CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

525110 RB Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026.pdf

Raadsvergadering 25 februari 2026, gemeente VenloBij agendapunt: 4.3: Verordening WMO en Jeugd (525110)21.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

In het eerste lid wordt verwezen naar wettelijke bepalingen over het terugvorderen van maatwerkvoorzieningen en pgb’s, en onder bijzondere omstandigheden de geldwaarde daarvan. Om de Wmo 2015 en de Jeugdwet ten aanzien van het vorderen van kosten te onderscheiden betreft Artikel 11, lid 1 sub b de Jeugdwet (artikel 8.1.4) die geldt voor pgb's en artikel 11, lid 1 sub a de Wmo 2015 (artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4) die geldt voor maatwerkvoorzieningen en pgb's. Dit zijn regels voor het verhaal van kosten en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. De geldwaarde mag alleen worden teruggevorderd indien er sprake is van opzettelijke verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door betrokkene. Ten aanzien van de Jeugdwet geldt eveneens de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de Memorie van Toelichting op artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het tweede lid is opgenomen dat college de bevoegdheid heeft tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte maatwerkvoorzieningen. Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een maatwerkvoorziening inkoopt op basis van de behoefte op dat moment. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen maatwerkvoorziening is ingekocht, heeft het college op grond van het tweede lid de bevoegdheid om de beslissing geheel 525110

44

Raadsbesluit

of gedeeltelijk in te trekken. Voor de tegemoetkoming aanvullende meerkosten (artikel 12) geldt dit niet aangezien deze tegemoetkoming niet aan de definitie van een pgb voldoet. In het vierde lid worden intrekkingsmogelijkheden van een pgb benoemd, daar dit is geen limitatief overzicht. Daarom is in het vijfde lid voorzien in een delegatiebepaling zodat het college dit waar nodig kan aanvullen om een completer beeld te geven van de intrekkingsmogelijkheden. Artikel 16. Controle en heronderzoek Dit artikel sluit nauw aan op artikel 13 omdat dit enkele specifieke bepalingen bevat over het bestrijden van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen of oneigenlijk gebruik van de wetgeving. Er worden in artikel 13 enkele mogelijkheden gecreëerd voor het college om onderzoek te doen naar het behalen van de resultaten in het leefzorgplan zoals geformuleerd in het eerste lid onder a. Dat is een vorm van nazorg richting betrokkene maar dient ook als monitoring van de in het leefzorgplan afgesproken resultaten. Een onderzoek zoals omschreven in dit artikel kan aanleiding zijn om een eerdere beslissing te heroverwegen omdat die niet (meer) passend is of er een andere (maatwerk)voorziening nodig is zoals uitgewerkt in het tweede en vierde lid. Het derde lid heeft betrekking op een herbeoordeling in geval van beleidswijzigingen bijvoorbeeld van te verstrekken maatwerkvoorzieningen.

Het vijfde lid geeft het college in het bijzonder opdracht om onder andere de procedure voor verantwoording van een pgb nader uit te werken. Hierin is flexibiliteit nodig omdat de invoering van het trekkingsrecht voor pgb’s vraagt om maatwerk. De Sociale Verzekeringsbank voert de financiële controle op pgb’s uitvoeren, en afhankelijk van de resultaten kan het nodig zijn om tussentijds bij te sturen om te bepalen welke aanvullende controle door het college noodzakelijk is. Tenslotte gaat het zesde lid over het betrekken van huisgenoten bij een onderzoek of een heronderzoek. Dat kan alleen wanneer dat voor de beoordeling van de situatie redelijkerwijs noodzakelijk is Artikel 17. Jaarlijks waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een betrokkene als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan.

Het gaat dus ook om mantelzorgers van inwoners die een ondersteuningsvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de betrokkene voor wie wordt gezorgd bepalend, die 525110

45

Raadsbesluit

moet in de gemeente Venlo wonen, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Het belang van mantelzorgers wordt onderstreept in het eerste lid, waarin is bepaald dat de blijk van waardering jaarlijks aan mantelzorgers wordt verstrekt. De raad geeft via het tweede lid het college op haar verzoek de ruimte om dit bij nadere regeling uit te werken. Dit schept ruimte om wanneer nodig de wijze van waardering te wijzigen indien er andere keuzes gewenst zijn. voor aanbieders Deze bepaling is een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De wetgever legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. Het Kabinet benadrukt in de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.

3), dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid is een algemene bepaling opgenomen. Bij verordening wordt aangehaakt bij de minimale wettelijke kwaliteitseisen en in de praktijk dienen ook bestaande kwaliteitsstandaarden te worden toegepast. Artikel 19. Bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen. In de Wmo is de bevoegdheid voor het college opgenomen om een toezichthouder aan te wijzen die belast is met toezicht op de naleving van de Wmo, waaronder ook toezicht op rechtmatigheid. De sociale recherche is voor de gemeente Venlo al aangewezen als toezichthouder rechtmatigheid Wmo. Voor het toezicht op de kwaliteit is door de Noord-Limburgse gemeenten gezamenlijk een toezichthouder aangesteld. Voor Beschermd Wonen wordt door de gemeenten van Noord en Midden-Limburg een toezichthouder aangesteld. In de Jeugdwet is het toezicht op de kwaliteit belegd bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; het toezicht op de rechtmatigheid is een bevoegdheid van de gemeente zelf.

In de Jeugdwet is niet vastgelegd hoe de gemeente het toezicht op rechtmatigheid moet vormgeven. Hierin heeft de gemeente beleidsvrijheid. Steeds meer gemeenten in het land wijzen daarvoor een

525110

46

Raadsbesluit

toezichthouder aan. De Awb geeft de mogelijkheid om een toezichthouder aan te wijzen, als dit is geregeld bij een wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb en verder). Inmiddels is in regionaal verband overeengekomen, dat deze taak belegd wordt bij de sociale recherche, die deze taken al uitvoert in het kader van de Participatiewet. Artikel 16 geeft het college de bevoegdheid om een toezichthouder rechtmatigheid Jeugdwet aan te wijzen. Bestrijding van misbruik en fraude begint natuurlijk met preventie: voorkómen dat misbruik of fraude wordt gepleegd. Belangrijk is, dat gebruikers van voorzieningen goed geïnformeerd worden over de rechten en plichten die daarmee samenhangen. Dit is in dit artikel ook nog eens nadrukkelijk geregeld. Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In dit artikel is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015. Dit artikel bepaalt dat het college bij nadere regeling eisen opstelt over het doen van meldingen van calamiteiten en geweld. Artikel 21.

Verhouding prijs en kwaliteit, levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015 door derden laten verrichten. Dit is in overeenstemming met artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet en artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo 2015. Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering of een voorziening in het kader van de Wmo 2015 gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015). Daarbij kan worden gedacht aan de deskundigheid van de beroepskrachten. Dit artikel sluit nu ook aan bij de AmvB reële prijzen Jeugdwet van 1 juli 2024. Er is verder voor een algemene bepaling gekozen gelet op omdat dit aansluit bij het proces van inkoop van de maatwerkvoorzieningen en de gedachte van een procesverordening. Dat maakt een delegatiebepaling nodig zodat het college bij nadere regeling nadere en aanvullende eisen kan opnemen die ook bij het aangaan van nieuwe contracten of subsidierelaties dienen te worden gehanteerd.

Daarbij kan worden gedacht aan criteria over bijvoorbeeld het benoemen van aard en omvang van te verrichten werkzaamheden, aandeel van overheadkosten, kosten voor bijscholing en eventuele extra werkzaamheden die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd. Uitgangspunt is hoe dan ook dat de aanbieder kundig personeel

525110

47

Raadsbesluit

inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. De werkzaamheden zullen moeten aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 22. Klachtenregeling De gemeente is al op grond van de Awb verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Er is al voorzien in een klachtenregeling voor de gemeente. Daarom is er in deze verordening geen (nieuwe) voorziening voor getroffen en kan worden volstaan met de bestaande gemeentelijke klachtenregeling. Dit artikel ziet op het behandelen van klachten door aanbieders van maatwerkvoorzieningen. Daaronder worden geacht te worden verstaan zowel aanbieders die via inkoop als via een subsidierelatie zijn gecontracteerd. Voor de klachtmogelijkheid tegenover aanbieders van jeugdhulp is overigens ook al een en ander geregeld in artikel 4.2.1 en verder van de Jeugdwet. Wanneer dit klachtrecht niet toereikend is, of niet logisch, dan dient te worden bezien of de gemeentelijke klachtenregeling van toepassing is. In de Wmo 2015 is in artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, een verplichting opgenomen dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners is vereist.

De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). Er wordt voor gekozen een klachtregeling bij deze verordening te beperken tot aanbieders van maatwerkvoorzieningen. Aanbieders van algemene voorzieningen kunnen ook vrijwilligersorganisaties zijn en geoordeeld kan worden dat het stellen van een eis van klachtafhandeling in dit geval erg verregaand is. Deze keuze laat onverlet dat algemene vereisten die de wet stelt aan aanbieders van algemene voorzieningen onverminderd van toepassing zijn. Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Dat dient onafhankelijk plaats te vinden zodat de belangen van betrokkene zo goed mogelijk gewaarborgd zijn. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In dit artikel wordt gesproken over een procedure. Het is aan de aanbieders in welke vorm (gezamenlijk, extern of anderszins) zij dit inregelen. Dit artikel heeft slechts betrekking op aanbieders van maatwerkvoorzieningen. Artikel 23.

Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen over inspraak en medezeggenschap gecombineerd. Inspraak heeft betrekking op het gemeentelijke beleid en medezeggenschap heeft betrekking op het (zorginhoudelijke) beleid dat aanbieders voeren. 525110

48

Raadsbesluit

Het eerste lid geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In dit lid wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het beleid voor zowel jeugdhulp als maatschappelijke ondersteuning. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Voor deze wettelijke vereisten rondom inspraak zijn de Inspraakverordening en de Inspraakverordening Sociaal Domein van de gemeente Venlo onverkort van toepassing. Deze laatste heeft betrekking op cliëntenparticipatie in de vorm van de Adviesraad Sociaal Domein Venlo. In het eerste lid kan daarom worden volstaan met een verwijzing naar artikel 150 van de Gemeentewet. Het is aan het college om invulling te geven aan de Gemeentewet, de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Participatiewet door alle doelgroepen vertegenwoordigd te laten zijn in dit adviesorgaan. Op die manier kunnen betrokkenen en hun vertegenwoordigers in een vroeg stadium adviseren over voorstellen voor het beleid en periodiek overleg voeren over het te voeren beleid.

Voorheen moesten aanbieders voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder al verwezenlijkt via de cliëntenraad. In de Wmo 2015 is in artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, opgenomen dat bij verordening moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van betrokkenen over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Daaraan wordt in het tweede lid uitvoering gegeven. In artikel 2.10 Jeugdwet (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid (inspraak en medezeggenschap), en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard voor de Jeugdwet. Wel zijn in artikel 4.2.4 en verder van de Jeugdwet aanvullende bepalingen opgenomen over het instellen van een cliëntenraad door gecertificeerde instellingen. De Wmo 2015 biedt gemeenten hierin meer vrijheid en kan eveneens bepalen voor welke instellingen dit geldt.

In het tweede lid is afstemming gezocht met artikel 4.2.4 tot en met 4.2.12 Jeugdwet, die bepalen dat medezeggenschap geldt voor aanbieders en gecertificeerde instellingen met in de regel meer dan tien personen in dienst. Op die manier wordt er geen verschil gemaakt tussen jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning. Het is aan de aanbieder om te bezien in welke vorm (gezamenlijk of anderszins) dit geregeld wordt mits zij het wettelijk kader volgen. Via deze bepaling worden de belangen van betrokkenen zo goed mogelijk ondervangen. Het tweede lid impliceert bovendien dat aanbieders met minder dan tien personen in dienst niet verplicht zijn om een regeling voor medezeggenschap te treffen. Dat is ter eigen beoordeling. Artikel 24. Nadere regels en hardheidsclausule 525110

49

Raadsbesluit

Hoewel in de verordening al diverse delegatiebepalingen zijn opgenomen, is uit het oogpunt van flexibiliteit toch nog een algemene delegatiebepaling opgenomen in het eerste lid. Het college zal er niet aan ontkomen, juist omdat het in de wetgeving om maatwerk gaat, om zelfs na een zorgvuldig gemaakte afweging alsnog te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Omdat het gaat om zeer persoonlijke beoordelingen is de verwachting dat dit beperkt voorkomt. Als desondanks toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule in het tweede lid een vangnet. Als hier te vaak een beroep op wordt gedaan verdient het aanbeveling om te bezien of het beleid alsnog moet worden aangepast. In de tussentijd heeft het college bovendien via het derde lid de mogelijkheid om, indien niets is geregeld bij verordening en hogere wet- en regelgeving, ter zake te beslissen. Artikel 25. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Het vierde lid regelt het overgangsrecht voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het tweede lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening.

In het derde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan, tenzij toepassing van deze verordening gunstiger is voor de bezwaarmaker. Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel De verordening treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 februari 2026.

De griffier

De voorzitter

ValidSigned by Etienne Franken on 25-02-2026

ValidSigned by Antoin Scholten on 26-02-2026

Etienne Franken

Antoin Scholten

525110

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/966/documents/24946