CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

472223 Bijl21 Bijlagen bij toelichting Bijl14 Ecologie - Quickscan flora en fauna.pdf

Raadsvergadering 11 juni 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 5.3: Vaststellen bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Veilingterrein (401218)9.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Quickscan flora en fauna Veilingterrein te Venlo (2207/101/ERO-01

,

versie 2)

Tritium) î

ee,

documentkenmerk:

2207/101/ERO-01,

Quickscan flora

in

opdracht

en

versie

2

fauna

van

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) Aveco

de

betreffende

locatie

Veilingterrein (Hagerhofweg 2) Venlo

documentkenmerk

2207/101/ERO-01 versie 2

vestiging Nuenen

datum 2

juni

2023

opgesteld door:

gecontroleerd door:

(geanonimiseerd) Ns:

(geanonimiseerd) Ns:

Projectleider ecologie

Projectleider ecologie

Op dit rapport

is

een

disclaimer

Tritium

Advies

Adviseurs

in

T.

088 44

E.

info@tritium.nl www.tritium.nl

I. KvK-nr.

van

toepassing;

zie

https://www.tritium.nl/disclaimer/29-04-2021

B.V.

bouwen,

milieu

en

veiligheid

Tritium

Advies

is

gevestigd

Arkel

Breda

»

Neer

02 900

17108024

»»

Nuenen

»

Rijkevoort

>»

in:

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

1

1. 1 1. 2

Quickscan flora en fauna Natuurbescherming

1 1

2

Plangebied

4

3

Gebiedsbescherming

9

3. 1 3. 2

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland

9 12

4

Houtopstanden

14

4. 1 4. 2 4. 3

Definitie en wetgeving Waarnemingen en analyse Deelconclusie houtopstanden

14 14 15

5

Soortbescherming

16

5. 1 5. 2 5. 3 5. 4 5. 5 5. 6 5. 7 5. 8 5. 9

Soortverspreiding Veldbezoek Flora Vogels Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën , reptielen en vissen Ongewervelden Invasieve exoten

16 16 17 18 20 27 31 37 38

6

Conclusies

40

6. 1 6. 2 6. 3 6. 4 6. 5

Beschermde gebieden en soorten Aanvullend onderzoek Zorgplicht Eindconclusie Advies

40 41 42 44 44

7

Literatuurlijst

45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

1

Inleiding

1. 1 Quickscan flora en fauna 1. 1. 1

Doel van het onderzoek

Een Quickscan flora en fauna is een verkennend onderzoek waarin de ecologische waarden van een plangebied worden nagegaan. Het doel ervan is te bepalen of de voorgenomen wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (BWBR0037552 – Nederland). Het is noodzakelijk om voorafgaand aan ruimtelijke inrichting en aan ruimtelijke ingrepen te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde leefgebieden , op beschermde planten en of op beschermde diersoorten. Dit onderzoek voorziet in deze toetsing.

1. 1. 2

Te verwachten resultaten

Op basis van een Quickscan flora en fauna zal blijken of er een overtreding van de geldende natuurwetgeving te verwachten is. Hiermee kan worden voorkomen dat er in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld. Het uitvoeren van een verkennend onderzoek kan voldoende zijn om aan te tonen of een planvoornemen uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Soms zijn er echter meer soortgegevens nodig en is aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk. Een Quickscan flora en fauna stelt dit vast.

1. 2 Natuurbescherming In Nederland geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet geeft invulling aan de bescherming natuurgebieden , van dieren en van planten en vloeit voort uit de Europees vastgelegde natuurwetgeving. De Nederlandse provincies bepalen het natuurbeleid voor hun gebied. Het onderstaande schema geeft een overzicht natuurbescherming in Nederland.

van

van

het geldend wettelijk kader omtrent

pagina 1 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Het onderzoek dat in dit document gerapporteerd wordt , behandelt de bescherming van gebieden , soorten en houtopstanden en komt dusdanig in aanraking met Natura 2000-gebied , het Natuurnetwerk Nederland en de lijst van in Nederland beschermde soorten. In de provincie Limburg wordt het Natuurnetwerk Nederland ook aangeduid als de Goudgroene natuurzone. Naast de Goudgroene natuurzone als Limburgs deel van nationale natuurnetwerk zijn er ook de Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone gedefinieerd. De Zilvergroene natuurzone ondersteunt , zonder er deel van uit te maken , de Goudgroene natuurzone

pagina 2 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

door te focussen op ontwikkelingskansen van natuur en landschap. De bronsgroene natuurzone betreft het winterbed van de Maas , bufferzones rondom bestaande natuurgebieden en landschappelijk waardevolle beekdalen en is gericht op de bescherming van landschappelijke kernkwaliteiten.

pagina 3 van 45

Tritium) i

ee,

documentkenmerk:

2207/101/ERO-01,

2

Plangebied

2

Onderstaande tabel 2.1

geeft

planvoornemen.

2.1

van

versie

het

Tabel

Figuur

plangebied 2.1:

de

toont het

opzichte

ten

Kerngegevens

locatiegegevens

van

van

in

plangebied

van

de

omgeving

het

plangebied

het

plangebied

zijn huidige

en

conditie

verduidelijkt

het

2.2

laat

en

figuur

de

locatie

zien.

en

het

planvoornemen.

Kerngegevens

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Aveco

Opdrachtgever

Hagerhofweg

Adres Kadaster Kadaster Kadaster

de

perceelnummer(s) sectie(s) gemeente

—

—

-

Oppervlakte

5912

PN

|7794

& 5080

2

VENLO

H Venlo 69.309

m2?

Het

plangebied omvat een voormalig veilingterrein met een grote loods, een bijgebouw en een parkeerterrein. Binnen het plangebied bevinden zich in het noorden een aantal bomen met daaronder groenstruweel, Daarnaast zijn er groenen houtstruwelen aanwezig op de grenzen rondom het

Huidig gebruik

Groenstructuren

plangebied. Waterlichamen

Omgeving opgehaald

het

net

Het

plangebied zijn geen waterlichamen aanwezig. Ten plangebied bevindt zich een sloot. voornemen bestaat om de huidige bebouwing te slopen in

het

kader

buit het

van

de transformatie

van

het

terrein

naar

een

gemengd gebied wonen, werken, onderwijs, zorg en een groene leefomgeving. De groenstructuren aan de randen van het plangebied blijven hierbij waar mogelijk behouden. In de toekomstige situatie zal 65-70% als groene leefomgeving worden ingericht. Het plangebied bevindt zich midden in de bebouwde kom van de stad Venlo, in een stedelijke omgeving. Het plangebied is onderdeel van het aanwezige bedrijventerrein.

Geplande realisatie

Informatie

Binnen zuiden

op

23

augustus

2022

(Perceelloep).

pagina

4

van

45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Figuur 2. 1: Huidige situatie

van

het plangebied: detailkaart.

Figuur 2. 2: Huidige situatie

van

het plangebied: omgevingssituatie.

pagina 5 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Onderstaande foto’s in figuur 2.3 , gemaakt situatie van het plangebied.

op

8 augustus 2022 , geven

Foto A

Foto B

Foto C

Foto D

Foto E Figuur 2. 3: Foto’s van de huidige situatie

een

beeld

van

de huidige

Foto F van het plangebied.

pagina 6 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Foto G

Foto H

Foto I

Foto J

Foto K Foto L Figuur 2. 3 (vervolg): Foto’s van de huidige situatie van het plangebied.

pagina 7 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Foto M

Foto O Figuur 2. 3 (vervolg): Foto’s

Foto N

Foto P van de huidige situatie van het plangebied.

pagina 8 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

3

Gebiedsbescherming

3. 1 Natura 2000 3. 1. 1

Bronnenonderzoek Ja

Nee

Ligt het plangebied in een Natura 2000-gebied?

X

0 km Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Duitsland? Welk Natura 2000-gebied betreft het?

0 – 10 km 339 km , (figuur 3. 1)

Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald 0 km

0 – 10 km

Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in Nederland?

km 835 , (figuur 3. 2)

Welk Natura 2000-gebied betreft het?

Maasduinen

Figuur 3. 1: Plangebied ten opzichte (inclusief Duitsland).

van

> 10 km

u.

Meinweg

> 10 km

de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden

pagina 9 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Figuur 3. 2: Plangebied ten opzichte Nederland. Natura 2000- gebied

van

het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in

- Schwalm-Nette-Platte

mit Grenzwald und Meinweg

Gebiedskenmerken: Het beschermde gebied " Schwalm-Nette-Platte met Grenzwald en Meinweg " wordt beschreven als een uniek habitatcomplex van stilstaand water , schaarse gemengde dennen- , beuken en eikenbossen , heidevelden , natuurlijke waterlopen en moeras- en uiterwaardenbossen. Deze grote diversiteit en kwaliteit van habitats maken het gebied uitermate aantrekkelijk voor een groot aantal broed- , rust- en trekvogelsoorten. Het gebied is een belangrijk vogelreservaat en fungeert als broedlocatie voor bijvoorbeeld de blauwborst , de boomleeuwerik , de wintertaling , de roodborsttapuit en de fuut. Deze en verdere informatie over dit gebied is te vinden Duitsland (Natura 2000 – Naturschutz informationen)

Natura 2000- gebied

–

op

de website van Natura 2000 in

Maasduinen

Gebiedskenmerken: De paraboolduinen , ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen , vormen het karakteristieke landschap van de Hamert en de rest van de Maasduinen. In de open heide liggen veel vennen , waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn. De overgangen van vennen naar natte heide

pagina 10 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

zijn geleidelijk. Langs de Eckelsche Beek liggen hoge steilranden. Ten zuiden van Nieuw-Bergen ligt een restant van een oud kampenlandschap. In de Hamert ligt tevens een hoogveenrestant , het Pikmeeuwenwater. Het zandgebied grensde aan de oostkant in het verleden aan een uitgestrekt veengebied , delen hiervan worden nu hersteld in het natuurontwikkelingsplan Heerenveen. Aan de westkant van de Hamert is in het Maasdal stroomdalgrasland aanwezig. Het meest zuidelijke deelgebied herbergt een Maasmeander met berkenbroekbos. Beschermde habitattypen: Er worden zestien habitattypen beschermd: stuifzanden met struikhei (H2310) , zandverstuivingen (H2330) , zwakgebufferde bennen (H3130) , zure vennen (H3160) , vochtige heiden (H4010A)m droge heiden (H4030) , stroomdalgraslanden (H6120) , ruigten en zomen (H6430A- H6430C) , actieve hoogvenen (H7110B) , pioniervegetatie met snavelbiezen (H7150) , beuken- en eikenbossen met hulst (H9120) , oude eikenbossen (H9190) , hoogveenbossen (H91D0) , vochtige alluviale bossen (H91E0A-H91E0B-H91E0C) en droge hardhoutooibossen (H91F0). Beschermde soorten: Er leven zes soorten die beschermd zijn via de Habitatrichtlijn; de gevlekte witsnuitlibel , de kleine modderkruiper , de rivierdonderdag , de kamsalamander , de bever , de drijvende waterweegbree. Deze en verdere informatie Nederland (Natura 2000)

3. 1. 2

over

dit gebied is te vinden

op

de website van Natura 2000 in

Deelconclusie Natura 2000-gebieden

Met het meest nabije Natura 2000-gebied op minder dan 10 kilometer afstand valt een negatief effect van de geplande acties op Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten (Aanpak Stikstof). Door de korte afstand kan er mogelijk verspreiding van schadelijke stoffen via de lucht of het water naar Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Een stikstofberekening om eventuele stikstofdepositie ten gevolge van de geplande inrichtings- , sloop- en/of bouwwerkzaamheden (gebruikersfase) op Natura 2000-gebieden aan te tonen of uit te sluiten is daarom noodzakelijk.

pagina 11 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

3. 2 Natuurnetwerk Nederland 3. 2. 1

Bronnenonderzoek Ja

Nee

Ligt het plangebied in een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland?

X

0 m Wat is de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland?

0 – 600 330

m

> 600 m

m

Welk natuurgebied betreft het?

De Oude Beemden

Welk type natuurgebied is het?

Rivier (N02.01) , Kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) , Ruigteveld (N12.06) , Rivier- en beekbegeleidend bos (N14. 01) en Haagbeuken- en essenbos (N14. 03) (BIJ12) 0 m

Wat is de afstand tot de dichtstbijzijnde gebieden die behoren tot de Groenblauwe mantel?

0 – 600 270

Welk natuurgebied betreft het?

m

> 600 m

m

Wijlderbeek

0 m

0 – 600

m

Wat is de afstand tot de dichtstbijzijnde gebieden die behoren tot de Groenblauwe mantel?

300

Welk natuurgebied betreft het?

Molenbeek

> 600 m

m

pagina 12 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Figuur 3. 2: Plangebied ten opzichte van de dichtstbijzijnde natuurgebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland of de Groenblauwe mantel. Ja Hanteert de provincie een externe werking wat betreft gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland?

Nee X

Betekenis: Indirecte aantasting van natuurgebieden door werkzaamheden in de buurt van die gebieden moet niet in rekening gebracht worden.

3. 2. 2

Deelconclusie Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de Groenblauwe mantel. De provincie Limburg hanteert geen externe werking als het gaat om het Natuurnetwerk Nederland en de Groenblauwe mantel. Mogelijke aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van een natuurgebied door de geplande werkzaamheden hoeft niet te worden onderzocht. Aan het concrete beleid rondom gebieden behorende tot de groenblauwe mantel wordt invulling gegeven door de gemeente Venlo.

pagina 13 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

4

Houtopstanden

4. 1 Definitie en wetgeving Volgens artikel 4. 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden een houtopstand (bos , houtwallen , heester- en struikhagen , struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen , met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout , zonder voorafgaande melding daarvan bij de gedeputeerde staten. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden.

4. 2 Waarnemingen

en

analyse Ja

Bevindt

er zich een

houtopstand binnen het plangebied?

Beslaat het oppervlakte 1000

m 2 of

Nee

X

meer?

Bestaat de houtopstand uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat , gerekend over het totaal aantal rijen?

nee

nee

Figuur 4. 1: Locatie van de te rooien houtopstand binnen het plangebied.

pagina 14 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

De te rooien houtopstanden binnen het plangebied staan niet op de bomenkaart met monumentale bomen en beschermde houtopstanden van de Gemeente Venlo. Rondom het plangebied zijn groenen houtstruwelen aanwezig , een deel hiervan staat aangeduid op de bomenkaart van de Gemeente Venlo. Als gevolg van het planvoornemen worden de groenstructuren aan de randen van het plangebied waar mogelijk behouden. Indien de exacte plannen bekend zijn , dient er door een ecologisch deskundige te worden getoetst of er vanuit de Wet Natuurbescherming verplichtingen zijn omtrent de houtopstanden buiten het plangebied.

4. 3 Deelconclusie houtopstanden De binnen dit planvoornemen te vellen houtopstand is kleiner dan 1000 m 2 in oppervlakte en bestaat niet uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen bevat. Hierdoor bestaan er geen verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming. De houtopstanden vallen wel binnen de bebouwde kom. De te rooien houtopstanden binnen het plangebied staan niet op de bomenkaart met monumentale bomen en beschermde houtopstanden van de Gemeente Venlo , waardoor er vanuit gemeentelijk beleid geen verplichtingen zijn. Indien de exacte plannen bekend zijn omtrent de groenstruwelen en houtopstanden rondom het plangebied , dient er door een ecologisch deskundige te worden getoetst of er vanuit de Wet Natuurbescherming verplichtingen zijn betreft de houtopstanden.

pagina 15 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

5

Soortbescherming

5. 1 Soortverspreiding Aan de hand van gepubliceerde datasets en literatuuronderzoek is bepaald welke soorten potentieel voorkomen in de directe omgeving van het plangebied. Van elk van deze soorten is dan de status van bescherming volgens de Wet natuurbescherming nagegaan. In de onderstaande paragrafen , die telkens één soortgroep behandelen , is eerst dit opzoekingswerk samenvat. In verspreidingsatlassen , zoals die van de Nederlandse Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) , wordt gewerkt met atlasblokken (5 x 5 km) en kilometerhokken (1 x 1 km) om aan te geven welke soorten in de afgelopen jaren zijn waargenomen in het gebied. Een atlasblok bevat 25 kilometerhokken. Aangezien het plangebied slechts een klein gedeelte van het kilometerhok en het atlasblok beslaat , is het niet zeker dat de geregistreerde soorten ook daadwerkelijk voorkomen binnen het plangebied.

Code

van

het atlasblok waarin het plangebied ligt.

5816

X-coördinaat

van

het kilometerhok waarin het plangebied ligt.

208

Y-coördinaat

van

het kilometerhok waarin het plangebied ligt.

374

5. 2 Veldbezoek Tijdens een bezoek aan het plangebied is zoveel mogelijk informatie verzameld over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Hierbij zijn waarnemingen , zowel visueel als auditief , en sporenonderzoek cruciaal. Er is gekeken naar de aanwezigheid van vraat- , loop- en veegsporen , nesten , holen , uitwerpselen , prooiresten en haren. Daarnaast is op basis van terreinkenmerken beoordeeld of het plangebied geschikt is voor de in de regio voorkomende beschermde soorten. Een Quickscan flora en fauna is een momentopname en geen veldinventarisatie omdat veldinventarisaties meerdere seizoensgebonden opnamerondes inhouden die volgens standaardmethoden worden uitgevoerd. Het kan dus voorkomen dat soorten niet worden waargenomen tijdens het veldbezoek. Hierdoor kan slechts in beperkte mate uitsluitsel worden gegeven over de aan- of afwezigheid van soorten. Aan de hand van expert judgement (beoordeling door experten) en bekende ecologische principes is daarom een inschatting gemaakt over het kunnen voorkomen van beschermde plant- en diersoorten in het plangebied.

Datum Dagdeel

van van

het veldbezoek

8 augustus 2022

het veldbezoek

ochtend

Temperatuur tijdens het veldbezoek

21 ˚C

pagina 16 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Weersomstandigheden tijdens het veldbezoek

droog

Windkracht tijdens het veldbezoek

2 Bft

5. 3 Flora 5. 3. 1

Soortverspreiding

In Nederland groeien ca. 80 plantensoorten die een beschermde status hebben op Europese en/of nationale schaal. Deze soorten komen veelal voor in gebieden die beschermd zijn via de Europese habitatrichtlijn maar enkele soorten , zoals bijvoorbeeld de schubvaren , komen ook voor in het stedelijk gebied. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor beschermde planten. Ook is de eventuele aanwezigheid van invasieve exoten – planten van elders die een bedreiging vormen voor de inheemse soorten – vastgesteld.

5. 3. 2

Waarnemingen en analyse

Het veldbezoek vond plaats in de zomer , wanneer veel planten zichtbaar zijn. Tijdens het veldbezoek zijn er binnen het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Ze zijn er ook niet te verwachten door het stedelijke karakter en door de aanwezige bestrating binnen het plangebied. Beschermde soorten komen vooral voor op voedselarme , kalkhoudende grond en in ecologisch omstandigheden die plantendiversiteit stimuleren.

5. 3. 3

Deelconclusie

Er zijn geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de flora.

pagina 17 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

5. 4 Vogels 5. 4. 1

Soortverspreiding

Alle niet-exotische , in het wild levende vogels die in Nederland broeden , te gast zijn of doortrekken , in totaal zo’n 290 soorten , zijn beschermd via de Vogelrichtlijn (Brochure MEZ). In de onderstaande tabel zijn de vogelsoorten opgenoemd waarvan de nestplaatsen jaarrond beschermd zijn in de provincie van het plangebied. Het betreft vogels die gebonden zijn aan vaste broedlocaties en daardoor niet kunnen uitwijken naar andere mogelijk geschikte locaties in de omgeving van het plangebied. Omdat het vernietigen of verstoren van hun broedplaatsen in strijd is met de Wet natuurbescherming , is tijdens het veldbezoek nagegaan of deze soorten in het plangebied voorkomen en broeden. Hierbij zijn de verspreidingskaarten opgesteld door het Sovon , geraadpleegd om na te gaan of de soort in de buurt van het plangebied voorkomt (SOVON). Tabel 5. 4. 1: Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in de provincie Limburg. Categorie

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten

1

Jaarrond gebruikte nesten

kerkuil , oehoe , roek , steenuil

2

Zeer honkvast of gebouwafhankelijk

boerenzwaluw , bosuil , gierzwaluw , grote gele kwikstaart , huismus , huiszwaluw , ooievaar , slechtvalk

3

Zeer honkvast en jaarlijks terugkerend

boomvalk , havik , raaf , ransuil , rode wouw , torenvalk , wespendief , zwarte wouw

Vogelsoorten waarvoor voldoende functioneel leefgebied moet behouden blijven bijeneter , blauwe reiger , buizerd , draaihals , grauwe 4

Honkvast maar flexibel , doch

klauwier , grutto , ijsvogel , kramsvogel , kwartelkoning ,

kwetsbaar

oeverzwaluw , paapje , ringmus , roerdomp , sperwer , spotvogel , visdief , wulp , zomertortel , zwarte specht

5. 4. 2

Waarnemingen en analyse

Tijdens het veldbezoek zijn de onderstaande soorten en sporen waargenomen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied is dus voor deze soorten geschikt als onderdeel van het leefgebied. Tabel 5. 4. 2: Lijst van de tijdens het veldbezoek waargenomen vogelsoorten Vogelsoort

Latijnse naam

Aantal

Type waarneming

Nest

houtduif

Columba palumbus

1

visueel

nee

koolmees

Parus major

1

auditief

nee

witte kwikstaart

Motacilla alba

1

visueel

nee

zwarte roodstaart

Phoenicurus ochruros

2

visueel & sporen

nee

Tabel 5. 4. 3: Details van de tijdens het veldbezoek aangetroffen vogelsporen Vogelsoort of soortgroep

Beschrijving van de sporen

Locatie van de sporen

Zwarte roodstaart

Uitwerpselen

In de loods

Houtduif

Uitwerpselen

In de loods

pagina 18 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Foerageer- en leefgebied Uit de bovenstaande waarnemingen en de observaties ter plekke blijkt dat het plangebied geschikt is als foerageergebied voor stadsvogels , tuinvogels en struweelvogels. Voor akkervogels , bosvogels , moerasvogels , roofvogels , watervogels en weidevogels zijn geen geschikte biotopen aanwezig. Het plangebied is echter geen essentieel foerageergebied voor de voorkomende soorten omdat er in de buurt van het plangebied alternatief foerageergebied aanwezig is. Voorbeelden zijn de omliggende parken en de begraafplaats ten zuiden van het plangebied. Natuurgebonden nesten Hoewel er geen nesten zijn waargenomen binnen het plangebied kunnen de aanwezige bomen en struiken wel dienen als broedgelegenheid voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten. Broedende vogels zijn erg gevoelig voor verstoring door werkzaamheden. Door de algemene beschermingsstatus van vogels in Nederland kunnen sloop- , bouw- of inrichtingswerkzaamheden alleen plaatsvinden als er geen broedende vogels aanwezig zijn op of in de directe omgeving van het plangebied. Wanneer er zo gehandeld wordt , zijn er geen nadelige effecten te verwachten voor broedende vogels. Gebouwgebonden nesten Het plangebied is geschikt bevonden als vaste verblijfplaats voor de onderstaande soort met jaarrond beschermd nest.

een

Huismus In de gevels van de aanwezige bebouwing zijn ruimtes aanwezig die geschikt zijn als jaarrond beschermde verblijfplaatsen voor huismussen. Daarom dient er aanvullend onderzoek te worden gedaan naar deze soort. In de onderstaande tabel en figuur zijn de details van de mogelijke nestlocaties weergegeven. Tabel 5. 4. 4: Lijst van aangetroffen nesten en potentiële nestlocaties van de huismus Locatie binnen het plangebied

Beschrijving van de nestlocaties

In-/uitvliegende vogel(s) waargenomen

1

Noordgevel

Ruimte onder boeiboord

nee

2

Oostgevel

Ruimte onder boeiboord en opening op de hoek van het boeiboord

nee

Foto A

Foto B

pagina 19 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Foto E Figuur 5. 4. 1: Foto’s

van

mogelijk nestplaatsen

voor

de huismus binnen het plangebied.

De bebouwing binnen het plangebied is ongeschikt bevonden als gierzwaluw verblijfplaats omdat de openingen zich te laag in de gevel bevinden.

5. 4. 3

Deelconclusie vogels

Een aantal vogelsoorten benut het plangebied als foerageer- en broedgebied. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen. Het plangebied zal geen essentieel foerageergebied zijn voor deze soorten. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Er kunnen geen verstorende werkzaamheden zoals sloop- en bouwwerkzaamheden of verwijdering van beplanting plaatsvinden wanneer er broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied of de nabije omgeving. Indien er op deze manier wordt gehandeld , treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden tussen begin oktober en half februari worden er eveneens geen nadelige effecten verwacht voor vogels.

5. 5 Grondgebonden 5. 5. 1

zoogdieren

Soortverspreiding

Onderstaande tabel 5. 5. 1 geeft een overzicht van de in het wild levende grondgebonden zoogdieren die zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF). Zeezoogdieren , huisdieren , vee en exoten zijn niet opgenomen in de lijst en vleermuizen worden in het volgende deelhoofdstuk behandeld. Er is voor elke soort aangegeven of die op Europese (EU) of nationale (NL) schaal bescherming geniet , of er zorgplicht geldt voor de soort (ZORG) en of de soort vrijgesteld is van bescherming (VRIJ) in de provincie van het plangebied. De laatste kolom (plangebied) vat samen welke beschermde soorten relevant zijn voor het plangebied (***). Deze soorten worden behandeld in de volgende paragrafen.

pagina 20 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2 Tabel 5. 5. 1: Lijst van grondgebonden zoogdieren die voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse

Latijnse

soortnaam

soortnaam

aardmuis

Microtus agrestis

bever

Castor fiber

bosmuis

damhert

Dama dama

dwergmuis

Micromys minutus

dwergspitsmuis

Sorex minutus

edelhert

Cervus elaphus Sciurus vulgaris

roofdierenmarterachtigen evenhoevigen knaagdieren-ware muizen insectenetersspitsmuizen evenhoevigen knaagdierenoverige insectenetersoverige

Lepus europaeus

haasachtigen

huismuis

Mus musculus

huisspitsmuis

Crocidura russula Oryctolagus

ZORG

VRIJ

X

X

X

X

X

X

X

roofdierenmarterachtigen

haasachtigen

cuniculus

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

deels

***

X

X

X

***

X

X

X

X

X

X

Talpa europaea

ondergrondse

Microtus

knaagdieren-

woelmuis

subterraneus

woelmuizen

ree

Capreolus capreolus

evenhoevigen

rosse woelmuis

Myodes glareolus

steenmarter

Martes foina

veldmuis

Microtus arvalis

vos

Vulpes vulpes

waterspitsmuis

Neomys fodiens

X ***

***

X X

X

X

X

X

X

insecteneters-

mol

X

X

muizen spitsmuizen

***

X

knaagdieren-ware insecteneters-

X

overige X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

deels

X

X

X

roofdierenhondachtigen

X

X

X

insecteneters-

X

X

knaagdierenwoelmuizen roofdierenmarterachtigen knaagdierenwoelmuizen

plangebied

X

muizen

Erinaceus

Mustela erminea

X

NL

knaagdieren-ware

europaeus

hermelijn

konijn

overige muizen

Mustela putorius

haas

knaagdieren-

sylvaticus

bunzing

egel

woelmuizen

knaagdieren-ware

Rattus norvegicus

EU

knaagdieren-

Apodemus

bruine rat

eekhoorn

Diergroep

***

***

pagina 21 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2 Nederlandse

Latijnse

soortnaam

soortnaam

Diergroep

EU

NL

ZORG

VRIJ

X

X

X

X

X

X

X

X

X

plangebied

spitsmuizen wezel

Mustela nivalis

wild zwijn

Sus scrofa

woelrat

Arvicola amphibius

wolf

Canis lupus

roofdierenmarterachtigen evenhoevigen knaagdierenwoelmuizen roofdierenhondachtigen

X

*** X ***

Diergroepen zijn volgens het soortenoverzicht van de Zoogdiervereniging van Nederland ().

5. 5. 2

Waarnemingen en analyse

Tijdens het veldbezoek zijn exemplaren of voortplantings- en/of verblijfplaatsen van een soort aangetroffen die beschermd is volgens de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Het betreft de steenmarter. Hieronder wordt de functie van het plangebied voor elke soort die de laatste twintig jaar in de buurt van het plangebied is waargenomen verduidelijkt. Bever Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Bevers leven in het overgangsgebied tussen land en water zoals in moerassen , langs beken en bij rivieren en meren. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste voor de bever , waarbij open of rotsige oevers worden gemeden. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de bever door de afwezigheid van geschikt oppervlaktewater en natuurlijke schuilplaatsen. Nee

Damhert Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen , minder vaak in uitgestrekte naaldbossen. Hij heeft een voorkeur voor oudere bossen met een dichte onderbegroeiing. Belangrijk is dat er voldoende gras is. Ook komt hij voor in randzones bij open plekken , graslanden en akkerranden en in parkachtige bosgebieden. Het plangebied is ongeschikt voor deze soort omdat bosgebied en/of randzones met open plekken graslanden of akkerlanden geschikt leefgebied ontbreken. Nee

pagina 22 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Edelhert Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Edelherten leefden van oorsprong in open bossen maar zijn aangepast aan allerlei biotopen , van drogere loofbossen en heidevelden tot vochtige milieus als vennen en moerassen , maar ook in hoogland en berggebieden tot boven de boomgrens. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor bosgebieden die grenzen aan grasgebieden en rivierdalen met ooibossen. Het plangebied is ongeschikt voor deze soort omdat bosgebied ontbreekt , derhalve kan de aanwezigheid van het edelhert binnen het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Nee

Eekhoorn Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Eekhoorns leven in loofbos , naaldbos of gemengd bos , maar ook in tuinen , parken en houtwallen in de buurt van bos mits er voldoende voedsel aanwezig is. Binnen en rondom het plangebied zijn enkele bomen aanwezig die als schuilmogelijkheid kunnen dienen , echter is het plangebied en omgeving ongeschikt als eekhoornleefgebied door de beperkte aanwezigheid van voedselbronnen. Er wordt daarom geen verstoring van de eekhoorn middels dit planvoornemen verwacht. Nee

Steenmarter Leefgebied

Plangebied

De steenmarter komt vooral voor in parklandschap en heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw met oude schuren of gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken , heggen , bosjes , greppels en bermen van belang. De steenmarter gebruikt verblijfplaatsen zoals boomholtes , takkenhopen , dichte struwelen , zolders , kruipruimtes , spouwmuren en onder dakbedekkingen. Er zijn binnen het plangebied geschikte openingen in de bebouwing aanwezig en er zijn sporen gevonden die duiden op de aanwezigheid van een steenmarter (figuur 5. 5. 1 en 5. 5. 2). In de provincie Limburg is de steenmarter in de periode van 15 augustus t/m februari vrijgesteld. Dit betekent dat indien de werkzaamheden plaatsvinden buiten de periode dat de steenmarter is vrijgesteld (15 augustus t/m februari) , is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied noodzakelijk.

pagina 23 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Foto A – Mogelijk foerageergebied

Nee indien de werkzaamheden plaatsvinden in de periode dat de steenmarter is vrijgesteld (15 augustus t/m februari).

Foto B – Opening

naar

bebouwing

Foto C - Mogelijke steenmarter uitwerpselen Foto D - Opening naar bebouwing Figuur 5. 5. 1: Foto’s van mogelijk verblijfplaatsen en leefgebied voor de steenmarter binnen het plangebied.

pagina 24 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Figuur 5. 5. 2: Kaart van openingen die geschikt zijn voor de steenmarter van de gevonden uitwerpselen van vermoedelijk een steenmarter.

en

de locatie

Waterspitsmuis Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Wild Zwijn Leefgebied

De waterspitsmuis is een vrij zeldzame , nationaal beschermde soort in Nederland. Waterspitsmuizen leven in beek- en rivierdalen langs niet te voedselrijk water. Het plangebied is ongeschikt voor deze soort omdat geschikt leefgebied met natuurlijke dekking en oppervlaktewater ontbreekt. Nee

Het leefgebied van het wild zwijn bestaat uit droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Aanwezige omliggende akkerlanden worden gebruikt als foerageergebied. Deze soort heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de zogenaamde ‘mast’) te vinden zijn. Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen.

Plangebied

Het plangebied is ongeschikt

voor

deze soort omdat

er

pagina 25 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

onvoldoende natuurlijke dekking en voedselbronnen aanwezig zijn binnen het plangebied om dienst te kunnen doen als leefgebied. Aanvullend onderzoek noodzakelijk? Wolf Leefgebied

Nee

De wolf leeft bij voorkeur in uitgestrekte open bossen en afgelegen moerasgebieden. Het verspreidingsgebied van de wolf in Nederland is heden beperkt tot enkele gebieden. De wolf wordt verder in Nederland slechts incidenteel zwervend waargenomen.

Plangebied

Er zijn geen waarnemingen van de wolf bekend in de directe omgeving van het plangebied (Waarneming. nl). Door het beperkte verspreidingsgebied en het ontbreken van bos- en moerasgebied binnen het plangebied , kan de aanwezigheid van de wolf binnen het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

In de omgeving van het plangebied zijn voldoende alternatieven aanwezig in de vorm van parken en groenstruwelen om als foerageergebied te dienen voor algemeen voorkomende soorten.

5. 5. 3

Deelconclusie grondgebonden zoogdieren

Binnen het plangebied zijn (potentiële) vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van de steenmarter , die slechts deels is vrijgesteld door de provincie. Indien de werkzaamheden plaatsvinden buiten de periode dat de steenmarter is vrijgesteld (15 augustus t/m februari) , is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied noodzakelijk. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er daarom geen negatieve effecten te verwachten voor deze zoogdiersoorten.

pagina 26 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

5. 6 Vleermuizen 5. 6. 1

Soortverspreiding

Alle in Nederland voorkomende vleermuizen hebben een beschermde status. Het is verboden hun verblijfplaatsen aan te tasten , hun essentieel foerageergebied te vernietigen of hun vliegroutes te verstoren. Vleermuizen huizen in grotten , in boomholten of in spouwen of zolders van huizen. Ze maken gebruik van vliegroutes om zich te verplaatsen van verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Hiervoor worden lange , aaneengesloten bomenrijen en andere lijnvormige landschapsstructuren zoals heggen en houtwallen gebruikt. Tijdens het veldbezoek is nagegaan (i) of er op het plangebied locaties zijn die kunnen dienen als winter- , kraam- , paar- , zomer- en/of jaarrondverblijfplaats voor vleermuizen , (ii) of het plangebied geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen en zo ja , (iii) of het essentieel foerageergebied is en (iv) of er essentiële vliegroutes door het plangebied lopen. Onderstaande tabel duidt voor elke in Nederland voorkomende vleermuissoort aan of de soort is waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF) (Tabel 5. 6. 1 – omgeving plangebied). Tabel 5. 6. 1: Lijst van in Nederland voorkomende vleermuizen met aanduiding van hun type verblijfplaatsen en hun voorkomen in de omgeving van het plangebied. Nederlandse soortnaam

Latijnse soortnaam

Verblijfplaatsen zomer: gebouwen , bomen

Omgeving plangebied

Baardvleermuis

Myotis mystacinus

Bechsteins vleerrmuis

Myotis bechsteinii

Bosvleermuis

Nyctalus leisleri

Brandt’s vleermuis

Myotis brandtii

Bruine grootoorvleermuis

Plecotus auritus

Franjestaart

Myotis nattereri

gebouwen , bomen

nee

Gewone dwergvleermuis

Pipistrellus pipistrellus

gebouwen

ja

Grijze grootoorvleermuis

Plecotus austriacus

gebouwen

nee

Grote rosse vleermuis

Nyctalus lasiopterus

bomen , rotsspleten

nee

Ingekorven vleermuis

Myotis emarginatus

Kleine dwergvleermuis

Pipistrellus pygmaeus

gebouwen , bomen

Rhinolophus

zomer: zolders , grotten

ferrumequinum

winter: grotten

Laatvlieger

Eptesicus serotinus

gebouwen

Meervleermuis

Myotis dasycneme

Mopsvleermuis

Barbastella barbastellus

Grote hoefijzerneus

winter: groeven , bunkers , kelders zomer: bomen

winter: grotten gebouwen , bomen zomer: gebouwen

winter: groeven , grotten , bunkers zomer: gebouwen , bomen

winter: ondergrondse ruimten

zomer: gebouwen

winter: gebouwen , groeven

zomer: gebouwen

winter: bunkers , groeven zomer: gebouwen , bomen

winter: grotten , bunkers , kelders

nee

nee nee nee

ja

nee

ja nee

ja ja nee

pagina 27 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Nederlandse soortnaam Rosse vleermuis

Nyctalus noctula

Ruige dwergvleermuis

Pipistrellus nathusii

Tweekleurige vleermuis

Vespertillo murinus

Vale vleermuis

Myotis myotis

Watervleermuis

Myotis daubentoni

Omgeving

Verblijfplaatsen

Latijnse soortnaam

plangebied

bomen

ja

zomer: gebouwen

ja

winter: gebouwen , bomen zomer: gebouwen

nee

winter: grotten , kelders , gebouwen zomer: gebouwen , bomen

nee

winter: grotten , groeven , kelders zomer: bomen , zolders , bunkers

ja

winter: ondergrondse ruimten

Informatie via Vleermuis. net (Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN)).

5. 6. 2

Waarnemingen en analyse

Verblijfplaatsen Gebouwbewonende vleermuissoorten De bebouwing die aanwezig is binnen het plangebied is gedeeltelijk geschikt als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Er zijn toegangen en ruimten aanwezig die geschikt zijn vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen. Daarom dient er aanvullend onderzoek te worden gedaan naar deze soortgroep. In de onderstaande tabel 5. 6. 1 en figuur 5. 6. 2 zijn de details van de mogelijke locaties weergegeven. Tabel 5. 6. 2: Lijst van aangetroffen potentiële vaste verblijfplaatsen van vleermuizen Locatie binnen het plangebied

Beschrijving van de locatie

Geschikt voor Bruine

1

Gevels in alle windrichtingen (Figuur 5. 6. 2)

Opening onder metalen daklijst ,

grootoorvleermuis ,

opening onder dakleer , opening

gewone dwergvleermuis ,

onder boeiboord , open

kleine dwergvleermuis ,

stootvoegen , kier langs steunpilaar en gat bij kabelbuis.

laatvlieger , meervleermuis en ruige vleermuis.

pagina 28 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Foto A

Foto B

Foto C

Foto D

Foto E Figuur 5. 6. 1: Foto’s

van

Foto F mogelijk vleermuisverblijfplaatsen binnen het plangebied.

pagina 29 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Figuur 5. 6. 2: Kaart van het plangebied met locaties die geschikt zijn als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Boombewonende vleermuissoorten In de bomen binnen het plangebied zijn geen holtes of scheuren gevonden die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Er zijn geen sporen zoals ontlasting of vraatsporen in de vorm van vlindervleugels gevonden. Foerageergebied Mogelijk zal het plangebied gebruikt worden als foerageergebied. Het is echter geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn , zoals de omliggende parken en de begraafplaats ten zuiden van het plangebied. Bovendien zal het binnen het plangebied aanwezige foerageergebied behouden blijven. Vliegroutes De bomenrijen en groenstructuren op de noord- , oost- , zuid- en westgrens van het plangebied kunnen dienst doen als vliegroute voor vleermuizen. Het voornemen bestaat om deze omliggende structuren waar mogelijk te behouden , de exacte plannen zijn nog niet bekend. Indien de plannen bekend zijn omtrent het mogelijk verwijderen van de groenstructuren , dient een ecologisch deskundige te toetsen of dit een potentieel effect heeft op een vleermuizen vliegroute. Hieruit zal blijken of aanvullend onderzoek naar vleermuizen vliegroutes noodzakelijk is.

pagina 30 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Verplaatsende vleermuizen zijn erg gevoelig voor lichtverstoring. Om een negatief effect op de potentiële vliegroutes te voorkomen dient dan ook lichtverstrooiing op deze groen structuren voorkomen te worden. Bij het gebruik van licht kan deze afgekapt worden zodat alleen het werkgebied verlicht wordt. Ook in de nieuwe situatie mag geen lichtverstrooiing op deze groen structuren plaatsvinden door het aanleggen van nieuwe lichtbronnen. Wanneer er op deze manier gehandeld wordt , worden er geen negatieve effecten op de vliegroutes van vleermuizen verwacht. Wanneer lichtverstrooiing op de potentiële vliegroutes niet voorkomen kan worden , dient aanvullend onderzoek naar de functie van de lijnvormige elementen voor vleermuizen uitgevoerd te worden.

5. 6. 3

Deelconclusie vleermuizen

Er zijn binnen het plangebied locaties aangetroffen die dienst kunnen doen als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar deze soortgroep is daarom noodzakelijk. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de geplande werkzaamheden overdag uitgevoerd worden , is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Indien de plannen bekend zijn omtrent het mogelijk verwijderen van de groenstructuren , dient een ecologisch deskundige te toetsen of dit een potentieel effect heeft op een vleermuizen vliegroute. Hieruit zal blijken of aanvullend onderzoek naar vleermuizen vliegroutes noodzakelijk is. Daarnaast dient lichtverstrooiing op de potentiële vliegroutes voorkomen te worden. Wanner dit niet mogelijk blijkt , dient aanvullend onderzoek naar de functie van de lijnvormige elementen voor vleermuizen uitgevoerd te worden.

5. 7 Amfibieën 5. 7. 1

,

reptielen

en

vissen

Soortverspreiding

Amfibieën en reptielen Onderstaande tabellen 5. 7. 1 en 5. 7. 2 geven een overzicht van de in het wild levende amfibieën en reptielen die zijn waargenomen in de omgeving van het plangebied sinds het jaar 2000 (NDFF). Exoten zijn niet opgenomen in de lijst. In de laatste kolom (plangebied) worden de relevante , beschermde soorten die in de volgende paragrafen behandeld worden , aangeduid met ***. Tabel 5. 7. 1: Lijst van amfibieën die voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse soortnaam

Latijnse soortnaam

alpenwatersalamander bastaardkikker of middelste groene kikker

NL

ZORG

Ichthyosaura alpestris

X

X

Pelophylax kl. esculentus

X

X

EU

X

VRIJ

plangebied ***

X

boomkikker

Hyla arborea

X

X

bruine kikker

Rana temporaria

X

X

X

***

gewone pad

Bufo bufo

X

X

X

pagina 31 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2 Nederlandse soortnaam

Latijnse soortnaam

EU

NL

ZORG

X

X

X

X

X

X

X

X

X

VRIJ

plangebied

kamsalamander

Triturus crisatus

kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

knoflookpad

Pelobates fuscus

meerkikker

Pelophylax ridibundus

poelkikker

Pelophylax lessonae

X

X

X

***

rugstreeppad

Epidalea calamita

X

X

X

***

vinpootsalamander

Lissotriton helveticus

X

X

***

X

*** X *** X

Tabel 5. 7. 2: Lijst van reptielen die voorkomen in de omgeving van het plangebied Nederlandse soortnaam

Latijnse soortnaam

hazelworm

Anguis fragilis

EU

levendbarende hagedis

Zootoca vivipara

muurhagedis

Podarcis muralis

ringslag

Natrix natrix

zandhagedis

Lacerta agilis

= op

Europese schaal beschermd; NL

= op

EU

NL

ZORG

VRIJ

plangebied

X

X

deels

***

X

X

deels

***

X

X

***

X

X

***

X

X

***

X X

nationale schaal beschermd; ZORG

=

zorgplicht van toepassing;

VRIJ = vrijgesteld van bescherming in de provincie van het plangebied

Vissen Van de in Nederland voorkomende vissoorten zijn er twee soorten Europees en acht soorten nationaal beschermd. Deze soorten zijn veelal afhankelijk van zuiver water en speciale omgevingscondities. Tijdens het veldwerk is nagegaan of er in het plangebied geschikt oppervlaktewater aanwezig is voor deze soorten.

5. 7. 2

Waarnemingen en analyse

Amfibieën Hieronder wordt de functie van het plangebied voor elke soort die de laatste twintig jaar in de buurt van het plangebied is waargenomen verduidelijkt. Alpenwatersalamander Leefgebied

Plangebied

De alpenwatersalamander leeft in niet snel stromend water dat niet te rijk is aan vis. Alpenwatersalamanders komen vaak voor in de buurt van bos en/of houtwallen en hebben een voorkeur voor zandige leemgronden , waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een voedselrijke sloot , deze sloot is verbonden aan het afwatersysteem van het plangebied. Omdat de alpenwatersalamander niet veeleisend is betreft de waterkwaliteit van het voortplantingswater , kan de aanwezigheid van deze soort niet worden uitgesloten. Mogelijk fungeert het aansluitende groenstruweel op de zuidelijke grens van het plangebied als landhabitat

pagina 32 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

(Figuur 5. 7. 1). Derhalve is aanvullend onderzoek de alpenwatersalamander noodzakelijk om de aanwezigheid uit te sluiten of aan te tonen. Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

naar

Ja

Foto A Foto B Figuur 5. 7. 1: Foto’s van oppervlaktewater en groenstruwelen die geschikt zijn als alpenwatersalamander leefgebied binnen en nabij het plangebied. Boomkikker Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

De boomkikker heeft een voorkeur het landschapstype bos en struweel. De boomkikker plant zich voort in visvrije , zonnig gelegen en matig voedselrijke wateren met goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. Buiten de voortplantingstijd (ook in de winter) leven boomkikkers op het land en bevinden zij zich overdag vaak in de oevervegetatie of aangrenzend struweel. Als landhabitat zijn zonnig gelegen zoom- en mantelvegetaties , vegetaties van meerjarige kruiden en braamstruwelen van belang. Het plangebied is ongeschikt als leefgebied van de boomkikker door het stedelijke karakter , beperkte natuurlijke schuilplaatsen en de afwezigheid van geschikt oppervlaktewater binnen en nabij het plangebied. Nee

Kamsalamander Leefgebied

De kamsalamander komt voor op zandgronden en in beekdalen en geeft de voorkeur aan een bosrijk landschap met houtwallen en struwelen. De soort leeft in poelen , vijvers , matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten.

pagina 33 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Het onderzoeksterrein is ongeschikt voor deze soort vanwege het ontbreken van geschikt oppervlaktewater , geschikt landhabitat en vanwege het stedelijke karakter van het plangebied en zijn directe omgeving. Nee

Knoflookpad Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

De knoflookpad komt voor in de stroomdalen van beken en rivieren. De soort heeft een voorkeur voor agrarisch gebied , ruderaal terrein , rivierduintjes en halfnatuurlijke graslanden. Het voortplantingsbiotoop van de knoflookpad bestaat uit vrij grote en diepe poelen met een weelderige onderwater- en oevervegetatie en een voedselrijk karakter. Overdag verblijft de soort in een goed vergraafbare zanderige bodem omringd door vegetatie. Door het ontbreken van een kale vergraafbare bodem en geschikt oppervlaktewater binnen en nabij het plangebied wordt de aanwezigheid van de knoflookpad binnen het plangebied uitgesloten. Nee

Poelkikker Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Rugstreeppad Leefgebied

Het leefgebied van de poelkikker bestaat uit vennen , poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Door de afwezigheid van deze landschapstypen binnen het plangebied , vormt het plangebied geen geschikte leefomgeving. Door het stedelijke karakter , afwezigheid van geschikt oppervlaktewater en de beperkte natuurlijke dekking binnen en nabij het plangebied kan de aanwezigheid van de poelkikker worden uitgesloten. Nee

De rugstreeppad is een typische pionier-soort , die voorkomt in terreinen met een hoge natuurlijke of door ingebrachte dynamiek. De soort kan snel geschikte locaties bezetten. Naast natuurlijke wateren in duinen en uiterwaarden zijn dit ook bouwterreinen , mensen

groeven en

zand-

en

kleiafgravingen

pagina 34 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Plangebied

Het onderzoeksterrein is ongeschikt voor deze soort vanwege het ontbreken van geschikt oppervlaktewater en vergraafbaar en geschikt landhabitat. Het terrein valt binnen het leefgebied van de rugstreeppad , er zijn namelijk waarnemingen bekend op de Jammerdaalse heide (Waarneming. nl). In de huidige situatie wordt niet verwacht dat deze soort zijn winter- of voortplantingshabitat heeft binnen het plangebied. Mogelijk passeren sporadisch individuen het plangebied bij het voortplantingswater , foerageergebied of overwinterhabitat te komen. Door de geplande werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of gedood om

worden. Om dit te voorkomen tijdens de werkzaamheden dient het werkgebied voorafgaand aan de werkzaamheden afgerasterd te worden met amfibieschermen zodoende een overtreding op de Wet natuurbescherming te vermijden. Hierbij dient gelet te worden op dat er geen dieren ingesloten worden binnen de afrastering. Indien er op deze manier gehandeld wordt is een overtreding uit te sluiten. Aanvullend onderzoek noodzakelijk? Vinpootsalamander Leefgebied

op

de Wet natuurbescherming

Nee

Vinpootsalamanders worden in Nederland in twee landschapstypen aangetroffen , de heidegebieden op de hogere zandgronden en het heuvellandschap van ZuidLimburg. Als voortplantingswater wordt hier met name gebruik gemaakt van zwakzure , permanente plassen en bospoelen.

Plangebied

vennen ,

Door de afwezigheid van deze landschapstypen en geschikt oppervlaktewater , vormt het plangebied geen geschikte leefomgeving. Daarnaast vormt het natuurgebied “Jammerdaalse heide” , ten zuiden van het plangebied , een geschiktere leefomgeving voor deze soort.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

pagina 35 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Reptielen Hieronder wordt de functie van het plangebied voor elke soort die de laatste twintig jaar in de buurt van het plangebied is waargenomen verduidelijkt. Hazelworm Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige , met dichte vegetatie bedekte gebieden en komt voornamelijk voor op bos- en heideterreinen. Het plangebied is voor de hazelworm , die wel in de omgeving van het plangebied voorkomt , ongeschikt door de afwezigheid van vochtige heide en/of ruigte en de stedelijke ligging. Daarnaast vormt het natuurgebied “Jammerdaalse heide” , ten zuiden van het plangebied , een geschiktere leefomgeving voor deze soort. Nee

Levendbarende hagedis

Plangebied

De levendbarende hagedis komt voor in redelijk dicht begroeide gebieden , zoals (vochtige) heide , veen , schraal grasland , open plekken in bossen en rijk begroeide bosranden. Deze soort wordt voornamelijk aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Het plangebied is voor de levendbarende hagedis , die wel in de omgeving van het plangebied voorkomt , ongeschikt door de afwezigheid van vochtige heide en/of ruigte en de afwezigheid van schuilmogelijkheden. Daarnaast vormt het natuurgebied “Jammerdaalse heide” , ten zuiden van het plangebied , een geschiktere leefomgeving voor deze soort.

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Nee

Leefgebied

Muurhagedis Leefgebied

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

De muurhagedis komt voor in het zuiden van Nederlands Limburg. Dit reptiel leeft in warme , droge en open gebieden en verkiest oude muren om op te leven. Vanwege het verspreidingsgebied en het ontbreken van geschikt habitat is het vrijwel uitgesloten dat deze soort essentieel leefgebied heeft binnen het plangebied. Nee

Zandhagedis Leefgebied

Zandhagedissen leven in warme , droge en open gebieden en verkiezen een zanderige ondergrond. Ze zijn sterk gebonden aan duin- en heidegebieden.

pagina 36 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Plangebied

Aanvullend onderzoek noodzakelijk?

Vanwege het ontbreken van deze voorkeursgebieden is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor deze soort. Daarnaast vormt het natuurgebied “Jammerdaalse heide” , ten zuiden van het plangebied , een geschiktere leefomgeving voor deze soort. Nee

Vissen Binnen en in de directe omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van (beschermde) vissen kan derhalve worden uitgesloten.

5. 7. 3

Deelconclusie amfibieën , reptielen en vissen

Binnen het plangebied zijn mogelijk vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen van de alpenwatersalamander aanwezig , die niet is vrijgesteld door de provincie. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de alpenwatersalamander is derhalve noodzakelijk. Daarnaast kan niet met zekerheid worden uitgesloten dat de rugstreeppad sporadisch binnen het plangebied aanwezig zijn om zich bijvoorbeeld richting het voortplantingshabitat te verplaatsen. Mogelijk worden dieren gedood of raken gewond door de werkzaamheden. Zodoende dienen maatregelen getroffen te worden zoals bijvoorbeeld het werken in de periode dat de dieren zich in het voortplantingshabitat bevinden en het afrasteren van het werkgebied voorafgaand aan de werkzaamheden. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld dat o. a. behandeld wanneer de werkzaamheden uit gevoerd mogen worden , welke maatregelen getroffen dienen te worden om een negatief effect op beschermde soorten en een overtreding op de Wet natuurbescherming uit te sluiten en hoe te handelen wanneer toch beschermde soorten worden aangetroffen. Algemeen voorkomende soorten , zoals bijvoorbeeld de gewone pad en de bruine kikker , zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor deze soorten.

5. 8 Ongewervelden 5. 8. 1

Soortverspreiding

Meer dan vijftig soorten insecten , onder andere vlinders , libellen en kevers , zijn wettelijk beschermd in Nederland. Daarnaast genieten sommige weekdieren , zoals mossels , ook bescherming. Veelal stellen deze soorten bijzondere eisen aan hun habitat en komen ze dus voor op specifieke plaatsen , zoals bijvoorbeeld poelen met helder water of graslanden met bloemrijke vegetatie. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of het plangebied geschikt is voor beschermde ongewervelden.

pagina 37 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

5. 8. 2

Waarnemingen en analyse

Beschermde soorten ongewervelden zijn niet waargenomen en ook niet te verwachten binnen het plangebied. Aan de specifieke eisen die deze soorten stellen aan hun leefgebied is binnen het plangebied niet voldaan. Door de afwezigheid van oppervlaktewater en de aanwezige beplanting is het plangebied voor veel soorten niet geschikt.

5. 8. 3

Deelconclusie ongewervelden

Er zijn geen negatieve effecten te verwachten ongewervelde fauna.

van

dit planvoornemen met betrekking tot

5. 9 Invasieve exoten 5. 9. 1

Soortverspreiding

Exoten zijn uitheemse dier- en plantensoorten die na het jaar 1500 door toedoen van de mens terecht gekomen zijn in Nederland terwijl ze er oorspronkelijk niet voorkwamen. Sommige van deze exotische soorten vormen een bedreiging voor de Nederlandse inheemse soorten. Deze exotische soorten worden invasieve exoten genoemd. Ze hebben weinig tot geen natuurlijke vijanden in Nederland en zijn veelal moeilijk te bestrijden. Er zijn in Nederland meer dan 2000 exotische soorten waarvan er een 150 als invasieve exoot negatieve effecten hebben op de biodiversiteit , de ecosystemen en zelfs de economie van Nederland. Op Europese schaal werd een lijst opgesteld van 68 soorten schadelijke exotische dieren en planten waarvoor de lidstaten verplicht zijn populaties op te sporen , te beheren en te verwijderen. Tijdens het veldbezoek is nagegaan of er binnen of in de directe omgeving van het plangebied invasieve exoten voorkomen.

5. 9. 2

Waarnemingen en analyse

Binnen het plangebied is de invasieve exoot , de hemelboom , aangetroffen. Sinds 2019 staat de hemelboom op de Unie-lijst van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten. Derhalve geldt er binnen de Europese Unie een verbod op bezit , handel , kweek , transport en import van de soort. Voor de lidstaten geldt er de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen en te verwijderen. En als dat niet lukt om de populatie zodanig te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Aanvullend onderzoek is derhalve noodzakelijk om de exacte locaties van de hemelboom binnen het plangebied in kaart te brengen.

pagina 38 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

Figuur 5. 9. 1: Foto

5. 9. 3

van

de invasieve exoot hemelboom binnen het plangebied

Deelconclusie invasieve exoten

Binnen het plangebied is de invasieve exoot de hemelboom aangetroffen , aanvullend onderzoek is noodzakelijk om de locaties van deze soort binnen het plangebied in kaart te brengen.

pagina 39 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

6

Conclusies

6. 1 Beschermde gebieden

soorten

en

Onderstaande tabel bundelt de conclusies in verband met gebiedsbescherming en soortbescherming uit de hoofdstukken 3 , 4 en 5.

0 0 0 2

ar tua

N X

Zorgplicht

dn l ar e de N kr

e twe nr u tua

N X

Aanvullende maatregelen / aanpassingen

n er ie

dg o oz

n e dn a ts

po tu o

H X

n e dn

o

n ten a

lP X

X

lse

go V X

be gd

n or

G X

n e

n e i zu mr e le

V X

X

n ëe i

bfi

m

A X

lde n

l ee it pe R X

n e s is

V X

vr e w e gn

O X

n e

to x e e v ies a v n

I X

X

X

Overtreding wet natuurbescherming

X

X

X

X

X

X

Aanvullend onderzoek

X

X

X

X

X

X

Advies

X

X

X

X

X

Legenda: X X X X

Wettelijk verplicht Niet te verwachten Te verwachten Noodzakelijk Relevant Niet relevant

pagina 40 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

6. 2 Aanvullend onderzoek Aanvullend onderzoek inzake gebiedsbescherming bestaat uit een AERIUS-berekening. Hiermee wordt bepaald of de voorgenomen plannen bijdrage aan een toename in stikstofdepositie op de omliggende Natura-2000 gebieden. Onderstaande tabel geeft per soort een overzicht van de periode waarin de aanvullende onderzoeken gespreid gepland moeten worden en van het aantal veldbezoeken en waarnemers (per bezoek) dat noodzakelijk is. De procedures voor deze onderzoeken liggen vast in soortinventarisatieprotocollen (Netwerk Groene Bureaus) en kennisdocumenten (BIJ12).

Periode Soort

J

F

M

huismus steenmarter vleermuizen alpenwatersalamander hemelboom

A

M

J

J

A

S

O

N

D

# 2 x 5 x 5 x 2 x 1 x

1 1 4 1 1

Waar donker geel de optimale onderzoeksperiodes aanduidt , geeft lichtgeel de periodes aan waarin slechts een bepaald deel van het onderzoek kan gebeuren.

pagina 41 van 45

documentkenmerk: 2207/101/ERO-01 , versie 2

6. 3 Zorgplicht 6. 3. 1

Definitie zorgplicht

Voor alle in het wild levende plant- en diersoorten en voor hun directe leefomgeving geldt een zorgplicht (Wet Natuurbescherming – artikel 1. 11). Met deze zorgplicht worden naast de nationaal en Europees aangewezen beschermde soorten en gebieden ook algemenere overige inheemse soorten beschermd. De zorgplicht houdt in dat men handelingen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten; achterwege laat; indien achterwege laten niet passend is , maatregelen neemt om nadelige gevolgen te voorkomen; indien die gevolgen niet kunnen worden voorkomen , deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het is wettelijk verplicht invulling te geven aan deze zorgplicht

6. 3. 2

Negatieve effecten voorkomen

–

algemene maatregelen

Bij de uitvoering van sloop- en bouwprojecten kunnen werkzaamheden veelal niet achterwege gelaten worden. Het is daarbij verplicht om maatregelen te nemen en daarmee de nadelige gevolgen op inheemse plant- en diersoorten te beperken of te voorkomen. Nadelige gevolgen kunnen veelal voorkomen worden door te werken in de minst-kwetsbare periode , zoals buiten de winterslaap , voortplantingstijd en periode van afhankelijkheid van jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle soortgroepen gelijk. In het algemeen geldt de periode van half oktober tot eind november als ‘veilige’ periode voor alle diergroepen. Dit is de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn en de mogelijkheid hebben om zich te verplaatsen. Bovendien zijn de jongen uit het laatste legsel van late broeders zoals de houtduif dan ook uitgevlogen (Vogelbescherming Nederland). Daarnaast kunnen negatieve gevolgen op algemeen voorkomende soorten beperkt worden door tijdens de werkzaamheden zodanig te werken dat dieren het plangebied kunnen verlaten zodat verwonding of doding van individuen wordt voorkomen.

Voorbeelden zijn: de werkzaamheden in de richting van een vluchtgebied uitvoeren , de werkzaamheden langzaam opstarten en/of langzaam werken zodat dieren de tijd hebben om het plangebied te ontvluchten , voorafgaand aan de start van werkzaamheden verstoring creëren zodat dieren uit het plangebied vluchten. Een voorbeeld om negatieve gevolgen op de aanwezige vegetatie te voorkomen is het beschermen van bomen om zo beschadiging van de stammen te voorkomen. Verder worden negatieve gevolgen op inheemse fauna beperkt door werkzaamheden zo veel mogelijk overdag uit te voeren. Bij gebruik van verlichting dient deze zo geplaatst te worden dat enkel de werkzaamheden gericht verlicht worden. Lichtverstrooiing kan vermeden worden door het gebruik van kappen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/889/documents/22551