alleen richt op controle, maar ook op advisering en preventie;
5
•
screening van zorgaanbieders en het beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor medewerkers;
•
toepassing van instrumenten zoals Bibob;
•
het hanteren van kwaliteitsnormen (zoals HKZ);
•
inzet van data-analyse en risicomodellen. Deze aandachtspunten worden onderschreven en komen zowel in het beleidsplan als, in verdere uitwerking, in het uitvoerend kader terug. Daarbij worden toezichthouders steeds eerder in het proces betrokken, onder andere bij inkoop en contractmanagement. Tevens is als doel opgenomen om werkinstructies op te stellen voor de samenwerking tussen contractmanagement en toezicht. 9. Continuïteit van zorg Een belangrijk en terecht benoemd aandachtspunt is dat inwoners niet de dupe mogen worden van toezicht of handhaving. Meldingen worden door toezichthouders zorgvuldig opgepakt, waarbij de zwaarte van eventuele maatregelen wordt afgewogen op basis van de principes van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien meldingen aanleiding geven tot maatregelen richting een aanbieder, wordt, waar nodig, voorzien in passende alternatieve ondersteuning of zorg voor betrokken inwoners. In de praktijk werken toezichthouders hierbij samen met contractmanagers en verwijzers. Daarbij is van belang dat dergelijke processen tijd vergen en dat ondersteuning of zorg niet van de ene op de andere dag stopt als gevolg van een toezichtproces.
Tegelijkertijd geldt dat wanneer signalen leiden tot handhaving, er sprake is van een situatie die nadere beoordeling vereist, waaronder de vraag of voortzetting van de ondersteuning of zorg bij de betreffende aanbieder verantwoord is. 10. Monitoring, evaluatie en lerend netwerk Veel adviesraden vragen om een cyclische evaluatie van zowel het beleid (inhoudelijk en procesmatig) als de werkwijze van de toezichthouders. Het belang van monitoring en evaluatie, inclusief een lerend proces, wordt onderschreven en is opgenomen in het beleidsplan. In het uitvoerend kader is een afzonderlijk hoofdstuk gewijd aan de monitoring en evaluatie van het toezicht. Jaarlijkse evaluaties maken hier onderdeel van uit en worden verwerkt in de verantwoording door de toezichthouders. Op basis van de uitkomsten van monitoring en evaluatie wordt gericht geïnvesteerd in het verder versterken van het toezicht, onder andere door middel van voorlichting en training. Er wordt voorzien in jaarlijkse evaluaties, zowel inhoudelijk als procesmatig. Daarnaast wordt het lerend netwerk verder ontwikkeld en blijft dit een centraal onderdeel van de regionale samenwerking. Afronding 650037
6
De gemeenten spreken hun waardering uit voor de constructieve houding, de praktische suggesties en het kritische meedenken van de adviesraden. De ontvangen adviezen zijn integraal betrokken bij de verdere aanscherping van het beleidsplan en de ontwikkeling van het uitvoerend kader.
Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van Venlo de secretaris
ValidSigned door Twan Beurskens op 28-05-2026
Twan Beurskens
650037
de burgemeester
ValidSigned door Frans Schatorjé op 28-05-2026
Antoin Scholten
7