604413 Bijl03 Bestemmingsplan Landhuis Moubis - Steyl - bijl 2 Quickscan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Landhuis Moubis te Waterloostraat 28 in Steyl (2103/100/JOW-01, versie 0)
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Quickscan flora en fauna
in opdracht van Symphony Estates T.a.v. de heer O. J. Schoofs Parklaan 54a 5613 BH EINDHOVEN betreffende locatie Waterloostraat 28 Steyl documentkenmerk 2103/100/JOW-01 versie 0 vestiging Nuenen datum 3 augustus 2021
opgesteld door:
gecontroleerd door:
N. Hermans BSc
B. Bergkamp MSc
Projectleider ecologie
Projectleider ecologie
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Inhoudsopgave pagina 1.
Inleiding
1
2.
Bronnenonderzoek
3
2.1
Beschermde gebieden
3
2.2
Soorten
5
3.
Veldbezoek
7
4.
Resultaten
8
4.1
Flora
8
4.2
Vogels
8
4.3
Grondgebonden zoogdieren
11
4.4
Vleermuizen
14
4.5
Amfibieën, reptielen en vissen
14
4.6
Ongewervelden/ overige soorten
16
5.
Conclusies
17
5.1
Beschermde gebieden
17
5.2
Soorten
17
5.3
Zorgplicht
21
5.4
Eindconclusie
21
5.5
Advies
21
6.
Literatuurlijst
22
Bijlage aantal pagina's (excl. voorblad) 1.
Fotobijlage veldbezoek van 14 juli 2021
33
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
1. Inleiding In opdracht van Symphony Estates is een quickscan flora en fauna uitgevoerd ten behoeve van het voornemen om 28 zorgappartementen te realiseren. In het kader van de beoogde ontwikkeling wordt het landhuis gerenoveerd en de tuin heringericht. Het plangebied is gelegen aan de Waterloostraat 28 te Steyl in de gemeente Venlo, provincie Limburg. Het plangebied betreft het kadastrale perceelnummer 9098, sectie A, met een oppervlakte van 3.424 m2 (zie Figuur 1). Het plangebied heeft in de huidige situatie een woonfunctie (één tijdelijke woning).
Figuur 1: ligging van het plangebied. Het plangebied is tevens de begrenzing voor het kadastrale perceel.
In het kader van de beoogde ontwikkeling dient een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld. Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de werkzaamheden en wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en hun leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie zal uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) blijken of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van een inventarisatie en of er
pagina 1 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep op beschermde gebieden. In veel situaties zal het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen. Het plangebied is vlakbij Venlo in het dorp Steyl gelegen en betreft een oud landhuis met daaromheen een tuin (zie Foto 1). Het landhuis is gelegen in het Park Waterloo en aan de noord, oost- en zuidzijde omringt met nieuwbouwwoningen en parklandschap (zie Figuur 1). Ten westen van het plangebied stroomt de Maas. Ten zuiden van het plangebied voorbij de woningen stroomt de Aalsbeek en verder naar het zuiden bevindt zich agrarisch landschap. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich stedelijk gebied.
Foto 1: impressiefoto van het gebouw met tuin (achterzijde).
pagina 2 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
2. Bronnenonderzoek Het onderhavig onderzoek richt zich met name op soortenbescherming en in beperktere mate op het gebiedsbeschermingsdeel van de Wnb (Natura 2000). In het uitgevoerde bronnenonderzoek is gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Onder andere is hierbij gebruik gemaakt van de zoogdierenatlas (Broekhuizen et al., 2016) en enkele digitale verspreidingsatlassen. De bevindingen van dit literatuuronderzoek zijn weergegeven in de navolgende twee paragrafen.
2.1 Beschermde gebieden In figuur 2 en 3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden weergegeven: het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN) en Natura 2000-gebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN, en de bescherming van deze gebieden staat beschreven in de Provinciale omgevingsverordening. In principe zijn er geen ruimtelijke ingrepen mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het NNN. De gebieden zijn onderverdeeld in natuurtypen waarvan het behoud wordt nagestreefd doormiddel van natuurbeheertypen. Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland is op een afstand van circa 230 meter ten zuidoosten van het plangebied gelegen en betreft het natuurbeheertype “N12.02 Kruiden- en faunarijkgrasland” (zie Figuur 2).
Figuur 2: ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN.
pagina 3 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn, maar niet tot de schraallanden, vochtig hooiland, zilt grasland en overstromingsgrasland of glanshaverhooiland behoren. De natuurkwaliteit van deze gebieden wordt gekenmerkt door variatie in structuur (ruigte en plaatselijk struweel, hoge en lage vegetatie) en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan kleine fauna. Kenmerkende of bijzondere soorten van schralere beheertypen ontbreken grotendeels binnen kruiden- en faunarijk grasland, maar graslanden zijn vaak wel rijk aan minder zeldzame soorten. Bedreigingen voor dit beheertypen zijn onder andere de stranding in een witbol successiefase, inklinking, veraarding en stikstofdepositie. (BIJ 12, Index Natuur en Landschap) Vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben de lidstaten de verplichting om Natura 2000-gebieden aan te wijzen. Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden voor vogelsoorten en/of natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Ruimtelijke ingrepen zijn binnen en buiten Natura 2000-gebieden verboden wanneer, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of wanneer de ingreep een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
De bescherming voor Natura 2000-gebieden is in Nederland opgenomen in de Wnb artikel 2.7, lid 2. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van circa 11,1 kilometer ten zuidwesten van het plangebied gelegen en betreft het “Swalmdal” (zie Figuur 3). Ten westen van Swalmdal, op een afstand van circa 15 kilometer van het plangebied, ligt het natura 2000-gebied “Leudal”. Verder naar het noordwesten liggen de gebieden Deurnsche Peel & Mariapeel en Groote Peel
Figuur 3: ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied.
pagina 4 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Het Swalmdal bevindt zich op de oostflank van het Maasdal in Midden-Limburg. Op de flanken van het dal ontspringen bronnetjes en aan de voet van de terrassen treedt kwel op. Op deze plekken hebben zich soortenrijke elzenbossen weten te ontwikkelen met daarin een grote populatie van de zeggekorfslak. In het snel stromende water van de Swalm bevinden zich begroeiingen met vlottende waterranonkel en leeft de rivierdonderpad. Ook is hier recent de Gaffellibel herontdekt. Het gebied valt onder het beschermingsregime Habitatrichtlijn en is aangewezen voor de habitattypen “beken en rivieren met waterplanten”, “stroomdalgraslanden”, “ruigten en zomen”, “beuken- eikenbossen met hulst” en “vochtige alluviale bossen”. Doelsoorten van het gebied betreffen de zegge-korfslak, gaffellibel, rivierdonderpad en de bever. (Natura 2000, natura2000.nl) Effectenbepaling beschermde gebieden Het plangebied ligt buiten het NNN, met een tussenliggende afstand van ongeveer 230 meter. Vanwege de afstand en de aard van de ingreep zijn negatieve effecten op het NNN op voorhand uit te sluiten. Bovendien hanteert de provincie Limburg geen externe werking van de ingreep als het gaat om NNN. Hierdoor zijn er geen verdere verplichtingen volgens de Omgevingsverordening Limburg omtrent het NNN. De ingreep vindt plaats op een afstand van 11,1 kilometer van Natura 2000-gebied “Swalmdal”.
Vanwege de grote afstand tot het Natura 2000-gebied, de aard van de ingreep en de aanwezigheid van woningen, infrastructuur en agrarisch landschap tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied kunnen negatieve effecten door trillingen, geluid en visuele verstoring als gevolg van de voorgenomen ingreep op voorhand worden uitgesloten. De aard van de werkzaamheden (het renoveren van het landhuis en het herinrichten van de tuin) is dusdanig klein dat er tijdens de uitvoeringsfase geen significant negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op het Natura 2000gebied wordt verwacht. Bovendien is volgens de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering de stikstofuitstoot tijdens bouwwerkzaamheden beperkt en tijdelijk. Hierdoor is de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tijdens de uitvoeringsfase per 1 juli 2021 vrijgesteld voor een natuurvergunningsplicht. In de gebruikersfase is mogelijk, door een toename van verkeer, een toename in stikstofdepositie te verwachten. Zodoende dient vanuit de Wnb een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Er worden geen negatieve door trillingen, geluid en visuele verstoring op Natura 2000-gebieden verwacht, een effectenanalyse is dan ook niet van toepassing. (Synbiosys alterra, z.d.)
2.2 Soorten Aan de hand van literatuuronderzoek is informatie verzameld over het voorkomen van soorten in de directe omgeving van het plangebied. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van de voornoemde zoogdierenatlas. In de werkatlas wordt het voorkomen van soorten per kilometerhok aangeduid. In de zoogdierenatlas wordt dit aangegeven per atlasblok, met afmetingen van 5 bij 5 kilometer. Het plangebied is gelegen in kilometerhok X:206 / Y:371. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok c.q. het atlasblok beslaat is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied.
pagina 5 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Uit gegevens van de zoogdieren verspreidingsatlas en de NDFF blijkt dat de volgende zoogdieren of sporen van deze soorten (o.a. in voetprenten) in de periode van 1990 tot 2021 zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: bosmuis, woelrat, ree, bever, huisspitsmuis, laatvlieger, egel, haas, steenmarter, das, dwergmuis, aardmuis, veldmuis, ondergrondse woelmuis, huismuis, hermelijn, wezel, bunzing, rosse woelmuis, meervleermuis, watervleermuis, waterspitsmuis, rosse vleermuis, konijn, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, bruine rat, eekhoorn, tweekleurige bosspitsmuis, dwergspitsmuis, wild zwijn, mol en vos. In de periode 1990 tot 2021 blijkt uit de gegevens van de NDFF en Ravon dat de volgende inheemse amfibiesoorten zijn waargenomen in de directe omgeving van het plangebied: gewone pad, rugstreeppad, boomkikker, alpenwatersalamander, vinpootsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad, bastaardkikker, poelkikker, meerkikker, bruine kikker en kamsalamander. Tevens zijn de volgende inheemse reptielsoorten in de directe omgeving waargenomen: hazelworm, zandhagedis, muurhagedis en levendbarende hagedis.
pagina 6 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
3. Veldbezoek Het plangebied is op 14 juli 2021 in de ochtend bezocht. Het was bewolkt, er was een windkracht van 2-3 Bft, een temperatuur van 18 graden Celsius en het regende. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk informatie verzameld met betrekking tot de aanwezigheid of afwezigheid van beschermde soorten. De te verzamelen informatie bestaat onder andere uit zicht- en geluidwaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren. Op basis van terreinkenmerken is voorts beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Het kan voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek aangezien een quickscan een momentopname betreft. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert-judgement en bekende ecologische principes zal derhalve een inschatting worden gemaakt over het wel of niet voor kunnen komen van beschermde plant- en diersoorten. Verder is de quickscan geen veldinventarisatie. Veldinventarisaties omvatten meerdere opnamerondes die seizoensgebonden zijn en volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een, grotendeels leegstaand, landhuis met woonfunctie.
Het “hoofdgebouw” heeft een L-vorm met aan de oostkant twee vleugels. Het hoofdgebouw is aan de zuidzijde verbonden met een gebouw buiten het plangebied. Onder het hoofdgedeelte zit zowel aan de noord- als zuidkant een ondergrondse kelder. Aan de oostzijde, de voorkant van het gebouw, ligt gazon met een kiezelpad naar de ingang. Aan de westkant van het gebouw is een tuin gelegen. De in bijlage 2 opgenomen foto’s geven een duidelijk beeld van de huidige situatie van het plangebied.
pagina 7 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
4. Resultaten Onderstaand volgen de resultaten van het uitgevoerde veldbezoek in relatie tot het planvoornemen.
4.1 Flora Tijdens het veldbezoek is onder andere gelet op beschermde muurvegetatie. Binnen het plangebied is voornamelijk aangeplante vegetatie zoals hortensia, buxus, hazelaar, haagbeuk, conifeer, notenboom, appelboom, taxus, klimop, laurier, vlinderstruik, rozen en lavendel aanwezig. In het gazon waren ook enkele kruiden aanwezig zoals duizendblad, paardenbloem, madeliefje, ooievaarsbek, witte klaver en klaproos. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Vanwege het parkachtige karakter en de voedselrijke omstandigheden waaruit het plangebied bestaat zijn er ook geen beschermde soorten te verwachten. Beschermde soorten komen namelijk vooral voor op voedselarme, kalkhoudende grond. Er zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroep en vanuit de Wnb zijn er dan ook geen verdere verplichtingen omtrent de flora.
4.2 Vogels Algemene broedvogels De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 3.1 van de Wnb. Tijdens het veldbezoek zijn op de zolder van het gebouw overblijfselen van nesten aangetroffen (zie Foto 2 en 3). Het is niet bekend van welke vogelsoort deze nesten zijn geweest. In de beplanting in de tuin werden geen nesten van algemene vogelsoorten aangetroffen. Echter zijn de aanwezige bomen en struiken in de tuin wel geschikt bevonden om als broedlocatie voor algemene vogelsoorten te dienen. Met name voor tuin-/ stadsvogels zijn binnen en rondom het plangebied gunstige biotopen aanwezig. Tijdens de geplande werkzaamheden kunnen mogelijke nesten en/of legsels worden verstoord of vernield. Om een overtreding van de Wnb te voorkomen dient buiten het broedseizoen gewerkt te worden. De vogelsoorten die tijdens het veldbezoek zijn waargenomen en gehoord zijn weergegeven in tabel 1.
Foto 2: overblijfselen van nesten
Foto 3: overblijfselen van nesten
pagina 8 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Tabel 1: Waargenomen vogelsoorten tijdens veldbezoek Soorten
Aantallen
Roodborst (Erithacus rubecula)
1
Vink (Fringilla coelebs)
1
Merel (Turdus merula)
1
Torenvalk (Falco tinnuculus)
2
Vogels met (jaarrond) beschermde nesten (categorie 1 t/m 5) Nesten van vogels met een vaste verblijfplaats zijn jaarrond beschermd en verbodsbepalingen van artikel 3.1 van de Wnb gelden voor deze soorten het gehele jaar. Ook nesten van kraaiachtigen zijn jaarrond beschermd als ze in gebruik zijn door een vogelsoort met een vaste verblijfplaats zoals een boomvalk, ransuil of sperwer. Het gebouw bevat aan verschillende kanten open daklijsten, scheefliggende/missende dakpannen en overige kieren (zie Foto 4 t/m 7 en Figuur 4). Dit maakt het gebouw geschikt als vaste verblijfplaats voor zowel huismussen als gierzwaluwen. Nesten van de gierzwaluw en huismus vallen onder categorie 2 van de jaarrond beschermde nesten. Dit betekent dat zij koloniebroeders zijn die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing.
Foto 4: openingen in daklijst
Foto 5: verschoven dakpan
Foto 6: scheefliggende dakpannen
Foto 7: kieren bij daklijst
pagina 9 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Vanwege de renovatie aan het landhuis kunnen aanwezige nesten van de huismus en gierzwaluw verstoord worden en/of verloren gaan. Om een overtreding van de Wnb te voorkomen dient de functie van de bebouwing voor huismussen en gierzwaluwen te worden vastgesteld. Verder zijn tijdens het veldbezoek op het landhuis aan de westkant twee torenvalken zittend waargenomen (zie Foto 8). Deze soort broedt in oude kraaiennesten of torens en nissen in gebouwen (zie Foto 9). Nesten van torenvalken vallen onder een categorie 5 bescherming. Dit betekent dat zij vaak terugkeren naar een eerdere broedlocatie, maar wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedlocatie verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Categorie 5 beschermde nesten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Gedurende het hele veldbezoek zaten de torenvalken op de pilaren van het landhuis. Er werd geen nest aangetroffen en/of nestactiviteit waargenomen. Mogelijk dient het landhuis als rustplek voor deze soort, echter kan een nestlocatie niet met zekerheid worden uitgesloten. Het is niet duidelijk of er voldoende alternatieve geschikte rust en/of nestplaatsen in de omgeving aanwezig zijn waarnaar de torenvalken eventueel kunnen uitwijken.
Om een overtreding van de Wnb te voorkomen dient eerst een omgevingscheck gedaan te worden naar de aanwezigheid van alternatieve nest- en rustplaatsen in de omgeving.
Foto 8: twee torenvalken, aanwezig op de noordgevel
Foto 9: toren geschikt als nestlocatie
aan de westkant van het gebouw
Het landhuis beschikt over verschillende openingen bij de ramen en de deuren die toegang tot het gebouw bieden voor de bosuil (categorie 5), kerkuil (categorie 3) en steenuil (categorie 1) (zie Foto 10 t/m 12). Categorie 3 nesten omvatten nesten van niet koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. Categorie 1 nesten omvatten alle nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. De bosuil kan worden aangetroffen in stadsparken. Van belang zijn voldoende oude bomen, jaarrond voedselbeschikbaarheid en de aanwezigheid van voldoende roest- en broedplaatsen. Door de flexibiliteit in prooikeuze kan de bosuil in relatief veel landschapstypen gedijen. Nesten van de bosuil kunnen onder andere worden aangetroffen in gebouwen. Echter wordt door het omliggende agrarische landschap verwacht dat er voldoende alternatieve roest- en broedplaatsen, in de vorm van oude schuren, aanwezig zijn De kerkuil is een bewoner van (half)open landschappen, veelal in het boerenland. Hij vestigt zich graag in gebouwen zoals schuren en kerktorens. Daar zoekt hij rustige, donkere schuilhoekjes als roestplaats voor overdag en als nestplaats.
De steenuil heeft een voorkeur voor kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes
pagina 10 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
en knoestige bomen. Zijn schuilplaatsen bevinden zich in broedholen in oude bomen, schuren en gebouwen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen als braakballen, krijtsporen en/of veren van uilen aangetroffen. Echter biedt het plangebied geschikt biotoop voor de bovengenoemde soorten en kan de aanwezigheid van vaste roest- en/of broedplaatsen niet met zekerheid worden uitgesloten. Om een overtreding van de Wnb te voorkomen dient aanvullend onderzoek naar de kerkuil en steenuil te worden uitgevoerd.
Foto 11: openstaand kapot raam
Foto 10: opening boven en rechts onder
Foto 12: deuropening
4.3 Grondgebonden zoogdieren Marterachtigen Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van de bunzing (Mustela putorius), de steenmarter (Martes foina), de hermelijn (Mustela erminea) en de wezel (Mustela nivalis). Deze soorten zijn beschermd en opgenomen in bijlage A van de Wnb. Dit houdt in dat het verboden is vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen (artikel 3.10). Echter, in de provincie Limburg, zijn de bunzing, hermelijn en wezel vrijgesteld van de Wnb voor ruimtelijke ontwikkelingen. Tevens is de steenmarter in de periode van 15 augustus tot en met februari vrijgesteld van de Wnb. Dit betekent dat in deze provincie (in deze periode) voor deze soorten enkel de zorgplicht geldt. De steenmarter komt vooral voor in parklandschap. Hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden (de steenmarter is een ‘cultuurvolger’). Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren of gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen,
pagina 11 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt en zich verplaatst. De steenmarter maakt gebruik van verschillende verblijfplaatsen zoals boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders, kruipruimtes, spouwmuren en onder dakbedekkingen. Het gebouw heeft meerdere openingen waardoor steenmarters naar binnen kunnen (zie Foto 4 t/m 7. 10 t/m 13 en Figuur 4). Bovendien zijn er sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van steenmarters in het gebouw, namelijk afgebeten veren en uitwerpselen (zie Foto 14 t/m 16). De afgebeten veren en uitwerpselen lagen met name op de zolder van het gebouw. Tevens zijn op de eerste verdieping in verschillende kamers uitwerpselen van de steenmarter gevonden, waaronder ook in bad. Er wordt verwacht dat het landhuis als rust-, verblijf- en voortplantingsplaats fungeert voor meerdere steenmarters. Door het renoveren van het landhuis zullen rust-, verblijf en voortplantingsplaatsen verloren gaan. Wanneer de werkzaamheden in de vrijgestelde periode (15 aug t/m feb) plaatsvinden, geldt enkel de zorgplicht. Er moet dan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met dat er geen dieren binnen gesloten worden.
Wanneer de werkzaamheden buiten de vrijgestelde periode plaatsvinden dient, om een overtreding van de Wnb te voorkomen, eerst aanvullend onderzoek te worden gedaan naar de functie van het plangebied voor de steenmarter.
Foto 13: open raam biedt toegang tot kelder
Foto 14: uitwerpselen van steenmarter in bad
Foto 15: afgebeten veren door steenmarter
Foto 16: uitwerpselen van steenmarter pagina 12 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van de das (Meles meles). Er zijn geen sporen van de das in de vorm van holen, wissels en/of uitwerpselen binnen het plangebied aangetroffen. Door het ontbreken van een vergraafbare bodem ontbreekt geschikt biotoop. Bovendien is de omgeving te bewoond en verstoord voor deze soort. Zodoende kan de aanwezigheid van de das binnen het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Knaagdieren Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van de bever (Castor fiber). Deze soort komt voor in overgangsgebieden van zoete wateren en land met de aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken voor voedsel. Door het ontbreken van geschikt biotoop en voedsel binnen het plangebied kan de aanwezigheid van de bever redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de eekhoorn (Sciurus vulgaris). Binnen het plangebied zijn geen geschikte holtes en/of nesten in bomen aangetroffen die mogelijk door de eekhoorn als verblijfplaats gebruikt kunnen worden. Het plangebied heeft een klein oppervlak met enkele jonge bomen en het wordt dan ook niet verwacht dat het perceel essentieel deel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de eekhoorn. Bovendien wordt de tuin herinricht en kan de eekhoorn eventueel na de werkzaamheden blijvend gebruik maken van de tuin.
Daarnaast is de eekhoorn in de provincie Limburg vrijgesteld in de periode maart-april en juli t/m november. Er worden geen negatieve effecten ten gevolge van de ingreep op de eekhoorn verwacht. De huismuis (Mus musculus) en de bruine rat (Rattus norvegicus) zijn niet opgenomen in de Wnb, dit betekent dat zij niet beschermd zijn in Nederland. De aardmuis (Microtus agrestis), bosmuis (Apodemus sylvaticus), dwergmuis (Micromys minutus), rosse woelmuis (Myodes glareolus), veldmuis (Microtus arvalis), ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus) en de woelrat (Arvicola amphibius) zijn in de provincie Limburg vrijgesteld van de Wnb voor ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat ook voor deze soorten enkel de zorgplicht geldt. Haasachtigen Ook voor het konijn (Oryctolagus cuniculus) en de haas (Lepus europeus) geldt dat zij door de provincie Limburg zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten geldt enkel de zorgplicht. Insecteneters Tevens valt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de waterspitsmuis (Neomys fodiens). Deze soort komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk doorontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt.
Door het ontbreken van geschikt biotoop binnen het plangebied kan de aanwezigheid van de waterspitsmuis redelijkerwijs worden uitgesloten. De mol is niet opgenomen in de Wnb, dit betekent dat deze soort niet beschermd is in Nederland. De huisspitsmuis (Crocidura russula), egel (Erinaceus europaeus), tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus) en dwergspitsmuis (Sorex minutus) zijn in de Limburg vrijgesteld van de Wnb voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten geldt wederom enkel de zorgplicht. Overige grondgebonden zoogdieren Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van het wild zwijn (Sus scrofa). Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke
pagina 13 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
voorkeur voor eiken- en beukenbossen. Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen. Door het ontbreken van geschikt biotoop binnen het plangebied kan de aanwezigheid van het wild zwijn redelijkerwijs worden uitgesloten. Voor de vos (Vulpes vulpes) en de ree (Capreolus capreolus) geldt eveneens dat zij door de Provincie Limburg voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wnb. Dit betekent dat voor deze soorten enkel de zorgplicht geldt.
4.4 Vleermuizen Nabij het plangebied zijn waarnemingen bekend van de laatvlieger (Eptesicus serotinus), de meervleermuis (Myotis dasycneme), de watervleermuis (Myotis daubentonii), de rosse vleermuis (Nyctalus noctula), de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), de kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus) en de gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus). Alle vleermuizen in Nederland zijn opgenomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en beschermd volgens artikel 3.5, lid 4 van de Wnb. Dit betekent dat hun voortplantings- en rustplaatsen niet verstoord, beschadigd of vernield mogen worden. Ook de omgeving die nodig is om deze voortplantings- en rustplaatsen te laten functioneren is beschermd. Door de aanwezigheid van openingen onder de daklijst, open zolder- en kelderramen en verschoven dakpannen is het gebouw geschikt bevonden als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten (de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de laatvlieger, de gewone grootoorvleermuis, de meervleermuis en de kleine dwergvleermuis) (zie Figuur 4). Er zijn geen geschikte holtes, kieren en/of spleten in bomen aangetroffen die mogelijk als verblijfplaats voor boombewonende soorten kunnen dienen.
Het plangebied dient mogelijk als foerageergebied voor de bovengenoemde vleermuissoorten, echter wordt door de kleine omvang van het plangebied niet verwacht dat het een essentieel foerageergebied betreft. Bovendien wordt de tuin heringericht en kunnen de vleermuizen na de werkzaamheden het plangebied blijven gebruiken als foerageergebied. Door het ontbreken van lange, aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen wordt niet verwacht dat het plangebied deel uit maakt van een vliegroute voor vleermuizen. Door de renovatie gaan mogelijke vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen verloren. Om een overtreding van de Wnb te voorkomen dient daarom eerst onderzoek naar de functie van het landhuis voor gebouwbewonende vleermuizen te worden gedaan.
4.5 Amfibieën, reptielen en vissen Amfibieën In en nabij het plangebied zijn waarnemingen van de volgende amfibiesoorten bekend: gewone pad (Bufo bufo), rugstreeppad (Epidalea calamita), boomkikker (Hyla savignyi), alpenwatersalamander (Ichthyosaura alpestris), vinpootsalamander (Lissotriton helveticus), kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), knoflookpad (Pelobates fuscus), bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus), poelkikker (Pelophylax lessonae), bruine kikker (Rana temporaria), meerkikker (Pelophylax ridibundus) en kamsalamander (Triturus cristatus).
pagina 14 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
Door het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied, is het plangebied ongeschikt voor de voortplanting van amfibieën. Ook in de directe omgeving is geen geschikt voortplantingswater voor amfibieën aanwezig. De aanwezigheid van overwinterende amfibieën kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Reptielen Het plangebied valt binnen het verspreidingsgebied van de hazelworm (anguis fragilis), de zandhagedis (Lacerta agilis), de muurhagedis (Podarcis muralis) en de levendbarende hagedis (Zootoca vivipara). De hazelworm en levendbarende hagedis zijn beschermd en opgenomen in bijlage A van de Wnb. Echter geldt in Limburg een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen voor de hazelworm in de periode juli t/m september en voor de levendbarende hagedis van 15 augustus t/m 15 oktober. De zandhagedis en muurhagedis zijn opgenomen in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en zijn beschermd volgens artikel 3.5, lid 4 van de Wnb. Dit betekent dat hun voortplantings- en rustplaatsen niet verstoord, beschadigd of vernield mogen worden. Ook de omgeving die nodig is om deze voortplantings- en rustplaatsen te laten functioneren is beschermd. De hazelworm komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen.
Hij heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. Het grootste deel van de dag leven ze onder de vegetatie en dood hout of ze verblijven in holen in de grond. Door het ontbreken van geschikt biotoop binnen het plangebied kan de aanwezigheid van deze soort redelijkerwijs worden uitgesloten en worden er geen negatieve effecten op de hazelworm verwacht ten gevolge van de voorgenomen ingreep. De levendbarende hagedis komt voor in redelijk dicht begroeide gebieden, zoals (vochtige) heide, veen, schraal grasland, open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden. Ook komt hij voor in wegbermen, dijktaluds, hagen en houtwallen. De soort heeft een duidelijke voorkeur voor vochtige terreinen, vooral vegetatie met bomen en grote planten (bijvoorbeeld berenklauw) waar ze in kunnen klimmen om te kunnen zonnen. De levendbarende hagedis is afhankelijk van structuurrijk habitat met daarbinnen open zon beschenen, snel opwarmende plekken in de nabijheid van dekkingsmogelijkheden om zich te beschermen tegen uitdroging en predatie. Door het ontbreken van geschikt biotoop wordt niet verwacht dat het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied van de levendbarende hagedis. Zodoende worden er als gevolg van de ingreep geen negatieve effecten op deze soort verwacht.
Zandhagedissen komen voor in zandige, droge, open terreinen in heiden en duinen, respectievelijk met struikhei en helm als de belangrijkste structuurbepalende soorten. De aanwezigheid van voldoende zonnige plekken om op te kunnen warmen is een belangrijk vereiste voor het leefgebied van de zandhagedis. Door het ontbreken van geschikt biotoop binnen het plangebied kan de aanwezigheid van deze soort redelijkerwijs worden uitgesloten en worden er geen negatieve effecten op de zandhagedis, ten gevolge van de voorgenomen ingreep, verwacht. De muurhagedis komt in ons land uitsluitend in Maastricht voor. Er zijn niet wilde populaties in andere delen van Nederland bekend. Het is een warmteminnende soort. Die in het noorden van zijn leefgebied alleen voorkomt in rivierdalen, omdat daar gunstigere klimatologische omstandigheden heersen. De soort kwam hier oorspronkelijk voor op warme, stenige plekken, zoals rotswanden. Met de bouw van stadsmuren kreeg de soort ook de gelegenheid om zich op muren te vestigen, zoals in Maastricht. Bovendien geldt de Wnb enkel voor in het wild levende populaties, waarvan de
pagina 15 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
aanwezigheid op de planlocatie redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Zodoende zijn er, naast de zorgplicht, geen verdere verplichtingen vanuit de Wnb ten aanzien van de muurhagedis. Vissen Er zijn geen watergangen aanwezig binnen het plangebied waardoor de aanwezigheid van (beschermde) vissen met zekerheid kan worden uitgesloten.
4.6 Ongewervelden/ overige soorten Beschermde soorten ongewervelden en overige soorten zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Beschermde soorten stellen specifieke eisen aan een biotoop en gezien de afwezigheid van geschikt oppervlaktewater en de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt.
Figuur 4: resultaten van de quickscan
pagina 16 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
5. Conclusies Doel van het onderhavige onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving.
5.1 Beschermde gebieden Natuurnetwerk Nederland Het plangebied bevindt zich buiten het NNN. In de provincie Limburg is een toetsing van de externe werking van een ingreep op de wezenlijke kenmerken van de dichtstbijzijnde NNN gebieden niet van toepassing. Zodoende is een verdere toetsing van de effecten van de ruimtelijke ingreep op het NNN niet nodig en zijn er geen verdere verplichtingen ten aanzien van het NNN vanuit de Omgevingsverordening Limburg. Natura 2000-gebieden
De ingreep vindt plaats op een afstand van 11,1 kilometer van Natura 2000-gebied “Swalmdal”. Vanwege de grote afstand tot het Natura 2000-gebied, de aard van de ingreep en de aanwezigheid van woningen, infrastructuur en agrarisch landschap tussen het Natura 2000-gebied en het plangebied kunnen negatieve effecten door trillingen, geluid en visuele verstoring als gevolg van de voorgenomen ingreep op voorhand worden uitgesloten. Zodoende is een effectenanalyse is in dit geval niet van toepassing. In de gebruikersfase is mogelijk, door een toename van verkeer, een toename in stikstofdepositie te verwachten. Zodoende dient vanuit de Wnb een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. (Synbiosys alterra, z.d.)
5.2 Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen volgens de Wnb beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Algemene broedvogels Wanneer de werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaatsvinden kan dit leiden tot het verlaten van nesten met eieren en/of jongen van vogels met niet-jaarrond beschermde nesten. Daarnaast wordt de functionaliteit van de nesten in gevaar gebracht. Dit is een overtreding van artikel 3.1 van de Wnb. Werken buiten het broedseizoen of een broedvogelcheck door een ecologisch deskundige voorafgaand aan de werkzaamheden voorkomt overtreding. Het broedseizoen loopt in
pagina 17 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
stedelijk gebied globaal van 15 maart tot 15 juli, afhankelijk van weersomstandigheden en de soorten. Vogels met jaarrond beschermde nesten Het gebouw fungeert mogelijk als (jaarrond) beschermde voortplantings- en/of verblijfplaatsen voor de huismus, de gierzwaluw, de torenvalk, de bosuil, de kerkuil en de steenuil. Het renoveren en realiseren van het landhuis heeft mogelijk een negatief effect op deze soorten. Zodoende dient vanuit de Wnb aanvullend onderzoek naar sommige van deze soorten te worden uitgevoerd. Uit deze aanvullende onderzoeken moet blijken of eventueel een ontheffing en/of mitigerende maatregelen nodig zijn. Voor de huismus houdt dit in dat er twee veldbezoeken moeten worden uitgevoerd in de periode van 1 april tot en met 15 mei of vier bezoeken in de periode van 10 maart tot en met 20 juni om aan te tonen dan wel uit te sluiten of en waar de huismussen vaste verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied. Locaties van nesten en essentiële onderdelen van het leefgebied dienen hierbij te worden geïnventariseerd. Dit onderzoek dient overdag op een geschikt moment te worden uitgevoerd, tussen twee uur na zonsopkomst en twee uur voor zonsondergang. Voor gierzwaluwen dienen drie gerichte veldbezoeken plaats te vinden tussen 1 juni t/m 15 juli, waarbij gelet wordt op gierende dieren en in- en uitvliegers.
Minimaal één bezoek dient plaats te vinden tussen 20 juni en 7 juli en tussen de bezoeken dient een periode van minimaal 10 dagen gehandhaafd te worden. Er wordt geïnventariseerd vanaf twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang. Nesten van de torenvalk zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Het is niet duidelijk of er voldoende alternatieve geschikte rust en/of nestplaatsen in de omgeving aanwezig zijn waarnaar de torenvalken eventueel kunnen uitwijken. Zodoende is vanuit de Wnb een omgevingscheck benodigd om mogelijke alternatieverust en/ voortplantingsplaatsen in beeld te krijgen waarnaar de torenvalken eventueel kunnen uitwijken. Ook nesten van de bosuil zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Door het omliggende agrarisch landschap met oudere schuren wordt verwacht dat er voldoende alternatieve roest- en/of nestplaatsen aanwezig zijn waar de bosuil eventueel naar uit kan uitwijken. Zodoende wordt er als gevolg van de ingreep geen negatief effect op de bosuil verwacht en zijn er vanuit de Wnb, naast de zorgplicht, geen verdere verplichtingen ten aanzien van deze soort.
Voor de kerkuil dienen drie gerichte veldbezoeken plaats te vinden tussen begin februari tot en met half oktober, tijdens deze veldbezoeken wordt gelet op sporen in de vorm van braakballen, krijtstrepen, veren, in- en uitvliegende dieren en geluidwaarnemingen. De inventarisatie moet bij voorkeur tijdens goede weersomstandigheden en in een geschikt biotoop plaats vinden. De beste momenten om te inventariseren zijn ’s avonds en ’s nachts. Daarnaast moet bij voorkeur ook overdag gezocht zijn naar sporen die de aanwezigheid van een nestplek aannemelijk maken. Voor de steenuil worden drie gerichte veldbezoeken uitgevoerd waarbij de baltsroep afgespeeld wordt. Daarnaast wordt één dag bezoek uitgevoerd waarbij gezocht wordt naar sporen zoals braakballen en krijtstrepen. De onderzoeken dienen plaats te vinden in de periode 1 februari t/m 30 april. Tussen het eerste en laatste veldbezoek wordt een periode van minimaal één maand
pagina 18 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
gehandhaafd. De onderzoeken vinden plaats bij avond schemering, één half uur na zonsondergang tot middernacht of anderhalf uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. Grondgebonden zoogdieren Het gebouw fungeert als verblijf- en/of voortplantingsplaats voor de steenmarter. Vanwege het renoveren en realiseren van 28 zorgappartementen wordt een negatief effect op de steenmarter verwacht. Wanneer de werkzaamheden binnen de vrijgestelde periode (15 augustus tot en met februari) plaatsvinden zijn er, naast de zorgplicht, geen verdere verplichtingen vanuit de Wnb. Wanneer niet binnen deze periode gewerkt kan worden dient vanuit de Wnb aanvullend onderzoek naar de steenmarter plaats te vinden. Uit dit eventuele onderzoek zal blijken of een ontheffing en mitigerende maatregelen voor de steenmarter nodig zijn. Het onderzoek naar de steenmarter omvat een camera onderzoek, waarbij gedurende 6 weken in de periode van maart t/m augustus cameravallen in het veld worden geplaatst. Om de twee weken worden de beelden gecheckt en de camera’s op een andere locatie geplaatst. De cameravallen worden op de meest kansrijke elementen, zoals ingangen in het gebouw, geplaatst om zo een beeld van de aanwezige populatie te krijgen. Vleermuizen Er wordt niet verwacht dat het plangebied essentieel deel uitmaakt van een vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen.
Het landhuis is geschikt bevonden als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten zoals de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de laatvlieger, de gewone grootoorvleermuis, de meervleermuis en de kleine dwergvleermuis. Door het renoveren en realiseren van de zorgappartementen gaan mogelijk vaste verblijfplaatsen van deze soorten verloren en daarom dient vanuit de Wnb aanvullend onderzoek naar de functie van het gebouw voor vleermuizen uitgevoerd te worden. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 van Netwerk Groene Bureaus. Dit onderzoek bestaat uit zeven veldbezoeken, waarvan drie in de periode 15 mei – 15 juli, twee in de periode 15 augustus – 15 september en twee in de periode van 1 augustus – 10 september. Op basis van dit aanvullend onderzoek zal dan duidelijk worden of maatregelen en/of ontheffing nodig zijn. Amfibieën en reptielen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en nabij het plangebied kan de aanwezigheid van (overwinterende) amfibieën redelijkerwijs worden uitgesloten. Er zijn daarom, behalve de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen ten aanzien van deze soortgroep.
Evenals kan door het ontbreken van geschikt biotoop voor beschermde reptielsoorten binnen het plangebied de aanwezigheid van deze soortgroep redelijkerwijs worden uitgesloten en worden er geen negatieve effecten verwacht. Zodoende zijn er vanuit de Wnb, behalve de zorgplicht, geen verdere verplichtingen ten aan zien van reptielen. Vissen Door het ontbreken van (stromend) water is de aanwezigheid van beschermde vissoorten met zekerheid uit te sluiten. Zodoende zijn er volgens de Wnb geen verdere verplichtingen ten behoeve van beschermde vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde
pagina 19 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
pagina 20 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
5.3 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd en buiten de kwetsbare periode ongeschikt gemaakt wordt als leefgebied voor die soorten. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
5.4 Eindconclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: • een AERIUS-berekening is noodzakelijk. •
werken buiten het broedseizoen en/of een broedvogelcheck door een ecologisch deskundige voorafgaand aan de werkzaamheden is noodzakelijk.
•
aanvullend onderzoek naar huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, steenmarter en gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk.
•
een omgevingscheck voor het in beeld brengen van alternatieve rust-/ nestlocaties voor de torenvalk is noodzakelijk
•
uit het aanvullend onderzoek moet blijken of eventuele ontheffing en/of mitigerende maatregelen nodig zijn.
•
de Zorgplicht geldt ten alle tijden.
5.5 Advies Erfbeplanting Indien er een erfbeplanting is gepland of wordt vernieuwd, adviseren wij deze met inheemse en streekeigen soorten bomen en struiken te realiseren. Informeer hiervoor bij uw provincie of gemeente.
pagina 21 van 22
documentkenmerk: 2103/100/JOW-01, versie 0
6. Literatuurlijst BIJ 12 (2017). Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.bij12.nl BIJ 12 (2017). Kennisdocument gierzwaluw, versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.bij12.nl BIJ 12 (2017). Kennisdocument huismus, versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.bij12.nl BIJ 12 (2017). Kennisdocument kerkuil, versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.bij12.nl BIJ 12 (2017). Kennisdocument steenuil, versie 1.0, juli 2017. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.bij12.nl Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.zoogdiervereniging.nl Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J., Buys, J.C. (2016) Atlas van de Nederlandse zoogdieren - deel 12 serie Nederlandse fauna. Knnv Uitgeverij Index Natuur en Landschap (BIJ12, Utrecht, Nederland). N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.bij12.nl Natura 2000 (2021). Swalmdal. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.natura2000.nl NDFF (2020). Soortenlijst per atlasblok. Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.verspreidingsatlas.nl Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen. Geraadpleegd op 2 augustus 2021 van www.netwerkgroenebureaus.nl Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021.
Geraadpleegd op 2 augustus 2021 via www.netwerkgroenebureaus.nl Perceelloep (z.d.) Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.perceelloep.nl Ravon (2020) Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.ravon.nl Synbiosys alterra (z.d.). Effectenindicator. Geraadpleegd op 21 juni 2021 via www.synbiosys.alterra.nl Vogelbescherming (z.d.). Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.vogelbescherming.nl Zoogdiervereniging (z.d.). Geraadpleegd op 30 juli 2021 via www.zoogdiervereniging.nl
pagina 22 van 22
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 1
Foto 2
Foto 3
pagina 1
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 4
Foto 5
Foto 6
pagina 2
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 7
Foto 8
Foto 9
pagina 3
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 10
Foto 11
Foto 12
pagina 4
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 13
Foto 14
Foto 15
pagina 5
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 16
Foto 17
Foto 18
pagina 6
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 19
Foto 20
Foto 21
pagina 7
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 22
Foto 23
Foto 24
pagina 8
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 25
Foto 26
Foto 27
pagina 9
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 28
Foto 29
Foto 30
pagina 10
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 31
Foto 32
Foto 33
pagina 11
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 34
Foto 35
Foto 36
pagina 12
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 37
Foto 38
Foto 39
pagina 13
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 40
Foto 41
Foto 42
pagina 14
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 43
Foto 44
Foto 45
pagina 15
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 46
Foto 47
Foto 48
pagina 16
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 49
Foto 50
Foto 51
pagina 17
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 52
Foto 53
Foto 54
pagina 18
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 55
Foto 56
Foto 57
pagina 19
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 58
Foto 59
Foto 60
pagina 20
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 61
Foto 62
Foto 63
pagina 21
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 64
Foto 65
Foto 66
pagina 22
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 67
Foto 68
Foto 69
pagina 23
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 70
Foto 71
Foto 72
pagina 24
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 73
Foto 74
Foto 75
pagina 25
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 76
Foto 77
Foto 78
pagina 26
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 79
Foto 80
Foto 81
pagina 27
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 82
Foto 83
Foto 84
pagina 28
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 85
Foto 86
Foto 87
pagina 29
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 88
Foto 89
Foto 90
pagina 30
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 91
Foto 92
Foto 93
pagina 31
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 94
Foto 95
Foto 96
pagina 32
Fotobijlage: 2103/100/JOW, Landhuis Moubis te Steyl
Foto 97
Foto 98
Foto 99
pagina 33