557156 Bijl09 Bijlage B - Quickscan Omgevingswet-Natuur.pdf
Tekst van het document
Quickscan Omgevingswet Natuur Aanleg tijdelijke units Bethanie Klooster te Venlo COA 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Contactpersoon ARCADIS
Arcadis Nederland B.V. Postbus 220 3800 AE Amersfoort Nederland
Versiebeheer en data Veldbezoek - 12 juli 2024 Versie 1 Rapportage – concept - 26 juli 2024 Versie 2 Rapportage na aanpassingen gemeente Venlo- definitief – 24-juli 2025
2
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
3
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Leeswijzer
5
Planbeschrijving
6
2.1
Ligging
6
2.2
Voorgenomen herinrichting
8
2.3
Afbakening effecten
8
Natura 2000-gebieden
10
3.1
Methode
10
3.2
Ligging
10
3.3
Effecten
11
3.4
Deelconclusie gebiedsbescherming
11
Aanwezigheid beschermde soorten
12
4.1
Methode
12
4.2
Aanwezigheid beschermde soorten
12
4.3
Effectbeschrijving
17
4.4
Toetsing
18
4.4.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
18
4.4.2
Toetsing
18
4.5
Vervolgstappen
18
4.6
Zorgplicht
19
4.7
Deelconclusie soortbescherming
19
Natuurnetwerk Limburg
20
5.1
Methode
20
5.2
Ligging
20
5.3
Effectbeschrijving
20
5.4
Conclusie en vervolgstappen
20
Conclusie
21
6.1
21
Natura 2000-gebieden Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
6.2
Beschermde soorten
21
6.3
Natuurnetwerk Limburg
21
Bronnen
22
Bijlagen Bijlage A Wettelijk kader Natura 2000-gebieden
23
Bijlage B Wettelijk kader Soortbescherming
25
Bijlage C Wettelijk kader Natuurnetwerk Nederland
32
Colofon
36
4
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna COA) is voornemens om tijdelijk een twee-laags unitgebouw te plaatsen op het parkeerterrein van het Bethanië Klooster te Venlo (provincie Limburg). Deze werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op soorten, houtopstanden, Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Limburg, beschermd in de Omgevingswet. Als voorbereiding op de voorgenomen werkzaamheden heeft Arcadis Nederland B.V. de opdracht gekregen een quickscan op te stellen en eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet in beeld te brengen. Omdat in het plangebied geen bomen worden gekapt, wordt niet naar Beschermde houtopstanden gekeken.
1.2
Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied in de huidige situatie opgenomen, evenals een planbeschrijving. Hieruit volgt een korte afbakening van effecten met bijbehorende reikwijdte. Hoofdstuk 3 gaat over de Natura 2000-gebieden, hierin is een beschrijving van de ligging en mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden opgenomen, hoofdstuk 4 geeft de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten binnen de reikwijdte van effecten evenals de beschrijving van mogelijke effecten en toetsing. In hoofdstuk 5 is beschreven waar het NNN is gelegen en of mogelijk sprake is van negatieve effecten. Tot slot zijn in hoofdstuk 6 de conclusie en vervolgstappen beschreven. In Bijlage A staat het wettelijk kader met betrekking tot Natura 2000-gebieden. In Bijlage B staat het wettelijk kader met betrekking tot beschermde soorten. In Bijlage C staat het wettelijk kader met betrekking tot NNN-gebieden.
5
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
2
Planbeschrijving
2.1
Ligging
Het plangebied is gelegen op het parkeerterrein van het voormalig Klooster Dominicanessen van Bethanië, gelegen in Venlo te Limburg (zie Figuur 1). Het terrein waarop het klooster ligt is omringd door bomen, zoals zichtbaar is in Figuur 1. In noordelijke richting ligt aan de overkant van het terrein een ruig grasland (zie Figuur 3). In zuidelijke en westelijke richting liggen bossen (zie Figuur 4). Het voornemen is om het klooster in gebruik te nemen als asielzoekerscentrum en op het parkeerterrein een twee-laags unitgebouw te plaatsen.
Figuur 1. De locatie waar de tijdelijke unit moet komen.
6
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Figuur 2. Locatie waar de unit moet komen. De parkeerplaatsen bestaan uit half-verharding en in het midden ligt een kleine strook beheerd gras. Foto genomen vanuit westelijke hoek van het plangebied.
Figuur 3. Velden ten noorden van het klooster. Het klooster is zichtbaar op de achtergrond.
7
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Figuur 4. Aan de zuidzijde van het terrein staat een boomrijk gebied.
2.2
Voorgenomen herinrichting
COA is voornemens een tijdelijke unit van twee lagen te plaatsen op het parkeerterrein van het voormalige klooster Bethanië. Ook worden elektriciteitskabels en riolering aangelegd naar de unit. De bomen op het parkeerterrein blijven behouden. De werkzaamheden staan op de planning om te beginnen in het tweede kwartaal van 2025.
2.3
Afbakening effecten
Door het uitvoeren van de werkzaamheden kunnen verschillende effecten optreden. Dit zijn effecten die alleen optreden in de aanlegfase: • Doden of verwonden van individuen. Door rijbewegingen met zwaar materieel kan fauna dat aanwezig is in het plangebied niet de mogelijkheid krijgt om te vluchten en gedood/verwond worden. De reikwijdte beperkt zich tot de begrenzing van de werkzaamheden. • Beschadigen en oppervlakteverlies van groeiplaatsen van plantensoorten in het plangebied. De reikwijdte beperkt zich tot de begrenzing van de werkzaamheden. • Verstoren van individuen. Door de werkzaamheden kan fauna verstoord worden door geluid en visuele verstoring. • Extra stikstofdepositie in de aanlegfase. Voor extra stikstofdepositie wordt gekeken naar gebieden binnen een straal tot 25 kilometer1 van het plangebied.
11 In de tussenuitspraak voor de ViA15 is voor stikstofdepositie een uitspraak gedaan over de rekenafstand van 25 km. Deze afstand is toegestaan omdat in rapporten
van het RIVM, TNO en een expertoordeel is gemotiveerd dat 25 km de grens is waarbinnen met het rekenmodel OPS (basis van Aerius) nog wetenschappelijk betrouwbare uitspraken kan doen over de depositie van een individuele bron. De toepassing van deze rekenafstand is gebaseerd op de beste wetenschappelijke kennis. De stikstofdeposities buiten 25 km zijn onderdeel van de achtergronddepositie. De overheid is verantwoordelijk voor het treffen van instandhoudings- of passende
8
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
In de gebruiksfase worden geen effecten verwacht.
maatregelen die noodzakelijk zijn voor het halen van instandhoudingsdoelstellingen en het gevolg van de achtergronddepositie. De depositie op een afstand van meer dan 25 km hoeft dus niet in een voortoets of passende beoordeling van een plan of project te worden betrokken en is niet relevant voor het verlenen van toestemming voor een plan of project. De vraag of de overheid voldoende en tijdig deze maatregelen neemt is ook niet relevant voor het verlenen van toestemming voor een plan of project. Zie ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299 (Tussenuitspraak ViA15), r.o. 22 e.v..
9
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
3
Natura 2000-gebieden
3.1
Methode
Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en daarnaast de aard van de ingreep, is aan de hand van een bureaustudie bepaald of mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van het voornemen. Voor de bureaustudie is gebruik gemaakt van www.natura2000.nl. Voor het bepalen van een mogelijk effect op Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de effectenindicator van Alterra. Het wettelijk kader rond Natura 2000-gebieden is opgenomen in Bijlage A.
3.2
Ligging
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Natura 2000-gebied Maasduinen en ligt op ongeveer negen kilometer in noordelijke richting. Binnen een straal van 25 kilometer liggen in Nederland nog zeven andere Natura 2000-gebieden (zie Figuur 5). In deze acht Natura 2000-gebieden liggen natuurwaarden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. In Duitsland liggen ook binnen een straal van 25 kilometer van het plangebied verschillende Natura 2000-gebieden (zie Figuur 6). Ook voor Duitse Natura 2000-gebieden geldt dat hier mogelijk stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden voorkomen.
Figuur 5. De Natura 2000-gebieden in Nederland die binnen een straal van 25 km van het plangebied liggen. Natura 2000 in Duitsland is weergegeven in Figuur 6.
10
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Figuur 6. Het plangebied (rode stip) ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden (groen). Bron: https://natura2000.eea.europa.eu/ geraadpleegd op 09-06-2024.
3.3
Effecten
Het plangebied ligt niet in of vlak naast Natura 2000-gebied, waardoor directe effecten (doden of verwonden van individuen, verstoren van individuen en beschadigen en oppervlakteverlies van groeiplaatsen van plantensoorten) op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Vanwege de afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 (9 km) valt een direct effect van de werkzaamheden uit te sluiten. Er valt alleen een indirect effect te verwachten in de vorm van extra stikstofdepositie in de aanlegfase. Een eenmalige toename op de Natura 2000-gebieden van stikstofdepositie in de aanlegfase is niet uitgesloten als niet-elektrisch materieel wordt gebruikt en rijbewegingen plaatsvinden door het personeel en aanvoer van materieel. Alleen als het materiaal elektrisch is, inclusief het vervoer van het personeel, wordt een effect door extra depositie uitgesloten. In de gebruiksfase worden geen extra verkeersbewegingen verwacht, omdat asielzoekers niet over een auto beschikken en zich hoofdzakelijk met de fiets, lopend of met het openbaar verboer verplaatsen. In de gebruiksfase is daardoor geen sprake van extra emissie van stikstof en is een effect van extra depositie uitgesloten.
3.4
Deelconclusie gebiedsbescherming
Vanwege de afstand en aard van de werkzaamheden zijn directe effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Een indirect effect door de werkzaamheden in de vorm van een eenmalige toename van stikstofdepositie is niet uitgesloten. Binnen 25 kilometer van het plangebied liggen in Nederland en Duitsland Natura 2000-gebieden met natuurwaarden die (mogelijk) gevoelig zijn voor extra stikstofdepositie. Om de toename van stikstofdepositie inzichtelijk te maken moet een AERIUS-berekening uitgevoerd worden voor de aanlegfase. Uit de berekening moet blijken of en welke vervolgstappen nodig zijn. Als de aanleg volledig met elektrisch materieel, en dus emissieloos, wordt uitgevoerd, is extra depositie in de aanlegfase uitgesloten en is het niet nodig een AERIUS-berekening uit te voeren. 11
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
4
Aanwezigheid beschermde soorten
4.1
Methode
De bescherming van flora en fauna is opgenomen in de Omgevingswet. Het wettelijk kader is opgenomen in Bijlage B. Voor deze quickscan is een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de periode 08-07-2019 tot 08-07-2024. Deze gegevens zijn met een straal van ongeveer 1 kilometer rond het plangebied uit de NDFF gehaald. Daarnaast is gebruik gemaakt van websites van soortenorganisaties. Het veldbezoek is uitgevoerd op 12 juli 2024 om 10:00 uur door een ecoloog van Arcadis. De weersomstandigheden waren zwaar bewolkt, regen, wind NNO 2 Bft en temperatuur 16ºC. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek, waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd óf en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn.
Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.
4.2
Aanwezigheid beschermde soorten
In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. Tabel 1: Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het plangebied per relevante soortgroep. Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat Conclusie Flora Bureauonderzoek Waarnemingen van beschermde flora in het plangebied zijn niet bekend (NDFF). Het plangebied ligt in het verspreidingsgebied van dreps, gladde zegge, grote leeuwenklauw, kluwenklokje, korensla en wolfskers (verspreidingsatlas.nl). Soorteninformatie uit verspreidingsatlas: • Dreps groeit op zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, lichte grond (löss, leem en zavel). • Gladde zegge groeit op beschaduwde plaatsen op natte, matig voedselrijke, humeuze, zwak zure grond (zand, leem, veen en grindrijk zand met een waterkerende kleilaag). Groeit voornamelijk in bossen. • Grote leeuwenklauw groeit op zonnige, open plaatsen op vochtige tot vrij droge, goed gedraineerde, matig voedselrijke tot voedselrijke, kalkhoudende grond (lemig zand, löss, leem, zavel en klei) • Kluwenklokje groeit op zonnige, soms licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot vaak vochtige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humushoudende grond (lemig zand, leem, zavel, mergel en stenige plaatsen).
• Korensla groeit op zonnige, open plaatsen op droge, matig voedselarme tot matig voedselrijke, kalkarme zandgrond. • Wolfskers groeit op meestal half beschaduwde plaatsen op vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, stikstofrijke, vaak kalkrijke, humushoudende grond (mergel en stenige plaatsen). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn een aantal algemene plantensoorten aangetroffen die tussen de half-verharding groeien, zoals kaal knopkruid, kleine klaver, schijfkamille, parapluutjesmos, duizendblad en brandnetel. De bomen die op de rand van het plangebied staan zijn de Amerikaanse tulpenboom, es en berk. Beschermde flora of geschikte groeiplaatsen zijn niet aangetroffen. Er is geen schaduw op het parkeerterrein, waardoor het ongeschikt is voor gladde zegge en wolfskers. De 12
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
Beschermde flora is niet aanwezig in het plangebied.
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat aanwezigheid van parapluutjesmos duidt erop dat de grond min of meer permanent vochtig en voedselrijk is. Hierdoor is het parkeerterrein ongeschikt voor dreps, kluwenklokje en korensla. Grote leeuwenklauw houdt van een vochtige, zonnige standplaats en het parkeerterrein is mogelijk geschikt voor de grote leeuwenklauw. Echter is het plangebied in de bloeitijd van grote leeuwenklauw bezocht en deze is niet aangetroffen. Ook is het terrein in gebruik als parkeerterrein, waardoor de mate van verstoring hoog is. De aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied is uitgesloten. Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn vele waarnemingen van vogels zonder jaarrond beschermd nest, zoals appelvink, boompieper, goudhaan, houtduif, meerkoet en vuurgoudhaan (NDFF). Veldbezoek Aan de rand van het plangebied staan drie bomen. Deze zijn geschikt als rust-, schuil en broedplaats voor vogels zonder jaarrond beschermd nest. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen.
Conclusie
De bomen aan de rand van het plangebied zijn geschikt als nest-, broed-, en rustplaats. Essentieel foerageergebied is niet aanwezig.
Het parkeerterrein zelf is ongeschikt voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. Beschutting is niet aanwezig, waardoor het ongeschikt is als nestplaats. Ook is het parkeerterrein ongeschikt als foerageergebied. De bomenrij langs het hekwerk van het terrein zijn allemaal geschikt als rust-, schuil-, en broedplaats voor vogels zonder jaarrond beschermd nest. Het parkeerterrein is geschikt, maar niet optimaal, als foerageergebied. In de omgeving zijn andere foerageergebieden aanwezig, zoals het ruige terrein ten noorden van het klooster (zie Figuur 3). Het parkeerterrein vormt niet-essentieel foerageergebied.
Broedvogels met jaarrond beschermd nest Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen gedaan van vogels met jaarrond beschermd nest, zoals de bosuil, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, huismus, sperwer en torenvalk. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is alleen een grote groep gierzwaluwen hoog overvliegend, niet gierend, waargenomen. Nest-indicerend gedrag van de gierzwaluwen is niet waargenomen. Bebouwing is niet aanwezig in het plangebied. Hierdoor is het plangebied ongeschikt voor gebouwbewonende soorten, zoals huismus en gierzwaluw. In de bomen aan de rand van het plangebied zijn geen holtes aangetroffen. Het plangebied is hierdoor ongeschikt voor de bosuil. In de bomen zijn geen horsten aangetroffen. Hierdoor wordt de aanwezigheid van nesten van de buizerd, havik, sperwer en torenvalk uitgesloten in het plangebied. De grote gele kwikstaart broedt voornamelijk bij stromend water in een nis in een muur of onder een brug of bij boomwortels in oevers. Deze elementen zijn niet aanwezig in het plangebied, waardoor de aanwezigheid van nesten van de grote gele kwikstaart worden uitgesloten.
13
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
Nesten van broedvogels met jaarrond beschermd nesten zijn uitgesloten in het plangebied. Essentieel foerageergebied is niet aanwezig.
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat Het parkeerterrein is geschikt, maar niet optimaal, als foerageergebied. In de omgeving zijn andere foerageergebied aanwezig, zoals het ruige terrein ten noorden van het klooster (zie Figuur 3). Het parkeerterrein vormt niet-essentieel foerageergebied.
Grondgebonden zoogdieren Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de bever, eekhoorn, egel, haas, ree, steenmarter, vos en wild zwijn (NDFF). Verder komen in de omgeving mogelijk de das, bosmuis, dwergspitsmuis, konijn, hermelijn, tweekleurige bosspitsmuis, wezel en woelrat voor (verspreidingsatlas). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is geen geschikt habitat aangetroffen voor grondgebonden zoogdieren. Op het parkeerterrein is alleen kort gemaaid gras aanwezig, halfopen tegels en een open haag van beuk. Structuren zoals dichte beplanting, struiken, holen en takkenrillen zijn niet aanwezig. Hierdoor is het plangebied ongeschikt als vaste verblijfplaats voor de egel, haas, ree, steenmarter, vos, wild zwijn, das, bosmuis, dwergspitsmuis, tweekleurige bosspitsmuis, konijn, hermelijn, wezel en woelrat. Incidenteel kunnen wel beschermde muizen voorkomen in het plangebied.
Conclusie
In het plangebied zijn geen verblijf/schuilplaatsen of essentieel foerageergebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren aanwezig. Incidenteel kunnen beschermde muizenvoorkomen in het plangebied.
In de bomen op het parkeerterrein zijn geen holtes aangetroffen. Hierdoor is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de eekhoorn uitgesloten. Het parkeerterrein is geschikt, maar niet optimaal, als foerageergebied. In de omgeving zijn andere foerageergebied aanwezig, zoals het ruige terrein ten noorden van het klooster (zie Figuur 3). Het parkeerterrein vormt niet-essentieel foerageergebied.
Vleermuizen Bureauonderzoek Waarnemingen van vleermuizen in het omgeving zijn niet bekend (NDFF). Wel ligt het plangebied in het verspreidingsgebied van de volgende vleermuizen (verspreidingsatlas): • Boombewonend: bosvleermuis, franjestaart, rosse vleermuis, watervleermuis • Gebouwbewonend: gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis • Boom- en gebouwbewonend: gewone grootoorvleermuis, vale vleermuis Veldbezoek Op het parkeerterrein is geen bebouwing aanwezig. Het plangebied zelf is ongeschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Het voormalige klooster en enkele van de omringende gebouwen hebben kieren en spleten in de bebouwing en zijn daardoor wel geschikt voor gebouwbewonende soorten, zoals de gewone- en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en vale vleermuis. Ook is een vleermuiskast waargenomen aan het klooster (zie Figuur 7). De bomen rondom het parkeerterrein zijn geschikt als foerageergebied. In de omgeving zijn andere geschikte foerageermogelijkheden aanwezig, zoals het ruige gebied ten noorden van het klooster en het landgoed aan de achterzijde van het klooster. Het parkeerterrein vormt niet-essentieel foerageergebied.
De buitenste bomenrij langs het hek van het gehele terrein en het klooster vormen een lijnvormige structuur en zijn geschikt als vlieg- en foerageerroute (zie Figuur 8). In de omgeving zijn andere lijnvormige elementen aanwezig die geschikt zijn als vlieg- en foerageerroute, zoals de Beckersweg en de Kaldenkerkerweg ten noorden en westen van 14
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
Essentieel foerageergebied en verblijfplaatsen van gebouw- of boombewonende vleermuizen in het plangebied zijn niet aangetroffen. De buitenste bomenrij en het klooster zijn geschikt als nietessentiële vlieg- en foerageerroute.
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat het klooster. De vlieg- en foerageerroute aanwezig op het terrein van het klooster vormt een niet essentiële vlieg- en foerageerroute.
Figuur 7. Vleermuiskast aan een muur aan de westzijde van het klooster.
Figuur 8. Westzijde van het klooster en bomenrij zijn geschikt als vliegroute.
Reptielen Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van muurhagedis en zandhagedis (NDFF). Verder ligt het plangebied in het verspreidingsgebied van de ringslang (verspreidingsatlas.nl). Veldbezoek Geschikt habitat voor beschermde reptielen is niet waargenomen in het plangebied. Voor de muurhagedis ontbreekt het aan warme, stenige plekken en oude muren om op te zonnen. De zandhagedis komt is gebonden aan duin- en heidegebieden, wat niet voorkomt op het parkeerterrein. Voor de ringslang ontbreekt het aan water en schuilmogelijkheden. De aanwezigheid van beschermde reptielen in het plangebied is uitgesloten. Amfibieën Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van alpenwatersalamander, kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad, rugstreeppad en een onbekende groene kikker. De waarnemingen van de onbekende groene kikker is een waarneming van de poelkikker of bastaardkikker geweest. Het verspreidingsgebied van de meerkikker ligt namelijk niet in de buurt van het plangebied (verspreidingsatlas.nl). Andere beschermde soorten worden niet verwacht in het plangebied (verspreidingsatlas.nl). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is geen geschikt habitat waargenomen voor beschermde amfibieën. Water, schuilplaatsen en begraafbare grond zijn niet aanwezig in het 15
Conclusie
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
De aanwezigheid van beschermde reptielen in het plangebied is uitgesloten.
Verblijfplaatsen en voortplantingsbiotoop van beschermde amfibieën zijn niet aanwezig in het plangebied. Incidenteel kunnen soorten zoals de bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Aanwezigheid beschermde soorten/ geschiktheid habitat plangebied. Voortplantingsbiotoop en verblijfplaatsen van beschermde amfibieën zijn daardoor niet aanwezig in het plangebied.
Conclusie voorkomen in het plangebied.
Incidenteel kunnen soorten zoals de bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker voorkomen in het plangebied. Vissen In het plangebied is geen water aanwezig. Hierdoor is het plangebied ongeschikt voor vissen en de aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied wordt uitgesloten.
Overige soorten Bureauonderzoek In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder en vermiljoenkever (NDFF). Andere beschermde soorten worden niet verwacht in het plangebied (verspreidingsatlas). Soortinformatie • Grote vos komt voor in open, vochtige, vrij voedselrijke bossen met zoete kers of iepen (vlinderstichting). • Kleine ijsvogelvlinder komt voor in vochtige bossen, met als waardplant voornamelijk rode en wilde kamperfoelie (vlinderstichting). • De grote weerschijnvlinder komt voor in vochtige loofbossen met voornamelijk wilgen (vlinderstichting). • Vermiljoenkever komt voor in vochtige bossen, houtwallen en lanen met bomen en dikke takken die recent zijn doodgegaan. In Nederland wordt de soort voornamelijk aangetroffen op populier (eis-nederland.nl). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is geen geschikt habitat voor beschermde ongewervelden aangetroffen. Waardplanten voor beschermde vlinders is niet aangetroffen. Ook komen de bovengenoemde ongewervelden voornamelijk voor in vochtige bossen. Vochtige bossen zijn niet aanwezig in het plangebied. De aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied is uitgesloten.
16
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
De aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied is uitgesloten.
De aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied is uitgesloten.
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
4.3
Effectbeschrijving
In tabel 2 is per soortgroep voor de (mogelijk) aanwezige soorten, op basis van de afbakening van effecten een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen zoals beschreven in hoofdstuk 2. Tabel 2: Mogelijke effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden. Mogelijke effecten
Toetsing vereist?
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Nesten Bij de werkzaamheden op het terrein kunnen broedende vogels in bomen verstoord worden. De bomen blijven behouden, waardoor geen kans is op het vernielen van nesten.
Nesten: Ja Foerageergebied: nee
Foerageergebied Bij de werkzaamheden gaat foerageergebied verloren. In de omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig van betere kwaliteit, waardoor er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Een negatief effect door het verlies van foerageergebied wordt uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid individuen De werkzaamheden en rijbewegingen leiden mogelijk tot het verwonden en doden van individuen van soorten die zich bevinden op het parkeerterrein.
Aanwezigheid individuen: Ja
Vleermuizen Vlieg/foerageerroute Bij de werkzaamheden wordt mogelijk gebruik gemaakt van extra kunstmatige verlichting, welke uit kan stralen naar de vlieg- en foerageerroute op het terrein. Echter staan er al lantarenpalen op het terrein waardoor de vlieg- en foerageerroute op het terrein al wordt verlicht. Bovendien zijn er uitwijkmogelijkheden in de omgeving, waardoor de vlieg- en foerageerroute niet-essentieel is. Een negatief effect door het verstoren van een vlieg- en foerageerroute wordt uitgesloten.
Vlieg/foerageerroute: Nee Foerageergebied: Nee
Foerageergebied Bij de werkzaamheden gaat foerageergebied verloren. In de omgeving zijn voldoende alternatieven aanwezig van betere kwaliteit, waardoor in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Een negatief effect door het verlies van foerageergebied wordt uitgesloten. Amfibieën Aanwezigheid individuen De werkzaamheden en rijbewegingen leiden mogelijk tot het verwonden en doden van individuen van soorten die zich bevinden op het parkeerterrein.
17
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
Aanwezigheid individuen: Ja
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
4.4
Toetsing
4.4.1
Beschermingscategorieën relevante soorten
In onderstaande tabel 3 is per soortgroep opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort: Tabel 3: Beschermingscategorie van de relevante soorten. Beschermingscategorie Soort/soortgroep Vogelrichtlijnsoorten Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Andere soorten met vrijstelling Grondgebonden zoogdieren (muizen), amfibieën
Voor de Provincie Limburg geldt een vrijstelling voor de binnen het plangebied algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën, zie Bijlage B. Deze zijn hieronder daarom niet meegenomen. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, zie verder in paragraaf 4.6.
4.4.2
Toetsing
In onderstaande tabellen 4 en 5 is per soort(groep) op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke artikelen relevant zijn voor de flora- en fauna-activiteit. De definitie van een flora- en fauna-activiteit is “activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten” en is derhalve van toepassing op die initiatief. In deze toetsing is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke vervolgstappen nodig zijn. Tabel 4: Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet). Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor de handelingen die in deze tabel zijn aangegeven en die mogelijk wel het gevolg zijn van het initiatief. Soort a b c d Als gevolg van Vogelrichtlijnsoorten X Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor (art. 11.37, lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving): a: opzettelijk doden of opzettelijk vangen; b: opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het opzettelijk wegnemen van nesten; c: rapen en onder zich hebben van eieren; d: opzettelijk storen, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding.
•
Lid a, en c zijn niet van toepassing omdat nesten alleen aanwezig kunnen zijn in de bomen, en deze blijven behouden. Lid d is niet van toepassing omdat verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Lid b is van toepassing omdat het verstoren van vogels kan leiden tot het vernielen van eieren.
4.5
Vervolgstappen
Om te voorkomen dat verbodsbepalingen worden overtreden, zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Indien deze worden genomen, worden geen verbodsbepalingen overtreden en is het aanvragen van een vergunning niet nodig. Op basis van de quickscan blijkt dat het plangebied zelf geen essentiële functies biedt voor beschermde soorten. De omgeving rondom het plangebied is wel geschikt voor beschermde soorten, en hierdoor dienen enkele stappen genomen te worden om te voorkomen dat fauna wordt verstoord. Door te werken met een ecologisch werkprotocol is te garanderen dat aan de zorgplicht wordt voldaan en geen verbodsbepalingen worden overtreden. Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Voer werkzaamheden uit buiten het broedseizoen. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven en doorlopen tot september. Als het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dient een broedvogelinspectie de aanwezigheid van actieve broedgevallen uit te sluiten of moet voor het broedseizoen worden begonnen en continu doorgewerkt worden tot in het broedseizoen. Onderzoek is bij het nemen van de maatregel niet nodig. Het is ook niet mogelijk om hiervoor een omgevingsvergunning te verkrijgen, waardoor het noodzakelijk is om voorgenoemde maatregel te nemen.
18
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
4.6
Zorgplicht
Ten aanzien van de zorgplicht zijn in de Omgevingswet verplichtingen opgenomen. In deze paragraaf worden deze verplichtingen besproken en wordt beschreven op welke manier invulling te geven aan deze verplichtingen. De algemene zorgplicht geldt voor alle soorten, de aanvullende zorgplicht geldt voor beschermde soorten. Algemene zorgplicht In het algemeen moet voorkomen worden dat bij het doden of vangen van een dier, dat dier onnodig leidt (art. 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving). Hieronder is specifiek aangegeven hoe invulling is gegeven aan de verplichte aspecten voor flora- en fauna-activiteiten of andere activiteiten waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit leidt tot nadelige effecten ten aanzien van natuurbescherming (art. 11.27, lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving): • Neem alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevolgen te voorkomen, zoals één kant op te werken om te zorgen dat eventueel aanwezige soorten het gebied kunnen ontvluchten, en te werken buiten kwetsbare periodes. • Voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen, moeten effecten zoveel mogelijk beperkt worden. Dit kan gedaan worden om te werken buiten kwetsbare periodes. • Als rest-effecten onvoldoende kunnen worden beperkt: laat de activiteit achterwege zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd.
Het is belangrijk dat het niet zo ver komt en al in eerdere stappen voldoende maatregelen worden genomen om effecten voldoende te beperken en te herstellen. Aanvullende zorgplicht flora- en fauna-activiteit Voor flora- en fauna-activiteiten gelden specifiek de volgende verplichtingen (art. 11.27, lid 2, Besluit activiteiten leefomgeving): a. Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie of in de directe nabijheid van beschermde soorten of voor beschermde soorten leefgebieden of groeiplaatsen aanwezig zijn. Deze quickscan concludeert dat in het plangebied geen beschermde soorten aanwezig zijn en dat het plangebied ook niet geschikt is voor beschermde soorten en geen belangrijke functie heeft. Nader onderzoek is niet nodig. b. Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. In deze quickscan zijn maatregelen om effecten te voorkomen opgenomen, zie paragraaf Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. M et deze maatregelen zijn effecten te voorkomen. c. Als negatieve gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten.
De (mogelijke) effecten op beschermde soorten is zijn in deze quickscan onderzocht. Hiermee is voldoende geborgd dat de effecten op beschermde soorten zijn onderzocht. d. Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Het is belangrijk om te borgen dat maatregelen voldoende effect hebben. Bij onvoldoende kennis of twijfel kan een ecologisch adviseur worden betrokken. De maatregelen in deze quickscan hebben voldoende effect, als deze goed worden uitgevoerd. e. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Het is belangrijk dat het niet zo ver komt en al in eerdere stappen voldoende maatregelen worden genomen om effecten voldoende te beperken en te herstellen.
4.7
Deelconclusie soortbescherming
Beschermde soorten zijn niet aanwezig in het plangebied. Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest zijn bomen nabij geschikt om in te broeden. Aangeraden wordt om buiten de broedperiode te werken. Als het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dient een broedvogelinspectie de aanwezigheid van actieve broedgevallen uit te sluiten of moet voor het broedseizoen worden begonnen en continu doorgewerkt worden tot in het broedseizoen. Door te werken met een ecologisch werkprotocol is te garanderen dat aan de zorglicht wordt voldaan.
19
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
5
Natuurnetwerk Limburg
5.1
Methode
De bescherming van het Natuurnetwerk Limburg valt onder de Omgevingswet. Het wettelijk kader is opgenomen in Bijlage C. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Limburg (NNL) en daarnaast de aard van de ingreep, is door een bureaustudie bepaald of mogelijk sprake is van significant negatieve effecten als gevolg van het voornemen.
5.2
Ligging
Het dichtstbijzijnde NNL-gebied ligt op ongeveer 35 meter in noordelijke richting van het plangebied (zie Figuur 9). Het plangebied overlapt niet met het NNL.
Figuur 9. Ligging van het plangebied (rood vlak) ten opzichte van het NNL (groen vlak) (bron: atlasleefomgeving.nl).
5.3
Effectbeschrijving
Vanwege de afstand van het NNL tot het plangebied, de plaatselijke aard van de werkzaamheden en de verstoorde omgeving rondom het plangebied (naast wegen en in de buurt van parkeerterreinen), zijn op voorhand effecten op het NNL uitgesloten. Een nadere beoordeling is niet nodig en er wordt niet verder ingegaan op het NNL.
5.4
Conclusie en vervolgstappen
Effecten op het NNL door de werkzaamheden zijn uitgesloten. Het nemen van vervolgstappen is niet nodig.
20
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
6
Conclusie
6.1
Natura 2000-gebieden
Vanwege de afstand en aard van de werkzaamheden zijn directe effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Een indirect effect door de werkzaamheden in de vorm van een eenmalige toename van stikstofdepositie is niet uitgesloten. Binnen 25 kilometer van het plangebied liggen in Nederland en Duitsland Natura 2000-gebieden met natuurwaarden die (mogelijk) gevoelig zijn voor extra stikstofdepositie. Om de toename van stikstofdepositie inzichtelijk te maken moet een AERIUS-berekening uitgevoerd worden voor de aanlegfase. Uit de berekening moet blijken of en welke vervolgstappen nodig zijn. Als de aanleg volledig met elektrisch materieel, en dus emissieloos, wordt uitgevoerd, is extra depositie in de aanlegfase uitgesloten en is het niet nodig een AERIUS-berekening uit te voeren.
6.2
Beschermde soorten
Beschermde soorten zijn niet aanwezig in het plangebied. Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest zijn bomen nabij geschikt om in te broeden. Aangeraden wordt om buiten de broedperiode te werken. Als het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dient een broedvogelinspectie de aanwezigheid van actieve broedgevallen uit te sluiten of moet voor het broedseizoen worden begonnen en continu doorgewerkt worden tot in het broedseizoen. Door te werken met een ecologisch werkprotocol is te garanderen dat aan de zorglicht wordt voldaan.
6.3
Natuurnetwerk Limburg
Effecten op het NNL door de werkzaamheden zijn uitgesloten. Het nemen van vervolgstappen is niet nodig.
21
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Bronnen • • • • • • • • • •
22
https://www.eis-nederland.nl/soortenbeleid/habitatrichtlijn/kevers/vermiljoenkever www.atlasleefomgeving.nl/kaarten www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ www.natura2000.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1 www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Bijlage A Wettelijk kader Natura 2000-gebieden De Omgevingswet maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden. De volgende soorten gebieden worden daarbij genoemd: • • •
Natura 2000-gebieden voor het uitvoeren van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.2 Buiten Natura 2000-gebieden kunnen met hetzelfde doel ook bijzondere nationale natuurgebieden worden aangewezen.3 Nationale parken.4
In aanvulling op bovenstaande gebieden kunnen de volgende gebieden in de omgevingsverordening worden aangewezen: • Natuurnetwerk Nederland.5 • Bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen buiten alle voorgenoemde beschermde gebieden.6
In het kader van regelgeving rond Natura 2000-gebieden zijn met name de Omgevingswet, het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en het Besluit Activiteiten Leefomgeving van belang. In de navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de relevante delen van de wet, besluiten en regelingen gegeven.
Regels ten aanzien van de bescherming van Natura 2000-gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst Natura 2000-gebieden aan. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.7 Gedeputeerde staten - en in bepaalde gevallen het Ministerie van LNV - zijn verplicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen ten aanzien van de in de provincie gelegen Natura 2000-gebieden en moeten ook indien daar aanleiding voor bestaat- passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen.8 Daarnaast is gedeputeerde staten verantwoordelijk voor het vaststellen van een programma waarin beheer is geregeld (voorheen beheerplan) voor elk Natura 2000-gebied.9
Beoordeling van plannen Voor alle plannen die “niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied”10 moet voor het vaststellen van het plan een passende beoordeling worden gemaakt. 11 Hiervan kan worden afgeweken als het plan een herhaling is of voorzetting van een ander plan of project of onderdeel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens of inzichten over significante gevolgen oplevert.12
2 art. 2.44, lid 1, Omgevingswet 3 art. 2.44, lid 2, Omgevingswet 4 art. 2.44, lid 3, Omgevingswet 5 art. 2.44, lid 4, Omgevingswet 6 art. 2.44, lid 5, Omgevingswet 7 art. 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen), lid 1 en 2, Omgevingswet en art. 3.58 (eisen aanwijzingsbesluit), lid 1 en 2, Besluit
kwaliteit leefomgeving 8art. 3.59 (instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen), Besluit kwaliteit leefomgeving 9 art. 3.8 (verplichte programma’s provincie), lid 3, Omgevingswet 10Habitatrichtlijn, art. 6, lid 3. 11art. 16.53c, lid 1, Omgevingswet 12art. 16.53c, lid 2, Omgevingswet
23
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Een plan kan alleen worden vastgesteld als uit de passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.13 Op het moment dat wel sprake is van aantasting van natuurlijke kenmerken of geen zekerheid hierover te verkrijgen is, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Dit is de ADC-toets14: • Er zijn geen Alternatieve oplossingen; • Het plan is nodig vanwege Dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; • De nodige Compensatie wordt genomen gericht op het waarborgen van de samenhang van Natura 2000. Op het moment dat prioritaire habitattypen of soorten worden aangetast, dan zijn aanvullende voorwaarden van toepassing15: • Dwingende reden van groot openbaar belang hebben uitsluitend betrekking op de menselijke gezondheid, openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of • Aan de Europese commissie wordt een advies gevraagd.16
Houdbaarheid van gegevens In de Omgevingswet is opgenomen dat in het algemeen onderzoeksgegevens maximaal twee jaar houdbaar zijn, tenzij te onderbouwen is waarom gegevens ouder dan twee jaar nog actueel zijn. Natura 2000-activiteiten zijn echter uitgezonderd van de houdbaarheidsregel van maximaal twee jaar.17
13art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 1, Besluit kwaliteit leefomgeving 14art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving 15art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving 16Verwijzing naar art. 10.6d (opvatting Europese Commissie over dwingende redenen van groot openbaar belang bij Natura 2000-gebieden),
Omgevingsbesluit 17 art. 16.5 (houdbaarheid onderzoeksgegevens), Omgevingswet
24
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Bijlage B Wettelijk kader Soortbescherming Algemene bescherming In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een zorgplicht ten aanzien van soorten opgenomen. In het algemeen moet voorkomen worden dat bij het doden of vangen van een dier, dat dier onnodig leidt. 18 Verder is aangegeven dat bij flora- en fauna-activiteiten of andere activiteiten waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit leidt tot nadelige effecten ten aanzien van natuurbescherming, de volgende zaken verplicht zijn: 19 • neem alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevolgen te voorkomen; • voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen: beperk die gevolgen zoveel mogelijk • of maak deze ongedaan; en • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: laat de activiteit achterwege zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd. Voor flora- en fauna-activiteiten geldt specifiek het volgende 20: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie of in de directe nabijheid beschermde soorten of voor beschermde soorten leefgebieden of groeiplaatsen aanwezig zijn. b.
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.
Categorieën De wet onderscheidt drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Soorten vogelrichtlijn, ook wel Vogelrichtlijnsoorten genoemd (§ 11.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving) • Soorten habitatrichtlijn, ook wel Habitatrichtlijnsoorten genoemd (§ 11.2.3 Besluit activiteiten leefomgeving) • Andere soorten (§ 11.2.4 Besluit activiteiten leefomgeving) Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd.21 Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen22: • alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: – bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, – bijlage II bij het Verdrag van Bern of; – bijlage I bij het Verdrag van Bonn; • en planten van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied zoals genoemd in: – bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; – bijlage I bij het Verdrag van Bern.
18art. 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren), Besluit activiteiten leefomgeving 19art. 11.27 (specifieke zorgplicht), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving 20art. 11.27 (specifieke zorgplicht), lid 2, Besluit activiteiten leefomgeving 21art. 11.37 t/m 11.40, Besluit activiteiten leefomgeving 22 art. 11.46 t/m 11.48, Besluit activiteiten leefomgeving
25
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn). Omdat in het Besluit activiteiten leefomgeving § 11.2.3 “soorten habitatrichtlijn” in de titel heeft, wordt deze term echter wel gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen in bijlage IX onder A bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 23
Regels In de Omgevingswet staat dat het zonder omgevingsvergunning verboden is om een flora- en fauna-activiteit te verrichten.24 De definitie van een flora- en fauna-activiteit is “activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten”. In het Besluit activiteiten leefomgeving is dit nader gespecificeerd. Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor:25 a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het opzettelijk wegnemen van nesten; c. het rapen en onder zich hebben van eieren; of d. het opzettelijk storen, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. 26 Het verbod geldt voor Habitatrichtlijnsoorten voor: 27 a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen; b. het opzettelijk verstoren; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van beschermde planten. Het verbod geldt voor Andere soorten voor: 28 a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende individuen; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen; c.
het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van Andere soorten (planten). Hierboven is voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten aangegeven dat verstoring niet is toegestaan. Niet iedere verstoring in het kader van de wet is relevant is. Het moet gaan om verstoring die voor soorten in potentie wezenlijke gevolgen heeft. Een tijdelijke verandering van gedrag valt hier niet zonder meer over. Zie voor meer informatie het volgende tekstkader.
Juridisch kader verstoring beschermde soorten Niet iedere toename van verstoringsbronnen leidt tot een daadwerkelijk effect dat in het kader van de wet is voorzien als verstoring. Voor een individu dat sprake is van opzettelijke verstoring als niet in de directe omgeving (tijdelijk) uitwijkmogelijkheden voor handen zijn en de functionaliteit van het leefgebied door verstoring wordt aangetast. Dit si verschillende keren bevestigd door de Raad van State. Hieronder staan twee delen van uitspraken waarin dit bevestigd is: ECLI:NL:RVS:2009:BI3701: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200607283/1) geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een
23art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), Besluit activiteiten leefomgeving 24art. 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet), lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet 25art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn schadelijke handelingen), lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving. 26De uitzondering is opgenomen in art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn schadelijke handelingen), lid 3 Besluit
activiteiten leefomgeving. 27art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving 28art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving
26
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van de Ffw.” ECLI:NL:RVS:2020:1125: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8836), geldt bij de uitleg van artikel 10 van de Flora- en faunawet als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving een opzettelijke verontrusting is in de zin van die bepaling. Het tijdelijk (doen) wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek kan niet worden aangemerkt als opzettelijke verontrusting in de zin van deze bepaling. De Afdeling volgt deze interpretatie eveneens ten aanzien van het in het vierde lid van artikel 3.1, vierde lid, van de Wnb neergelegde verbod van opzettelijke storing.”
Gedragscodes en vrijstellingen Het verbod om een flora- en fauna-activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning geldt niet voor activiteiten die vallen onder een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden 29: • aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met de gedragscode; en • plaatsvinden in het kader van: – het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; – een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw, – een bestendig gebruik; of – ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling In het algemeen geldt het verbod om een flora- en fauna-activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning niet voor gevallen, te gebruiken middelen en/of soorten die zijn opgenomen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening30, de omgevingsverordening31 of een ministeriële regeling32 of een programma33. Hierbij moet wel worden voldaan aan de voorwaarden zoals die ook gelden voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (zie tekst onder kopje “Omgevingsvergunning”).
34 Als activiteiten in een goedgekeurd programma zijn opgenomen, moet het programma wel aan een van de volgende voorwaarden voldoen 35: – Het programma moet gericht zijn op inrichting, gebruik en beheer van een Natura 2000-gebied en gericht zijn op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen (voorheen beheerplan). – Het programma moet gericht zijn op een evenwichtige duurzame ontwikkeling waarbij de belasting van kwalificerende natuurwaarden in Natura 2000-gebieden afneemt of beheer, bescherming, herstel van natuurlijke habitats of de staat van instandhouding van in het wild voorkomende dieren of planten verbetert. Verder geldt voor beschermde soorten het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren niet in de volgende gevallen: • Als de activiteit is toegestaan in het kader van een andere wet én als wordt voldaan aan artikel 9, lid 1 en 2 en artikel 13 van de Vogelrichtlijn voor Vogelrichtlijnsoorten36, artikel 16, lid 1 van de Habitatrichtlijn voor
29art. 11.45 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode), art. 11.53 (vergunningvrije gevallen
soorten habitatrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode), art. 11.59 (vergunningvrije gevallen andere soorten op basis van aangewezen gedragscode), Besluit activiteiten leefomgeving 30art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 2, Omgevingswet 31art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 2, Omgevingswet en art. 11.42 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in omgevingsverordening), art. 11.50 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in omgevingsverordening), art. 11.56 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in omgevingsverordening), Besluit activiteiten leefomgeving 32art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 3, Omgevingswet en art. 11.43 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in ministeriële regeling), art. 11.51 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in ministeriële regeling), art. 11.57 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in ministeriële regeling), Besluit activiteiten leefomgeving 33art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 4, Omgevingswet 34art. 8.74j t/m 8.74l, Besluit kwaliteit leefomgeving als verwezen in art. 11.44 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn), lid 1, art. 11.52 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn), lid 1, art.
11.58 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten andere soorten), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving, 35art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 4, Omgevingswet art. 11.41 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in programma), lid 2 en art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen), Besluit activiteiten leefomgeving 36art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel a, Besluit activiteiten leefomgeving.
27
Onze referentie: J3P7UFKA4TXZ-923931952-7026:1 - Datum: 24 juli 2025 - Internal
QUICKSCAN OMGEVINGSWET - NATUUR
• •
Habitatrichtlijnsoorten37 en de eisen die ook aan de omgevingsvergunning worden gesteld voor Andere soorten. 38 Zie het volgende tekstkader voor de relevante inhoud van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als de activiteiten vallen onder instandhoudingsmaatregelen 39 en passende maatregelen40 in het kader van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.41 Voor andere soorten geldt dat het verbod niet van toepassing is op het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis en het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.42 Relevante inhoud Vogel- en Habitatrichtlijn In artikel 9 lid 1 staat dat er geen andere bevredigende oplossing mag bestaan en dat het voornemen nodig is:
• • • • • •
in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid (onderdeel a), in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer (onderdeel a), ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren (onderdeel a), ter bescherming van flora en fauna (onderdeel a); voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt (onderdeel b); teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan (onderdeel c).
In artikel 9, lid 2 geeft de voorwaarden waaronder mag worden afgeweken. De volgende zaken moeten worden vermeld:
• • • • •
voor welke soorten mag worden afgeweken (onderdeel a); welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan (onderdeel b); onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen (onderdeel c); welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen (onderdeel d); welke controles zullen worden uitgevoerd (onderdeel e).