525997 BIJL22 Bestemmingsplan Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo.pdf
Tekst van het document
(geanonimise rd) Rapport
GRAVEN
NABIJ
5685
DE
ALBERTUSHOF
VENLO (geanonimiseerd)
DD
Graven
nabij de Albertushof
(Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat), gemeente Een
inventariserend veldonderzoek in de
vorm
van
Venlo
proefsleuven
(geanonimiseerd) Met
win
van
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) EN (geanonimiseerd)
en
‚> =,
uajoefongoeyory
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Rapport 5685 B Graven
de Albertushof
nabij
Een inventariserend
(Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat), gemeente Venlo. in de vorm van proefsleuven.
veldonderzoek
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) In
opsracht
Foto's
©
en
(geanonimiseerd)
var: NN
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
nn.
tekeningen: (geanonimiseerd) tenzij anders
vermeld
(geanonimiseerd) Amersfoort, januari 2022 |
vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Niets uit deze
uitgave
worden door
middel van
mag worden
(geanonimiseerd) aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend | uit de
toepassing van
de adviezen of het
(geanonimiseerd) ISSN
1875-1067
(geanonimiseerd) nn (geanonimiseerd) nn (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) En Tel EN (geanonimiseerd) Email Barcheologie.nl (geanonimiseerd)
gebruik
van
de resultaten van dit onderzoek.
Inhoudsopgave Administratieve gegevens 1 Inleiding 1.1
Algemeen
1.2
Vooronderzoek
1.3
Doel
1.4
Opzet van het rapport
2
Methoden
3
Resultaten 3.1
3.2
3.3
5
van
het onderzoek
Fysisch geografisch 3.1.1 Inleiding 3.1.2
4
het
van
onderzoeksgebied
en
onderzoeksvragen
onderzoek
(geanonimiseerd) |
A
N
11 11
3.1.3
fysisch-geografisch _Landschapsontwikkeling
3.1.4
_Onderzoeksresultaten
14
3.1.5
_Paleogeografische
15
Methoden
veldwerk
11 12
reconstructie
Sporen en structuren 3.2.1 Algemeen
16 16
3.2.2
Zone noordoost
17
3.2.3
Zone zuidwest
21
Vondstmateriaal 3.3.1
Algemeen
3.3.2
Aardewerk
3.3.3
Natuursteen
26 26
(geanonimiseerd) en
bouwmateriaal
26
(geanonimiseerd) |
26
Synthese 4.1 Algemeen 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen Waardering en selectieadvies 5.1 Waardering van de vindplaats
28
5.2
33
Selectieadvies
28 29 32 32
Literatuur
33
Lijst van afbeeldingen Lijst van tabellen Verklarende woordenlijst Afkortingen in de database Aanvullend kaartmateriaal Bijlage 1
34 34 35 37 39
Administratieve gegevens
van
het
onderzoeksgebied
Provincie:
Limburg
Gemeente:
Venlo
Plaats:
Venlo
Toponiem:
Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat
Kaartblad:
52H
Centrumcoördinaten:
210.153 / 378.269
overheid:
(geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) ll
Bevoegde Contactpersoon namens de bevoegde overheid: Goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Opdrachtgever:
ja
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) St.
Jansweg
15
|
(geanonimiseerd) Venlo Archiszaaknummer:
5125780100
ADC-projectcode: Complex en ABR-codering: Periode(n):
4230737
KNA
41
versie:
Geomorfologische context: NAP hoogte maaiveld: Maximale diepte onderzoek: Uitvoering van het veldwerk: Beheer en plaats documentatie:
Onbepaald (XXX) Late Middeleeuwen-Nieuwe
tijd
Dekzand Tussen
23,84
Tot 22,60 m
m
en
24,65
m
+NAP
+NAP
2 en 3 november 2021
(geanonimiseerd) 0 B De Vondst
(geanonimiseerd) nn (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) nn
5
Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode Nieuwe tijd: Nieuwe tijd C Nieuwe tijd B Nieuwe tijd A Middeleeuwen: Late Middeleeuwen B / Late Middeleeuwen Late Middeleeuwen A / Volle Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen D / Ottoonse periode Vroege Middeleeuwen C / Karolingische tijd Vroege Middeleeuwen B / Merovingische tijd Vroege Middeleeuwen A / Volksverhuizingstijd Romeinse tijd: Laat-Romeinse tijd Midden-Romeinse tijd Vroeg-Romeinse tijd IJzertijd: Late IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege IJzertijd Bronstijd: Late Bronstijd Midden-Bronstijd Vroege Bronstijd Neolithicum (Jonge Steentijd): Laat-Neolithicum Midden-Neolithicum Vroeg-Neolithicum Mesolithicum (Midden-Steentijd): Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum Paleolithicum (Oude Steentijd): Laat-Paleolithicum Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum Bron: Archeologisch Basis Register 1992.
Tijd in jaren 1500 - heden 1850 - heden 1650 - 1850 na Chr. 1500 - 1650 na Chr. 450 - 1500 na Chr. 1250 - 1500 na Chr. 1050 - 1250 na Chr. 900 - 1050 na Chr. 725 - 900 na Chr. 525 - 725 na Chr. 450 - 525 na Chr. 12 voor Chr. - 450 na Chr. 270 - 450 na Chr. 70 - 270 na Chr. 12 voor Chr. - 70 na Chr. 800 - 12 voor Chr. 250 - 12 voor Chr. 500 - 250 voor Chr. 800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr. 1100 - 800 voor Chr. 1800 - 1100 voor Chr. 2000 - 1800 voor Chr. 5300 - 2000 voor Chr. 2850 - 2000 voor Chr. 4200 - 2850 voor Chr. 5300 - 4200 voor Chr. 8800 - 4900 voor Chr. 6450 - 4900 voor Chr. 7100 - 6450 voor Chr. 8800 - 7100 voor Chr. tot 8800 voor Chr. 35. 000 - 8800 voor Chr. 300. 000 - 35. 000 voor Chr. tot 300. 000 voor Chr.
JN
®
NA
1
Inleiding 1.1
Algemeen opdracht van (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) neef:
In
VeldOnderzoek
in de vorm
(geanonimiseerd) een Inventariserend ON
(IVO-P) uitgevoerd voor het plangebied HakkesstraatHendrikkenhofstraat, gelegen nabij de Albertushof. In het plangebied zal woningbouw en een herdenkingsplaats worden gerealiseerd, waarbij het volledige plangebied zal worden heringericht. Het plangebied, dat omringd wordt door de Nijmeegseweg, de Hakkesstraat en de Hendrikkenhofstraat, heeft een oppervlakte van circa 4,7 ha (zie afb. 1). Het onderzoeksgebied is circa 2,3 ha groot. van
Proefsleuven
Het
archeologisch onderzoek was noodzakelijk omdat de op handen zijnde werken zullen in de verstoring en/of vernietiging van eventueel in de bodem aanwezige archeologische waarden. Het vooronderzoek (zie $ 1.2) heeft uitgewezen dat vervolgonderzoek noodzakelijk was, in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Door het aanleggen van proefsleuven (in een verspringend grid) wordt inzicht verkregen in de aard, omvang en behoudenswaardigheid van de eventueel aanwezige archeologische waarden. resulteren
3790 0
3780 0
209000 MP Afb.
210000
in
Locatie Nederland
1. Locatie van het
Het veldwerk is
LL)
Pangebiea
plangebied.
uitgevoerd op 2 en 3 november 2021 en omvatte het graven van 17 proefsleuven. proefsleuven zijn aangelegd en onderzocht conform het Programma van Eisen | (geanonimiseerd) dat door B is Het is door de (geanonimiseerd) opgesteld.’ (geanonimiseerd) goedgekeurd (geanonimiseerd) van gemeente Venlo. EN BN BN De
1
PN
(geanonimiseerd) 202:
bestond uit (geanonimiseerd) (projectleider en senior KNA archeoloog) en (|geanonimise rd) | De dit betrokken fysisch geograaf is (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (senior veldtechnicus). bij project | | Kraan en kraanmachinist werden voorzien door de opdrachtgever. Contactpersoon bij de (geanonimiseerd) | gemeente en bevoegde overheid in deze is (geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) | Het veldteam
is bestudeerd door (geanonimiseerd) (aardewerk) en (geanonimiseerd) (natuursteen en | | bouwmateriaal). GIS/CAD afbeeldingen zijn gemaakt door (geanonimiseerd) ovjectfoto’s WN en tekeningen zijn gemaakt door (geanonimiseerd) De opmaak van het rapport was in handen van | Controle en coördinatie van documentatie en vondstverwerking is uitgevoerd door (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | | De vondsten die tijdens het IVO zijn verzameld en de bijbehorende documentatie zullen (geanonimiseerd) | na afronding van het onderzoek worden overgedragen aan het (geanonimiseerd) | Het vondstmateriaal keramisch
« (geanonimiseerd) TN
1.2
eerien.
Vooronderzoek
Voorafgaand aan huidig onderzoek werd een bureauonderzoek? voor het plangebied opgesteld, met daarbij een booronderzoek in de zones die op dat moment (2020) beschikbaar waren. Dit jaar is dan een aanvullend booronderzoek? uitgevoerd op het terrein dat eerder niet beschikbaar was. Beide onderzoeken
hebben de volgende gegevens opgeleverd: voor de sloop van de bebouwing plangebied in gebruik als grasland en groenvoorziening en was het deels braakliggend. Het plangebied is te situeren ter plaatse van de Maasterrassen. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied voor het grootste deel op dekzandruggen met aan de zuidwestrand een complex van lage landduinen. Het terrein vertoont weinig reliëf. Volgens de Bodemkaart van Nederland is het plangebied voor het grootste deel opgehoogd of opgespoten met aan de zuidwestrand haarpodzolgronden. De bodemopbouw bestaat over het algemeen uit zwak siltig zand. Hier en daar zijn bij het booronderzoek afwijkingen opgemerkt, zoals de aanwezigheid van een laag zandige leem. In enkele boringen werd een (deels) intacte B-horizont opgemerkt. was
het
Het
plangebied ligt in de bebouwde kom van Venlo. In de omgeving zijn enkele vondstmeldingen gekend. De gehele onderzoekslocatie ligt in een gebied met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de perioden Paleolithicum tot Nieuwe tijd. Voor een meer uitgebreid overzicht of gedetailleerde informatie wordt verwezen naar de rapportages van voornoemde onderzoeken. 1.3
Doel
Het doel
van
het onderzoek
van
en
onderzoeksvragen
inventariserend veldonderzoek
(IVO)
is het aanvullen
zoals
en
toetsen
van
de
Het gaat gespecificeerde archeologische verwachting geformuleerd om en onderzoek. Het IVO door middel van hierbij gebiedsvindplaatsgericht gebeurt waarnemingen in het veld, waarbij informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Ten behoeve van de | (geanonimiseerd) of het | (geanonimiseerd) werden geen aanvullende of meer specifieke onderzoeksvragen opgesteld.
Bij dit onderzoek
dienen de
volgende
in het vooronderzoek.
onderzoeksvragen“ beantwoord te worden:
Algemeen 1.
2.
Wat is de aard,
diepteligging, datering, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal) (inhoudelijke kwaliteit)? Wat is de gaafheid en conservering van grondsporen, structuren en vondstconcentraties (fysieke kwaliteit)?
? Schutte
2020.
2021. dl (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) 2021, 8.
ii
Op
p. 7 en
8 staat
eea
vermeld
over
de relatie met de
(geanonimiseerd) |
en
andere onderzoekskaders.
3.
4.
Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en/of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische
5. 6. 7.
Welke
locaties
en
welke is dat?
kunnen de archeologische kennis van de regio Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische resten te worden omgegaan?
Periode
gegevens over de aangetroffen vindplaatsen en Venlo aanscherpen?
sites
en
8.
Welke
9.
Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: de ligging (inclusief diepteligging)
hoeveel sites
en
de
herkennen?
geologische en/of bodemkundige eenheid (inclusief verticale dimensies)
de omvang het type en
de functie
_de samenstelling
e
zijn in het onderzoeksgebied te
van
de
de sites of off-site patronen resten
(grondsporen
zover aanwezig periodisering, typechronologische zijn vindplaatsen in onbruik geraakt?
classificatie?
10. Wat is, indien
van
archeologische
e
_de ouderdom
van
e
_de vondst-
spoordichtheid
e
_de stratigrafie
e
_de ouderdom,
11. Wanneer
Landschap
en
mobilia)?
en
aanwezig: en
de
cultuurlaag
voor
bodem
12. Wat is de bodemopbouw
binnen het onderzoeksgebied? fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 14. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het onderzoeksgebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 15. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 13. Wat is de
Vraagstelling specialistisch onderzoek 16. Is de vindplaats geschikt voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek? 1.4
Opzet
het rapport
van
Dit rapport betreft
standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 4.1 specificatie VSO5). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Dit onderzoek vormt geen eindstation, maar de basis van waaruit verder synthetiserend onderzoek kan plaatsvinden. Bij dit synthetiserend onderzoek kan, indien nodig, altijd worden teruggegrepen op de basisgegevens in het e-depot. een
-
Na de
samenvatting
methoden
en
dit inleidende
in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3
hoofdstuk
volgt een omschrijving
vangt
met de resultaten
aan
van
van
de onderzoeks-
het
fysisch-geografisch
in hoofdstuk 3 de sporen en structuren worden besproken, evenals hoofdstuk het vondstmateriaal. In 4 worden de onderzoeksvragen uit het (geanonimiseerd) beantwoord en onderzoek.
Vervolgens zullen
tenslotte zullen
geformuleerd.
in hoofdstuk 5
|
een
waardering
van
de vindplaats
en
een
selectieadvies worden
® 2
Methoden zijn uitgevoerd conform de richtlijnen van de vigerende versie van de (geanonimiseerd) | Voorafgaand aan het veldwerk zijn deze verwerkt in een kort Plan van Aanpak Verder staat de opzet van het proefsleuvenonderzoek uitgebreid beschreven in het (PvA).® van Eisen BW Programma (geanonimiseerd) dat bij dit onderzoek hoort. Alle veldwerkzaamheden KNA
en
het
uitgangspunt van het onderzoek is een vindplaatsgerichte benadering. Het | (geanonimiseerd) stelt dat in het waarvan een omvang 17 dienen te worden 16 sleuven proefsleuven onderzoeksgebied aangelegd, hebben van 25 bij 4 meter en één proefsleuf 100 bij 4 meter groot is. Hiermee wordt circa 8% van het onderzoeksgebied onderzocht. Aanvullend is nog 200 m? beschikbaar om bijvoorbeeld de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te krijgen, een structuur verder bloot te leggen, enzovoort. De proefsleuven hebben een noordoost-zuidwest oriëntatie en zijn zo geprojecteerd dat ze buiten de aanwezige bosschages vallen, die gehandhaafd moeten blijven. Het
zijn tijdens het archeologisch onderzoek 17 proefsleuven gegraven. Extra sleuven werden aangelegd. Wel werd één proefsleuf (werkput 11) nabij een grote zandhoop ingekort vanwege de aanwezigheid van een ondergronds bijennest in de zandhoop, met zeer actieve (en vermoedelijk wilde) bijen. Verder werd werkput 6 uitgebreid met een kijkvenster om meer duidelijkheid te verkrijgen over de aangetroffen sporen in deze hoek van de werkput. De totaal onderzochte oppervlakte bedraagt 2.047 mê. In totaal niet
LINS
T
T
N N AN \
830
—SLENGDE Trapp
fs
37820
N
4
© ADC 2022 1
1
1
210000
210105
210210
Proefsleuf
Afb.
2. Gerealiseerde
(geanonimiseerd)
proefsleuven.
10
De vlakken van de werkputten zijn machinaal aangelegd met een graafmachine met gladde bak. De bouwvoor is apart verwijderd en gescheiden teruggestort. De vlakken zijn laagsgewijs machinaal verdiept waarbij het tussenvlak indien aanwezig is afgezocht op onder andere aardewerk- vuursteen en metaalvondsten. Grondsporen zijn meteen na aanleg van het vlak ingekrast. Het definitieve vlakniveau van de proefsleuven is waar nodig met de hand bijgeschaafd. Het definitieve vlak is gefotografeerd en getekend waarbij om de 5 m een waterpashoogte is bepaald. Het inmeten gebeurde met een GPS. ,
,
,
,
,
,
De selectie van de gecoupeerde sporen was gebaseerd op verschillende factoren: uitzicht en vorm van het spoor ligging twijfel over de aard van het spoor etc. De sporen zijn met de hand gecoupeerd waarbij indien aanwezig vondsten zijn verzameld de coupes zijn getekend op schaal 1:20. Alle coupes werden gefotografeerd. In elke proefsleuf is ten minste één profielkolom gedocumenteerd. Alle profielkolommen zijn door een fysisch geograaf (her)bekeken en geïnterpreteerd. Kansrijke sporen voor bemonstering ten behoeve van archeobotanisch onderzoek werden tijdens het onderzoek niet aangetroffen. Metalen voorwerpen of kwetsbare vondsten werden eveneens niet aangetroffen. ,
,
,
,
®
11
3
Resultaten 3.1
Fysisch geografisch
onderzoek
(geanonimiseerd) 3.1.1 In deze
Inleiding paragraaf wordt de opbouw
Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat
de
landschappelijke
genese
van
het
2021
van
Vanuit het
en
het
veldonderzoek.
plangebied Venlo, van
literatuur-
karteringen huidige Bij najaar profielopbouw in de werkputten gedocumenteerd en bestudeerd, teneinde een beeld te verkrijgen van de bodemopbouw, de gaafheid van de bodem en de (geologische) opbouw en genese van het plangebied. gegevens,
bestaande
en
besproken. Hierbij wordt gebruik gemaakt
het veldonderzoek in het
is de
(geanonimiseerd) zijn de volgende onderzoeksvragen met betrekking tot de fysische geografie mm
opgesteld: binnen het onderzoeksgebied? fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of nondepositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 14. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het onderzoeksgebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 15. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 12.
Wat is de bodemopbouw
13.
Wat is de
3.1.2
Methoden
fysisch-geografisch veldwerk fysisch geografisch onderzoek is gebruik gemaakt van gedocumenteerde profielkolommen in de werkputten. Deze zijn waar mogelijk en waar zinvol aangelegd en gedocumenteerd, minimaal één, maar vaak twee, per proefsleuf (zie afb. 3). De onderzoeksresultaten gaven geen aanleiding tot het aanleggen van een volledig lengteprofiel. De profielkolommen zijn handmatig opgeschaafd, vervolgens ingekrast en beschreven. Hierbij zijn zowel lithologische lagen als archeologisch relevante lagen onderscheiden, zoals vegetatiehorizonten, cultuurlagen en eventueel aanwezige sporen. Alle lagen zijn bemonsterd en beschreven op textuur, kleur, gehalte organische stof en andere lithologische en bodemkundige verschijnselen. De profielen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode’ die de lithologische beschrijving conform NEN5104® hanteert. Voor het
8 hi (geanonimiseerd) 2021, 2005. 7
Bosch
(geanonimiseerd)
2
T
T
T
gl
501
8
05
3E
d
5
401
1701
va
y
p17
301
Pe 202 y
201
Np? 101 *
va
Ai
1502
d
ii
s
o
2L
1901
pie
p15
dl
2
1401 x
2
1302 1301
PES 13
hd
4201 y
8
N
sE
È
id
4
p1
1202
id
‚n
1102
1002
or”, Aat
801, vB
p10 1001
902
0
20
40
_
pl
901
%
ä
702
P9
\y
60
601
Z
W7or{pr
80m
mn
© 1
1
1
210000
210105
210210
Proefsleuf Afb. 3. Locatie en
Meetpen
r
de
van
met
ADC 2022
nummer
gedocumenteerde profielkolommen.
Het
nummer
is
opgebouwd
uit een put-
volgnummer.
een
3.1.3
Landschapsontwikkeling plangebied is gelegen in het zuidelijk zandgebied ten oosten van de huidige Maas. In het plangebied zijn bij het proefsleuvenonderzoek dekzandafzettingen aangetroffen in de ondergrond. Deze dekzandafzettingen behoren tot het Laagpakket van Wierden, onderdeel van de Formatie van Boxtel®. Dit zand is gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien, afgezet. Gedurende het Weichselien heerste er in Nederland een koud en droog, periglaciaal klimaat en was er toendra \° vegetatie aanwezig. Onder deze omstandigheden vond er op grote schaal eolisch transport van zand plaats. Gedurende het Midden-Weichselien, het Pleniglaciaal, waren de omstandigheden het koudst en was het vegetatiedek minimaal. Hierdoor werden, met name in deze periode, dikke pakketten dekzand afgezet. Deze dekzanden zijn door het eolische transport goed afgerond, kalkloos en bestaan veelal uit zeer fijn tot matig grof zand. Het zand is afkomstig van zowel lokale Het
zandvoorkomens Ook
als zandvoorkomens
het
vond
tot wel tientallen kilometers
er
eolisch zandtransport plaats,
werden de
mens
9 Ô
werd
dl
geïnitieerd."
lithostratigrafische terminologie ‚De(geanonimiseerd) 1997, 185-190.
ik
ver
zoals het Noordzeebekken.
dekzand Pleniglaciaal waarbij en reeds bestaande dekzanden herwerkt. Dit onder andere afgezet gebeurde gedurende koude Jonge Dryas maar ook tijdens het Holoceen waar het stuiven van zand veelal door de na
(geanonimiseerd) et al. 2018.
is die
conform
(geanonimiseerd) et al. 2003. |
nieuwe pakketten
13
De start van het Holoceen,
10.000
jaar geleden,
wordt
gekenmerkt
door
een
stijging van de
temperatuur. Als gevolg van deze temperatuursstijging nam het vegetatiedek snel toe. De wind had niet langer vrij spel en het sediment in de ondergrond werd vastgelegd. Door de aanwezigheid van de vegetatie, de toegenomen neerslag en temperatuur begon er bodemvorming op te treden in de zandige afzettingen. De mate en het type van bodemvorming is afhankelijk van de periode van bodemvorming, het moedermateriaal, de klimatologische omstandigheden (neerslag, temperatuur), het reliëf en de grondwaterstand. Hierdoor is ook in gebieden waar het moedermateriaal gelijk is, een differentiatie zichtbaar in bodems.
Het moedermateriaal
vorming zijn de belangrijkste factoren voor In
het ontstaan
en
de
van
grondwaterstand ten tijde van bodemtypes.
de
de verschillende
zandgronden, zoals op de vindplaats, vindt er voornamelijk een proces plaats dat podzolering Tijdens dit proces worden oplosbare stoffen, als ijzer en organische stof, uit de bovengrond naar beneden verplaatst, zogeheten uitspoeling. De laag waaruit stoffen zijn uitgespoeld wordt de loodzandlaag genoemd of E-horizont. Deze E-horizont bevindt zich direct onder de top van het bodempakket, de A-horizont. In deze A-horizont vindt continu accumulatie van organische stof uit de vegetatie plaats. De laag waarin een deel van de humus en ijzerverbindingen worden herafgezet, is de inspoelings-, of Bh, Bhs of Bs-horizont. Naar onderen toe wordt de grond geleidelijk ongeroerd en vrij van invloeden van bovenaf. Dit wordt het moedermateriaal genoemd (C-horizont).'° De geleidelijke overgang van de B naar de C horizont wordt veelal aangeduid als B/C-horizont. arme
heet.
Binnen de podzolen worden
humuspodzolen en moderpodzolgronden onderscheiden. Welk type podzol wordt gevormd, is voornamelijk afhankelijk van het leemgehalte van de bodem. In bodems met een leempercentage van minder dan 10% worden humuspodzolen gevormd. In bodems met een
leempercentages
moderpodzolgronden gevormd. In het grijze gebied en is het mogelijk dat bodems overgaan van het ene type in het andere. Moderpodzolgronden hebben een B-horizont, of inspoelingslaag, waar de humus bestaat uit “moder”. Moder is een humusvorm waarin de organische stof voor een belangrijk deel is vergaan. In deze profielen ontbreekt een duidelijke uitspoelingslaag of loodzandlaag, ook is de overgang tussen de verschillende horizonten geleidelijk. van
meer
dan 20-25%
worden
tussen deze twee uitersten kunnen beide types ontstaan
De
humuspodzolgronden
een duidelijkere loodzandlaag en een inspoelingslaag waarin de humuspodzolgronden worden verder ingedeeld op basis van aan- of afwezigheid van grondwaterinvloed tijdens de bodemvorming. Bij gronden die hoog boven het grondwater lagen zijn de zanden blond gekleurd door de aanwezigheid van ijzerhuidjes rond de zandkorrels (haarpodzolgronden). In lager gelegen gebieden waar de grondwaterstand hoger was tijdens de bodemvorming, zijn de zandkorrels vaak vaalbleek van kleur door het ontbreken van ijzer (veld- en laarpodzolgronden). In zeer laaggelegen gebieden heeft de grondwaterstand een zeer grote invloed op de bodemvorming. Hier worden geen B-horizonten gevormd maar ligt de humeuze of moerige Ahorizont direct op de C-horizont. Gronden met een 15 à 30 cm dikke matig tot zeer humeuze zware bovengrond worden gerekend tot de beek- of gooreerdgronden. Als omstandigheden nat genoeg waren kan zich ook veen vormen op deze locaties en ontstaan moerige eerd- en veengronden.
humus
amorf voorkomt.
Op
armere
de
hebben
De
zandgronden zijn vanaf oudsher pakketten
mest en andere voedingstoffen opgebracht. tijd werd dit op grote schaal met behulp van plaggen gedaan. Het plaggendek kan van verschillende bronnen afkomstig zijn zoals: heideplaggen, bosstrooisel en ‘natuurlijke’ grasplaggen. Deze worden vermengd met dierlijke mest en vervolgens opgebracht op het land. Hierdoor verbeterde de vochthuishouding en werden meer nutriënten toegevoegd zodat beter bouwland werd gecreëerd. Wanneer deze gronden weer uitgeput raakten werd een nieuw plaggendek opgebracht, of andere gronden werden in gebruik genomen als bouwland. De minerale delen uit de plaggen zorgden voor een ophoging van de bouwlanden. Deze plaggendekken, ook wel ‘esdekken’ genaamd, dekken het Pleistocene landschap af. Hierdoor wordt de onderliggende stratigrafie en mogelijke archeologie goed bewaard. Gronden met een esdek vallen
Vanaf de
Late Middeleeuwen
binnen de
eerdgronden.'°
Op
de bodemkaart staat het
ervan
worden
ied (geanonimiseerd) hid (geanonimiseerd)
en en
en
met
name
in de
Nieuwe
plangebied aangegeven haarpodzolgronden aangetroffen.
(geanonimiseerd) 1989. (geanonimiseerd) 1989.
als een
opgehoogd
terrein. Net ten
noorden
14
3. 1. 4 Onderzoeksresultaten In een groot deel van de werkputten is een verstoord bodemprofiel met een afgetopte haarpodzol aanwezig. Hierbij is het oorspronkelijke bodemprofiel vergraven en wordt een opgebracht pakket sediment direct op een (restant) van de B-horizont aangetroffen. Aan de noordelijke rand van het onderzoeksgebied in de werkputten 2 3 4 6 en 10 werd een humeuze zandige bouwvoor direct op de B-horizont geregistreerd (zie afb. 4). In werkput 2 is aan de basis van het onderzochte pakket onder de B-horizont een leemlaag aangetroffen. Deze leemlaag werd ook eerder in het booronderzoek al herkend. Waarschijnlijk betreft het hier fluvioglaciale afzettingen welke ook ten noorden van het onderzoeksgebied aanwezig zijn of fluviatiele afzettingen van de Maas. De putten aan de zuidoostelijke rand van het plangebied (werkputten 14 en 16) zijn zeer sterk verstoord en omgezet (zie afb. 5). ,
,
,
,
Afb. 4. Profielkolom in werkput 4 met afgetopt podzolprofiel.
Afb. 5. Vlakfoto werkput 14. De sterke verstoring van de locatie is duidelijk zichtbaar.
15
In enkele werkputten (1 8 15 en 16) wordt nog wel een intacte haarpodzol aangetroffen (zie afb. 6). Opvallend aan dit bodemprofiel is de enorme dikte van de E-horizont of loodzandlaag. Ook is er een golvende overgang naar de onderliggende B-horizont die tevens niet overal even sterk is ontwikkeld. Deze variabiliteit is mogelijk veroorzaakt door verschillen in de textuur van het moedermateriaal zoals leemgehalte en bioturbatie en latere eventuele chemische degradatie van deze inspoelingslaag. De opliggende A-horizont is goed ontwikkeld en sterk humeus. De overgang naar de E-horizont eronder is veelal scherp en vertoont tekenen van doorploeging en doorworteling. Op deze zwarte en zeer humeuze laag ligt over het gehele terrein een humeus homogeen bruin zandige pakket van circa 50 cm waarin de huidige bouwvoor zich bevindt (afb. 6). De top van de oorspronkelijke bodem (A-horizont) is niet opgenomen in de opliggende bouwvoor maar nog duidelijk herkenbaar als een aparte laag. ,
,
,
Afb. 6. Profielkolom in werkput 15 met haarpodzol en uitzonderlijk dikke E-horizont. In de werkputten ten zuidwesten van de voormalige bebouwing (werkputten 7 10 t/m 12) heeft het sterk humeuze pakket (A-horizont) onder de bouwvoor een venig karakter (zie afb. 7). Deels zijn er sedimenten rijk aan plantenresten wortels ed. aanwezig in het pakket. Waarschijnlijk bevond zich op deze locatie een depressie waar zich veen heeft kunnen vormen. Door de nattere omstandigheden heeft zich in dit deel van het plangebied ook een minder duidelijke podzol kunnen ontwikkelen en is de B-horizont slechts vaag aanwezig. Op de overgang van het veenpakket naar de opliggende bouwvoor is nog een dun laagje zand zichtbaar dit is ofwel een restant van het opgebrachte pakket of een stuifzandlaagje dat het veen afdekt. ,
,
,
,
3. 1. 5 Paleogeografische reconstructie Gedurende het Pleniglaciaal zijn er in het gebied dekzanden afgezet. In deze zandige afzettingen is gedurende het Holoceen een haarpodzol gevormd. In het centrale deel van het plangebied is deze podzol nog intact aanwezig. Aan de randen van het gebied is deze podzolbodem deels verstoord tot op de B-horizont. Dit geeft aan dat er op dit deel van het terrein circa 10-20 cm van het oorspronkelijke bodemprofiel is afgetopt. Deels is dit gebeurd door ploegen waarbij het bovenste deel van de bodem is opgenomen in de humeuze bouwvoor. Over het gehele terrein is een circa 50 cm dik uniform humeus pakket aanwezig waarbinnen de huidige bouwvoor aanwezig is. In een depressie ten zuidwesten van de voormalige bebouwing heeft zich veen kunnen vormen gedurende het Holoceen. ,
16
Afb. 7. Profielkolom in werkput 11 met veenlaag.
3. 2
Sporen en structuren
3. 2. 1 Algemeen In het onderzoeksgebied zijn 17 werkputten aangelegd. De diepte van de werkputten varieert weinig en bedraagt nooit meer dan 90 cm (zie tabel 2). 14 Tabel 2. Gemiddelde hoogtes maaiveld
en vlak per werkput en
diepte werkput.
Werkput
Diepte
Werkput
(in m) 067 , 061 , 056 , 050 , 053 , 057 , 090 , 070 , 087 ,
10 11 12 13 14 15 16 17
Hoogte maaiveld (m +NAP) 2408 , 2415 , 2413 , 2419 , 2428 , 2425 , 2415 , 2428 ,
1 2 3 4 5 6 7 8 9
Hoogte maaiveld (m +NAP) 2431 , 2436 , 2444 , 2456 , 2421 , 2398 , 2397 , 2412 , 2395 ,
Hoogte vlak (m +NAP) 2364 , 2375 , 2388 , 2406 , 2368 , 2355 , 2307 , 2342 , 2308 ,
Hoogte vlak (m +NAP) 2333 , 2333 , 2332 , 2374 , 2377 , 2370 , 2372 , 2368 ,
Diepte (in m) 075 , 082 , 081 , 045 , 051 , 055 , 043 , 060 ,
Verspreid over de 17 werkputten zijn naast recente (S 999) natuurlijke (S 998) en landbouwgerelateerde (S 997) verstoringen 45 grondsporen geregistreerd. Het merendeel hiervan betreft greppels. Voorts kwamen nog enkele paalkuilen en kuilen aan het licht de spoordichtheid is echter laag te noemen. De onderzoeksresultaten komen in de hierna volgende tekst aan bod en zullen besproken worden per zone aangezien de proefsleuven in twee clusters bij elkaar liggen. Het kaartmateriaal dat bij dit overzicht hoort is grotendeels toegevoegd als bijlage. ,
,
,
,
,
,
14 De diepte van de profielkolommen/-gaten werd niet mee in rekening gebracht bij de berekening van deze hoogtes.
17
3. 2. 2
Zone noordoost
Overzicht werkputten In het noordoostelijke deel van het plangebied zijn de werkputten 1 t/m 4 en 14 t/m 17 aangelegd (zie afb. 12). Werkput 1 (95 m 2 groot) heeft een podzolbodem en bevat twee greppels (al kan het ook dezelfde greppel zijn die buiten de put een hoek van 90° maakt) en enkele mogelijke paalsporen. Aan de oostrand van de werkput zit een recente verstoring (S 999) die greppel S 4 doorsnijdt. Paalkuil S 3 werd gecoupeerd. S 3 heeft een zeer donkergrijze vulling en een beperkte restdiepte van 10 cm (zie afb. 8).
Afb. 8. Paalkuil S 3 in doorsnede. Werkput 2 (110 m)2 heeft eenzelfde bodemopbouw waarbij een zandige leemlaag (S 6000) onderaan een profielkolom nog vermeldenswaardig is. Deze leemlaag werd in enkele sleuven opgemerkt. In de werkput is aan de zuidwestzijde een brede verstoring aanwezig (S 999) vermoedelijk van een oude riolering. Verder zijn nog twee paalsporen geregistreerd. Paalkuil S 5 werd gecoupeerd. Deze heeft twee van elkaar te onderscheiden vullingen en een restdiepte van 18 cm. In de opvulling zijn restanten/brokjes van B en E-horizont herkend. ,
,
Werkput 3 (132 m)2 beschikt deels over een podzolbodem. In deze werkput kwamen onder andere drie parallel aan elkaar liggende greppels aan het licht (S 8 11 en 12 zie afb. 9). Kuil S 10 werd gecoupeerd. Er konden twee vullingen onderscheiden worden en de kuil had een restdiepte van 18 cm. Van de greppels werden S 11 en S 12 gecoupeerd. Deze hebben een restdiepte van respectievelijk 30 en 14 cm. Het baksteen uit S 11 werd niet ingezameld het betrof een handvol kleine tot zeer kleine brokjes die weinig of geen informatie zouden hebben opgeleverd. Wel ingezameld is het vondstmateriaal uit S 8. Het betreft een fragment witbakkend Maaslands aardewerk met een datering in de 13 e tot 15 e eeuw een fragment leisteen en een brok baksteen (vnr. 1). ,
,
,
,
,
In werkput 4 (138 m)2 is voor een deel sprake van een A-C profiel. Er zijn enkele brede greppels in de put aanwezig die dwars door de werkput heen lopen (zie afb. 13). Over de sporen S 15 t/m 17 werd een lengtecoupe haaks op de put gezet (zie afb. 10). Hierbij kwam onder greppel S 16 uit nog een paalkuil aan het licht S18. Zowel S 16 (vnr. 2) als S 18 (vnr. 3) hebben vondstmateriaal opgeleverd. Uit de coupe valt af te leiden dat greppel S 16 (vullingen 1 en 2) paalspoor S 18 oversnijdt echter is de overgang wat onduidelijk zodat hierover geen absolute zekerheid kan bestaan. Gezien het aantreffen van een paalkuil onder de greppel werd greppel S 16 over een afstand van enkele meters afgewerkt om te kijken of er nog meer paalsporen aanwezig zijn maar er werd geen paalspoor meer aangetroffen. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
18
Afb. 9. Werkput 3 na aanleg vlak. Centraal in beeld de drie parallel aan elkaar liggende greppels.
Afb. 10. Sporen 15 t/m 18 in doorsnede. Voor wat betreft het vondstmateriaal: greppel S 16 heeft drie fragmenten van kwartsitische zandstenen opgeleverd (vnr. 2). In paalspoor S 18 kwam een groot fragment paarsrode baksteen aan het licht (vnr. 3). Mogelijk is de baksteen gebruikt als fundering van de paal. Het formaat van e de steen doet een datering in de 15-eerste helft 16 e eeuw vermoeden (voor meer informatie zie § 3. 3). ,
In werkput 5 (104 m)2 zijn aan de noordoostzijde van de put drie greppels geregistreerd S 19 t/m 21 (zie afb. 12). Deze werden niet gecoupeerd. ,
Werkput 14 (109 m 2 groot) is tot op grote diepte ( > 1 m) verstoord over de volledige lengte van de werkput. De cultivator- of diepploegsporen werden ingemeten als S 997. ,
19
Afb. 11. Westprofiel werkput 14 met onder de verstoring de aanwezigheid van een lemige zandlaag die overgaat in zandige leem. ,
,
In werkput 15 (132 m)2 is de zuidwestelijke helft van de put verstoord op eenzelfde manier als werkput 14. In het hier aangelegde profiel is eveneens een leemlaag (S 6000) geregistreerd. De noordoostelijke helft van de put is niet verstoord en betreft een bodem met podzolprofiel. Beide aanwezige sporen greppel S 41 en paalspoor S 42 werden gecoupeerd. Greppel S 41 heeft een beperkte restdiepte (12 cm) paalspoor S 42 heeft een spitse vorm en is scherp afgelijnd (zie afb. 12). S 42 is 28 cm diep. Beide sporen hebben een gelijkaardig uitzicht wat doet vermoeden dat ze in dezelfde periode dateren. ,
,
,
,
Afb. 12. Werkput 15 paalkuil S 42 in doorsnede. ,
Werkput 16 (117 m)2 is verstoord door ploegwerkzaamheden. In een deel van de put gaat de verstoring tot op behoorlijke diepte. Aan de noordoostzijde is nog een deel van de podzolbodem bewaard gebleven. Er zijn geen sporen aanwezig.
20
Werkput 17 (90 m?) op de overgang
is de laatste
naar
Zitpz
een
laagte.
werkput in de noordoostelijke zone. Er zijn geen sporen aanwezig.
(geanonimise rd) (geanonimise rd)
L
p
L
r
podzolbodem
een
2
LL,
37840
Het betreft
17 Jp
8
6
Sr
4
5
P 4
put2
KU
«
/3°
putt
SOG
Ce
d
37830
4
P\
{_put16
Lans
T
N so07 |
S998
Em
put14
seo
0
8
16
24
m
32
© ADC 2022
Afb.
L
L
L
210160
210200
210240
13. Uitsnede
van
de
noordoostelijke
zone
van
het
proefsleuvenonderzoek.
Interpretatie In de noordoostelijke zone van het onderzoeksgebied hebben de meeste werkputten een podzolbodem. In enkele werkputten werd onderin het profiel een zandige leemlaag (S 6000) geregistreerd, die ook al tijdens het booronderzoek is opgemerkt. Verscheidene werkputten bevatten antropogene sporen, al is de spoordichtheid eerder laag. Naast greppels zijn enkele paalkuilen en kuilen geregistreerd. De restdiepte en conservering van de grondsporen is wisselend
21
is gemiddeld tot goed te noemen. In de werkputten 14 t/m 16 is sprake van een aanzienlijke verstoring tot ruim een meter diep. Verder valt het met de verstoringen wel mee in deze zone. De geregistreerde grondsporen liggen verspreid over de noordoostelijke zone van het onderzoeksgebied. Er is niet echt sprake van een concentratie of een vindplaats. De meeste sporen met name de greppels lijken gerelateerd te zijn aan een voormalige landindeling. Zo is op de kadastrale minuut te zien dat een aantal greppels overeenkomen met of parallel liggen aan perceelgrenzen (zie afb. 14). maar
,
,
,
Vondstmateriaal is schaars. De vondsten die konden gedateerd worden hebben een datering in de Late Middeleeuwen of het begin van de Nieuwe tijd zoals een aardewerkscherf uit greppel S 3. 8 e (datering: 13-15 e eeuw) of een baksteenfragment uit paalspoor S 4. 18 (datering 15-eerste helft 16 e eeuw). ,
Afb. 14. De onderzoeksresultaten (noordoostelijke zone) geplot op het kadastrale minuutplan.
3. 2. 3
Zone zuidwest
Overzicht werkputten Werkput 6 (121 m 2 groot) ligt op de overgang naar een laagte. In de put werden twee elkaar snijdende greppels aangesneden (S 22 en S 23) aan de noordoostkant van de werkput. Om meer duidelijkheid te krijgen werd de werkput uitgebreid. De uitbreiding leverde naast een verderzetting van de greppels nog drie paalsporen op (S 43 t/m 45). Beide greppels werden gecoupeerd. In greppel S 22 konden drie vullingen onderscheiden worden. Er wordt niet uitgesloten dat hier twee greppels over elkaar heen liggen (zie afb. 15 en 16). De greppel heeft een restdiepte van 45 cm. Greppel S 23 is 30 cm diep. Van de paalsporen werd S 44 gecoupeerd. Dit paalspoor heeft een grijze opvulling en een restdiepte van 20 cm. ,
22
Afb. 15. Werkput 6 (met uitbreiding) na aanleg vlak.
Afb. 16. Werkput 6 greppel S 22 in doorsnede. ,
In greppel S 22 zijn verscheidene vondsten aangetroffen (vnr. 5). Vermeldenswaardig is een blokvormige natuursteen met een glad oppervlak. Verder zijn meerdere aardewerkfragmenten ingezameld. Het betreft naast roodbakkend aardewerk nog steengoed met oppervlaktebehandeling en een bodemfragment van een majolica bord met versiering. Het ensemble heeft een datering in de 17 e eeuw. ,
Werkput 7 (118 m)2 ligt in een laagte. Er zijn geen sporen aanwezig. In het profiel en aan de zuidwestrand van het vlak is een veenlaag (S 5100) aanwezig. Uit het plaggendek (S 2000) kon een aardewerkscherf worden verzameld (vnr. 4). Het gaat om een Westerwaldscherf met oppervlaktebehandeling. De aardewerkscherf wordt in de 17 e eeuw gedateerd. ,
Werkput 8 (117 m)2 beschikt over een podzolbodem en ligt op de overgang naar een laagte. Er zijn buiten een recente verstoring (S 999) aan de zuidwestkant en enkele natuurlijke verstoringen (S 998) geen sporen geregistreerd. ,
Werkput 9 (106 m)2 bevat een recente vergraving aan de noordoostzijde van de put. De werkput ligt in een laagte. De aanwezige veenlaag is dikker dan in werkput 7. Er zijn geen sporen aangetroffen in deze werkput. Werkput 10 is met 204 m 2 ruimschoots de grootste werkput van het onderzoek. De werkput is net als de overige putten in deze zone laaggelegen. Aan de noordoostzijde van de werkput is nog een podzolbodem aanwezig en zijn enkele sporen geregistreerd: verscheidene paalsporen (S 24 t/m 26) en een brede greppel met ronding (S 27). Al deze sporen hebben een gelijkaardige opvulling en ,
,
,
23
worden door de aanwezigheid aangeduid (zie onder). ,
recent uitziende mortel en een brokje cement als recent
van
,
In het centrale en zuidwestelijke deel van de werkput is veen in het profiel en ook deels in het vlak aanwezig. Paalkuil S 25 werd gecoupeerd. De paalkuil is 15 cm diep heeft een zeer donkergrijze opvulling en doet recent aan. Niet alleen vanwege het uizicht ook vanwege de kalkmortel en het kleine brokje cement dat er in zit. Aangenomen wordt dat de overige sporen in werkput 10 een vergelijkbare (recente) ouderdom hebben. ,
,
Werkput 11 (90 m)2 werd enigszins ingekort vanwege de aanwezigheid van een grote zandhoop met daarin een nest wilde (?) bijen die zeer actief waren. De werkput is laaggelegen met aan de noordoostzijde een veenlaag in het profiel. In werkput 11 zijn geen sporen aangetroffen. ,
,
Ook werkput 12 (166 m)2 ligt aan de rand van een laagte. Op het iets hoger gelegen deel zijn twee parallelle greppels (S 28 en S 29) en aan de rand van de werkput twee greppels (S 38 en S 39) geregistreerd met er tussenin een hoeveelheid mogelijke paalsporen (zie afb. 17). Enkele mogelijke grondsporen werden opgeschaafd. Vaak ging het hierbij om onderkantjes van de bovenliggende horizont (S 7000). Bij twijfel werd wel een spoornummer uitgedeeld. Na couperen bleek er een spitspoor bij te zijn (S 33 met een restdiepte van 9 cm) een natuurlijke verstoring (S 35) en een paalkuil met een restdiepte van 25 cm (S 32 zie afb. 18). In greppel S 12. 38 is een aardewerkfragment gevonden. Het betreft steengoed met oppervlaktee e behandeling met een datering in de 14-16 eeuw. ,
,
,
,
,
Afb. 17. Mogelijke paalsporen centraal in werkput 12.
Afb. 18. Werkput 12 S 38 in doorsnede. ,
24
Werkput 13 is de laatste werkput die in de zuidwestelijke zone is aangelegd. In werkput 13 (98 m?) zijn naast enkele natuurlijke verstoringen (S 998) vooral recente verstoringen (S 999) aanwezig (zie afb. 19). De werkput heeft een A-C profiel. Eén greppel (S 40) werd gecoupeerd. Deze had een beperkte restdiepte (3 cm) en een vlakke bodem. T
T
Je *
Ee S
8
SL 3
El
5
d
4
/
4
io 4
dd
N
/
8 En IJ
S998
En 0
10
20
30
40
m
(geanonimise rd)
44
22)
DK
{
\23 W
fan) /
d
© ADC i
8
Aas
jen
2022
i
210050
210100
A
39
\
_\
37
Ki
35
/
«998
A A 5
30
34
Q
/
dd
dd
29
Afb.
/
C >
19. Uitsnede
van
de
zuidwestelijke
zone
van
het
proefsleuvenonderzoek.
Interpretatie In de zuidwestelijke zone van het onderzoeksgebied is sprake van een lager gelegen terrein, waarbij in heel wat werkputten een veenlaag aanwezig is in het profiel. Op de hogere delen zijn grondsporen geregistreerd. De sporencluster in werkput 12 is twijfelachtig, aangezien heel wat sporen/vlekken het restant zijn van de bovenliggende laag. Mogelijk zijn er ook enkele spitsporen bij.
25
Over het algemeen is de spoordichtheid in de zuidwestelijke zone laag. Naast een hoeveelheid greppels zijn ook enkele paalkuilen gedocumenteerd. De restdiepte en conservering van de grondsporen is wisselend. In verscheidene werkputten is sprake van verstoringen enkel in werkput 13 zijn deze aanzienlijk te noemen. De antropogene sporen liggen verspreid over de zuidwestelijke zone. Er is niet echt sprake van een concentratie of een vindplaats. Enkele greppels kunnen geïnterpreteerd worden als kavelgreppels. Zo is op de kadastrale minuut te zien dat een aantal greppels overeenkomen met of parallel liggen aan perceelgrenzen (zie afb. 20) net zoals in het noordoostelijke deel het geval is. De greppels kunnen gerelateerd worden aan een oude landindeling. ,
,
Vondstmateriaal is schaars. De vondsten die konden gedateerd worden hebben een datering in de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd zoals het aardewerk uit greppel S 6. 22 (datering: 17 e eeuw) een fragment Westerwald in S 7. 2000 (17 e eeuw) en het fragment steengoed uit greppel S 12. 38 e e (14-16 eeuw). ,
Afb. 20. De zuidwestelijke zone geplot op het kadastrale minuutplan.
,
26
3.3
Vondstmateriaal
3.3.1
Algemeen Tijdens het onderzoek zijn zes vondstnummers uitgedeeld (zie tabel 3). De hoeveelheid aangetroffen vondsten is beperkt te noemen. Naast twaalf aardewerkscherven zijn vijf stuks bouwmateriaal verzameld en zes stuks natuursteen. De vondsten zijn voornamelijk afkomstig greppels. Tabel 3.
Vondsten
uit
Venlo, Hakkesstraat-
Hendrikkenhofstraat.
OPGR_ID
Vnr
Put
Vlak
Spoor
Vulling
VENO-21
1
3
1
8
1
VENO-21
2
4
1
16
1
VENO-21
3
4
1
18
1
VENO-21
4
7
1
2000
sl
VENO-21
5
6
1
22
sl
VENO-21
6
12
1
38
1
3.3.2
Vak
Aardewerk
(geanonimiseerd) Tijdens
het
proefsleuvenonderzoek zijn 12 fragmenten gedraaid aardewerk uit de Late en Nieuwe tijd aangetroffen. Ze zijn afkomstig uit drie sporen en een laag. De vondsten uit laag S 7.2000 (vnr. 4) en spoor S 6.22 (vnr. 5) dateren in de 17° eeuw, mogelijk allemaal in de eerste helft van de 17° eeuw. Het gaat om twee fragmenten steengoed met oppervlaktebehandeling, zeven scherven roodbakkend aardewerk en een bodemfragment van majolica bord. Het bord is in blauw (kobaltoxide) versierd met een Chinees decor. Middeleeuwen
De vondsten uit S 3.8
(vr. 6) zijn iets ouder. In greppel S 3.8 was een fragment vlekkerig lichtgeel loodglazuur aanwezig. Deze scherf dateert vermoedelijk in de periode 1200-1500. In greppel S 12.38 is een fragment steengoed met oppervlaktebehandeling gevonden. Dit fragment heeft een zoutglazuur met ijzerengobe en is waarschijnlijk afkomstig uit Raeren. Het dateert in de periode 1350-1550. witbakkend
3.3.3
(vnr. 1) en
een
Maaslands aardewerk
Natuursteen
en
S 12.38 met
een
bouwmateriaal
(geanonimiseerd) Natuursteen
Bij het proefsleuvenonderzoek zijn zes
stuks natuursteen aangetroffen, samen 2,5 kg, en vijf stuks bouwmateriaal, samen 1,3 kg. Het merendeel van de vondsten is afkomstig uit greppels in werkputten 4 en 6. Hoewel het weinige natuursteen vooral als afval gezien kan worden, zegt het wel iets over het natuursteengebruik in de Late Middeleeuwen/Vroege Nieuwe tijd. Twee, mogelijk drie stenen vallen onder het bouwmateriaal, de overige drie zijn groot en zullen zeker ook gebruikt zijn. De vier grootste bestaan uit fluviatiele zwerfstenen. Daarvan is een blokvormige Revinien kwartsiet mogelijk toegepast als kassei (vnr. 5, afb. 21).'° De complete afmetingen bedragen 9,2 x 7 x 6,2 cm en het oppervlak bezit de gladding van een belopen steen. Aardewerk keramische
uit hetzelfde vondstnummer dateert tussen
$
Var 5:
greppel
S6.22.
1600
en
1650.
27
5.001
Leno
Afb.
21.
Mogelijke kassei van
kwartsiet
In hetzelfde vondstnummer is steen
Sem
klein brok harde, donker
een
zeker op enig moment kalkhoudende leemmortel
toegepast aanwezig.
was
resten
onder het bouwmateriaal
(vnr. 5).
(vnr. 1). Het
grijsbruine
schalie verzameld. Deze
als bouwmateriaal: op vijf van de zes vlakken zijn nog Ook een kleine scherfje groene Fumay-daklei valt
is slechts 3 cm
groot
en
de dikte
van
2,5
mm
is incompleet,
op één breed vlak vallen nog de sporen van veroudering op het dak te herkennen. Het kleine fragment komt uit spoor S 3.8; aardewerk uit hetzelfde vondstnummer dateert tussen 1200 en maar
1500.
De resterende drie
grote stenen zijn samen aangetroffen in greppel S 4.16 (vnr. 2). Het zijn fragmenten (verschillende) kwartsitische zandstenen, hoewel de breukvlakken niet al te scherp zijn. Ze zijn tussen 8,5 en 16 cm groot. alle drie
van
Keramisch Het
bouwmateriaal
keramisch bouwmateriaal
middenfragment afkomstig
bestaat
uit een
volledig
paalkuil;
uit
fragmenten
baksteen.
het is een paarsrode,
Daarvan
vrij zandige
is één fors
handvorm
baksteen
3).®
met nog een complete breedte van 11 cm en een complete dikte van 6 cm (vnr. Mogelijk is de baksteen gebruikt als fundering van de paal. De breedte en dikte hoort bij een formaat dat in Den Bosch
in de 15°
16°
eeuw
De
overige
komen
en
de eerste helft van de 16°
bakstenen
twee vondsten
met
een
dikte
van
eeuw
6 cm
is
toegepast.’ Vanaf de tweede helft
daar niet
meer
van
de
voor.
gebarsten brokken van te hard gebakken baksteen. Ze zijn grillige, samengetrokken poriën. Complete afmetingen zijn niet aanwezig. De grootste fragmenten zijn verzameld in vnr. 2 en daarvan meet de grootste 10,5 em; een klein brokje komt uit vnr. 18 Mogelijk zijn dit fragmenten ovenafval. roodbakkend
1
Vr
1
Janssen
%
Vnr 1:
3:
ook drie
en
bestaan uit
deels verklinkerd met
paalkuil 54.18.
gn
0
(geanonimiseerd) 1988.
S3.8; in
ditzelfde vondstnummer
grote fragmenten
van
zwerfstenen
is ook
het
scherfje
verzameld.
daklei
verzameld;
vnr.
2:
greppel S 4.16;
in dit vondstnummer
zijn
®
28
4
Synthese 4.1
Algemeen van heeft (geanonimiseerd) in november 2021 (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) GN ON
In opdracht
een
proefsleuvenonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat. In het plangebied zal woningbouw en een herdenkingsplaats worden gerealiseerd, waarbij het volledige plangebied zal worden heringericht. Het gedeelte van het plangebied dat in het verleden is bebouwd geweest, viel buiten het kader van onderhavig onderzoek. Het
onderzoeksgebied is circa 2,3 ha groot en ligt in de bebouwde kom van Venlo. Voor het gebied gold een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de perioden Paleolithicum tot Nieuwe tijd. In totaal zijn tijdens het archeologisch onderzoek 17 proefsleuven gegraven, waarbij werkput 6 werd uitgebreid met een kijkvenster om meer inzicht te krijgen in de aangetroffen sporen. De totaal onderzochte oppervlakte bedraagt 2.047 m?. De proefsleuven liggen in een verspringend grid, in twee clusters. Werkputten 1 t/m 5 en 14 t/m 17 liggen in de noordoostelijke zone en werkputten 6 t/m 13 liggen in de zuidwestelijke zone van het onderzoeksgebied. Naast recente (S 999), natuurlijke (S 998) en landbouwgerelateerde (S 997) verstoringen werden 45 grondsporen geregistreerd: 21 greppels, twee kuilen, 20 mogelijke paalkuilen en een spitspoor. Bij het couperen werd ook één spoor als natuurlijk geïnterpreteerd. De restdiepte en conservering van de grondsporen is wisselend maar is over het algemeen matig tot goed te noemen. Er is sprake
van
een
afgetopt profiel in het onderzoeksgebied.
Er
lijkt circa 20
cm
verdwenen te
zijn
voormalige bodemopbouw. In de noordoostelijke zone van het onderzoeksgebied is veelal sprake van een podzolbodem. Onderin enkele profielen, met name in werkputten 2, 14 en 15, werd van
de
zandige leemlaag geregistreerd (S 6000), waarvan ook tijdens het booronderzoek al melding gemaakt. Werkputten 14 t/m 16 zijn aanzienlijk verstoord, circa 1 1,5 m onder maaiveld. Verder zijn de verstoringen plaatselijk. De zuidwestelijke zone van het onderzoeksgebied is eerder laaggelegen, waarbij in heel wat werkputten een veenlaag (S 5100) is geregistreerd. Op de hogere delen zijn sporen aanwezig. Voor wat betreft verstoringen in de zuidwestelijke zone: daar is in verscheidene proefsleuven sprake van, al gaat het steeds om beperkte en plaatselijke verstoringen. In werkput 13 liggen de meeste verstoringen. een
werd
-
onderzoeksgebied is laag. De sporen die zijn aangetroffen liggen onderzoeksgebied. Er is niet echt sprake van een spoorconcentratie. De aan paalsporen in werkput 12, tussen enkele greppels in, is twijfelachtig. Vermoed wordt clustering dat tussen de aangekraste sporen heel wat natuurlijke vlekken en spitsporen zitten. Heel wat van de opgeschaafde mogelijke sporen in de betreffende zone bleken tijdens de aanleg van het vlak niet meer te zijn dan het restant van de bovenliggende laag. De spoordichtheid in het
verspreid
Tijdens
over
het
het onderzoek
zijn zes vondstnummers uitgedeeld. Vondstmateriaal is schaars. Het afkomstig uit greppels (S 3.8; S 4.16; S 6.22 en S 12.38), een paalspoor (S 4.18) en uit het plaggendek (S 7.2000). De vondsten die konden gedateerd worden hebben een datering in de Late Middeleeuwen en de eerste helft van de Nieuwe tijd. Vermeldenswaardig is een blokvormige natuursteen waarbij het oppervlak de gladding van een belopen steen vertoont (var. 5). Mogelijk betreft het een steen van een natuurstenen straatje. vondstmateriaal is
Vermoed tot de
17°
wordt dat nagenoeg alle sporen in dezelfde periode te dateren eeuw, en deze mogelijk te relateren zijn aan de ontginning en
zijn, grofweg van de 15° ingebruikname van het
gebied. De meeste greppels maken deel uit van een oude landindeling en worden als kavelgreppels geïnterpreteerd. Er is niet echt sprake van een vindplaats. Gezien de onderzoeksresultaten heeft (geanonimiseerd) na afronding van het veldwerk, bij de MN communicatie omtrent het wel of niet opstellen van een evaluatieverslag (d.d. 08-11-21) reeds aangegeven het terrein te zullen vrijgeven voor verdere ontwikkeling.
29
4. 2
Beantwoording van de onderzoeksvragen
Algemeen 1. Wat is de aard diepteligging datering samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal) (inhoudelijke kwaliteit)? In het onderzoeksgebied zijn een beperkt aantal sporen geregistreerd. Naast recente (S 999) natuurlijke (S 998) en landbouwgerelateerde (S 997) verstoringen gaat het om 21 greppels twee kuilen 20 mogelijke paalkuilen en een spitspoor. De meeste greppels worden als kavelgreppels geïnterpreteerd. De sporen liggen verspreid over de sleuven en het terrein. Er is niet echt sprake van een vindplaats. De sporen lijken voor het merendeel in de Late Middeleeuwen en de eerste helft van de Nieuwe tijd te dateren. Vermoedelijk is dit de periode van het in cultuur brengen van het betreffende gebied. ,
,
,
,
,
,
,
2.
Wat is de gaafheid en conservering van grondsporen structuren en vondstconcentraties (fysieke kwaliteit)? De restdiepte en conservering van de aanwezige sporen is wisselend en is over het algemeen matig tot goed te noemen maar eerder matig. De sporen zijn duidelijk al te lijnen zowel in het vlak als in doorsnede. Van vondstconcentraties is geen sprake vondstmateriaal is schaars. Structuren zijn niet aangetroffen. ,
,
,
,
3.
Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er (bijvoorbeeld) sprake van: aantoonbare afwezigheid van bewoning en/of actief landgebruik verstoring van antropogene aard beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? Niet echt van toepassing. In het onderzoeksgebied is sprake van recente verstoringen en vergravingen. Deze zijn over het ganse onderzoeksgebied aanwezig maar zijn vooral in de noordoostelijke zone in de werkputten 14 t/m 16 nadrukkelijk aanwezig. De verstoringen hebben nauwelijks invloed op de waardering van het terrein. De geregistreerde sporen zijn namelijk niet van die aard dat sprake is van een nederzetting of vindplaats. ,
,
,
,
,
,
4.
Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? Vermoed wordt dat de geregistreerde grondsporen te relateren zijn aan de ingebruikname van het terrein en er in de omgeving in het verleden een laatmiddeleeuwse tot nieuwetijdse boerderij moet aanwezig zijn geweest. Hiervoor zijn echter te weinig gegevens beschikbaar om met zekerheid een uitspraak over te doen. De in het onderzoeksgebied geregistreerde sporen zijn onvoldoende om van een vindplaats te spreken. De meeste in het onderzoeksgebied geregistreerde greppels maken deel uit van een voormalig landindelingssysteem en worden geïnterpreteerd als kavelgreppels. 5.
Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Venlo aanscherpen? Niet van toepassing. De aangetroffen sporen zijn niet van die aard dat ze aan een nederzetting toebehoren. Er is geen sprake van een vindplaats. 6.
Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot een verderzetting van het archeologisch onderzoek. Het plangebied kan vrijgegeven worden voor verdere ontwikkeling. Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische resten te worden omgegaan? Indien bij de graafwerkzaamheden een toevalsvondst wordt aangetroffen dient deze krachtens de Erfgoedwet te worden gemeld aan de betreffende instanties. Het doel van de meldingsplicht is dat er zo veel mogelijk kennis over de bodem ontstaat. 7.
,
30
Periode en sites 8. Welke en hoeveel sites zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? Niet van toepassing. De aangetroffen sporen zijn niet van die aard dat ze aan een nederzetting of een vindplaats toebehoren. De sporen lijken voor het merendeel in de Late Middeleeuwen en de eerste helft van de Nieuwe tijd te dateren. Vermoedelijk is dit de periode van het in cultuur brengen van het betreffende gebied. Mogelijk betekent dit dat er in de nabijheid van het onderzoeksgebied een laatmiddeleeuwse of vroegnieuwetijdse boerderij aanwezig is geweest. 9.
Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: de ligging (inclusief diepteligging) de geologische en/of bodemkundige eenheid de omvang (inclusief verticale dimensies) het type en de functie van de sites of off-site patronen de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? Er is geen sprake van een vindplaats in het onderzoeksgebied. De sporen die wel aanwezig zijn een hoeveelheid greppels kuilen paalkuilen en een spitspoor zijn aangetroffen in de top van de Chorizont. Op basis van het schaars aangetroffen vondstmateriaal lijken de sporen voor het merendeel in de Late Middeleeuwen en de eerste helft van de Nieuwe tijd te dateren. Bodemkundig gezien is sprake van een podzolbodem. De zuidwestelijke zone is laaggelegen waarbij in de meeste werkputten een veenlaag werd geregistreerd. ,
,
,
,
,
10. Wat is indien aanwezig: de ouderdom van de cultuurlaag de vondst- en spoordichtheid de stratigrafie voor zover aanwezig de ouderdom periodisering typechronologische classificatie? In slechts één profielkolom kwam een aardewerkscherf aan het licht in de aanwezige cultuurlaag. Het Westerwaldfragment wordt in de 17 e eeuw gedateerd. De vondst- en spoordichtheid in het gebied is laag te noemen. De stratigrafie is wisselend. Over het algemeen is sprake van een bouwvoor met daaronder een plaggendek en een podzolbodem. De zuidwestelijke zone is lager gelegen. Voor een meer compleet beeld van de bodemopbouw wordt verwezen naar hoofdstuk 3. ,
,
,
11. Wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? Niet van toepassing. Er is in wezen geen sprake van een vindplaats in het onderzoeksgebied. Landschap en bodem 12. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? Het plangebied kent over het algemeen een podzolprofiel met daarop een humeuze bouwvoor. Deels is deze podzol afgetopt en wordt de bouwvoor direct op de B-horizont aangetroffen. in het zuidwestelijk deel heeft zich in een depressie veen kunnen vormen. Onder dit veenpakket heeft de podzol zich minder sterk ontwikkeld. 13. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten d. w. z. erosie of nondepositie in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? De top van het oorspronkelijke oppervlak is niet overal meer aanwezig en opgenomen in de humeuze bovengrond. Het profiel is verstoord tot in de B-horizont en deels de B/C-horizont enkel in het centrale deel van het onderzoeksgebied is nog een intact bodemprofiel aanwezig. Dit geeft aan dat er circa 10 cm profiel is afgetopt. Werkputten 14 t/m 16 zijn aanzienlijk verstoord tot circa 15 m beneden het maaiveld. Verder zijn de verstoringen plaatselijk. Het is onwaarschijnlijk dat de aftopping de oorzaak is van het lage sporenaantal. Zeker weten zullen we dit echter nooit. ,
,
,
.
,
,
31
14. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het onderzoeksgebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? Het onderzoeksgebied is deels laaggelegen met een veenlaag en een vrij hoge grondwaterstand. Dergelijke omstandigheden zijn meestal wel geschikt voor bemonstering. Echter in het onderzoeksgebied is geen vindplaats aanwezig. De sporen die zijn aangetroffen zijn vermoedelijk te relateren aan het in cultuur brengen van het gebied. Geschikte locaties voor eventuele pollenanalyse zijn daarom ook niet relevant. ,
,
15. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? Niet van toepassing. Zie vraag 14. Vraagstelling specialistisch onderzoek 16. Is de vindplaats geschikt voor archeobotanisch archeozoölogisch fysisch-antropologisch fysisch-geografisch geofysisch en dateringsonderzoek? In het onderzoeksgebied is geen vindplaats aanwezig. Vervolgonderzoek is daarom niet meer noodzakelijk. Onderzoeksvraag 16 is niet van toepassing. ,
,
,
,
32
5 Waardering en selectieadvies 5. 1
Waardering van de vindplaats
De waardestelling zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1 specificatie VS06) gebeurt op drie niveaus: belevingswaarde (indien bovengronds zichtbaar) fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. De eerste is niet van toepassing omdat de eventuele vindplaats niet bovengronds zichtbaar is. Alleen de laatste twee niveaus zijn mogelijk van toepassing. De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gebaseerd op haar conservering en gaafheid. De conservering geeft aan de mate waarin het archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven de gaafheid in hoeverre de vindplaats nog compleet is. De beoordeling is voor zowel gaafheid als conservering: drie punten voor hoge twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit. ,