366205 Bijl - Beleidskader Nieuwe Energie 2.0.pdf
Tekst van het document
BELEIDSKADER NIEUWE ENERGIE 2025-2031
Beleidskader Nieuwe Energie
1
VOORWOORD Met dit beleidskader Nieuwe Energie 2025-2031 zetten we een belangrijke stap richting een toekomstbestendig, duurzaam en gebalanceerd energiesysteem. We maken beleidsmatige keuzes om onze bijdrage te leveren aan de lokale toegang tot energie, in lijn met de regionale en nationale klimaatdoelen. We staan voor een cruciale transitie waarin de energievraagstukken niet meer genegeerd kunnen worden. Tegelijkertijd biedt het ook kansen: samenbouwen aan schonere en groenere stad, en kansen voor innovaties en het versterken van onze lokale economie. De energietransitie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van inwoners, bedrijven, coöperaties, overheden en andere partijen. Als gemeente hebben we geen directe taak om projecten te ontwikkelen of uit te voeren, maar we ondersteunen en faciliteren initiatieven waar mogelijk. Dit doen we door kennis te delen, samenwerking te stimuleren en ruimte te bieden voor innovatieve projecten. Onze rol is om barrières te helpen wegnemen en een stimulerende omgeving te creëren waarin duurzame oplossingen kunnen groeien. We zijn één van de schakels in een breed netwerk van partijen die samenwerkt aan de verduurzaming van Venlo. Dit netwerk benut elkaars kennis en middelen om projecten tot een succes te maken. Door onze verbindende rol dragen we bij aan een inclusieve en gedragen energietransitie.
We streven naar eerlijke toegang tot energie voor inwoners en bedrijven, ongeacht hun situatie. In de afgelopen jaren hebben we als gemeente en regio belangrijke stappen gezet. De dynamiek van de transitie, de maatschappelijke terughoudendheid, en, de fysieke beperkingen laten ons zien dat er meer nodig is. De energietransitie vraagt om duidelijke keuzes maar gelijktijdig ook om een flexibele aanpak. In dit nieuwe beleidskader richten we ons op het versterken van onze aanpak en koppelen geleerde lessen aan de uitdagingen van vandaag. We willen onze gezamenlijke mogelijkheden verbreden, niet beperken, met oog voor draagvlak en landschappelijke kwaliteit. Marij Pollux
Wethouder Duurzaamheid, Cultuur en Evenementen
Beleidskader Nieuwe Energie
2
INHOUDSOPGAVE VOORWOORD
2
BELEIDSSAMENVATTING
4
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
5
HOOFDSTUK 2 VENLO
7
HOOFDSTUK 3 CONTEXT EN ONTWIKKELINGEN
14
HOOFDSTUK 4 BELEIDSMATIGE UITGANGSPUNTEN
24
HOOFDSTUK 5 UITVOERING EN MONITORING
42
APPENDIX 1 AFKORTINGEN EN BEGRIPPENLIJST
45
APPENDIX 2 ACHTERGROND EN EVALUATIE VORIG BELEID
49
Beleidskader Nieuwe Energie
3
BELEIDSSAMENVATTING Het beleidskader ‘Nieuwe Energie 2025-2031’ biedt een nieuwe concrete verschuiving van focus voor de energietransitie in Venlo. Dit kader zet in op beleidsmatige keuzes op het gebied van slimme vraag- en aanbod integratie van duurzame energieopwekking en toekomstbestendige infrastructuur. Daarbij staat maatschappelijke betrokkenheid centraal, evenals een zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Rondom ruimtelijke toetsing van nieuwe initiatieven hebben we een directe rol. Bij de andere thema’s hebben we enkel een rol met een indirecte invloedsfeer. Initiatieven vanuit inwoners, bedrijven en regionale partners vormen namelijk de basis voor onze toekomstige (decentrale) duurzame energieopwekking. De veranderingen van gecentraliseerde energieopwekking naar decentrale duurzame energieopwekking zorgt voor een andere rol die lokale inwoners en bedrijven hebben. Inwoners en bedrijven kunnen zelf duurzame energie opwekken, opslaan en uitwisselen. Niet alleen de trends binnen de energietransitie ontwikkelen zich snel, maar ook de uitdagingen zoals netcongestie op ons elektriciteitsnet. De belangrijkste veranderingen ten opzichte van het vorige beleidskader 1.0 zijn de lessen uit de evaluatie, de recente ontwikkelingen en (landelijke) trends. Een effectieve energietransitie vraagt om een mix van duurzame bronnen die elkaar aanvullen.
Alleen in samenhang kunnen zon, wind en opslag de continuïteit van onze energievoorziening garanderen. Daarnaast speelt de verschuiving van de energietransitie als randvoorwaarde voor andere grote maatschappelijke opgaven ook een rol. Energieprojecten en de groeiende wisselwerking met ruimtelijke ontwikkelingen worden steeds relevanter in verband met beperkte ruimte en lokale waarden. Netcongestie en energie hubs zijn nieuwe onderwerpen die we in dit beleidskader een belangrijke plek geven. Ook staan de netbeheerders voor een enorme netverzwaring opgave om ons elektriciteitsnet toekomstbestendig te maken. Om de energietransitie effectief te ondersteunen, zijn vier beleidspijlers opgesteld. Deze bieden richting en houvast voor onze beleidskeuzes.
Beleidspijlers 1. Gebalanceerde lokale energieopwekking 2. Toekomstbestendige infrastructuur 3. Toegang, draagvlak en participatie 4. Ruimtelijke inpassing en landschapsintegratie
Dit beleidskader legt een solide basis voor een stapsgewijze en gerichte aanpak zodat we niet alleen klaar zijn voor de uitdagingen van vandaag, maar ook voor de kansen van morgen. Onze voorgenomen activiteiten, en monitoring hiervan, zullen onderdeel zijn van het aanstaand nieuwe integrale Uitvoeringsprogramma Circulaire en Duurzame Hoofdstad (2025-2027).
Beleidskader Nieuwe Energie
4
HOOFDSTUK 1 INLEIDING Samen bouwen we aan een toekomst waarin men zeker kan zijn van energie en kunt genieten van een gezonde leefomgeving. Door hernieuwbare energie te gebruiken verminderen we onze impact op het klimaat. De veranderingen in het klimaat, stijgende energiekosten en geopolitieke spanningen in de wereld benadrukken het belang van duurzame en lokale energieopwekking en een betrouwbare infrastructuur. De energietransitie is niet langer een keuze, maar steeds meer een noodzaak. De aandacht voor hernieuwbare energiebronnen groeit, zoals zon, wind en diverse warmtebronnen. Tegelijkertijd volgen innovaties in energieopslag en netwerken elkaar snel op. De energietransitie vraagt om keuzes waarin de gemeente met name een faciliterende en stimulerende rol heeft.
1.1 AFBAKENING In 2022 werd het beleidskader Nieuwe Energie 1.0 vastgesteld. Daardoor zijn resultaten geboekt en waardevolle lessen geleerd, maar de beleidsmatige keuzes hebben ook verdere uitdagingen blootgelegd. De focus op participatie zorgt voor draagvlak in projecten, maar zorgt aan de andere kant ook voor een beperkte snelheid in opschaling bij grotere initiatieven. Daarnaast is netcongestie nu een urgent knelpunt geworden. Dit nieuwe beleid verschuift daarom het perspectief naar een betere lokale integratie van opwek, infrastructuur, draagvlak en ruimtelijke inpassing. Vier beleidspijlers vormen de basis, met de nadruk op het stimuleren van in de praktijk beproefde technieken, het prioriteren van kansrijke initiatieven en het versterken van de energie-infrastructuur. De pijlers zijn tot stand gekomen door middel van een grondige analyse, uitgevoerd aan de hand van de huidige lokale situatie en bredere trends en ontwikkelingen. Duurzame energieopwekking raakt meerdere beleidsterreinen, onder meer ruimtelijke ordening, infrastructuur en sociale inclusie. Belangrijk is de warmtevoorziening, waarbij de gemeente een verkenning uitvoert naar een meer directe invloed, zoals bij het stimuleren van lokale warmtenetten via een Gemeentelijk Energiebedrijf (GEB).
Dit koppelt duurzame energieopwekking aan de warmtevoorziening, waardoor de druk op het elektriciteitsnet verminderd kan worden. Daarnaast kan de gemeente een voorbeeldrol vervullen. Binnen gemeentelijk vastgoed is meer directe sturing op duurzame energieopwekking mogelijk. Onze voorbeeldrol Onze bijdrage aan de energietransitie combineert pragmatisch handelen met flexibiliteit, namelijk gebaseerd op technische haalbaarheid en lokale omstandigheden. Initiatieven rondom de energietransitie worden bijgestuurd op basis van onze beleidsdoelen, technische haalbaarheid en lokale project doelstellingen.
Beleidskader Nieuwe Energie
5
Het uitgangspunt blijft de Trias Energetica:
Energiebesparing staat voorop.
Hernieuwbare energie heeft de voorkeur.
Fossiele energie wordt alleen ingezet als vangnet.
Hoewel het primair gericht is op de transitie naar duurzame energieopwekking, blijft het belang van energiebesparing voorop staan in het behalen van onze duurzaamheidsdoelen. Door efficiënter om te gaan met energie kunnen we de vraag naar nieuwe energieopwekking verlagen en de impact van onze infrastructuurmaatregelen optimaliseren. We stimuleren daarom zowel het inzetten van hernieuwbare energie als het verminderen van het energieverbruik, zodat we de energietransitie integraal en op lange termijn kunnen verduurzamen. Verduurzaming van gemeentelijk vastgoed en infrastructuur We zetten in het kader van energiebesparing verdere stappen om een beter inzicht te krijgen in gemeentelijk energiebeheer. Zo kunnen we vraag en aanbod van energie beter op elkaar afstemmen. Dit vergroot efficiëntie en verkleint de afhankelijkheid van externe netlevering. We geven prioriteit aan projecten met de grootste impact op energiebesparing en CO₂-reductie.
We nemen zoveel mogelijk duurzame opwek mee binnen ons eigen vastgoed De gemeente geeft het goede voorbeeld door de inzet van duurzame energieopwekking op gemeentelijke daken en terreinen. Dit draagt niet alleen bij aan lokale energieopwekking, maar ook aan de verduurzaming van gemeentelijke gebouwen. Het benutten van beschikbare ruimte voor opwek blijft afhankelijk van haalbaarheidsonderzoeken en kosten-batenanalyses. Zo wordt bijvoorbeeld gekeken naar de impact op het energieverbruik, de technische staat van gebouwen, en mogelijke alternatieve bestemmingen van de ruimte.
Verduurzamen van publieke infrastructuur in lijn met onderhoud en andere optimalisaties Straatverlichting, parkeerterreinen en andere openbare voorzieningen kunnen op basis van hun levenscyclus en financiële kaders worden verduurzaamd door energiezuinige technologieën zoals LED-verlichting. Projecten worden gericht op locaties waar de grootste impact mogelijk is.
1.3 LEESWIJZER Het beleidskader ‘Nieuwe Energie 2025 – 2031’ bouwt voort op eerdere ervaringen en inzichten uit het voorgaande beleidskader, wat wordt geëvalueerd in hoofdstuk 2. Lessen uit het verleden worden geïntegreerd met actuele uitdagingen en ontwikkelingen. Hoofdstuk 3 gaat verder in op de huidige trends en ontwikkelingen. Hoofdstuk 4 beschrijft inhoudelijk de vier beleidspijlers met de beleidsmatige keuzes. Tot slot behandelt hoofdstuk 5 de uitvoering en monitoring, zodat uitgangspunten concreet worden vertaald naar actie.
Beleidskader Nieuwe Energie
6
HOOFDSTUK 2 VENLO Met de inzichten uit het vorige beleid stemmen we het nieuwe beleidskader af op de actuele lokale situatie. Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste aandachtspunten uit de evaluatie van het voorgaande beleidskader Nieuwe Energie 1.0, waarbij we vervolgens de huidige situatie in Venlo analyseren.
2.1 ROLLEN VAN DE GEMEENTE IN DE ENERGIETRANSITIE De energietransitie vraagt gezien de verschuiving van lokaal eigenaarschap en meer decentrale energieopwekking, om een bredere samenwerking tussen inwoners, bedrijven, coöperaties, organisaties en overheden. Als gemeente hebben we geen wettelijke verplichting om elk onderdeel van de energietransitie uit te voeren. Dit inzicht neemt inmiddels een meer prominente rol in bij de totstandkoming van dit nieuwe beleidskader. We ondersteunen projecten en stimuleren samenwerking op urgente thema’s, zoals netcongestie. Gezien onze rol niet strikt (wettelijk) vastgesteld is, lichten we hieronder de verschillende rollen toe voor dit beleidskader.
Facilitator Inwoners, bedrijven en coöperaties krijgen hulp door begeleiding te bieden bij vergunningen, subsidieaanvragen en kennisdeling. Dit verlaagt drempels en vergroot de kans op succes. Energiehubs zijn een goed voorbeeld van hoe lokaal opgewekte energie efficiënter benut kan worden. Gemeente Venlo stimuleert deze ontwikkeling door samenwerking te stimuleren, kennis te delen en ruimte te bieden aan innovatieve concepten. Regisseur van ruimtelijke integratie Duurzame energieprojecten dienen goed ruimtelijk te worden ingepast, rekening houdend met natuur, landschapsintegratie en de lokale biodiversiteit. We dragen zorg voor naleving van ruimtelijke toetsingscriteria.
Beleidskader Nieuwe Energie
7
Bewaker van draagvlak Het betrekken van inwoners en bedrijven bij energieprojecten zorgt voor betere acceptatie en samenwerking. Daarom worden inwoners en bedrijven vanaf het begin betrokken bij projecten. We luisteren naar zorgen, delen informatie en zoeken naar oplossingen die door de gemeenschap worden ondersteund. Centrumgemeente in regionale samenwerking De gemeente Venlo is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de regionale energiestrategie (RES) in Noord- en Midden-Limburg. Venlo voert basistaken uit, zoals het opstellen van de strategische koers, het voorbereiden van energiebeleid, het monitoren van de voortgang en het delen van kennis. Daarnaast verzorgen we bovenlokaal accountmanagement, de financiële verantwoording en tijdige informatievoorziening. De gemeenten dragen jaarlijks een bedrag per inwoner bij en Gemeente Venlo zorgt voor een passende uitvoering met personeel in dienst.
2.2 EVALUATIE NIEUWE ENERGIE 1.0 In 2022 is het beleidskader Nieuwe Energie 1.0 vastgesteld. De afgelopen twee jaar zijn grootschalige opwek zoekgebieden verkend en kleinschalige initiatieven gestimuleerd. Middelgrote projecten zijn bewust beperkt, omdat deze qua schaal minder goed aansloten bij onze ambities en aanpak. De focus lag op het toepassen van maatwerk, met oog voor ruimtelijke kwaliteit en draagvlak onder onze inwoners. De beleidsmatige uitgangspunten waren als volgt: •
Vermijden van versnippering
•
Streven naar minimaal 50% lokaal eigendom
•
Aandacht voor biodiversiteit
•
Circulair gebruik van grondstoffen
Nieuwe Energie 1.0 was stevig ingebed in nationale en provinciale richtlijnen, wat zorgde voor consistentie en herkenbaarheid. Ook de samenwerking met de RES Noord- en Midden-Limburg heeft bijgedragen aan het vertalen van abstracte doelen naar concrete actie. Zowel de focus op meervoudig ruimtegebruik en natuurbehoud heeft het beleid onderscheidend gemaakt en passend voor onze regio. De uitdaging is en blijft om de landelijke ambities te vertalen naar lokale plannen en daarbij rekening te houden met onze lokale uitdagingen. De rol die we hebben ingenomen in de energietransitie was voornamelijk stimulerend en toetsend. We toetsten initiatieven positief indien dezen voldeden aan de randvoorwaarden in ruimtelijke kwaliteit, participatie en lokaal eigendom. Deze aanpak bood ruimte aan de koplopers in de regio en had als insteek het tegengaan van versnippering en willekeur. Elk initiatief werd individueel beoordeeld: dit bood enerzijds flexibiliteit en hield zo rekening met de unieke eigenschappen van Venlo. Tegelijk zorgde het ontbreken van een ruimtelijk kader voor de energietransitie voor extra doorlooptijd, wat de uitvoering van projecten vertraagde. Er werden specifiek drie potentiegebieden aangewezen voor grootschalige initiatieven: ’t Hanik in Lomm, Meelderbroek in Belfeld en Greenport Venlo. Alhoewel deze locaties weloverwogen zijn
Beleidskader Nieuwe Energie
8
gekozen, blijkt de praktijk weerbarstiger: beperkte netcapaciteit en maatschappelijke terughoudendheid hebben het realiseren van grote energieprojecten bemoeilijkt. Voor de kleinschalige initiatieven – zoals zonnepanelen op daken en gevels – is er veel voortgang geboekt. Dit heeft geleid tot een toename van lokale betrokkenheid en participatie. Zie paragraaf 2.3 voor de cijfers achter de huidige situatie in Venlo en de resultaten die geboekt zijn. De juridische kaders rondom windenergie zijn momenteel landelijk nog steeds in ontwikkeling. Door een uitspraak van de Raad van State in 2021 zijn de algemene Rijksregels voor windturbines buiten werking gesteld. Voor nieuwe windturbineparken gelden daarom tijdelijke maatwerkvoorschriften die opgenomen moeten worden in omgevingsvergunningen of plannen. Het recent gepubliceerde Ontwerpbesluit Windturbines Leefomgeving (oktober 2023) heeft als doel hier verandering in te brengen door uniforme normen voor geluid en slagschaduw vast te stellen. Deze normen worden naar verwachting in 2025 vastgesteld, wat vervolgens vertaald moet worden voor de lokale situatie. Voor grootschalige projecten (>5 MW) ligt de bevoegdheid doorgaans bij de provincie Limburg, tenzij de provincie besluit deze over te dragen aan de gemeente. Dit benadrukt het belang van regionale samenwerking en afstemming binnen provinciale kaders.
Nadere technische studies en lokale evaluaties schenken aandacht aan belangrijke uitdagingen, die steeds zorgvuldig moeten worden afgewogen:
Geluid en slagschaduw Deze vormen vaak de aanleiding tot maatschappelijke terughoudendheid
Externe veiligheid en radarinterferentie Hoewel dit technisch oplosbaar lijkt, blijven er uitdagingen bestaan op dit vlak.
Ecologie en natuurbehoud De nabijheid van Natura 2000-gebieden vereist aandachtig lokaal onderzoek bij initiatieven, vooral ten aanzien van de impact op soorten en grondwaterbescherming.
De verdere ontwikkeling van windenergie binnen onze gemeente zal afhankelijk zijn van de definitieve vaststelling van landelijke normen en de besluitvorming op provinciaal niveau. Wanneer de gemeente het bevoegd gezag en vergunningverlener is, zullen hierover vervolgens besluiten genomen moeten worden.
2.3 NIEUWE ENERGIE IN VENLO De energietransitie in Venlo heeft de afgelopen jaren een significante groei doorgemaakt. De realisatie van 9 windturbines en voortdurende inspanningen van inwoners en bedrijven, om meer
Beleidskader Nieuwe Energie
9
duurzame energie op te wekken, heeft hieraan bijgedragen. Kleinschalige zonnepanelenprojecten hebben gezorgd voor meer duurzame opwek. Toch is de uitdaging groot: momenteel wordt 10% van de toekomstige energiebehoefte lokaal opgewekt. Belangrijke lessen: •
Participatie en ruimtelijke kwaliteit versterken draagvlak, maar vertragen opschaling
•
Het vinden van een balans tussen snelheid en zorgvuldigheid blijft cruciaal.
•
Technische uitdagingen zoals netcongestie vergen sturing op haalbaarheid
•
Zonder duidelijke prioriteiten blijven projecten vastlopen op infrastructuurbeperkingen.
•
Gestandaardiseerde processen verhogen efficiëntie
•
Maatwerk is waardevol, maar standaardisatie versnelt realisatie.
In het beleidskader Nieuwe Energie 1.0 is het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom opgenomen. Tot dusver bleef dit bij het aanmoedigen van initiatiefnemers om lokaal eigendom te realiseren. Op 16 april 2024 heeft de Tweede Kamer het amendement aangenomen waarbij er een motiveringsplicht voor lokaal eigendom in de nieuwe Energiewet zal worden opgenomen. Hiermee krijgt de gemeente wettelijke grondslag om vast te leggen dat wie een installatie voor opwek van hernieuwbare energie ontwikkelt moet motiveren welke inspanningen verricht zijn om medeeigenaarschap van de lokale omgeving te organiseren en tot hoeveel lokaal eigendom overeen is gekomen. Indien het overeengekomen percentage minder is dan 50% dient onderbouwd te worden waarom er niet minstens 50% lokaal eigendom is behaald. Wanneer een initiatiefnemer de motiveringsplicht onvoldoende uitvoert en daarmee onvoldoende de inspanningen voor het organiseren van lokaal eigendom aantoont kan de gemeente een sanctie (boete) voor het overtreden van de verordening opleggen. Ook bij het niet voldoen aan het streven naar 50% lokaal eigendom, kan er wel worden voldaan aan de motiveringsplicht.
Zo kan in de motivering duidelijk worden gemaakt waarom 50% mede-eigendom van de omgeving niet mogelijk was (bijvoorbeeld bij te weinig animo voor mede-eigenaarschap) of dat er in samenspraak met de omgeving is gekozen voor andere vormen van financiële participatie, zoals certificaten, obligaties of een omwonendenregeling. Het streven naar 50% lokaal eigendom en participatie is vooruitstrevend, waar deze ambitie afdwingen in de praktijk niet mogelijk is. Enkel op gemeentelijke gronden kunnen we privaat rechterlijk meer direct afdwingen. Doordat we onze ruimtelijke regie rol hebben, waarbij we initiatieven toetsen, kunnen we echter de ruimtelijke kwaliteit en inpassing zoveel mogelijk blijven borgen. Verankering van lessen uit het verleden en uitbreiding van onze mogelijkheden De evaluatie van Nieuwe Energie 1.0 toont aan dat de eerdere aanpak zijn vruchten heeft afgeworpen, en tegelijkertijd is er een breder palet nodig om in te spelen op de nieuwe ontwikkelingen. We passen de verkregen inzichten uit Nieuwe Energie 1.0 concreet toe: we sturen minder eenzijdig op grootschalige opwek en creëren meer ruimte voor diverse schaalniveaus van opwek, met daarbij meer aandacht voor haalbaarheid, een betere lokale afstemming van vraag en aanbod, en lokale koppelkansen.
We maken keuzes in deze beleidsrichtingen, voor energieopwekking dat rekening houdt met de lokale vraag-en aanbod balans, lokale participatie en draagvlak onder inwoners en bedrijven én de ruimtelijke inpassing.
Beleidskader Nieuwe Energie
10
De energietransitie in de gemeente Venlo maakt deel uit van een bredere, regionale opgave zoals vastgelegd in de Regionale Energiestrategie (RES) Noord- en Midden-Limburg. In de RES 1.0, vastgesteld in 2021, is als gezamenlijk doel gesteld om vóór 2030 in de regio 1.200 GWh aan duurzame energie op te wekken. Dit regionale bod is een bijdrage aan de landelijke opgave van 35 TWh duurzame opwekking en wordt niet uitgesplitst naar afzonderlijke gemeenten. Deze benadering benadrukt het collectieve karakter van de opgave, waardoor het niet exact 1-op-1 herleidbaar is wat een ‘evenredige’ lokale bijdrage precies betekent. De uitvoering van de RES ligt op koers: naar verwachting is in 2025 al 80% van de doelstelling voor 2030 gerealiseerd. Toch betekent dit niet dat de energietransitie dan voltooid is. De periode na 2030 vraagt om een minstens zo grote inzet. Niet alleen vanwege de toenemende vraag naar elektriciteit door verdergaande elektrificatie van mobiliteit, industrie en huishoudens, maar ook omdat de huidige opgave slechts een deel van het totale energiesysteem raakt.
Venlo nu in cijfers Hieronder zien we een overzicht van belangrijke cijfers die een inkijk geven in onze lokale situatie.
Percentage woningen met geregistreerde zonnepanelen Opgesteld1 windvermogen op land (mw)
2022
2023
34%
42%
35
39,8
Percentage bekende hernieuwbare energie
10,4%
Percentage bekende hernieuwbare elektriciteit
26,6%
Percentage bekende hernieuwbare warmte
3,7%
Percentage bekende hernieuwbare energie voor vervoer
6,3%
Totaal bedrijven en woningen - Installaties
17689
21277
Aantal geregistreerde installaties met zonnepanelen woningen
16567
20428
Vermogen geregistreerde zonnepanelen (mw)
206,6
271,7
Vermogen geregistreerde zonnepanelen woningen (mw)
60,2
78,8
Vermogen geregistreerde zonnepanelen niet-woningen (mw)
146,4
192,9
De huidige duurzame energieprojecten in Venlo genereren samen voldoende hernieuwbare stroom voor ongeveer 35.000 huishoudens (totaal circa 49.500 huishoudens in Venlo). (Venlo staat op 10,4% hernieuwbare energie over alle sectoren). Verder is in totaal, 5,1% van de woningen in Venlo aardgasvrij. Dit is een belangrijke eerste stap in de lokale energiemix, maar met circa 10% is er nog een
1
Zie Opgesteld vermogen in de begrippenlijst voor aanvullende toelichting.
Beleidskader Nieuwe Energie
11
aanzienlijke opgave om in de volledige (toekomstige) energievraag van Venlo te voorzien2. De 9 windmolens op het Windpark Greenport Venlo leveren een belangrijke bijdrage aan de regionale energieproductie met een totale capaciteit van 38 megawatt. Hiermee worden circa 30.000 huishoudens voorzien van groene stroom. Ook verschillende grootschalige zonne-energieprojecten (op dak) leveren een belangrijke bijdrage: 13,1 megawatt aan stroom. Daarmee levert Venlo ook een waardevolle bijdrage aan de eerder genoemde regionale doelstelling3, waar we mede daardoor op koers liggen om de ambitie van 1.200 megawatt in 2030 te behalen. Vanaf 1 januari 2025 heeft de netbeheerder aangegeven dat Venlo een jaarlijkse opwekking van 339,361 GWh zal realiseren, wat neerkomt op 261 MW aan opgesteld vermogen. Dit vermogen is verdeeld over de volgende categorieën. Tabel 1: Actuele status zon op veld, bedrijventerreinen en wind op land JANUARI 2025 JAARBASIS OPGESTELD VERMOGEN Zon op Veld
8,60 GWh
8,6 MW
Zon op Dak
221,1 GWh 217,5 MW
Wind op Land
110,1 GWh 34,8 MW
Deze cijfers zijn gebaseerd op SDE/SCE-projecten4 die geregistreerd staan. De opwekking van zonnepanelen op daken van inwoners moet bovenop deze hoeveelheid worden gerekend. Meer achtergrond van de Zon op Dak tool wordt gegeven in de laatste paragraaf van Appendix 2. Duurzame energieopwekking is een belangrijke pijler, maar de werkelijke uitdaging is breder: het verduurzamen van het totale energieverbruik binnen de gemeentegrenzen. Daarbij is sprake van grote verschillen tussen sectoren – en daarmee ook van verschillen in de mate waarin de gemeente kan sturen of faciliteren. Zo vergt de glastuinbouw, ook binnen onze gemeente, een specifieke benadering. De glastuinbouw gebruikt in Nederland ongeveer 10% van alle elektriciteit. Vaak wekken tuinders deze stroom zelf op, met installaties die op gas werken (WKK-installaties). In sectoren waar warmte, licht en CO₂ van essentieel belang zijn voor het primaire productieproces, vormt fossiele energie vaak nog de norm. De verduurzaming van deze sectoren vraagt om maatwerkoplossingen, innovatieve technieken en een intensieve samenwerking tussen overheid en ondernemers. Dit beleidskader kiest daarom nadrukkelijk voor een integrale aanpak. In plaats van te sturen op één cijfermatige opgave, staat de brede verduurzamingsopgave centraal.
Dat betekent dat we ons niet alleen richten op het opwekken van duurzame energie, maar ook op het verlagen van het totale verbruik, het koppelen van lokale
In de verdeling van deze vraag nemen huishoudens zo’n 35% voor hun rekening. Daarnaast verbruikt de industrie, waaronder de glastuinbouw, ongeveer 40%, terwijl mobiliteit goed is voor de resterende 25%. 3 Actueel is er een percentage van 80,4%, in het eerste kwartaal van 2025, van de 1.200 megawattdoelstelling in 2030 behaald. 4 SDE (Stimulering Duurzame Energieproductie): Een subsidieprogramma van de overheid ter bevordering van duurzame energieproductie. 2
SCE (Stimulering Coöperatieve Energieopwekking): Een subsidieprogramma dat coöperaties en verenigingen ondersteunt bij het opwekken van duurzame energie.
Beleidskader Nieuwe Energie
12
vraag en aanbod, het stimuleren van energiebesparing, het benutten van opslagmogelijkheden, het verduurzamen van warmtevraag en het versterken van de energie-infrastructuur. Per beleidspijler wordt in dit kader de rol van de gemeente gespecificeerd.
2.4 BELEIDSMATIGE VERANKERING Eén van de ambities uit onze strategische visie is om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Dat betekent géén netto-uitstoot van broeikasgassen (zoals CO2) die bijdragen aan klimaatverandering. Om in 2050 een klimaatneutrale gemeente te zijn, ligt er binnen het raadsprogramma Circulaire en duurzame hoofdstad ambities vast volgens de drie programmalijnen: Nieuwe Energie, Nieuw Gebruik, en Nieuwe Natuur. De programmalijnen vormen de ruggengraat van het beleid dat Venlo niet alleen voorbereidt op toekomstige klimaatuitdagingen, maar ook vormt naar een duurzame, groene en veerkrachtige stad. In de afgelopen jaren is er binnen deze programmalijnen beleid ontwikkeld (figuur 1). •
Energietransitie (Nieuwe Energie): Zorgen voor een betrouwbare energievoorziening met hernieuwbare en schone bronnen.
•
Circulariteit (Nieuw Gebruik): Beperken van de milieu-impact door grondstoffen efficiënter te gebruiken en kringlopen te sluiten.
•
Klimaatadaptatie (Nieuwe Natuur): Venlo veerkrachtiger maken en beter voorbereiden op de effecten van klimaatverandering zoals hittestress, droogte en verlies van biodiversiteit.
Figuur 1. Beleidsmatige vertaling raadsprogramma Circulaire en duurzame hoofdstad van Venlo
Er zijn in de praktijk goede voorbeelden gerealiseerd, maar er is nog onvoldoende sprake van een structurele beleidsmatige vertaling van duurzaamheid binnen en buiten de gemeentelijke organisatie. Voor de programmalijnen wordt een integraal Uitvoeringsprogramma (2025-2027) in 2025 opgesteld, vanwege de groeiende uitdagingen en grotere behoefte aan integrale oplossingen. We kijken hierbij ook kritisch naar onze eigen interne organisatie, waarbij we kiezen voor een duidelijke prioritering van structurele, impactgerichte activiteiten in plaats van een veelvoud aan tijdelijke en versnipperde proefprojecten. Dit uitvoeringsprogramma richt zich op het bundelen van de koppelkansen tussen de programmalijnen en zoekt de verbinding met andere raadsprogramma’s voor het vergroten van lokale impact.
Beleidskader Nieuwe Energie
13
HOOFDSTUK 3 CONTEXT EN ONTWIKKELINGEN We werken samen met de regio, provincie en het land om onze doelen te halen en jouw leven duurzamer te maken. Samen maken we de energietransitie haalbaar. Door slimme keuzes te maken op basis van ervaringen besparen we tijd en geld, wat jou ten goede komt. In Hoofdstuk 2 zijn de huidige cijfers van Venlo op het gebied van energieverbruik en -bronnen gepresenteerd. Dit hoofdstuk bespreekt de (inter)nationale context waarin onze gemeente zich begeeft, en, onderzoekt de trends en ontwikkelingen die richtinggevend zijn voor het opstellen van onze ambitie en beleidskeuzes in Hoofdstuk 4.
3.1 CONTEXT Er is een betere afstemming van vraag en aanbod van duurzame opwek nodig, om deze vervolgens te kunnen integreren met andere ruimtelijke en maatschappelijke doelstellingen. Behalve de opwek van groene energie, energiebesparing en een duurzame warmtevoorziening gaat de komende jaren veel aandacht uit naar de continuïteit en modernisering van het energiesysteem. Door de mondiale crisis is de urgentie op deze programmalijn toegenomen. Een van de meest omvangrijke taken voor de gemeente is het verduurzamen van de gebouwde omgeving. De opgave voor duurzame energieopwekking en infrastructuur binnen onze gemeente is echter groter, maar veel van de bevoegdheden en beslissingsbevoegdheden liggen op provinciaal en nationaal niveau. Dit betreft bijvoorbeeld de aanleg van grootschalige energie-infrastructuur zoals hoogspanningsnetwerken en de plaatsing van grote windparken, die vaak buiten onze directe invloedssfeer vallen. Onze ambities sluiten aan op internationale, nationale en regionale doelen, zoals het klimaatakkoord van Parijs, de Europese Green Deal en de Regionale Energiestrategie (RES) Noord- en MiddenLimburg. Kortom, het nationale, provinciale en regionale beleid heeft ook invloed op de beleidsruimte van dit beleidskader. Deze kaders geven richting aan ons lokale energiebeleid en vormen de basis voor samenwerking met partners binnen en buiten de regio.
We versterken onze energieopwekking en infrastructuur door actief in te spelen op trends en ontwikkelingen. Dit hoofdstuk zal hier verder op ingaan.
3.2 (INTER)NATIONALE CONTEXT Nederland heeft zich gecommitteerd aan de Europese regels zoals vastgelegd in het Internationale Parijs-akkoord. Dit akkoord bevat richtlijnen voor de hoeveelheid duurzame energie en de reductie van CO2-uitstoot. Het nationale Klimaatakkoord stelt dat Nederland in 2050 klimaatneutraal moet zijn. Er zijn ook afspraken gemaakt over participatie om de transparantie van besluitvorming te verbeteren en het maatschappelijke draagvlak voor hernieuwbare energie te vergroten.
Beleidskader Nieuwe Energie
14
Sustainable Development Goals (SDG’s) In 2015 hebben de Verenigde Naties de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) opgesteld, die het globale kader vormen om duurzaamheid na te streven (figuur 2). De 17 doelen richten zich op een toekomst waarin economische groei, sociale inclusie en milieubescherming hand in hand gaan. De SDG’s zijn wereldwijd erkend als basis voor duurzame ontwikkeling en dienen als kompas om op een breed scala aan maatschappelijke ontwikkelingen doelgericht en toekomstbestendig in te spelen. Een nieuw energiebeleid draagt op verschillende manieren bij aan de SDG’s:
Betaalbare en duurzame energie (7): Het bevorderen van toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen. Dit omvat het vergroten van het aandeel hernieuwbare energie in de energiemix en het verbeteren van energie-efficiëntie.
Industrie, innovatie en infrastructuur (9): Het ontwikkelen van veerkrachtige infrastructuur, het bevorderen van inclusieve en duurzame industrialisatie en het stimuleren van innovatie. Hernieuwbare energieprojecten kunnen innovatie aanwakkeren en duurzame industriële groei ondersteunen.
Duurzame steden en gemeenschappen (11): Het maken van steden en menselijke nederzettingen inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam. Hernieuwbare energie kan bijdragen aan schonere lucht en een betere leefomgeving in stedelijke gebieden.
Klimaatactie (13): Het nemen van dringende maatregelen om klimaatverandering en de gevolgen ervan te bestrijden. Het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen helpt de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en draagt bij aan de wereldwijde inspanningen om klimaatverandering tegen te gaan.
Figuur 2. Een afbeelding van de 17 Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG's) van de Verenigde Naties, weergegeven in gekleurde vierkanten met pictogrammen en beschrijvingen. Elk doel heeft een eigen nummer, kleur en symbool om het thema te illustreren. Rechts onderaan staat het logo van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Bron: sdgnederland.nl
Beleidskader Nieuwe Energie
15
Bij de uitwerking van de indicatoren en monitoring van het beleidskader Nieuwe Energie in het aanstaande Uitvoeringsprogramma Circulaire en Duurzame Hoofdstad (2025-2027) verkennen we hoe de SDG’s geïntegreerd kunnen worden. Dit stelt ons in staat om onze duurzaamheidsdoelen te verbinden met een wereldwijd erkend raamwerk en onze inspanningen te richten op de gebieden met de grootste impact. Het draagt ook bij aan de bredere inbedding van duurzaamheid in andere beleidsvelden, door gemeenschappelijke taal en doelen te creëren.
3.3 LANDELIJKE CONTEXT Het rijksbeleid voor Nieuwe Energie werkt door in het energiebeleid van Venlo. Met name de Nationale Omgevingsvisie en het Nationaal Plan Energiesysteem zijn hierbij van belang. Nationaal beleid De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een langetermijnvisie op de inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De energietransitie vereist veel ruimte, die ook door andere opgaven zoals natuurbehoud en woningbouw wordt geclaimd. De NOVI helpt bij het maken van keuzes en stelt de kwaliteit van een gebied centraal. Voor de energietransitie gelden de volgende uitgangspunten: geschikte energie-infrastructuur voor duurzame energiebronnen en reservering van ruimte, en integratie van duurzame energie met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combinatie met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windturbines. Op landelijk niveau is in 2023 door het Rijk het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) opgesteld. Het NPE biedt een duidelijke ontwikkelrichting voor het energiesysteem tot 2050. Het kabinet zet in op een zo breed mogelijk palet energiebronnen en benodigde infrastructuur. In het NPE worden vier energieketens uitgewerkt: elektriciteit, waterstof, koolstof en warmte. Elektriciteit zal de dragende en meest toegepaste energieketen worden.
In 2050 is ruim het verviervoudiging van het totale elektriciteitsaanbod ten opzichte van het huidige gebruik noodzakelijk. Om dit mogelijk te maken zet het kabinet in op snelle opschaling van wind-, zon- en kernenergie. Koolstofdragers zijn stoffen of energiebronnen die koolstof bevatten, zoals fossiele brandstoffen (olie, gas, kolen) die CO2 uitstoten wanneer ze worden verbrand. In de energietransitie willen we overstappen naar koolstofvrije energiedragers, zoals elektriciteit, duurzame warmte en waterstof, die geen CO2-uitstoot veroorzaken. Echter, er zijn nog steeds toepassingen waarbij koolstofdragers nodig blijven, zelfs in 2050. Hoewel het gebruik van koolstofdragers aanzienlijk zal afnemen, zullen ze nog steeds een belangrijk deel van het energiesysteem uitmaken. Waterstof zal in 2050 meer worden geproduceerd en krijgt een systeemrol voor het energiesysteem. Waterstof wordt vooral ingezet in de industrie en voor (internationale) mobiliteit. Daarnaast blijven koolstofdragers in 2050 belangrijk in het energiesysteem. Voor veel toepassingen wordt overgestapt naar koolstofvrije energiedragers, zoals elektriciteit, duurzame warmte en waterstof, om CO2-uitstoot te vermijden. Maar dat kan lang niet overal. De hoeveelheid gebruikte koolstofdragers is daarom in 2050 weliswaar veel kleiner dan nu, maar nog altijd substantieel.
Beleidskader Nieuwe Energie
16
Tot slot vervullen warmtenetten met duurzame warmtebronnen in 2050 een significant deel van de warmtebehoefte van de gebouwde omgeving en glastuinbouw. Daarbij zal ook warmteopslag een rol spelen om zo efficiënt mogelijk gebruik te maken van warmtebronnen. Naast de energieketens maakt het kabinet richtinggevende keuzes die de basis leggen voor de ontwikkeling van dit energiesysteem. Daarbij zijn er vijf richtinggevende keuzes gemaakt: maximaal aanbod, energiebesparing, slim inzetten van energie en infrastructuur, internationale samenwerking, samen sturen. In lijn met het NPE stelt elke provincie haar eigen energievisie op. Hierin formuleren de provincies eigen uitgangspunten in de vorm van leidende principes en maken zij structurerende keuzes over energievraag- en aanbod. Landelijke trends en uitdagingen De energietransitie bevindt zich nu in een fase waarin (grootschalige) opwek van duurzame energie steeds meer verweven wordt met ruimtelijke keuzes en met gevolgen voor de bestaande infrastructuur. Daarbij zijn er enkele landelijke trends en uitdagingen welke onderstaand nader worden toegelicht.
NETCONGESTIE De verduurzaming van ons energiesysteem draagt bij aan een beter klimaat. Het bestaande netwerk is onvoldoende berekend op de stijgende vraag en productie van elektriciteit. Hierdoor ontstaan knelpunten die de realisatie van nieuwe energieprojecten vertragen. Dit is te wijten aan overbelasting van het elektriciteitsnet, bekend als netcongestie. Deze netcongestie vertraagt de elektrificatie van bedrijven, die willen overstappen van bijvoorbeeld aardgas naar elektriciteit. Bovendien belemmert netcongestie de groei van duurzame energieopwekking, het aardgasvrij maken van woningen, elektrisch vervoer en de bouw van nieuwe woningen en bedrijven. De energietransitie vraagt om intensieve samenwerking tussen publieke en marktpartijen om gezamenlijke doelstellingen te realiseren. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van energie hubs. Bedrijventerreinen zijn belangrijke locaties voor energieopwekking, opslag en distributie. Energiehubs kunnen hier als knooppunten fungeren, waar verschillende energiebronnen zoals zonne- en windenergie worden gekoppeld aan opslagmogelijkheden en gebruikers. Dit helpt netcongestie te verminderen door lokale vraag en aanbod beter af te stemmen. Als gemeente nemen we geen directe rol in bij de ontwikkeling van energiehubs, maar ondersteunen we bedrijven en partners bij het verkennen van mogelijkheden en het opzetten van samenwerkingen.
We faciliteren de planvorming en realisatie van projecten die bijdragen aan een duurzaam en efficiënt lokaal energiesysteem. Netcongestie is een landelijk probleem waar netbeheerders, gemeentes en ontwikkelaars voor grote uitdagingen staan. Dit wordt steeds duidelijker op plekken waar de aansluiting op het elektriciteitsnet beperkt is. In Hoofdstuk 4 ontwikkelen we beleidsmatige uitgangspunten om deze problematiek in de toekomst beter aan te pakken en initiatiefnemers handvatten te bieden voor vergelijkbare situaties. De bestaande infrastructuur voldoet op lange termijn niet aan de groeiende vraag. Netbeheerders staan voor de opgave om het netwerk te verzwaren, ruimte te creëren voor nieuwe
Beleidskader Nieuwe Energie
17
energievoorzieningen en energie-uitwisseling mogelijk te maken. Hoewel dit primair een taak is van netbeheerders, kijken we als gemeente hoe we deze opgave kunnen ondersteunen en ruimtelijk efficiënt kunnen inpassen, zodat de ontwikkelingen goed en toekomstbestendig worden geïntegreerd. Daarbij speelt ook dat er op nationaal niveau nog niet altijd richtlijnen, regels of kaders zijn opgesteld voor bijvoorbeeld externe veiligheid. Wij zullen de energietransitie per opgave in de komende jaren zorgvuldig ruimtelijk in gaan passen. Dit zullen wij alleen doen voor de opgaven waarbij er deugdelijke veiligheidsvoorschriften zijn, we het milieutechnisch kunnen afwegen en wanneer wij het planologisch, landschappelijk en stedenbouwkundig kunnen inpassen. Ook zullen wij ons richten op het plaatsen van de energievoorzieningen of infrastructuur waar dit het meeste effect heeft. Dit is per opgave verschillend, zo is het voor opslag het meest effectief om deze naast opwek te plaatsen en dienen trafohuisjes op een bepaalde afstand binnen het net te worden geplaatst. Waar mogelijk zetten wij zoveel mogelijk in op bewezen innovaties en beproefde technieken.
Grondstoffentransitie en hergebruik De energietransitie brengt een aanzienlijke vraag naar zeldzame aardmetalen met zich mee. Deze metalen zijn essentieel voor de productie van technologieën zoals zonnepanelen, windturbines en batterijen. Daardoor neemt de vraag naar schaarse aardmetalen zoals lithium, kobalt, neodymium en dysprosium snel toe. Deze metalen worden gewonnen in een beperkt aantal landen en komen voornamelijk uit China. Dit creëert geopolitieke spanningen en afhankelijkheden die de leveringszekerheid kunnen bedreigen. Daarnaast heeft de winning van schaarse aardmetalen een aanzienlijke milieu-impact, waaronder de vervuiling en habitatvernietiging ter plaatse van de winlocaties. Dit obstakel speelt vooral op Europees schaalniveau. Zo probeert Europa strategische autonomie te bereiken door middel van diversificatie van hun toeleveringsketens en zetten ze in op het bevorderen van binnenlandse productie en recycling. Daarnaast hebben veel energietransitie technieken een beperkte houdbaarheidsdatum. Zo gaan zonnepanelen ongeveer 25 jaar mee. Bij windmolens is dit ongeveer 20 jaar. Daarna zullen deze minder duurzame energie opwekken en op termijn weer moeten verwijderd. Vaak worden zonnepanelen nu laagwaardig gerecycled en worden ze vermalen tot betonmateriaal.
Er bestaan steeds meer technieken om oude zonnepanelen beter te recyclen door de hoogwaardige metalen eruit te halen. Daarnaast bestaan er steeds meer producten waarbij vooraf geanticipeerd is op hergebruik en recycling. Er zijn verschillende innovaties op het gebied van duurzame energie die de komende jaren op grotere schaal kunnen worden toegepast. We blijven op de hoogte van nieuwe ontwikkelingen om kansen te identificeren en circulaire principes te integreren in onze energieprojecten. Small Modular Reactors (SMR) ontwikkeling Het Rijk neemt momenteel het voortouw in de inventarisatie van de mogelijkheden voor Small Modular Reactors (SMR) in Nederland. Wij volgen de ontwikkelingen op dit gebied via de provincie, die deze coördineert en ons als stakeholder betrekt. Gezien de complexiteit en de schaal van dit onderwerp, is het op dit moment te vroeg om op decentraal niveau een standpunt in te nemen. Wij zullen de uitkomsten van deze inventarisatie en andere provinciale ontwikkelingen nauwlettend volgen.
Beleidskader Nieuwe Energie
18
PROVINCIAAL BELEID Op 15 december 2020 hebben de Gedeputeerde Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Een belangrijk element hierin is de Limburgse Zonneladder, die richtlijnen biedt voor de ruimtelijke inpassing van duurzame energieopwekking met zonnepanelen. De zonneladder, in lijn met de motie Dik-Faber uit de NOVI, wordt vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening 2021. Het doel is een optimale benutting van zonnepanelen in drie treden: daken van gebouwen, onbenutte terreinen in bebouwd gebied, en gronden in het buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur. Er is geen opeenvolging in de treden, maar een zorgvuldige ruimtelijke afweging en landschappelijke inpassing zijn vereist.
We hanteren de zonneladder Landelijke uitgangspunten zijn geformuleerd en geven een volgordelijkheid aan in de voorkeursplaatsing van zonnepanelen op het (gemeentelijk) grondgebied. Het uitgangspunt is dat eerst gebouwen zoveel mogelijk worden belegd en dat daarna wordt gekeken naar ongebruikte terreinen in gebouwd gebied en dubbel ruimtegebruik. Er moet worden voorkomen dat zonnepanelen op de grond gelegd worden als dat niet nodig is en dat landbouwgrond en natuur onnodig worden opgeofferd. De Limburgse zonneladder, zoals beschreven in de ontwerp Omgevingsvisie 2020 van de provincie Limburg, is een strategisch hulpmiddel voor de ruimtelijke inpassing van zonne-energie. Deze zonneladder helpt bij het bepalen van de meest geschikte locaties voor zonne-energieprojecten, met als doel om de impact op het landschap en de omgeving te minimaliseren en tegelijkertijd de efficiëntie van de energieopwekking te maximaliseren. De zonneladder bestaat uit verschillende treden, die prioriteit geven aan bepaalde typen locaties voor zonne-energie. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan het plaatsen van zonnepanelen op daken en gevels van bestaande gebouwen. Dit is de meest wenselijke optie omdat het gebruik maakt van reeds bebouwde ruimte zonder extra beslag te leggen op open land. De volgende trede richt zich op het benutten van onbenutte terreinen binnen bebouwd gebied.
Dit kunnen bijvoorbeeld braakliggende terreinen of parkeerplaatsen zijn. Door deze locaties te gebruiken, wordt voorkomen dat waardevolle landbouwgrond of natuurgebieden worden aangetast. Er wordt ook aandacht besteed aan het combineren van functies, zoals het integreren van zonneenergieprojecten met natuurontwikkeling of recreatie. We hanteren het volgende lokale uitgangspunt op basis van een lokale aangenomen motie. De gemeente verleent geen medewerking aan de realisatie van zonneparken op landbouw- en natuurgronden binnen het gemeentelijk grondgebied. Zonne-energie wordt uitsluitend mogelijk gemaakt op daken en gebouwgebonden constructies. Met deze werkwijze wordt uitvoering gegeven aan de door de raad aangenomen motie Stop zonneparken op grond (nr. 112623 d.d. 3 november 2023). Deze beleidskeuze ondersteunt de verduurzaming van de regio door zonne-energie optimaal in te zetten op de meest geschikte locaties, zonder afbreuk te doen aan de waarde van landbouw- en natuurgronden. We blijven daarbij zorgvuldig in de afweging van nieuwe initiatieven, waarbij het
Beleidskader Nieuwe Energie
19
primaire uitgangspunt is dat zonne-energie enkel op daken en gebouwgebonden constructies wordt gerealiseerd.
Figuur 3: De Limburgse zonneladder prioriteert zonne-energie op daken en gevels van gebouwen, gevolgd door onbenutte terreinen binnen bebouwd gebied. Lagere prioriteit wordt gegeven aan minder waardevolle landbouwgrond en open terreinen, met aandacht voor ruimtelijke inpassing en behoud van landschapsstructuren.
Provinciale energievisie De provinciale energievisie is het strategische raamwerk voor de ontwikkeling van het energiesysteem binnen provincie Limburg. De visie bevat of agendeert keuzes over het energiesysteem, die in samenhang worden gemaakt met ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving en op specifieke locaties, zoals woonwijken en bedrijventerreinen. De provinciale energievisie is op 18 november aan de Provinciale Staten aangeboden en is momenteel nog niet vastgesteld. De Limburgse provinciale energievisie neemt middels de provinciale leidende principes structurerende keuzes. Dit is opgedeeld in leidende principes waaraan iedereen een bijdrage kan leveren, leidende principes waar energieprofessionals en beleidsmakers de grootste bijdrage aan dienen te leveren en leidende principes vanuit randvoorwaardelijk perspectief. Gezien de provinciale energievisie nog niet is vastgesteld kunnen we nu nog geen uitspraken doen over de inhoud. Echter zullen wij de visie wel meenemen in dit beleidskader en er zoveel mogelijk op aansluiten.
Beleidskader Nieuwe Energie
20
Integraal programmeren, de energievisie en pMIEK Integraal programmeren is een gezamenlijk proces van in ieder geval overheden en netbeheerders, gericht op het ontwerpen en plannen (in tijd en plaats) van en keuzes maken over toekomstige energie-infrastructuur, opslag en conversie, in nauwe samenhang met ruimtelijke en sectorale planvorming voor vraag en aanbod (industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving, opwek, landbouw), op basis van een publieke afweging. De belangrijkste resultaten waarnaar de overheden en netbeheerders streven zijn een energievisie en een provinciaal MIEK. De energievisie bevat zover mogelijk het toekomstbeeld van de ontwikkeling van het energiesysteem, het provinciaal MIEK een overzicht van de daarvoor nodige belangrijkste maatschappelijke projecten in een provincie. Dit is vormgegeven in een lijst met alle belangrijke energie-infrastructuurprojecten die als input dienen voor de investeringsplannen voor de lokale en landelijke netbeheerders. Door middel van integraal programmeren kunnen netbeheerder beter anticiperen op maatschappelijke behoeften en visies en beleid van overheden en kunnen overheden beter anticiperen op de mogelijkheden binnen het elektriciteitsnetwerk (en de schaarste daarbinnen).
REGIONAAL BELEID RES Noord en Midden-Limburg (RES NML) De RES Noord en Midden-Limburg speelt een belangrijke rol in het vormgeven van onze energieopgave. Deze regionale strategie biedt een platform voor samenwerking tussen gemeenten, bedrijven, netbeheerders en maatschappelijke organisaties. Hierdoor kunnen we onze energieopgaven op schaal aanpakken en onze impact vergroten. Dit concentreert zich op onderwerpen zoals grootschalige initiatieven, zoals energiehubs en infrastructuurprojecten, maar ook kleinschalige opwekking en lokale energiegemeenschappen. Door kennis en expertise te delen en projecten te coördineren, versnellen we de energietransitie en voorkomen we overlapping. De RES biedt een regionaal kader voor opschaling en oplossingen zoals netcongestie en de diversificatie van energiebronnen. Als centrumgemeente nemen we het voortouw in deze samenwerking en bewaken we tegelijkertijd onze eigen lokale prioriteiten en belangen. Wij hebben binnen deze RES een unieke positie. Door onze stedelijke en agrarische kenmerken bieden we kansen voor een diverse energiemix. Tegelijkertijd leggen uitdagingen zoals netcongestie en maatschappelijke weerstand tegen windenergie de nadruk op maatwerk. Door onze inspanningen af te stemmen op de RES, benutten we schaalvoordelen en kennisdeling, terwijl we rekening houden met lokale behoeften.
De uitgangspunten van het beleidskader Nieuwe Energie zijn onlosmakelijk verbonden met de doelen en ambities van de Regionale Energiestrategie Noord- en Midden-Limburg (RES-NML). De Regionale Energie Strategie (NP RES) streeft naar 35 TWh duurzame energieopwekking op land voor heel Nederland tegen 2030, waarvan 1200 GWh voor de RES-regio Noord- en MiddenLimburg. In 2050 moet alle energie duurzaam zijn en geen CO2 meer uitstoten. Venlo draagt met haar energieprojecten substantieel bij aan de regionale doelstelling, zoals toegelicht in Hoofdstuk 2. Deze
Beleidskader Nieuwe Energie
21
bijdrage komt voort uit diverse zonne- en windenergieprojecten, evenals innovaties op het gebied van energieopslag en infrastructuur. In RES 1.0 zijn kansenkaarten opgenomen en bepaalde gebieden uitgesloten van grootschalige opwekking. De kansen voor grootschalige opwekking liggen voornamelijk aan de randen van de gemeente. Daarnaast kiest de RES 1.0 voor 25% CO2-reductie via kleinschalige opwekking en energiebesparing. Op regionaal niveau wordt daarnaast tevens een energievisie opgesteld voor het energiesysteem van de regio. Met de regionale energievisie wordt toegewerkt naar RES 2.0 en wordt er input geleverd voor het provinciaal integraal programmeren. Ook op regionaal niveau wordt er toegewerkt naar leidende principes, structurerende keuzes en uiteindelijk projecten en acties voor energie-infrastructuur. Daarbij hoort ook regionaal programmeren welke de mogelijkheid biedt om een koers te kiezen vanuit regionaal perspectief en de opgaven op detailniveau (van energiesysteem en ruimtelijk) aan te pakken. Daarbij is het uitgangspunt om niet de opgaven sectoraal of gebiedsgericht aan te vliegen maar juist om koppelkansen tussen sectoren en gebieden te benutten. Andere regionale opgaven We werken aan de ambitie om de gezondste regio van Noord-Limburg te zijn, zoals beschreven in de strategische regiovisie Noord-Limburg 2040.
Dit stimuleert innovatie door verkenning van pilots voor energieopslag en -omslag, en gezamenlijke aanpak van grootschalige energieopwekking.
LOKALE STRATEGIE Op gemeentelijk schaalniveau vormt de energietransitie onderdeel van de strategische visie en de daaropvolgende omgevingsvisie en economische visie. De gebouwde omgeving vertegenwoordigt een significante uitdaging door externe actoren en biedt tegelijkertijd kansen voor substantiële slimme energiebesparingen en duurzaamheidsinitiatieven. Als rolmodel streeft de gemeentelijke organisatie ernaar om voorop te lopen in het implementeren en promoten van duurzame praktijken. Een van de ambities van de Venlo Agenda 2040: Strategische Visie is om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Dit doel is tevens overgenomen in de Omgevingsvisie. De gemeente Venlo kijkt naar zowel de lokale als regionale schaal bij energieopwekking en onderschrijft de inzet van bewezen innovaties en beproefde technieken vanuit het bedrijfsleven. De Economische Visie Venlo 2030 is een ambitieuze visie om samen met strategische partners te werken aan een optimale en duurzame economische ontwikkeling als basis voor brede welvaart. Integratie van duurzaamheidsdoelen in ruimtelijke ordening en planvorming helpt de duurzaamheidsambities te verankeren in gebiedsontwikkeling en interne processen.
Instrumenten van de Omgevingswet De Omgevingswet biedt de energietransitie meerdere handvatten om haar doelen te verankeren. Voorheen speelden duurzaamheidsthema’s nog geen grote rol in de ruimtelijke ordening omdat duurzaamheidsonderwerpen niet onder een ‘goede ruimtelijke ordening’ vielen. Nu dit verbreed is naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kunnen er onder de Omgevingswet ook regels voor duurzaamheid in het omgevingsplan worden opgenomen. Daarnaast dienen gemeenten een omgevingsvisie op te stellen welke de lange termijnvisie voor de fysieke leefomgeving behelst. De
Beleidskader Nieuwe Energie
22
energietransitie heeft vele ruimtelijke consequenties en is daarom opgenomen in de gemeentelijke omgevingsvisie. Dit zorgt ervoor dat de energietransitie ook meegenomen wordt in de ruimtelijke afweging en er integraal gekeken is waar de energietransitie een plek krijgt. Daarnaast kan ervoor gekozen worden om programma's op te stellen. Het programma kan een belangrijke rol spelen om uitwerking te geven aan de beleidsdoelen uit de omgevingsvisie. Zowel voor een bepaald thema, zoals duurzame opwek, als voor een bepaald gebied, zoals de Venlose haven. Zo kan de gemeente in een programma een pakket aan maatregelen vastleggen dat bijdraagt aan het behalen van een doel. De energietransitie is momenteel opgenomen in het uitvoeringsprogramma van de omgevingsvisie: “Nadere verkenning ruimtelijke impact van de energietransitie”, waarbij de brug wordt gelegd tussen de energietransitie en waar en hoeveel ruimte daarvoor nodig zal zijn. Tot slot biedt de Omgevingswet dus de mogelijkheid om regels voor de energietransitie in het gemeentelijke Omgevingsplan op te stellen. Gemeente Venlo heeft momenteel nog geen Omgevingsplan. Wel zullen wij worden betrokken in het proces tot het opstellen van het Omgevingsplan waarbij wij onze doelstellingen en ambities tegen het licht zullen houden en zullen beslissen of wij noodzaak zien om regels voor de energietransitie op te nemen.
Onze energietransitie staat duidelijk niet op zichzelf. Het is een proces dat verweven is met regionale, nationale en internationale ambities. Door samen te werken en in te spelen op trends zoals netcongestie en diversificatie van de energiemix, komen we in het volgende hoofdstuk tot een beleidsmatige uitwerking.
Beleidskader Nieuwe Energie
23
HOOFDSTUK 4 BELEIDSMATIGE UITGANGSPUNTEN De energietransitie brengt veranderingen met zich mee die vragen om duidelijke keuzes. Dit hoofdstuk schetst de uitgangspunten voor het energiebeleid van Venlo aan de hand van 4 beleidspijlers. Deze pijlers vormen de basis voor de uitvoering en geven richting aan de te nemen stappen. Per pijler lichten we onze rol en bijbehorende uitgangspunten toe, zodat we samen kunnen werken aan een duurzame en leefbare toekomst voor Venlo.
4.1 DE PIJLERS VAN NIEUWE ENERGIE Ons beleid raakt aan belangrijke onderwerpen zoals het elektriciteitsnet, draagvlak bij inwoners en de ruimtelijke impact van projecten. De gemeente is daarbij een schakel in een groter geheel. We streven naar zoveel mogelijk samenhang en afstemming met andere partijen binnen deze vier pijlers: De vier pijlers vormen de kern van ons energiebeleid. Ze sturen onze gezamenlijke initiatieven en keuzes richting een gebalanceerde duurzame energietransitie: De energietransitie gaat verder dan enkel het opwekken van energie. De uitdagingen hebben we in beeld. Oplossingsrichtingen moeten echter multidisciplinair samenkomen. We kunnen ons geen verdere versnippering veroorloven.
1. Gebalanceerde lokale energieopwekking Er is niet een enkele directe vervanging voor fossiele brandstoffen. Diversiteit in energiebronnen is essentieel. Duurzame opwekmogelijkheden sluiten op elkaar aan, zoals bijvoorbeeld het opwekprofiel van zon en wind elkaar aanvullen. We streven naar het lokaal bij elkaar brengen van vraag en aanbod., Hierdoor kunnen we vraag en aanbod van energie (technisch) gezien enkel beter afstemmen, als we bij voorbaat geen specifieke opwekmethode lokaal uitsluiten. 2. Toekomstbestendige infrastructuur Overbelasting is te voorkomen door slimme oplossingen. Met behulp van energiehubs en andere innovatieve opslagmogelijkheden worden vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd. Dat verbetert de leveringszekerheid van energie. 3. Toegang, draagvlak en participatie De energietransitie kan alleen slagen als iedereen meedoet. We brengen verbeteringen aan in participatietrajecten. We betrekken hen actief én zo vroegtijdig mogelijk bij projecten. Het is belangrijk om gelijke toegang tot betaalbare, duurzame energie waarborgen, zoals subsidies en het verbeteren van de energie-efficiëntie van woningen. Energiearmoede vormt een risico in de energietransitie, waarbij kwetsbare groepen moeite kunnen hebben met het betalen van energie.
Door de sociale component van de energietransitie te integreren, streven we naar een inclusieve en rechtvaardige samenleving waarin niemand achterblijft. 4. Ruimtelijke inpassing en landschapsintegratie Duurzame energieprojecten worden zorgvuldig ingepast met behulp van ruimtelijke kaders en toetsing.
Beleidskader Nieuwe Energie
24
Centrale uitgangspunten Voor deze 4 pijlers gelden, naast individuele uitgangspunten per pijler, de volgende centrale beleidsmatige uitgangspunten. Balans tussen ambitie en haalbaarheid De energietransitie vraagt om grote doelen, maar de plannen moeten realistisch zijn. Door stapsgewijs te werken, bewezen innovaties en beproefde technieken zoveel mogelijk te benutten, dragen we bij aan concrete haalbare vooruitgang. Energietransitie en ruimtelijke ontwikkelingen De groei van Venlo brengt uitdagingen en kansen met zich mee voor woningbouw en ruimtelijke planning. Betrouwbare en duurzame energievoorzieningen zijn hierbij cruciaal. Nieuwe woningen, bedrijventerreinen en infrastructuur hebben een netwerk nodig dat is voorbereid op toekomstige ontwikkelingen, zoals elektrificatie en hernieuwbare energiebronnen. Alleen zo kunnen we vertragingen en hogere kosten voorkomen en bijdragen aan een duurzame stedelijke ontwikkeling van onze gemeente. Gerichte rolverdeling We willen een proactieve en veelzijdige rol in de energietransitie op te pakken, ook daar waar we niet direct aan het stuurwiel zitten. Dit betekent dat we verder willen gaan dan nieuwe initiatieven ruimtelijk toetsen. Echter, dit betekent dat de rollen voor beleidspijler 1,2 en 3 rollen zijn waarbij we een meer indirecte invloedsfeer hebben.