525110 Bijl01 Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2026 gearceerde wijz.pdf
Tekst van het document
Artikel 22. Klachtenregeling De aanbieders van maatwerkvoorzieningen hebben een procedure voor de onafhankelijke afhandeling van klachten van cliënten zoals bedoeld in artikel 4.2.1 tot en met 4.2.3 Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. Artikel 23. Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 2.10 Jeugdwet en artikel 2.1.3 lid 3 Wmo 2015, in overeenstemming met de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Aanbieders en gecertificeerde instellingen van maatwerkvoorzieningen die in opdracht van de gemeente jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning verlenen of hun taken laten uitvoeren door in de regel meer dan tien personen, dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder en gecertificeerde instellingen, welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 4.2.4 tot en met 4.2.12 Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. Artikel 24. Nadere regels en hardheidsclausule 1. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van deze verordening. 2.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 3. In gevallen betreffende de uitvoering van deze verordening, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 25. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2025 wordt ingetrokken. 2. Aanvragen die bij het college zijn ingediend voor 1 januari 2026 en waarop nog niet is beslist voor 1 januari 2026, worden afgehandeld volgens deze verordening. 3. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2025 wordt beslist met inachtneming van de verordening waarop het besluit is gebaseerd, tenzij de toepassing van deze verordening gunstiger is voor de bezwaarmaker. 4. Een inwoner houdt het recht op een lopende voorziening in de vorm van zorg in natura verstrekt voor 1 januari 2026, tot de datum waarop de verstrekte voorziening eindigt, of totdat het college een ander besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze lopende voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 5.
Een inwoner houdt het recht op een persoonsgebonden budget verstrekt voor 1 januari 2026, tot de datum waarop het verstrekte pgb eindigt of totdat het college een ander besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze lopende voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026.
20
Toelichting Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026 Met deze verordening geeft de gemeente Venlo uitvoering aan de wettelijke verplichting die is opgenomen in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Via een verordening vult de gemeenteraad, op basis van het door haar vastgestelde beleid, haar kaderstellende rol verder in. De wetgever beoogt met beide wetten vergelijkbare doelen te behalen voor hulp en ondersteuning aan verschillende doelgroepen en verplicht gemeenten om beleid in samenhang te ontwikkelen. Dit is, samen met het financieel arrangement waarin de beide wetten zijn gegoten, de aanleiding om te komen tot een integrale procesverordening. Deze integrale verordening heeft betrekking op de Jeugdwet en de Wmo 2015. Dubbelingen met wetgeving zijn niet in de verordening opgenomen, tenzij dit strikt noodzakelijk is om 21
zaken te verduidelijken. De verordening beperkt zich grotendeels tot de verplichte elementen uit artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3 van de Wmo 2015. Deze is verder aangevuld met wezenlijke onderwerpen zoals de toegang tot hulp en ondersteuning. Deze toelichting bevat een algemeen gedeelte waarin zal worden ingegaan op de gedachte achter de integrale procesverordening, de totstandkoming en de reikwijdte. Daarnaast wordt aan de hand van de bestaande uitvoeringspraktijk rondom de sociale wijkteams, de verordening in het bredere kader geplaatst. In de artikelsgewijze toelichting wordt verder ingegaan op onderwerpen zoals criteria en weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budget, bijdrage in de kosten, kwaliteitseisen, inspraak en medezeggenschap. Kader Het doel van de Wmo 2015 is dat zij die het nodig hebben tijdig bij hun situatie passende hulp ontvangen, zodat de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen minimaal behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Op die manier kunnen mensen zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Het is de taak van het college om te bezien wat redelijkerwijs verwacht mag worden van betrokkene en zijn sociaal netwerk.
Daarna zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene of overige voorziening en als dat niet volstaat een individuele- of een maatwerkvoorziening, zoals verduidelijkt is in de toelichting op artikel 2. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de mogelijkheden van betrokkene om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren in de maatschappij. Integrale procesverordening Voor inwoners van Venlo met vragen voor hulp of ondersteuning is belangrijk dat hun situatie in de volle breedte wordt bekeken. Het zal regelmatig voorkomen dat inwoners zowel een vraag vanuit de Jeugdwet als vanuit de Wmo 2015 hebben. Met deze verordening kunnen we deze breedte al in een vroeg stadium bereiken. Een procesverordening sluit aan bij het ‘loslaten in vertrouwen’: verantwoordelijkheden worden zo laag mogelijk belegd, bij voorkeur bij de professional. Er wordt vertrouwd op zijn deskundigheid. Daarom wordt het proces om te komen tot passende ondersteuning beschreven en niet beschreven welke ondersteuning er in welk geval moet komen. Dat wordt aan de professional overgelaten. Zo garanderen wij dat iedereen op een gelijkwaardige manier wordt behandeld. Waar mogelijk zijn onderdelen gedelegeerd aan het college.
Met deze verordening wordt een basis gelegd om de door de wetgever toebedeelde verantwoordelijkheden vorm te geven. Een basis waarop door ervaringen in de praktijk en veranderingen in de samenleving kan worden voortgebouwd. Op deze manier wordt de benodigde flexibiliteit gecreëerd om snel te kunnen ingrijpen als de uitvoeringspraktijk daarom vraagt. Dit uiteraard binnen het door de raad gestelde kader. Waar in wetgeving en deze verordening ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid altijd nog mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb (Algemene wet bestuursrecht). Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van betrokkene echter alleen mandateren aan een (zorg)aanbieder. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. In artikel 2.11 van de Jeugdwet is 22
opgenomen dat het college de uitvoering van de wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door derden kan laten verrichten. Toeleiding naar zorg en ondersteuning in Venlo In de wetgeving is uitgewerkt dat ingezetenen zich melden tot het college van de gemeente waar zij wonen. Alleen in het geval van beschermd wonen of opvang wordt gesproken over een verstrekking door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt. Sinds 2013 zijn er in Venlo sociale wijkteams operationeel en vanaf 2015 zijn er in alle wijken in de gemeente Venlo wijkteams actief. Zij zijn de belangrijkste schakel voor de toeleiding naar jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. De bevoegdheid hiervoor ligt bij het college. Zij heeft de taak om telkens een zorgvuldige toegangsprocedure te doorlopen om de ondersteuningsvraag van de betrokkene, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. De kwaliteit van dit onderzoek is belangrijk. Ook moet worden achterhaald wat betrokkene op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Toegang: het proces De uitvoering van de toegang zal in de praktijk namens het college worden georganiseerd.
Daarbij kan waar nodig consultatie van andere professionals plaats vinden, of in geval van jeugdhulp hebben aanbieders hierin een wettelijke rol na verwijzing. Het college houdt de wettelijke bevoegdheid om een besluit te nemen. Op basis van de bij het college ingediende ondersteuningsvraag vindt het (wettelijk verplichte) onderzoek plaats naar de aard en omvang van de gevraagde ondersteuning. In Venlo bestaat dit in het merendeel van de gevallen vooral uit een gesprek met de betrokkene, en indien van toepassing ook met zijn of haar (wettelijke) vertegenwoordiger en mantelzorger: het keukentafelgesprek. Vertegenwoordigers zijn bijvoorbeeld in veel gevallen de ouders indien het gaat om een jeugdige. Dit gesprek vindt plaats voordat er maatwerkvoorzieningen worden toegekend. Het gesprek wordt gevoerd door een lid van het sociaal wijkteam en vindt plaats naar aanleiding van de ondersteuningsvraag. Alleen wanneer het een eenvoudige vraag betreft en/of er voldoende gegevens beschikbaar zijn kan hiervan worden afgezien. Het gesprek maakt onderdeel uit van het onderzoek zoals bedoeld in de wetgeving. De bevindingen van het onderzoek worden vastgelegd in een schriftelijk verslag. In Venlo noemen wij dit het leefzorgplan.
De resultaten (daar waar in deze verordening wordt gesproken over 'resultaat', kan ook worden gelezen 'doelstelling die wordt gerealiseerd') en afspraken op basis van het onderzoek, het arrangement aan oplossingen, worden eveneens schriftelijk vastgelegd in het leefzorgplan. Het streven is dat het leefzorgplan definitief wordt gemaakt wanneer er overeenstemming is tussen de betrokkenen. In het leefzorgplan is de mogelijkheid opgenomen om een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening. De inhoud van het leefzorgplan is leidend bij de motivatie voor de gemeente wanneer er een besluit wordt genomen op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Op deze manier geven wij invulling aan het recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure. Op basis van het leefzorgplan wordt het laatste deel van de toegang ingezet. Daarin zal de gemeente bepalen of kan worden volstaan met een algemeen gebruikelijke voorziening (die buiten de Jeugdwet en de Wmo 2015 valt) of een algemene voorziening. Wanneer dat volgens de bevindingen in het leefzorgplan nodig is, wordt er een maatwerkvoorziening toegekend. 23
Alle algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Dat betekent dat hiervan gebruik kan worden gemaakt zonder een verwijzing of een besluit van het college. Op grond van de wetgeving is de gemeente voor enkele algemene voorzieningen in de gemeente zowel beleidsmatig als financieel verantwoordelijk, zoals cliëntondersteuning. Bij andere algemene voorzieningen geldt dit niet of in beperkte mate. Bijzondere vormen van toeleiding In de Jeugdwet wordt daarnaast de mogelijkheid geboden van toeleiding via professionals, door gecertificeerde instellingen, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Als laatste kan ook Veilig Thuis, toeleiding verzorgen. Onafhankelijke cliëntondersteuning In klantcontacten is het belangrijk dat degene die de ondersteuningsvraag doet geïnformeerd wordt over zijn rechten zoals de vertrouwenspersoon op grond van de Jeugdwet, de mogelijkheid om gebruik te maken van (gratis) onafhankelijke cliëntondersteuning en het recht om een persoonlijk plan in te dienen op grond van de Wmo 2015. Onafhankelijke cliëntondersteuning is daarmee een algemene voorziening. Omdat deze rechten al wettelijk verankerd zijn, worden deze in de verordening niet herhaald.
Rechtsbescherming Indien de betrokkene ondanks het zorgvuldige onderzoek van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt, deze voorziening onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen waarvoor deze bedoeld is, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. Hierop is de rechtsbescherming uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de hulp of ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin betrokkene in staat wordt gesteld de doelstellingen zoals vastgelegd in de Jeugdwet en Wmo 2015 te behalen. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen De begripsbepalingen in dit artikel sluiten aan op artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Voor de definities van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning zijn deze wetsartikelen leidend. In artikel 1 worden diverse termen verduidelijkt die te maken hebben met de toegangsprocedure. Deze komen terug in artikel 3, 4 en 6 van deze verordening. Het gaat om onder andere aanvraag en ondersteuningsvraag.
Het leefzorgplan is de lokale variant van het verslag zoals bedoeld in de wetgeving, ook wel ondersteuningsplan genoemd. De benaming van de voorzieningen is in deze verordening samengebracht. Er is sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening wanneer deze voorziening weliswaar tegemoet komt aan de ondersteuningsvraag, maar gewoon in het algemeen maatschappelijk verkeer verkrijgbaar is zonder onevenredige meerkosten. Dit type voorzieningen wordt niet vergoed door de gemeente. 24
Twee termen uit de Jeugdwet zijn in deze verordening gelijkgesteld aan definities uit de Wmo 2015. Daar waar algemene voorziening staat in de verordening wordt tevens een overige voorziening zoals vermeld in de Jeugdwet bedoeld. Dit zijn de vrij toegankelijke voorzieningen. In de verordening wordt onder het begrip maatwerkvoorziening tevens bedoeld een individuele voorziening zoals vermeld in de Jeugdwet. In artikel 6 is een delegatiebepaling opgenomen waarin staat dat de voorzieningen bij nadere regeling moeten worden benoemd. Zoals in dit artikel uitgewerkt wordt daar waar in de verordening wordt gesproken over inwoner bedoeld degene die een ondersteuningsvraag indient bij het college of namens wie dit gebeurt. Hieronder worden tevens verstaan jeugdige(n) of hun ouder(s) zoals bedoeld in de Jeugdwet. In de verordening komt het begrip jeugdige wel afzonderlijk terug daar waar het specifiek betrekking heeft op jeugdhulp. Waar mogelijk zijn de begrippen samengebracht om de duidelijkheid en leesbaarheid ten goede te laten komen. Wanneer een begripsbepaling slechts in een van beide wetten is opgenomen, maar in Venlo in alle situaties van toepassing is, is de definitie ter verduidelijking wel in de verordening opgenomen. Daarnaast kent de Awb een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals ‘beschikking’ (artikel 1 lid 2).
Begrippen die niet in artikel 1 zijn opgenomen, worden in deze verordening in overeenstemming met de relevante wetgeving uitgelegd. Begrippen die in het geheel niet worden genoemd in artikel 1 zijn wel voldoende uitgelegd in artikel 1.1 van de Jeugdwet of 1.1.1 de Wmo 2015. Dat geldt voor onder andere de definities beschermd wonen, CAK, cliëntondersteuning, college, gebruikelijke hulp, jeugdige, jeugdhulpaanbieder, maatschappelijke ondersteuning, mantelzorg, ouder, opvang, participatie, sociaal netwerk, toezichthoudende ambtenaar, vertegenwoordiger, vertrouwenspersoon en zelfredzaamheid. Daar waar wordt bedoeld ‘de jeugdige of zijn ouders’ gaat het om: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de Jeugdwet: de gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). Ook de Awb kent een aantal definitiebepalingen die in deze verordening omwille van de leesbaarheid niet nogmaals zijn opgenomen. Het gaat bijvoorbeeld om de begrippen besluit en beschikking. Hiervoor kunnen artikel 1lid 3 en hoofdstuk 4 van de Awb worden geraadpleegd. Artikel 2.
Aanbod algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a. van de Jeugdwet en artikel 2.1.2. van de Wmo 2015, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over het door het college te verlenen, maatwerkvoorzieningen en overige voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijk aanbod is aan jeugdhulpvoorzieningen en maatschappelijke ondersteuning. In dit artikel wordt allereerst een opsomming gegeven van de voorzieningen die alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen). Daarna wordt een opsomming gegeven van de algemene voorzieningen of overige 25
voorzieningen, die in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn. Hiervoor is geen besluit van de gemeente nodig.
Artikel 3. Voorliggende voorzieningen In dit artikel wordt beschreven welke voorzieningen voorliggend zijn aan de Wmo en jeugdwet, zoals de Wet langdurige zorg. Artikel 4 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning In dit artikel wordt beschreven hoe het college afstemt met voorliggende voorzieningen Artikel 5 Toegang tot hulp en ondersteuning De toegang is een belangrijk onderdeel van de nieuwe wetgeving. Dat begint bij het indienen van een ondersteuningsvraag in artikel 3 en krijgt een vervolg in de artikelen 4 en 6 van deze verordening. Vooral artikel 3 als 4 moeten worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een betrokkene toegang heeft tot een maatwerkvoorziening. Het eerste lid dient om duidelijkheid te scheppen aan inwoners via welke weg zij contact kunnen leggen met vragen over hulp of ondersteuning, door het indienen van een ondersteuningsvraag. Hoewel uit de Memorie van Toelichting bij de Wmo 2015 blijkt dat dit niet aan vorm of locatie gebonden is, wordt hier duidelijkheid gegeven aan inwoners.
Vervolgens is uitgewerkt dat als die ondersteuningsvraag een aanvraag is in de zin van de Jeugdwet, dit op schrift moet worden gesteld. De Jeugdwet kent namelijk eerst een aanvraag en daarna een onderzoek, en in de Wmo 2015 is dit omgekeerd. Dat kan door de betrokkene, zijn vertegenwoordiger of iemand anders gebeuren, mits de betrokkene of de gemandateerde vertegenwoordiger de aanvraag maar ondertekent. Daarna is in het derde lid de ontvangstbevestiging geregeld. Uit het oogpunt van rechtszekerheid is dit in de verordening apart aangehaald. Indien een ondersteuningsvraag puur een melding betreft, dan kan deze behalve door betrokkene of diens formele vertegenwoordiger ook plaatsvinden door iemand uit zijn netwerk (familie, vrienden, buren, kennissen), een aanbieder of een zorgverlener. Een uitzondering op de verplichting tot overleg is wanneer er sprake is van dringende noodzaak of een crisissituatie. Dat is geregeld in het vierde lid. Daarbij wordt aangesloten bij bepalingen over spoedeisende hulp of ondersteuning in de relevante wetgeving. Bij wet is geregeld dat in dergelijke gevallen een versnelde toegangsprocedure doorlopen wordt. Dat komt onder andere terug in artikel 7.2.6 van de Jeugdwet en artikel 2.3.3 van de Wmo 2015.
Zoals de wetgever heeft beoogd en eveneens in het beleidsplan is uitgewerkt, zijn algemene voorzieningen ook vrij toegankelijk zonder een ondersteuningsvraag in te dienen bij het college en het daaropvolgende onderzoek te doorlopen. Dat is geregeld in het zesde lid Artikel 64. Onderzoek Nadat er een ondersteuningsvraag is ingediend bij de gemeente, zal de leefsituatie in beeld moeten worden gebracht. Daarover gaat artikel 4 van de verordening. In Venlo is ervoor gekozen om een gesprek in principe deel te laten uitmaken van het onderzoek. Dat gesprek vindt plaats met de inwoner, maar indien van toepassing ook met de vertegenwoordiger en 26
de mantelzorger van betrokkene. Daarnaast heeft betrokkene het recht om een onafhankelijke cliëntondersteuner bij het gesprek aan te laten schuiven. Dat is zo geregeld in artikel 2.2.4, lid 1 onder a van de Wmo 2015 en wordt hier benadrukt. Op verzoek van de inwoner of diens vertegenwoordiger kan een derde deelnemen aan dit gesprek, indien het sociaal wijkteamlid, die namens de gemeente het keukentafelgesprek voert, er geen bezwaar tegen heeft (zoals opgenomen in artikel 2.2, lid 3 van het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026). Het kan echter ook voorkomen dat er op basis van een ondersteuningsvraag geen nieuw onderzoek en/of gesprek nodig is omdat dat al recent heeft plaatsgevonden of omdat de aard van de vraag daar geen aanleiding toe geeft. Een voorbeeld is wanneer iemand een spiegel nodig heeft op zijn scootmobiel. Op grond van het tweede lid kan er dan, vanuit zorgvuldigheid pas nadat er vanuit het contact is geweest met betrokkene of diens vertegenwoordiger, voor worden gekozen om geen gesprek te voeren. In het derde lid worden de rechten en plichten voor de volledigheid aangehaald. Deze zijn bij wet geregeld Er is gekozen om artikel 4 beperkt te houden en alleen de hoofdlijnen in de verordening op te nemen.
Zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 kennen het wettelijk recht van inwoners op een zorgvuldige procedure, en juist daarom is het belangrijk om wel enkele hoofdlijnen op te nemen. Met de aanvraag om een maatwerkvoorziening, zoals vermeld in het zesde lid van artikel 4 wordt bedoeld het door de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) ondertekende leefzorgplan. Op basis hiervan wordt de beschikking opgesteld en neemt het college het besluit om een maatwerkvoorziening toe te kennen. De aanvraag dient overigens niet verward te worden met de melding voor een keukentafelgesprek waarbij de behoefte voor maatschappelijke ondersteuning wordt bepaald zoals opgenomen in artikel 2.3.2, lid 1 van de Wmo 2015. Vervolgens wordt het college in het zesde lid opgedragen om bij nadere regeling verder uit te werken op welke wijze de beoordeling van een verzoek voor een maatwerkvoorziening wordt georganiseerd. Daarin zullen ook de lokale uitvoeringsbegrippen zoals het sociaal wijkteam nader worden gedefinieerd. Wel zal afstemming nodig zijn met het bepaalde in de Jeugdwet en de Wmo 2015. Door deze delegatiebepaling op te nemen heeft het college de mogelijkheid om de regeling bij te stellen wanneer bij de uitvoering blijkt dat deze niet goed werkt of aanvulling behoeft. Artikel 75.
Toegang tot jeugdhulp niet via de gemeente Een groot deel (40-60%) van de jeugdhulp wordt ingezet na verwijzingen door anderen dan de gemeentelijke toegang. Het gaat hierbij om wettelijke verwijzers zoals huisartsen, jeugdartsen, en medische specialisten of om organisaties die de inzet van jeugdhulp kunnen bepalen, zoals gecertificeerde instellingen (GI’s). We kunnen deze verwijzingen en bepalingen niet weigeren: de jeugdhulp moet worden ingezet en de gemeenten ontvangen de rekening. We willen de verwijzingen ook niet weigeren omdat elke partij vanuit de eigen expertise naar beste inzicht verwijst en inwoners zelf de route kiezen die het beste bij hun past. Wél willen we invloed hebben op die verwijzingen en bepalingen.
We willen daarmee bereiken dat: - Aan de voorkant uitgebreid en vooral naar het hele gezin/systeem gekeken wordt zodat onze jeugdigen/gezinnen direct naar de goede ondersteuning worden verwezen; - Gekeken wordt naar andere inzet dan enkel professionele ondersteuning (wat kan het gezin zelf, wat kan het netwerk en van welke voorliggende voorzieningen kan gebruik gemaakt worden?); - Geen onnodig dure of onnodige stapeling van voorzieningen wordt ingezet vanuit het oogpunt van financiële houdbaarheid; - Gebruik gemaakt wordt van het aanbod dat gemeenten hebben gecontracteerd (alleen andere aanbieders buiten het gecontracteerde aanbod inzetten als dat echt nodig is vanwege ontbrekend aanbod/ontbrekende expertise of te lange wachttijden); 27
-
De samenwerking tussen verwijzers en de gemeentelijke toegang wordt versterkt zodat deze partijen elkaar vertrouwen en beter weten te vinden om snel schakelen in het belang van de jeugdige/het gezin. Bij sommige aanbieders van jeugdhulp werken medisch specialisten of jeugdartsen. Zij mogen verwijzen naar jeugdhulp. Daarbij kunnen zij ook naar zichzelf verwijzen. Vanuit het oogpunt van belangenverstrengeling vinden we deze zelfverwijzingen niet passend bij het jeugdhulpstelsel dat wij voor ogen hebben. De aanbieders waarmee wij een contract hebben om behandeling te bieden, hebben verklaard te voldoen aan de eis dat zij handelen vanuit de visie van gemeenten. Artikel 86. Criteria voor een maatwerkvoorziening Inwoners hebben onder de Jeugdwet en de Wmo 2015 geen wettelijk recht of aanspraak meer op hulp, ondersteuning of zorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van inwoners op een zorgvuldige procedure. In aanvulling op de procedureregels in de vorige artikelen, bevat artikel 6 richtlijnen die dienen als criteria voor het toekennen van een maatwerkvoorziening. Het eerste lid regelt de aanvraag voor een maatwerkvoorziening.
In het bijzonder voor maatscappelijke ondersteuning is dit belangrijk: in de Wmo 2015 is in artikel 2.3.2 eerste lid opgenomen dat het onderzoek zes weken mag duren en in artikel 2.3.5 tweede lid dat procedure van aanvraag tot en met beschikking twee weken mag duren. Daarom is het belangrijk om in nadere regeling ook dit deel van de procedure verder uit te werken. Voor aanvragen op grond van de Jeugdwet is de beslistermijn van acht weken aan de orde conform artikel 4 lid 13 van de Algemene wet bestuursrecht. In de modelverordening van de VNG was een uitwerking van criteria opgenomen die exact overeenkomt met de definitie van maatschappelijke ondersteuning zoals bepaald in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015. Om onnodige herhaling te voorkomen is in het tweede lid een korte opsomming van criteria gegeven in combinatie met de weigeringsgronden in artikel 7. “Het tweede lid, sub a betreft het eigen kracht principe. In het geval van het eigen kracht principe volgens de Jeugdwet, dient het wijkteamlid te toetsen of de jeugdige en/of het gezin beschikken over voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen, om het probleem het hoofd te kunnen bieden. In het tweede lid, sub b is aangegeven dat bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo, het criterium van de gebruikelijke hulp wordt toegepast.
Gebruikelijke hulp is volgens de Wmo 2015, artikel 1.1.1: “Hulp die in een specifieke situatie naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot/partner, ouders of inwonende kinderen of andere huisgenoten.” Huisgenoten zijn leden van een leefeenheid. In de Jeugdwet is gebruikelijke hulp niet specifiek gedefinieerd.” In het derde lid zijn de aspecten vermeldt die meegenomen worden in de weging of de inwoner problemen of beperkingen op eigen kracht of gebruikelijke hulp kan verminderen of wegnemen. In het 4e lid is opgenomen dat bij de beoordeling van de aanvraag jeugdhulp het college ook rekening houdt met de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder(s). “De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdigen zelf. Van ouders mag worden verwacht dat ze de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van de jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat dat zij hun loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en 28
het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorzieningen te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. (CRvB 17 juli 2019, ECLI:iNL:CRvB2019:2362). “(modelverordening VNG, toelichting blz 27) In het vijfde lid wordt het leefzorgplan benoemd. Om de status hiervan weer te geven is geregeld dat de bevindingen uit het leefzorgplan de basis zijn voor het besluiten op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Hierin is immers weergegeven wat de resultaten van het onderzoek en de afspraken zijn die met de cliënt zijn gemaakt. Het streven is om zoveel mogelijk tot (mondelinge) overeenstemming met betrokkene te komen voordat het leefzorgplan gereed is. Het leefzorgplan dient als verslag zoals bedoeld in artikel 2.3.2 achtste lid van de Wmo 2015 en wordt verstrekt aan betrokkene.
Pas nadat het leefzorgplan gereed is, kan er een maatwerkvoorziening worden toegekend in de zin van de Jeugdwet of aangevraagd in de zin van de Wmo 2015. Dit is in overeenstemming met wat is bedoeld in artikel 2.3.2 negende lid van de Wmo 2015. Vervolgens is in het zesde lid bepalingen opgenomen die specifiek gelden voor maatwerkvoorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Het zevende lid sluit aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRvB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinsituut, de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden of de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking, Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. De bijdrage voor verhuis- en inrichtingskosten bedraagt maximaal € 3.000, -.
In artikel 8, lid 13 en 14 is een bepaling opgenomen dat als de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan € 3.000, -, dan ligt het primaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening bij verhuizen naar een geschikte woning. Deze verhuiskostenvergoeding wordt pas uitgekeerd nadat hierover een besluit is genomen door het college en nadat de cliënt feitelijk is verhuisd naar de voor zijn beperkingen en op dat moment beschikbare, meest geschikte woning. Het aanbieden van een geschikte woning, waar de inwoner naar toe kan verhuizen, is niet primair de verantwoordelijkheid van het college. Wel kan er op verzoek informatie worden verschaft over het beschikbare aanbod. Artikel 97. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening voor maatschappelijke ondersteuning Het is niet in de geest van de wetgeving om uitgebreide criteria te omschrijven. De essentie is immers maatwerk bieden en dat laat zich niet lenen voor algemene criteria. In plaats daarvan is, in combinatie met artikel 8, de keuze gemaakt om in artikel 9 weigeringsgronden op te nemen. Op die manier wordt toch aan de wettelijke plicht voldaan om zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden aan inwoners over de voorwaarden voor het toekennen van maatwerkvoorzieningen.
Ook is in rechtbankjurisprudentie herhaaldelijk aangegeven dat weigeringsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. 29
De rode draad van artikel 7 is dat geen maatwerkvoorziening wordt toegekend indien betrokkene hier zelf op in had kunnen spelen. Op die manier wordt ondervangen dat de gemeente in alle situaties verplicht in een oplossing moet voorzien. In het eerste lid zijn weigeringsgronden opgenomen die in alle gevallen van toepassing zijn. Vervolgens zijn in het tweede en derde lid weigeringsgronden opgenomen die niet in alle gevallen kunnen worden toegepast, maar waar dit afhangt van de persoonlijke omstandigheden. De consequentie van deze kan-bepaling is dat er een extra belangenafweging dient te worden gemaakt tijdens het onderzoek omdat de weigeringsgronden niet zonder meer verplichtingen inhouden die in alle situaties van toepassing zijn. Een belangrijk uitgangspunt in dit artikel is dat geen maatwerkvoorzieningen worden vergoed die al zijn ingekocht of aangeschaft door betrokkene (eerste lid, onder a) voordat er een ondersteuningsvraag is ingediend of beschikking is afgegeven. Het tweede lid onder c gaat in het bijzonder over vervanging van eerder verstrekte maatwerkvoorzieningen. Wanneer een voorziening vervangen moet worden, of niet meer functioneert, kan daar alleen sprake van zijn in geval van nieuwe omstandigheden of niet verwijtbare schade of vermissing. In het tweede lid onder d wordt een beroep gedaan op de eigen verantwoordelijkheid van betrokkene.
Dit is met inachtneming van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) (ECLI:NL:CRVB:2013:776). In de Wmo speelde de eigen verantwoordelijkheid van inwoners al een grote rol, vanwege de wettekst van de nieuwe Wmo 2015 blijft dit overeind. In haar uitspraak verwijst de CRvB naar de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder op de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 20042005, 30 131, nr. 3). Daarin heeft de regering onder meer verwoord dat gemeenten kunnen zorgdragen voor een goed samenhangend stelsel van ondersteuning van inwoners die niet goed in staat zijn in bepaalde situaties zelf of samen met anderen oplossingen te realiseren. Voor die gevallen die door de inwoners onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, behoort de overheid verantwoordelijkheid te nemen. In het vierde lid, is een delegatiebepaling opgenomen om het college de flexibiliteit te bieden om indien daar aanleiding toe is aanvullende weigeringsgronden te formuleren. Artikel 108. Inhoud beschikking Het college dient op grond van artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo, binnen twee weken na ontvangst van een aanvraag op deze aanvraag in de vorm van een beschikking te beslissen. In de Jeugdwet is dit niet als zodanig opgenomen maar geldt een totale beslistermijn van acht weken op grond van de Awb.
De basis voor de beschikking is de informatie uit het leefzorgplan zoals blijkt uit artikel 4 lid 4. Wanneer er sprake is van een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3 lid 4 is er geen sprake van een aanvraag en zal er in dat geval ook niet per definitie een beschikking worden verzonden. Wanneer er sprake is van spoedeisende hulp of ondersteuning en deze wordt in afwachting van een ondersteuningsvraag en onderzoek ingezet, zal er pas een beschikking worden afgegeven indien er alsnog een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt gedaan. Dat laatste is in overeenstemming met de lijn van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015. Zowel in de Jeugdwet als in de Wmo 2015 is de keuzemogelijkheid tussen zorg in natura en een pgb wettelijk verankerd. Voor een pgb gelden weer nadere wettelijke voorwaarden. Aangezien de afspraken bij een maatwerkvoorziening in natura of bij een pgb zullen 30
verschillen, is er in het tweede en derde lid een onderscheid aangebracht in de eisen die aan de beschikking worden gesteld. In de beschikking wordt niet meer gesproken over producten maar over resultaten (vierde lid). Om duidelijkheid te scheppen zal wel de combinatie van resultaatafspraken met de in te zetten maatwerkvoorzieningen worden gemaakt. Het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en de maatwerkvoorziening een scootmobiel. Vervolgens wordt door de inwoner en de gekozen aanbieder (professional) een plan van aanpak opgesteld lid 3). In dit plan van aanpak wordt beschreven hoe de ondersteuning wordt vormgegeven om tot de beoogde resultaten te komen (zoals beschreven in het leefzorgplan). Het zesde lid komt tegemoet aan de informatieplicht aan betrokkene. De vaststelling en inning geschiedt door het bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning is belast. Dat is in de meeste gevallen wettelijk belegd bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK), evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. In de Wmo 2015 is dit opgenomen in artikel 2.1.4, zesde lid, met uitzondering van de bijdrage voor opvang. In de Jeugdwet is alleen sprake van een ouderbijdrage in situaties zoals omschreven in artikel 8.2.1 van deze wet. De Awb is van toepassing voor de rechtsbescherming in de vorm van de procedure voor bezwaar en beroep.
Deze is ook voor beschikkingen op grond van de Jeugdwet en de Wmo 2015 van toepassing. Om in bezwaar (en later eventueel in beroep) te kunnen gaan is er echter een besluit nodig. Voor een besluit moet er eerst een aanvraag worden gedaan, waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden gevraagd. Ook de weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de cliënt op grond van de Awb een ingang voor bezwaar en beroep. Artikel 119. Regels voor pgb Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Dat geldt ook voor jeugdhulp: bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr. 11, artikel MM) is de regeling in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet voor het pgb aangepast (“gestandaardiseerd”) aan de genoemde regelgeving uit de Wmo 2015. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien betrokkene gemotiveerd aangeeft waarom hij kiest voor een pgb in plaats van zorg in natura (zie artikel 8.1.1, derde lid, onder b van de Jeugdwet en artikel 2.3.6, tweede lid, onder b van de Wmo 2015). Het pgb komt dus niet pas in beeld als de zorg in natura niet voldoet, maar is onder bepaalde voorwaarden een bewuste keuze.
Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). De keuzevrijheid is hiermee voldoende in de wetgeving verankerd en wordt niet expliciet herhaald in deze verordening. Het tweede tot en met het 12de lid vloeien voort uit artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in 31
de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s, et cetera). In lid 3 is bepaald dat de duur van een PGB maximaal 2 jaar is. Uitzondering hierop vormen de maatwerkvoorzieningen traject 2A, traject 2B en maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning bij het voeren van een huishouden. Hiervoor kan het college een beschikking voor een langere termijn dan 2 jaar of een beschikking zonder einddatum toekennen. Dit in aansluiting op deze maatwerkvoorzieningen bij Zorg in Natura, waar het ook gaat om langdurige ondersteuningsvragen. In deze situaties blijft het wijkteam regie voeren, dit is verder omschreven in het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2026, bij de toelichting op artikel 5 lid 2. In lid 4 is opgenomen dat een pgb geweigerd kan worden indien er twijfel is over fraude of overtredingen die de kwaliteit van de hulp in gevaar kan brengen. In lid 5 onder a is opgenomen, dat de hoogte van een pgb wordt vastgesteld op basis van een budgetplan door de inwoner is opgesteld en waarin in ieder geval is beschreven welke zorgverleners er tegen welk tarief worden ingeschakeld door betrokkene.
Op deze manier wordt voor de definitieve vaststelling van het pgb getoetst hoe het wordt besteed. Dit is in de geest van het systeem van trekkingsrecht waarbij de betrokkene (de toekomstige budgethouder) zelf de regie heeft en houdt over het pgb. Het stimuleert hem om vooraf na te denken over de invulling van de maatwerkvoorziening maar ook om daarmee de kwaliteit van de via het pgb te leveren zorg beter te kunnen monitoren, zoals bepaald in artikel 2.3.6 lid 2 onder c van de Wmo 2015. Dat betekent ook dat verantwoording en controle zoveel mogelijk vooraf plaatsvinden, voor uitbetaling van het pgb aan de zorgverlener. Het plan moet niet voor onnodige administratieve lasten zorgen bij betrokkene. Dit plan is overigens een ander instrument dan het persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid van de Wmo 2015, aangezien dat persoonlijk plan voorafgaand aan het gesprek moet worden ingediend door betrokkene. Bij de behandeling van de Jeugdwet en de Wmo 2015 is het pgb gelijkgesteld aan de kostprijs van zorg in natura. Bij amendement Bisschop en Voortman (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr.
100) is de Jeugdwet zo aangepast dat duidelijk is geworden dat jeugdigen of hun ouders zelf kunnen bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college te bieden maatwerkvoorziening in natura. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden maatwerkvoorziening in natura. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo 2015. Het verschil in tarief kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoersof opvangvoorzieningen. Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.
Naar aanleiding van twee uitspraken van de CrvB van 16 augustus 2023(ECLI:NL:CRVB:2023:1580 en ECLI:NL:CRVB:2023:1394) is het volgende opgenomen onder lid 6: voor de minimale hoogte van het pgb-uurtarief voor individuele begeleiding of huishoudelijke ondersteuning door het sociaal netwerk wordt, in afwijking van artikel 9 lid 4 onder c, uitgegaan van respectievelijk het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30, dan wel de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 32
De volgende kosten die vermeld staan in het veertiende lid worden niet uit het pgb bekostigd: o tussenpersonen of belangenbehartigers. o reiskosten van het woonadres van de zorgverlener naar de budgethouder of vanaf het woonadres van de vorige klant van de zorgverlener. o bijkomende kosten, zoals een cursus die de zorgverlener volgt, entreegelden als de zorgverlener met de budgethouder mee gaat, maaltijden/consumpties bij overwerk, wooninitiatief enkel huis (als er een bedrag voor het wonen wordt betaald en de budgethouder zelf de zorg regelt). o feestdagenuitkering, een extra uitkering bijv. met kerst, éénmalige uitkering bij het beëindigen van een pgb zoals bij het van rechtswege stoppen van een pgb door een plotselinge opname of overlijden van een budgethouder. Doordat het tarief voor professionele en gediplomeerde hulp is gekoppeld aan de goedkoopst passende voorziening in natura, is er differentiatie mogelijk. Voor een specialistische vorm van ondersteuning zal dit pgb-tarief hoger zijn dan een pgb-tarief voor bijvoorbeeld hulp bij het huishouden. Een voorwaarde voor een professionele en gediplomeerde hulp is in elk geval dat zij in dienst zijn bij een aanbieder. Onder gediplomeerd wordt verstaan dat de betrokken medewerker (aantoonbaar) een kwalificatie heeft om de benodigde hulp of ondersteuning te verlenen.
Gelet op de opbouw van tarieven is op basis van gegevens van onder andere de NZa (Nederlandse Zorgautoriteit) het tarief voor een gediplomeerde zzp’er bepaald op maximaal 90% van de goedkoopst passende voorziening in natura. Voor de definitie van een zzp’er wordt aangehaakt bij de landelijke definities. De Belastingdienst formuleert dit als volgt: ‘Een zzp’er is een ondernemer (entiteit) voor de inkomensheffing (IH) zonder personeel of een rechtspersoon met één werknemer die tevens directeurgrootaandeelhouder (digra) is'. Een zzp’er moet dan ook als zodanig geregistreerd staan bij de Kamer van Koophandel. Het pgb-tarief voor niet-professionele hulp (vierde lid, sub c onder punt 3), uit het eigen sociaal netwerk, wordt standaard 75% van de goedkoopst passende voorziening in natura vergoed. Deze 75% is echter in deze verordening gemaximeerd op een tarief van € 25.65 per uur in overeenstemming met het tarief in de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet voor mantelwerkers. Het kan voorkomen dat een pgb wordt aangevraagd voor ondersteuning door een persoon die niet tot de in het vierde lid genoemde categorieën behoort.
Hierbij kan gedacht worden een niet-professional die ook niet behoort tot het sociaal netwerk of een persoon behorende tot het sociaal netwerk die wel een voor de ondersteuning geschikt diploma heeft maar de ondersteuning niet verricht in het kader van de uitoefening van de professie. Indien deze personen de vaardigheden en/of kwalificaties hebben om de noodzakelijke ondersteuning te bieden, kan met gebruikmaking van de hardheidsclausule afgeweken worden. Ten aanzien van het vierde lid, sub c is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) het Kabinet heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is het Kabinet van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. In overeenstemming met de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar.
Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wmo 33
2015 weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid van de Wmo 2015). Met betrekking tot toekenning van een pgb voor jeugdhulp hebben wij omwille van uniformiteit aan inwoners gekozen voor het gelijk stellen aan wat is opgenomen in de Wmo 2015, zij het met als extra voorwaarde dat een pgb voor jeugdhulp alleen wordt ingezet als dat aantoonbaar bijdraagt aan de beoogde doelen van de jeugdige in het gezin. Artikel 9 lid 6 is nieuw. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van augustus 2023, moet worden aangesloten bij de relevante cao’s, inclusief vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Verder moet ten minste het minimumloon worden betaald, ook voor hulp uit het sociaal netwerk. De in het negende lid omschreven dagwaarde wordt bepaald door de aanschafwaarde en de afschrijvingstermijn (voor hulpmiddelen 7 jaar en bij hulpmiddelen voor jeugdigen 5 jaar). De aanschafwaarde kan worden aangetoond middels de aankoopbon. Indien aanvrager hier niet over beschikt, bepaalt de gecontracteerde aanbieder de dagwaarde, mede op basis van de cataloguswaarde. Ter aanvulling op het tiende lid wordt verstaan: 2 a.
onder ‘standaard’ woningaanpassingen wordt verstaan de materialen en benodigdheden voor levering en plaatsing van standaard woningaanpassingen als bedoeld in de prijslijst woningaanpassingen en als bijlage opgenomen in het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022. 2 b. Onder een complexe woningaanpassing wordt verstaan een woningaanpassing waarbij het sociale wijkteamlid c.q. ergotherapeut de overweging maakt of de externe adviseur ingeschakeld moet worden. Het vijftiende lid draagt ertoe bij om de rol van de pgb budgethouder en zijn budgetbeheerder zo zuiver mogelijk te houden en beschrijft de omstandigheden waarin in beginsel geen verantwoorde uitvoering kan worden gegeven aan de aan de pgb verbonden taken. Het zeventiende lid bevat een verplichting aan het college om de wijze van vaststellen van de hoogte van een pgb in nadere regeling uit te werken. Daarnaast bevat het een mogelijkheid om bij nadere regeling indien nodig aanvullende eisen te stellen aan het verstrekken van een pgb. Artikel 1210. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb Artikel 1311. Regels voor bijdrage in de kosten van voorzieningen Deze bepaling geeft uitvoering aan de bepalingen over de eigen bijdrage in de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de Wmo 2015. De Jeugdwet kent geen eigen bijdrage.
De Wmo 2015 maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag maximaal kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat het Kabinet gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een betrokkene verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat het Kabinet ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen zoals een laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van (eigen) bijdragen. Wanneer een algemene 34
voorziening (financieel) laagdrempelig wordt gemaakt, is de kans groot dat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. In artikel 1311 is een uitsplitsing gemaakt naar een vaste bijdrage voor van gemeentewege georganiseerde algemene voorzieningen (eerste lid) en een eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen (tweede lid). De vaste bijdrage wordt niet door het CAK geïnd. Deze kan bijvoorbeeld per activiteit of op abonnementsbasis in rekening worden gebracht. De vaste bijdrage bedraagt, zoals beschreven in lid 1 sub b, maximaal de kostprijs voor deelname aan de betreffende algemene voorziening. De vaste bijdrage kan per type algemene voorziening apart worden vastgesteld in overleg tussen de gemeente en bij de voorziening betrokken organisaties. Artikel 1311, lid 2 sub b: In de memorie van toelichting staat: Voor hulpmiddelen en voor woningaanpassingen die in eigendom worden overgedragen dient op kostprijs gecontroleerd te worden of deze zijn afbetaald. Aangezien de cliënt eigenaar wordt van deze goederen en er voor de gemeente na de eigendomsoverdracht geen kosten meer aan de verstrekte voorziening zijn verbonden, is het onlogisch om de cliënt meer te laten betalen dan de kostprijs.
Artikel 1311, lid 2 sub g: De ritprijs voor het collectief vraagafhankelijk vervoer bedraagt € 0,91 (prijspeil 2024) per zone en wordt jaarlijks geïndexeerd met de Landelijke Tariefindex (LTI). De kwaliteit en beschikbaarheid van het collectieve vervoer zijn immers voor alle klanten gelijk, ongeacht de gemeente waarin deze woonachtig zijn. De maximale ritlengte is 5 zones. Voor bovenlokaal vervoer verder dan deze vijf zones zal men worden verwezen naar taxivervoer via het landelijk georganiseerde Valys. Het primaat bij maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning bij het verplaatsen in de eigen leefomgeving ligt bij het collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals omschreven in artikel 4.4 van het besluit. Deze voorziening is bestemd voor mensen die in hun directe leef- en woonomgeving een zelfstandige vervoersbehoefte hebben en hierin niet zelfstandig of met behulp van hun sociaal netwerk kunnen voorzien, of om medische redenen geen gebruik van het openbaar vervoer kunnen maken. Wanneer er, al dan niet medische, begeleiding noodzakelijk is, wordt dat vastgelegd in het leefzorgplan. Artikel 1311, lid 2 sub h: De kostprijs voor hulpmiddelen (excl. trapliften) is gebaseerd op een gemiddeld tarief, waarbij de onderhoudskosten voor 7 jaar worden meegerekend evenals eventuele verzekeringskosten (incl. kostprijsverhogende btw).
Het gemiddelde tarief wordt berekend op basis van een gemiddelde van nieuwprijs (incl. kostprijsverhogende btw) en herverstrekkingsprijs (incl. kostprijsverhogende btw). De berekening van de kostprijs is als volgt: (nieuwprijs incl. btw + (2,5 x herverstrekkingsprijs incl. btw): 7 jaar afschrijvingstermijn + 7 jaar x onderhoudstarief (incl. eventuele verzekeringskosten) Met de invoering van het abonnementstarief voor de Wmo maatwerkvoorzieningen blijft de controle op het verbod op het overstijgen van de kostprijs (ten opzichte van de te betalen bijdrage) van toepassing voor enkele voorzieningen. Dit zijn: - de algemene voorzieningen die buiten het abonnementstarief vallen; maatwerkvoorzieningen die in een AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) omschreven zijn; - woningaanpassingen en hulpmiddelen. 35
Dit betekent dat bij Wmo-hulpmiddelen (waaronder trapliften) en woningaanpassingen die worden verstrekt in eigendom of in bruikleen de kostprijs wordt bewaakt. De hoogte van de kostprijs bepaalt de duur van het betalen van de eigen bijdrage (€ 21,00 [per 1-1-2025) door de inwoner. Artikel 1412. Tegemoetkoming aannemelijke meerkosten In artikel 2.1.7 van de Wmo 2015 is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Zoals in het eerst lid staat benoemd, kan de tegemoetkoming alleen op aanvraag worden verstrekt zodat het college kan toetsen of dit in overeenstemming is met de criteria welke bij nadere regeling zijn uitgewerkt. De beslissing op een dergelijke aanvraag is een beschikking zoals bedoeld in artikel 1:3 lid 2 van de Awb waarvoor een beslistermijn dient te worden gehanteerd van maximaal acht weken. Artikel 1513. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Dit artikel is een uitwerking van de bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/14 33 684, nr.
11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de Jeugdwet, en artikel 2.1.3, vierde lid, van de Wmo 2015, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, evenals van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet respectievelijk de Wmo 2015. Ook deze bepaling beoogt het standaardiseren met de regelgeving met betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Zie ook de toelichting onder artikel 9 (Regels voor pgb). In de toelichting op de nota van wijziging van de Jeugdwet is bovendien vermeld dat het tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. De artikelen 8.1.2 tot en met 8.1.4 van de Jeugdwet (oorspronkelijk genummerd: 8.1.1a tot en met 8.1.1c) zijn eveneens bij nota van wijziging en ter standaardisering van de regelgeving aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het eerste lid wordt verwezen naar wettelijke bepalingen over het terugvorderen van maatwerkvoorzieningen en pgb’s, en onder bijzondere omstandigheden de geldwaarde daarvan.
Om de Wmo 2015 en de Jeugdwet ten aanzien van het vorderen van kosten te onderscheiden betreft Artikel 11, lid 1 sub b de Jeugdwet (artikel 8.1.4) die geldt voor pgb's en artikel 11, lid 1 sub a de Wmo 2015 (artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4) die geldt voor maatwerkvoorzieningen en pgb's. Dit zijn regels voor het verhaal van kosten en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. De geldwaarde mag alleen worden teruggevorderd indien er sprake is van opzettelijke verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door betrokkene. Ten aanzien van de Jeugdwet geldt eveneens de delegatiebepaling in artikel 2.9, onder d. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de Memorie van Toelichting op artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een 36
al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het tweede lid is opgenomen dat college de bevoegdheid heeft tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte maatwerkvoorzieningen. Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een maatwerkvoorziening inkoopt op basis van de behoefte op dat moment. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen maatwerkvoorziening is ingekocht, heeft het college op grond van het tweede lid de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Voor de tegemoetkoming aanvullende meerkosten (artikel 12) geldt dit niet aangezien deze tegemoetkoming niet aan de definitie van een pgb voldoet. In het vierde lid worden intrekkingsmogelijkheden van een pgb benoemd, daar dit is geen limitatief overzicht. Daarom is in het vijfde lid voorzien in een delegatiebepaling zodat het college dit waar nodig kan aanvullen om een completer beeld te geven van de intrekkingsmogelijkheden. Artikel 1614. Controle en heronderzoek Dit artikel sluit nauw aan op artikel 13 omdat dit enkele specifieke bepalingen bevat over het bestrijden van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen of oneigenlijk gebruik van de wetgeving.