CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

525110 RB Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026.pdf

Commissie Sociaal 11 februari 2026, gemeente VenloBij agendapunt: 6.2: Verordening WMO en Jeugd (525110)21.223 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

GEMEENTEBESTUUR

Raadsbesluit onderwerp

ons kenmerk 525110

raadsvergadering d.d.

steller Maatschappelijke ondersteuning en Zorg telefoonnummer 14 077 contact www.venlo.nl/contact

Vaststellen Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026 Venlo

25 februari 2026

De raad van de gemeente Venlo; gelezen het voorstel van het college van 3 februari 2026, registratienummer 525110; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; besluit: Vast te stellen de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026 In te trekken de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2025 Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026 Intitulé Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanvraag: een verzoek tot het toekennen van een maatwerkvoorziening; b. acute opvang: opvangvoorziening voor spoedeisende gevallen waarbij het college onverwijld in afwachting van het onderzoek opvang ter beschikking stelt; c. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek is bedoeld voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; d. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning.

Hieronder worden in deze verordening tevens verstaan de overige voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.9 Jeugdwet; e. beschermd wonen:

525110

1

Raadsbesluit

I.

wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; én, II. de begeleiding wordt planbaar en onplanbaar (24 uur per dag) geboden op gevraagde en ongevraagde momenten, zodat er goed kan worden ingespeeld op de (al dan niet geëxpliceerde) zorgvraag van de cliënt; f. budgetbeheerder: degene die namens de budgethouder het persoonsgebonden budget beheert; g. budgetplan: plan van de budgethouder waarin vermeld staat welke ondersteuning wordt ingekocht en welke bedragen per zorgverlener wordt besteed. h. Inwoner: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt of door of namens wie een melding of aanvraag is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, Wmo 2015. Hieronder wordt in deze verordening tevens verstaan de jeugdige of ouder zoals opgenomen in artikel 1.1 Jeugdwet; i.

collectieve voorziening: een maatwerkvoorziening die collectief kan worden ingezet ten behoeve van personen die voor deze voorziening een indicatie hebben; j. eigen bijdrage: bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 onder b Wmo 2015; k. leefzorgplan: plan dat in overleg met de cliënt is opgesteld, dat de uitkomsten bevat van het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte. Dit leefzorgplan kan een aanvraag tot het toekennen van een maatwerkvoorziening bevatten; l. maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van (professionele) hulp, diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, beschermd wonen, opvang en andere maatregelen, in de vorm van zorg in natura of een persoonsgebonden budget, ten behoeve van te bereiken resultaten zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Hieronder worden in deze verordening tevens verstaan de individuele voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1 Jeugdwet; m. ondersteuningsvraag: I. een aanvraag voor hulp of ondersteuning van een jeugdige of zijn vertegenwoordiger(s) in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, lid 1, Jeugdwet, of II. een melding voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 1, Wmo 2015; n.

onderzoek: onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 4 Jeugdwet en 2.3.2 lid 4 Wmo; o. pgb: persoonsgebonden budget, zijnde een door het college ter beschikking gesteld bedrag waaruit betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren 525110

2

Raadsbesluit

p.

q. r. s. t. u.

en die een cliënt van derden heeft betrokken, als bedoeld in artikel 8.1.1 Jeugdwet en artikel 1.1.1 Wmo 2015; plan van aanpak: het plan van aanpak per cliënt dat in overleg tussen de zorgverlener en de inwoner is opgesteld waarin wordt aangegeven welke (maatschappelijke) ondersteuning wordt geboden om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan; sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt; sport: het beoefenen van een sport in verenigings- of clubverband dan wel individueel, niet zijnde professionele sportbeoefening; traject: een tijdsduur waarbinnen de inwoner ondersteuning ontvangt van de zorgverlener om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan; vaste bijdrage: bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 onder a Wmo 2015; winteropvang: een algemene voorziening voor opvang welke wordt opengesteld door de opvanginstelling zodra de koude- en/of winterregeling van kracht wordt.

Artikel 2. Aanbod algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. een maaltijdvoorziening die wordt aangeboden tijdens de dagbesteding b. open inloop c. nachtopvang d. collectief vrijwilligers vervoer (buurtbus) e. algemene voorzieningen in de sociale basis 2. De volgende maatwerkvoorzieningen Wmo zijn in ieder geval beschikbaar: a. Beschermd wonen b. Maatschappelijke opvang c. Traject volwassenen met een complexe en meervoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding) d. Traject volwassenen met een kortdurende en enkelvoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding) e. Traject volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag (individuele ondersteuning en dagbesteding) f. Traject volwassenen met ouderdomsproblematiek (individuele begeleiding en dagbesteding) g. Traject hulp bij het huishouden h. Logeren i. Hulpmiddelen j. Woningaanpassingen k. Collectief vraagafhankelijk vervoer 3. De volgende maatwerkvoorzieningen jeugd zijn in ieder geval beschikbaar: a. Opname vervangende behandeling en verblijf met behandeling b. Wonen: 525110

3

Raadsbesluit

i. Pleegzorg of Pleegzorg deeltijd ii. Gezinshuizen iii. Zelfstandig wonen training iv. Kleinschalige woongroepen v. Logeren c. Dagbesteding en dagbehandeling: i. Dagbesteding respijtzorg ii. Dagbesteding naschools ondersteunend iii. Dagbesteding naschools versterkend iv. Onderwijstoeleidende dagbesteding v. Onderwijstoeleidende dagbehandeling vi. Dagbehandeling vii. Ontwikkelgroep viii. Ontwikkelgroep Ernstig Meervoudige Beperking d. Ambulante hulp: i. Ambulante hulp A ii. Ambulante hulp B iii. Ambulante hulp C iv. S-GGZ v. Consultatie en medicatiecontrole psychiater vi. Jeugdhulp binnen de school – Begeleiding A vii. Jeugdhulp binnen de school – Begeleiding B viii. Ernstig Enkelvoudige Dyslexie e. Vervoer. 4. De volgende overige voorzieningen voor jeugdzorg zijn in ieder geval beschikbaar: a. Brede analyse HBO, WO of Diagnostiek GGZ; b. Integrale Crisishulp jeugd c. Jeugdbescherming d. Jeugdreclassering e. Jeugdzorgplus; f. Beschermd wonen (17+) Artikel 3. Voorliggende voorzieningen 1. Het college verstrekt geen voorzieningen voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning als er: a. met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; b.

naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, tenzij de uitzondering genoemd in artikel 1.2 lid 1 onder b van de Jeugdwet van toepassing is; of

525110

4

Raadsbesluit

c. gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de inwoner in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de inwoner of wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2. Als er sprake is van jeugdhulp waarbij er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel de vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen. 3. De inwoner dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. 4. Vormen van hulp waar gelet op lid 1 t/m 3 in elk geval geen maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet voor wordt verstrekt zijn omdat deze voorliggend of via andere wet- en regelgeving beschikbaar zijn: a. kinderopvang en buitenschoolse opvang; b. fysiotherapie, logopedie en ergotherapie; c. enkelvoudige vorm van vaktherapie, waarbij de vaktherapeut de enige direct behandelaar is; d.

complementaire zorg, bijvoorbeeld oosterse geneeswijzen, natuurgeneeskunde, emotioneel en fysiek lichaamswerk en hypnotherapie; e. medicatie; f. vrij toegankelijke trainingen, zoals weerbaarheidstrainingen of sociale vaardigheidstrainingen; g. Jongerenwerk; h. vrijetijdsactiviteiten, zoals mindfulness, kinderyoga, buitenactiviteiten, sport- kunst en cultuuractiviteiten; i. Ondersteunen bij het leefbaar maken van de woonsituatie, bij de organisatie van het huishouden, bij financiën en administratie, bij het (her)structureren van het dagelijks leven; j. ondersteunen en begeleidden bij sociale omgeving, scholing en werk, organiseren en begeleiden van (vrijetijd)activiteiten; k. ondersteunen bij ontmoeting, leggen van verbinding, vrijwilligerswerk en actief burgerschap; l. Uitvoeren groepsgewijze oudertraining aan de hand van gestructureerde bijeenkomsten; m. e-health waarbij geen direct clientcontact plaatsvindt, bijvoorbeeld in de vorm van workshopplatforms, chatbots, ai-hulp; n. Vormen van hulpverlening aan ouders die niet onder de Jeugdwet vallen, maar onder andere wet- en regelgeving, tenzij de veiligheid in het gezin in het geding is.

525110

5

Raadsbesluit

Artikel 4. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1. Het college stemt de jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning waaraan de inwoner behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a. in geval van jeugdhulp met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; b. in geval van maatschappelijke ondersteuning met de Jeugdwet c. de Leerplichtwet d. de Participatiewet e. de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; f. de Wet inburgering 2021; g. de Wet kinderopvang; h. de Wet langdurige zorg; i. de Wet passend onderwijs j. de Wet publieke gezondheid k. de Wet tijdelijk huisverbod l. de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en m. de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten 2. De afgestemde jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a. het opheffen van een situatie die voor een inwoner of dienst gezin of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b. stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c. een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een inwoner of diens gezin, voor zover dat binnen het vermogen ligt.3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning de volgende aspecten mee: a.

de behoefte aan hulp en ondersteuning van een inwoner of diens gezin; b. de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van een inwoner zoals bedoeld in artikel 8 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; c. welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meest effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; d. welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 3. Als een inwoner of diens wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een maatwerkvoorziening weigeren. 4. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijk kader als bedoelt in het eerste lid, is het college gehouden om:

525110

6

Raadsbesluit

a. Voor het achttienen levensjaar zodanige hulp en ondersteuning aan te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn: en b. De continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. c. Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorziening (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. Artikel 5. Toegang tot hulp en ondersteuning 1. Een ondersteuningsvraag wordt door of namens de inwoner schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal bij het college ingediend. 2. Indien de ondersteuningsvraag, zoals bedoeld in lid 1, een persoonlijke mondelinge of telefonische aanvraag betreft in de zin van de Jeugdwet, dan wordt deze op schrift gesteld. 3. De ontvangst van de ondersteuningsvraag, zoals bedoeld in lid 1, wordt schriftelijk of digitaal bevestigd. 4. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk zonder voorafgaande ondersteuningsvraag of onderzoek. Artikel 6. Onderzoek op basis van een ondersteuningsvraag 1. Het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van SKJ- of BIG-geregistreerde professionals.

Als specifieke deskundigheid vereist is, wordt een gedragswetenschapper en/of een (medisch) adviseur bij het onderzoek betrokken. 2. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 3. Bij een melding voor een maatwerkvoorziening vraagt het college een daartoe door hem aangewezen adviseur om advies, indien dat naar het oordeel van het college nodig is voor een zorgvuldige beoordeling. De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het onderzoek, aantoonbaar beschikken over: a. Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts; of b. Ergonomische kennis; of c. Bouwkundige/technische kennis; of d. Gedragswetenschappelijke kennis. 4. Een gesprek met de inwoner en indien van toepassing zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s) zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner, maakt deel uit van het onderzoek dat plaatsvindt naar aanleiding van een ondersteuningsvraag. Op

525110

7

Raadsbesluit

verzoek van de inwoner of diens vertegenwoordiger kan een derde deelnemen aan dit gesprek, indien hiertegen geen bezwaar bestaat. 5. In afwijking van lid 3 kan het college na het raadplegen van de inwoner of zijn vertegenwoordiger, indien daar aanleiding toe is, een gemotiveerde keuze maken om geen onderzoek uit te voeren. 6. De inwoner, en indien van toepassing zijn vertegenwoordiger, wordt tijdig, in elk geval tijdens het gesprek, geïnformeerd over de procedure en zijn rechten en plichten, zoals deze zijn vastgelegd in de Jeugdwet en de Wmo 2015. 7. Een weergave van het gesprek zoals bedoeld in lid 3 wordt, inclusief eventuele gemaakte afspraken, vastgelegd in het leefzorgplan. 8. Een inwoner of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college, door middel van een door de inwoner of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger ondertekend leefzorgplan als bedoeld in artikel 1. 9. Het college werkt bij nadere regeling met inachtneming van het bepaalde in de Jeugdwet en de Wmo 2015 verder uit op welke wijze wordt vastgesteld of een inwoner voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. 10. De uitvoeringstaken kunnen extern zijn belegd of de besluitvorming kan zijn gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders.

In die gevallen draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van individuele voorzieningen door deze partijen. Artikel 7. Toegang tot jeugdhulp niet via de gemeente 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. 2. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp-inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3. De in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde instellingen en functionarissen stellen het college in kennis van hun verwijzing naar een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2, derde lid. 4. De huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts kan alleen verwijzen naar een jeugdhulpaanbieder die een contract of subsidierelatie met de gemeente heeft.

Bij verwijzing naar een organisatie/partij/persoon die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, is de gemeente niet gehouden de jeugdhulp te vergoeden. 5. Bij een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts moet de jeugdhulpaanbieder, als en voor zover deze van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp nodig is, in contact treden met het college over de in te zetten jeugdhulp.

525110

8

Raadsbesluit

6. De verplichting in lid 5 is niet van toepassing wanneer er sprake is van spoedeisende gevallen of crisissituaties zoals bedoeld in artikel 7.2.6 Jeugdwet en artikel 2.3.3 Wmo 2015. 7. Het vijfde lid is ook van toepassing bij jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp-inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 8. Het college kan een protocol opstellen waarin voorwaarden worden opgenomen over de (afstemming over) door de jeugdhulpaanbieder in te zetten jeugdhulp en de daarmee te behalen doelen. 9. Uitvoering van de jeugdhulp als bedoeld in het zesde lid vindt plaats door een jeugdhulpaanbieder die een contract of subsidierelatie met de gemeente heeft. 10.

De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. 11. De jeugdhulpaanbieder voorkomt alle (schijn van) belangenverstrengeling rondom verwijzingen en hulpverlening. Daaronder worden in elk geval verstaan zelfverwijzingen en intercollegiale verwijzingen. De jeugdhulpaanbieder moet in die gevallen in contact treden met het college over de in te zetten jeugdhulp. Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens de inwoner ingediend bij het college. 2. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor zover de inwoner de problemen of beperkingen zoals omschreven in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet en artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015 niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht, en/of b. indien het een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo betreft, met gebruikelijke hulp, en/of met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, en/of met gebruikmaking van algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen. 3. Bij de beoordeling of de inwoner de problemen of beperkingen op eigen kracht of gebruikelijke hulp kan verminderen of wegnemen houdt het college rekening met: a.

de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten; b. de aard van de relatie tussen de inwoner en diens huisgenoten; c. de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner; d. de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij

525110

9

Raadsbesluit

diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; e. de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; f. overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de inwoner die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; g. een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet wordt niet verstrekt al naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag; h. tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de inwoner; i. tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten; a.

bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het vierde lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen worden in beginsel ieder geval geacht voldoende aanwezig te zijn als de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgave en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’, en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 2 van deze verordening; b. uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van: i. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; ii. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of iii. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

525110

10

Raadsbesluit

c. bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: i. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; ii. de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; iii. de planbaarheid van de hulp; iv. de benodigde ondersteuningsintensiteit; v. de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; vi. de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien. d. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het onderzoek naar (dreigende) overbelasting en de uitwerking daarvan. 4. Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.

Het college kan hiervan afwijken als dit naar het oordeel van het college wenselijk is in het kader van transformatie en innovatie. 5. Er is sprake van bewezen effectieve jeugdhulpvoorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 6. Bij vervoer als bedoeld in de Jeugdwet geldt als uitgangspunt dat de jeugdige en diens ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder met eigen vervoer of openbaar vervoer. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is kan er aanspraak worden gedaan op vervoersondersteuning. In dat geval gelden de volgende criteria: a. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. De vervoersvoorziening wordt in beginsel georganiseerd door de aanbieder waar de jeugdige gebruik maakt van jeugdhulp. b. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening.

525110

11

Raadsbesluit

c. Het college beoordeelt, overeenkomstig dit artikel 8, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 7. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp en wordt daarom niet als maatwerkvoorziening ingezet. In uitzonderlijke situaties, als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang enbuitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. 8. Een inwoner komt enkel in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor zover: a. hiermee naar het oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven, en b. het betreft een van de volgende voorzieningen: i. tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing; ii. een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is. 9.

Het leefzorgplan zoals genoemd in artikel 6, lid 6, wordt gebruikt ter motivering van het besluit op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 10. Als van een maatwerkvoorziening voor maatschappelijke ondersteuning meerdere varianten als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopste passende voorziening. 11. Een maatwerkvoorziening gericht op zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving kan worden toegekend in de vorm van zorg in natura, pgb of een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing van maximaal € 3.000. 12. Het college kan bij nadere regeling aanvullen op basis van welke criteria en te bereiken resultaten een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Artikel 9. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening 1. Er wordt in ieder geval geen maatwerkvoorziening verstrekt: a. indien de noodzaak tot een maatwerkvoorziening niet is vast te stellen doordat de inwoner niet of onvoldoende voldoet aan de wettelijke informatie- en medewerkingsverplichtingen waaronder artikel 2.3.2, lid 7, Wmo 2015 en artikel 8.1.2 van de Jeugdwet; b. wanneer er aan de zijde van de inwoner geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. 2. Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd: a.

indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10 eerste lid onderdeel a, d en e van de Wmo 2015 of artikel 8.1.4 eerste lid onderdeel a, d en 525110

12

Raadsbesluit

e van de Jeugdwet, dan wel indien voldoende aannemelijk is dat een dergelijke herzienings- of intrekkingsgrond zich voordoet dan wel op korte termijn zal voordoen; b. indien de noodzaak tot een maatwerkvoorziening niet is vast te stellen doordat de inwoner of diens huisgeno(o)t(en) niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen van deze verordening; c. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een maatwerkvoorziening die al eerder aan de inwoner is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling, de normale afschrijvingstermijn van de maatwerkvoorziening nog niet verstreken is en/of deze nog functioneel is, tenzij: i. de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, ii. de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de kosten, iii. de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan ondersteuning; d. indien de inwoner, met het oog op zijn eigen verantwoordelijkheid, over mogelijkheden beschikt om zelf voor een passende oplossing te zorgen; e. als de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud; f.

indien de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. g. als de aanvraag betrekking heeft op kosten of een voorziening die de inwoner voorafgaand aan de ondersteuningsvraag of tijdens het onderzoek naar de ondersteuningsvraag heeft geaccepteerd, gemaakt of gerealiseerd, tenzij het college vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend. 3. Een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie kan worden geweigerd indien: a. deze voorziening of de noodzaak daarvan voor de inwoner redelijkerwijs vermijdbaar was; b. deze voorziening redelijkerwijs voorzienbaar was, en van de inwoner redelijkerwijs verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag overbodig had gemaakt. 4. Het college kan bij nadere regeling aanvullende weigeringsgronden formuleren voor de (wijze van) toekenning van maatwerkvoorzieningen. Artikel 10. Inhoud beschikking 1. In de beschikking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Het leefzorgplan maakt onderdeel uit van de beschikking. 525110

13

Raadsbesluit

3. De door inwoner en college gekozen zorgverlener maakt gezamenlijk met de inwoner het plan van aanpak. In het plan van aanpak tussen zorgverlener en de inwoner wordt aangeven welke ondersteuning wordt geboden om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval gemotiveerd vastgelegd: a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is. Dit wordt beschreven in het leefzorgplan; b. wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden. 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval gemotiveerd vastgelegd: a. voor welk beoogd resultaat het pgb dient te worden aangewend. Dit wordt beschreven in het leefzorgplan; b. wat de ingangsdatum en de duur van het pgb is; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe gekomen is; d. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; e. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een pgb zijn verbonden. 6.

Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten, wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 11. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 tot en met artikel 8.1.8 Jeugdwet respectievelijk artikel 2.3.6 Wmo 2015. 2. Een pgb mag alleen worden besteed aan de maatwerkvoorziening en het beoogde resultaat waarvoor deze wordt toegekend. 3. Bij toekenning van een pgb is de duur van de beschikking maximaal 2 jaar. Voor de volgende maatwerkvoorzieningen kan het college een beschikking voor een langere termijn dan 2 jaar of een beschikking zonder einddatum toekennen: a. traject 2 A: volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag; b. traject 2B: volwassenen met ouderdom gerelateerde beperkingen; en c. maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning bij het voeren van een huishouden. 4. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen zorgverlener, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen zorgverlener in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c.

veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; 525110

14

Raadsbesluit

5.

6. 7. 8.

525110

d. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld budgetplan waarin in ieder geval is uiteen gezet: a. welke diensten, hulmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren de inwoner van het budget wil betrekken, en; b. indien van toepassing, welke hiervan de inwoner wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief: i. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te betrekken; ii. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de inwoner diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren te betrekken; iii. waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in artikel 9, lid 4 onder b gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de inwoner de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en iv.

wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura zoals bedoeld in artikel 2, bedraagt niet meer dan 90% van de kostprijs voor een gediplomeerd zzp'er en bedraagt niet meer dan 75% van de kostprijs (met een maximum van € 25,65 per uur) voor een hulp uit het eigen sociale netwerk, met dien verstande dat ten minste het wettelijk minimumloon wordt betaald. De relevante kostprijzen worden ingaande 1 april van het betreffende jaar gehanteerd en jaarlijks door het college vastgesteld en tijdig gepubliceerd. De hoogte van een pgb geldt voor de duur van twee jaar. De hoogte van een pgb bij een vervoersvoorziening in de vorm van een hulpmiddel is: a. maximaal het bedrag dat het college betaalt voor een nieuw hulpmiddel via een gecontracteerde aanbieder, b. de dagwaarde indien het hulpmiddel uit het sociaal netwerk wordt betrokken, maar maximaal het bedrag dat het college betaalt voor een nieuw hulpmiddel via een gecontracteerde aanbieder, c. in geval van een individuele vervoersvoorziening die elektrisch wordt aangedreven mede gebaseerd op de kosten voor verzekering, onderhoud en

15

Raadsbesluit

reparatie, welke worden berekend aan de hand van afspraken tussen gemeente en gecontracteerde aanbieders. 9. De hoogte van een pgb voor een woningaanpassing: a. wordt, indien dit wordt uitgevoerd door een persoon die behoort tot het eigen sociaal netwerk, opgebouwd uit de goedkoopst en noodzakelijke materialen en uren op basis van het wettelijk minimumloon; b. bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende voorziening in natura. Indien het college geen passende voorziening in natura heeft gecontracteerd i. bij standaard woningaanpassingen wordt de hoogte van het pgb bepaald op basis van een door het college vast te stellen prijslijst die bij het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026 is gevoegd; ii. bij complexe woningaanpassingen wordt door het college een bouwkundig, sociaal/medisch advies en daarbij behorende kostencalculatie ingewonnen bij een gecontracteerde externe partij. 10. De hoogte van een pgb voor een sporthulpmiddel: a. bedraagt maximaal € 2.500, - en wordt ten hoogste één keer per 3 jaar verstrekt; b. bedraagt, in afwijking van het gestelde in sub 1., voor een elektrisch voortbewogen of elektrisch ondersteund sporthulpmiddel bij een grote mate van immobiliteit maximaal € 5.000, - en wordt ten hoogste één keer per 6 jaar verstrekt; c.

is bedoeld als een bijdrage in de kosten van aanschaf, onderhoud en eventueel verzekering; d. wordt bepaald op basis van een bij de aanvraag in te dienen offerte van het sporthulpmiddel en een bewijsstuk van het lidmaatschap van een sportvereniging, tenzij het individuele sportbeoefening betreft; e. wordt verlaagd met de eventuele bijdrage van een sportclub, sponsor of fonds. 11. Aanvullende regels voor beschermd wonen: a. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt structureel behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning kan in uitzonderlijke gevallen een toeslag intensieve ondersteuning toegekend worden. Deze toeslag wordt toegekend indien er: i. als een gevolg van een lichamelijke of somatische aandoening, inzet van (verpleegkundige) ondersteuning nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm beschermd wonen en/of; ii. er sprake is van dermate complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met ernstige gedragsproblematiek, waardoor er inzet van begeleiding nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen. b. Indien uit het onderzoek blijkt dat een inwoner behoefte heeft aan een geregisseerde dagbesteding, kan er een toeslag dagbesteding aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen worden toegekend.

525110

16

Raadsbesluit

c. Voor de toepassing en berekening van de tariefdifferentiatie, zoals bedoeld in artikel 11, lid 5 onder c. van deze verordening, wordt in de basis uitgegaan van fictief acht uur ondersteuning per week voor beschermd wonen. 12. Aanvullende regels voor PGB jeugd a. Een pgb wordt enkel verstrekt indien de jeugdige of ouders jeugdhulp inkoopt, waarbij wordt voldaan aan de in artikel 12 opgenomen kwaliteitseisen. b. Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt voor zover: i. de geboden hulp passend, adequaat en veilig is; ii. de inzet vanuit het sociaal netwerk aantoonbaar bijdraagt aan de beoogde doelen van de jeugdige in het gezin; iii. de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan verlenen, zich voldoende op de hoogte hebben gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn; iv. er bij de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan; v. de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft; vi. de persoon uit het sociale netwerk geen handelingen verricht die op grond van de norm van verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerde professional zijn voorbehouden; vii. de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring is in staat de in de individuele situatie vereiste jeugdhulp te realiseren; viii.

de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is. 13. De volgende kosten mogen niet uit het pgb worden betaald: a. tussenpersonen of belangenbehartigers; b. reiskosten van de zorgverlener; c. bijkomende zorgkosten; d. feestdagenuitkering; e. een eenmalige uitkering bij beëindiging van het pgb. 14. De budgetbeheerder ontvangt geen vergoeding in welke vorm dan ook, van de zorgaanbieder of daaraan te relateren (rechts)persoon. 15. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de hulp levert aan de budgethouder. Bij jeugdhulp geldt een uitzondering als de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige. b. er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: i. schuldenproblematiek; ii. ernstige verslavingsproblematiek;

525110

17

Raadsbesluit

iii.

aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; iv. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; v. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; vi. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; vii. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; viii. het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag 16. Het college bepaalt bij nadere regeling de wijze van vaststellen van de hoogte van een pgb en kan bij nadere regeling aanvullende eisen stellen aan het verstrekken van een pgb. Artikel 12 Kwaliteitseisen maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen maatwerkvoorziening voldoet de uitvoerder van de hulp aan de volgende eisen: a. beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ingeval van jeugdhulp die door ouders wordt geboden zijn ouders uitgesloten van deze eis; b. beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c. houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d.

is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e. werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f. voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college g. stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de inwoner; h. stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen waar de inwoner gebruik van maakt; i. respecteert de privacy van de inwoner en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j. neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de inwoner voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k. meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van hulp aan het college; l. werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en m. is of raakt door verlening van de hulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen voorziening voldoet een professionele aanbieder of zzp’er die de hulp uitvoert aan de volgende aanvullende eisen: a. handelt in overeenstemming met de professionele standaard; b. werkt op basis van een hulpverleningsplan; c. werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; 525110

18

Raadsbesluit

d. hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en e. stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3. Er wordt geen pgb voor jeugdhulp door ouders of het sociale netwerk verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd jeugdhulp door een gekwalificeerde hulpverlener noodzakelijk is Artikel 13. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen 1. Voor het gebruik van door gemeentewege gerealiseerde algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning: a. kan een cliënt een vaste bijdrage in de kosten verschuldigd zijn; b. bedraagt de hoogte van de vaste bijdrage maximaal de kostprijs per dag voor deelname aan deze algemene voorzieningen: i. voor de maaltijdvoorziening die wordt aangeboden tijdens de dagopvang; Wmo begeleiding tussen de € 5,00 en € 10,00; ii. voor de open inloop bedraagt het tarief maximaal € 7,50 per persoon voor een dagarrangement inclusief maaltijd en koffie/thee, of € 1,00 per dagdeel voor koffie/thee, activiteiten en voor zover van toepassing professionele begeleiding; iii. voor collectief vrijwilligersvervoer bedraagt het tarief € 2,00 voor een enkele rit binnen het werkgebied van de betreffende voorziening en iv.

€ 3,00 voor een rit buiten het werkgebied van de betreffende voorziening (prijspeil 1 januari 2022). v. vanwege de complexiteit van de zorgvraag van sommige inwoners kan het college besluiten tot verlengd en verdiepend onderzoek naar de zorgvraag en het organiseren van een passende oplossing (conform de beleidsregel Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang. Het gaat hierbij om personen (met of zonder kinderen) uit de regio Noord- en Midden-Limburg die verblijven in de acute opvang. Indien de termijn van 2 weken verlengd wordt, kan het college besluiten dat de cliënt ook voor deze periode geen eigen bijdrage verschuldigd is. vi. het is de opvanginstelling toegestaan personen (met of zonder kinderen) die verblijven in de acute opvang een vergoeding te vragen voor verstrekte maaltijden. De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan de vergoeding die het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) berekent als gemiddelde voedingskosten. c. draagt het college zorg voor bekendmaking van de actuele kostprijs van de algemene voorziening. 2. Voor het gebruik van een maatwerkvoorziening: a. is een cliënt een eigen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt; 525110

19

Raadsbesluit

b. overstijgt de duur van de eigen bijdrage zoals bedoeld in onderdeel a, voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb, waarvan de aanvrager de eigendom verkrijgt, niet de kostprijs van de betreffende maatwerkvoorziening; c. wordt de eigen bijdrage voor Beschermd Wonen, in natura in de zin van de Wmo 2015, gebaseerd op het maximum dat op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is toegestaan; d. wordt bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang bepaalt op het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief toeslagen en de geldende norm voor persoonlijke uitgaven, met in achtneming van artikel 3.20 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; e. het college stelt de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang vast, en stelt nadere regels vast over de wijze van berekening en inning van deze eigen bijdrage; f. geen eigen bijdrage is verschuldigd voor: i. een tegemoetkoming op grond van artikel 8 lid 5 ii. de toekenning van een automatische deuropener in een gemeenschappelijke ruimte; iii. een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt; iv. een rolstoel. g. bedraagt de bijdrage voor het collectief geïndiceerd vervoer 0,91 per zone (prijspeil: 1 januari 2024), aangevuld met een jaarlijkse indexering volgens de Landelijke Tariefindex. De standaard toekenning bedraagt maximaal 590 reiszones per jaar.

Incidenteel ophogen is in overleg met de cliënt mogelijk. De maximale ritlengte is vijf zones; h. wordt de kostprijs voor hulpmiddelen (excl. trapliften) bepaald door een gemiddeld tarief incl. btw waarbij rekening wordt gehouden met 7 jaar onderhoudskosten en eventuele verzekeringskosten. De kostprijs voor trapliften bestaat uit de aanschafwaarde incl. btw en 15 jaar onderhoudskosten. 3. Voor cliënten met GGZ-problematiek, uitgezonderd cliënten Beschermd Wonen die in een instelling verblijven, geldt geen eigen bijdrage, indien het heffen van de eigen bijdrage naar het oordeel van het college kan leiden tot mishandeling, ernstige verwaarlozing of schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige en tot het weigeren van de noodzakelijke begeleiding en ondersteuning. Artikel 14. Tegemoetkoming aannemelijke meerkosten 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.

525110

20

Raadsbesluit

Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. De inwoner is verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van de ondersteuning, 2. Als de inwoner naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt), kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld of is de ondersteuning niet effectief en kan door het college worden besloten geen maatwerkvoorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende maatwerkvoorziening in te trekken. 3. Als het college een beslissing heeft ingetrokken a. op grond van artikel 2.3.10 lid 1 onder a, Wmo 2015, en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner of van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening of het ten onrechte ontvangen pgb. b. op grond van artikel 8.1.4 lid 1 onder a, Jeugdwet, en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de jeugdige of diens ouders/verzorgers geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van het ten onrechte ontvangen pgb. 4.

Onverminderd het bepaalde in lid 1 wordt, ingeval het recht op een in eigendom of een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, deze voorziening teruggevorderd met inachtneming van de voorwaarden voor verhaal van kosten zoals bepaald in de Jeugdwet en de Wmo 2015. 5. Een beslissing tot toekenning van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt 6. Het besluit tot toekenning van een pgb wordt in ieder geval ingetrokken: a. met ingang van de dag waarop de inwoner met een pgb schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op een pgb; b. maximaal twee weken na de dag waarop de inwoner met een pgb overlijdt. 7. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Het college kan bij nadere regeling aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald. Artikel 16. Controle en (her)onderzoek 1. Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs en met inachtneming van hetgeen daartoe gesteld is in de Jeugdwet en artikel 2.3.9 van de Wmo 2015, onderzoeken of: a.

de in het leefzorgplan afgesproken resultaten in relatie tot de daartoe in te zetten maatwerkvoorzieningen worden bereikt; en/of b. de verstrekte maatwerkvoorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het resultaat waarvoor ze verstrekt zijn. 525110

21

Raadsbesluit

2. Het college kan een heronderzoek instellen om vast te stellen of de cliënt nog steeds is aangewezen op de ingevolge deze verordening toegekende maatwerkvoorzieningen. 3. Bij beleidswijzigingen kan het college een heronderzoek instellen. Ten einde een eerdere beoordeling voor een maatwerkvoorziening in overeenstemming te brengen met het aangepaste toetsingskader. 4. Indien uit het heronderzoek blijkt dat de belanghebbende niet langer is aangewezen op een maatwerkvoorziening ingevolge de verordening, kan het college de beschikking tot toekenning van een maatwerkvoorziening intrekken of herzien. 5. Het college bepaalt bij nadere regeling de verdere procedure over de verantwoording van een pgb en controle en heronderzoek bij maatwerkvoorzieningen. 6. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de (her)beoordeling van de toekenning van een maatwerkvoorziening, degene door wie een ondersteuningsvraag is ingediend en indien er sprake is van gebruikelijke hulp de voor het onderzoek relevante huisgeno(o)t(en): a. te verzoeken om het gesprek bij te wonen zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, of op een later moment alsnog uit te nodigen; b. te verzoeken om aanwezig te zijn bij een afspraak met en/of onderzoek door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. 7.

Het college heeft de bevoegdheid een besluit tot verstrekking van een lopende voorziening te herzien met toepassing van deze verordening: a. op de gronden vermeld in deze verordening b. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen c. indien de inwoner ondersteuning ontvangt in natura en wenst over te stappen naar een andere aanbieder of naar een pgb d. indien de inwoner ondersteuning ontvangt in de vorm van een pgb en wenst over te stappen naar ondersteuning in natura. 1. Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Jaarlijks wordt aan mantelzorgers, die zorg verlenen aan inwoners van de gemeente Venlo, een blijk van waardering verstrekt zoals bedoeld in artikel 2.1.6 Wmo 2015. 2. Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Artikel 18. Kwaliteitseisen voor aanbieders 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en zoals omschreven in artikel 3.1 en verder Wmo 2015. 2.

Het college kan bij nadere regeling aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Artikel 19. Bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen 525110

22

Raadsbesluit

1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. 3. Het college kan nadere regels stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college bepaalt bij nadere regeling welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 3.4 en 4.2.5 Wmo 2015. Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit, levering diensten door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en ii.

de vast prijs, bedoeld in onderdeel a. 1. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerst lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo respectievelijk artikel 2.11, tweede lid, onderdeel a, van de Jeugdwet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo respectievelijk artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 2. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c. redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis en opleidingskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/990/documents/24875