320084 - RB Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2025.pdf
Tekst van het document
GEMEENTEBESTUUR
Raadsbesluit onderwerp raadsvergadering d.d.
Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2025 26 februari 2025
ons kenmerk 320084 steller CJM Sijbers-Bergmans telefoonnummer +31 77 2079661 e-mail i.sijbers@venlo.nl
De raad van de gemeente Venlo; gelezen het voorstel van het college van 14 januari 2025, registratienummer 320084; gelet op artikel 49 van de Gemeentewet;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015); overwegende dat: - burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; -
van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;
-
burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende in staat zijn tot participatie of begeleiding nodig hebben bij het zelfstandig kunnen wonen, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
-
de gemeente per 2015 de verantwoordelijkheid heeft voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders/verzorgers en de jeugdige zelf ligt;
-
het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening c.q. maatwerkvoorziening, evenals de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van voorzieningen wordt afgestemd met andere voorzieningen;
285413
1
Raadsbesluit
-
het noodzakelijk is om regels op te stellen over het vaststellen van de hoogte van een persoonsgebonden budget, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een voorziening of een persoonsgebonden budget, evenals misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;
-
het noodzakelijk is om richtlijnen vast te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van hulp, ondersteuning of zorg en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
-
het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden met betrekking tot de hoogte van het bedrag degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de hulp, ondersteuning of zorg kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociaal netwerk;
-
het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.9 van de Jeugdwet en 2.1.2 van de Wmo 2015 met betrekking tot de resultaatgebieden en doelgroepen die bij wet aan de gemeente worden toevertrouwd;
-
het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit vast te stellen:
de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2025 Intitulé Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2025
Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanvraag: een verzoek tot het toekennen van een maatwerkvoorziening; b. acute opvang: opvangvoorziening voor spoedeisende gevallen waarbij het college onverwijld in afwachting van het onderzoek opvang ter beschikking stelt; c. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet specifiek is bedoeld voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; d. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Hieronder worden in deze verordening tevens verstaan de overige voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.9 Jeugdwet; e. beschermd wonen: I. wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of 285413
2
Raadsbesluit
anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; én, II. de begeleiding wordt planbaar en onplanbaar (24 uur per dag) geboden op gevraagde en ongevraagde momenten, zodat er goed kan worden ingespeeld op de (al dan niet geëxpliceerde) zorgvraag van de cliënt; f. budgetbeheerder: degene die namens de budgethouder het persoonsgebonden budget beheert; g. budgetplan: plan van de budgethouder waarin vermeld staat welke ondersteuning wordt ingekocht en welke bedragen per zorgverlener wordt besteed. h. cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt of door of namens wie een melding of aanvraag is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, Wmo 2015. Hieronder wordt in deze verordening tevens verstaan de jeugdige of ouder zoals opgenomen in artikel 1.1 Jeugdwet; i. collectieve voorziening: een maatwerkvoorziening die collectief kan worden ingezet ten behoeve van personen die voor deze voorziening een indicatie hebben; j. eigen bijdrage: bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 onder b Wmo 2015; k. leefzorgplan: plan dat in overleg met de cliënt is opgesteld, dat de uitkomsten bevat van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015.
Dit dient tevens als verslag zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de Wmo 2015 en kan een aanvraag tot het toekennen van een maatwerkvoorziening bevatten; l. maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van (professionele) hulp, diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, beschermd wonen, opvang en andere maatregelen, in de vorm van zorg in natura of een persoonsgebonden budget, ten behoeve van te bereiken resultaten zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 Wmo 2015. Hieronder worden in deze verordening tevens verstaan de individuele voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1 Jeugdwet; m. ondersteuningsvraag: I. een aanvraag voor hulp of ondersteuning van een jeugdige of zijn vertegenwoordiger(s) in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, lid 1, Jeugdwet, of II. een melding voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 1, Wmo 2015; n. onderzoek: onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 4 Jeugdwet en 2.3.2 lid 4 Wmo; o.
pgb: persoonsgebonden budget, zijnde een door het college ter beschikking gesteld bedrag waaruit betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een cliënt van derden heeft betrokken, als bedoeld in artikel 8.1.1 Jeugdwet en artikel 1.1.1 Wmo 2015; p. plan van aanpak: het plan van aanpak per cliënt dat in overleg tussen de zorgverlener en de cliënt is opgesteld waarin wordt aangegeven welke (maatschappelijke) ondersteuning wordt geboden om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan; q. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; r. sport: het beoefenen van een sport in verenigings- of clubverband dan wel individueel, niet zijnde professionele sportbeoefening; s. traject: een tijdsduur waarbinnen de cliënt maatschappelijke ondersteuning ontvangt van de zorgverlener om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan; 285413 3
Raadsbesluit
t.
vaste bijdrage: bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 onder a Wmo 2015; u. winteropvang: een algemene voorziening voor opvang welke wordt opengesteld door de opvanginstelling zodra de koude- en/of winterregeling van kracht wordt. Artikel 2. Aanbod algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. een maaltijdvoorziening die wordt aangeboden tijdens de dagbesteding b. open inloop c. nachtopvang d. collectief vrijwilligers vervoer (buurtbus) e. algemene voorzieningen in de sociale basis 2. De volgende maatwerkvoorzieningen Wmo zijn in ieder geval beschikbaar: a. Beschermd wonen b. Maatschappelijke opvang c. Traject volwassenen met een complexe en meervoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding) d. Traject volwassenen met een kortdurende en enkelvoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding) e. Traject volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag (individuele ondersteuning en dagbesteding) f. Traject volwassenen met ouderdomsproblematiek (individuele begeleiding en dagbesteding) g. Traject hulp bij het huishouden h. Logeren i. Hulpmiddelen j. Woningaanpassingen k. Collectief vraagafhankelijk vervoer 3. De volgende maatwerkvoorzieningen jeugd zijn in ieder geval beschikbaar: a.
Opname vervangende behandeling en verblijf met behandeling b. Wonen: i. Pleegzorg ii. Gezinshuizen iii. Zelfstandig wonen training iv. Kleinschalige woongroepen v. Logeren c. Dagbesteding / dagbehandeling: i. Ernstig meervoudige beperking en opgroeiproblematiek ‘het jonge kind’ ii. Terug naar school iii. Duurzame daginvulling d. Ambulante hulp: i. Ambulant duurzaam en perspectief 1 + 2 ii. Jeugd-GGZ iii. Ernstig Enkelvoudige Dyslexie e. Jeugdbescherming; f. Jeugdreclassering; g. Jeugdzorgplus; h. Beschermd wonen (17+) i. Vervoer. Artikel 3. Toegang tot hulp en ondersteuning 285413
4
Raadsbesluit
1. Een ondersteuningsvraag wordt door of namens de cliënt schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal bij het college ingediend. 2. Indien de ondersteuningsvraag, zoals bedoeld in lid 1, een persoonlijke mondelinge of telefonische aanvraag betreft in de zin van de Jeugdwet, dan wordt deze op schrift gesteld. 3. De ontvangst van de ondersteuningsvraag, zoals bedoeld in lid 1, wordt schriftelijk of digitaal bevestigd. 4. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk zonder voorafgaande ondersteuningsvraag of onderzoek. Artikel 4. Onderzoek op basis van een ondersteuningsvraag 1. Het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp vindt plaats door of onder verantwoordelijkheid van SKJ- of BIG-geregistreerde professionals. Als specifieke deskundigheid vereist is, wordt een gedragsdeskundige en/of een (medisch) adviseur bij het onderzoek betrokken. 2. Bij een melding voor een maatwerkvoorziening vraagt het college een daartoe door hem aangewezen adviseur om advies, indien dat naar het oordeel van het college nodig is voor een zorgvuldige beoordeling. De adviseur moet, afhankelijk van de vereisten van het onderzoek, aantoonbaar beschikken over: a. Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts; of b. Ergonomische kennis; of c. Bouwkundige/technische kennis; of d. Gedragswetenschappelijke kennis. 3.
Een gesprek met de cliënt en indien van toepassing zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s) zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner, maakt deel uit van het onderzoek dat plaatsvindt naar aanleiding van een ondersteuningsvraag. Op verzoek van de cliënt of diens vertegenwoordiger kan een derde deelnemen aan dit gesprek, indien hiertegen geen bezwaar bestaat. 4. In afwijking van lid 3 kan het college na het raadplegen van de cliënt of zijn vertegenwoordiger, indien daar aanleiding toe is, een gemotiveerde keuze maken om geen onderzoek uit te voeren. 5. De cliënt, en indien van toepassing zijn vertegenwoordiger, wordt tijdig, in elk geval tijdens het gesprek, geïnformeerd over de procedure en zijn rechten en plichten, zoals deze zijn vastgelegd in de Jeugdwet en de Wmo 2015.6. Een weergave van het gesprek zoals bedoeld in lid 3 wordt, inclusief eventuele gemaakte afspraken, vastgelegd in het leefzorgplan. 6. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college, door middel van een door de cliënt ondertekend leefzorgplan als bedoeld in artikel 1. 7. Het college werkt bij nadere regeling met inachtneming van het bepaalde in de Jeugdwet en de Wmo 2015 verder uit op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. 8.
De uitvoeringstaken kunnen extern zijn belegd of de besluitvorming kan zijn gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders. In die gevallen draagt het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van individuele voorzieningen door deze partijen. Artikel 5. Toegang tot jeugdhulp niet via de gemeente 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. 285413
5
Raadsbesluit
2. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp-inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3. De in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde instellingen en functionarissen stellen het college in kennis van hun verwijzing naar een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2, derde lid. 4. De huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts kan alleen verwijzen naar een jeugdhulpaanbieder die een contract of subsidierelatie met de gemeente heeft. 5. Bij een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts moet de jeugdhulpaanbieder, als en voor zover deze van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp nodig is, in contact treden met het college over de in te zetten jeugdhulp. 6.
De verplichting in lid 5 is niet van toepassing wanneer er sprake is van spoedeisende gevallen of crisissituaties zoals bedoeld in artikel 7.2.6 Jeugdwet en artikel 2.3.3 Wmo 2015. 7. Het vijfde lid is ook van toepassing bij jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp-inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 8. Het college kan een protocol opstellen waarin voorwaarden worden opgenomen over de (afstemming over) door de jeugdhulpaanbieder in te zetten jeugdhulp en de daarmee te behalen doelen. 9. Uitvoering van de jeugdhulp als bedoeld in het zesde lid vindt plaats door een jeugdhulpaanbieder die een contract of subsidierelatie met de gemeente heeft. 10. De jeugdhulpaanbieder voorkomt alle (schijn van) belangenverstrengeling rondom verwijzingen en hulpverlening. Daaronder worden in elk geval verstaan zelfverwijzingen en intercollegiale verwijzingen.
De jeugdhulpaanbieder moet in die gevallen in contact treden met het college over de in te zetten jeugdhulp. 11. Bij verwijzing naar een organisatie/partij/persoon die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, is de gemeente niet gehouden de jeugdhulp te vergoeden. Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens de cliënt ingediend bij het college. 2. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor zover de cliënt de problemen of beperkingen zoals omschreven in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet en artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015 niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht, en/of b. indien het een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo betreft, met gebruikelijke hulp, en/of met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk,en/of met gebruikmaking van algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen. 3. Bij de beoordeling of de cliënt de problemen of beperkingen op eigen kracht of gebruikelijke hulp kan verminderen of wegnemen houdt het college rekening met: 285413
6
Raadsbesluit
a. de samenstelling van de leefeenheid van de cliënt en diens huisgenoot of huisgenoten; b. de aard van de relatie tussen de cliënt en diens huisgenoten; c. de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; d. de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; e. de mate waarin en de wijze waarop de cliënt voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving; f. overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de cliënt hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving. 4. Bij de beoordeling van de aanvraag jeugdhulp houdt het college rekening met de draagkracht en draaglast van de ouders of andere huisgenoten: a. Een gezonde draagkracht betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden.
Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouders hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent het college geen individuele voorziening jeugdhulp toe. b. Als de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouders voor hun kinderen voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt het college in haar onderzoek (als bedoeld in artikel 7) de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders, samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen. c.
Het college maakt voor wat betreft het vaststellen van de balans tussen draagkracht als bedoeld in het eerste lid en draaglast als bedoeld in het tweede lid een onderscheid in kortdurende en langdurende situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. - Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. d. In kortdurende situaties neemt het college aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht. In langdurende situaties 285413 7
Raadsbesluit
bieden ouder(s) of huisgenoten alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf als het college op basis van algemeen aanvaarde maatstaven vaststelt dat draaglast en draagkracht in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht. e. Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s) aan kinderen is tot en met de leeftijd van 17 jaar in principe gebruikelijke zorg, zowel in kortdurende als langdurende situaties. f. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het onderzoek naar de balans tussen draagkracht en draaglast en de uitwerking daarvan. 5. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 benoemde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven 6.
Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de inwoner deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 genoemde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld om zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 7. Een inwoner komt enkel in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor zover: a. hiermee naar het oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven, en b. het betreft een van de volgende voorzieningen: i.
tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing; ii. een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is. 8. Het leefzorgplan zoals genoemd in artikel 4, lid 5, wordt gebruikt ter motivering van het besluit op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 9. Als van een maatwerkvoorziening voor maatschappelijke ondersteuning meerdere varianten als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopste passende voorziening. 10. Een maatwerkvoorziening gericht op zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving kan worden toegekend in de vorm van zorg in natura, pgb of een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing van maximaal € 3.000. 11. Het college kan bij nadere regeling aanvullen op basis van welke criteria en te bereiken resultaten een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening voor maatschappelijke ondersteuning 1. Er wordt in ieder geval geen maatwerkvoorziening verstrekt: 285413
8
Raadsbesluit
a. indien de noodzaak tot een maatwerkvoorziening niet is vast te stellen doordat de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de wettelijke informatieverplichtingen waaronder artikel 2.3.2, lid 7, Wmo 2015; b. wanneer er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. 2. Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd: a. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10 eerste lid onderdeel a, d en e van de Wmo 2015, dan wel indien voldoende aannemelijk is dat een dergelijke herzienings- of intrekkingsgrond zich voordoet dan wel op korte termijn zal voordoen; b. indien de noodzaak tot een maatwerkvoorziening niet is vast te stellen doordat de cliënt of diens huisgeno(o)t(en) niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen van deze verordening; c. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een maatwerkvoorziening die al eerder aan de cliënt is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling, de normale afschrijvingstermijn van de maatwerkvoorziening nog niet verstreken is en/of deze nog functioneel is, tenzij: i. de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, ii. de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de kosten, iii.
de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning; d. indien de cliënt, met het oog op zijn eigen verantwoordelijkheid, over mogelijkheden beschikt om zelf voor een passende oplossing te zorgen; e. als de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud; f. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. g. als de aanvraag betrekking heeft op kosten of een voorziening die de cliënt voorafgaand aan de ondersteuningsvraag of tijdens het onderzoek naar de ondersteuningsvraag heeft geaccepteerd, gemaakt of gerealiseerd, tenzij het college vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend. 3. Een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie kan worden geweigerd indien: a. deze voorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; b. deze voorziening redelijkerwijs voorzienbaar was, en van de cliënt redelijkerwijs verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag overbodig had gemaakt. 4.
Het college kan bij nadere regeling aanvullende weigeringsgronden formuleren voor de (wijze van) toekenning van maatwerkvoorzieningen.
285413
9
Raadsbesluit
Artikel 8. Inhoud beschikking 1. In de beschikking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Het leefzorgplan maakt onderdeel uit van de beschikking. 3. De door cliënt en college gekozen zorgverlener maakt gezamenlijk met cliënt het plan van aanpak. In het plan van aanpak tussen zorgverlener en de cliënt wordt aangeven welke maatschappelijke ondersteuning wordt geboden om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval gemotiveerd vastgelegd: a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is. Dit wordt beschreven in het leefzorgplan; b. wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden. 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval gemotiveerd vastgelegd: a. voor welk beoogd resultaat het pgb dient te worden aangewend. Dit wordt beschreven in het leefzorgplan; b.
wat de ingangsdatum en de duur van het pgb is; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de maatwerkvoorziening; d. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe gekomen is; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een pgb zijn verbonden. 6. Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten, wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 9. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 tot en met artikel 8.1.8 Jeugdwet respectievelijk artikel 2.3.6 Wmo 2015. 2. Een pgb mag alleen worden besteed aan de maatwerkvoorziening en het beoogde resultaat waarvoor deze wordt toegekend. 3. Bij toekenning van een pgb is de duur van de beschikking maximaal 2 jaar. Voor de volgende maatwerkvoorzieningen kan het college een beschikking voor een langere termijn dan 2 jaar of een beschikking zonder einddatum toekennen: a. traject 2 A: volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag; b. traject 2B: volwassenen met ouderdom gerelateerde beperkingen; en c. maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning bij het voeren van een huishouden. 4. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan waarin in ieder geval is uiteen is gezet:
285413
10
Raadsbesluit
•
welke diensten, hulmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en; • indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief: i. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te betrekken; ii. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren te betrekken; iii. waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in artikel 9, lid 4 onder b gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en iv. wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c.
bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura zoals bedoeld in artikel 2, bedraagt niet meer dan 90% van de kostprijs voor een gediplomeerd ZZP-er en bedraagt niet meer dan 75% van de kostprijs (met een maximum van € 20 per uur) voor een hulp uit het eigen sociale netwerk, met dien verstande dat ten minste het wettelijk minimumloon wordt betaald. 5. Voor de minimale hoogte van het pgb-uurtarief voor individuele begeleiding of huishoudelijke ondersteuning door het sociaal netwerk wordt, in afwijking van artikel 9 lid 4 onder c, uitgegaan van respectievelijk het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30, dan wel de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 6. De relevante kostprijzen worden ingaande 1 april van het betreffende jaar gehanteerd en jaarlijks door het college vastgesteld en tijdig gepubliceerd. 7. De hoogte van een pgb geldt voor de duur van twee jaar. 8. De hoogte van een pgb bij een vervoersvoorziening in de vorm van een hulpmiddel is: a. maximaal het bedrag dat het college betaalt voor een nieuw hulpmiddel via een gecontracteerde aanbieder, b.
de dagwaarde indien het hulpmiddel uit het sociaal netwerk wordt betrokken, maar maximaal het bedrag dat het college betaalt voor een nieuw hulpmiddel via een gecontracteerde aanbieder, c. in geval van een individuele vervoersvoorziening die elektrisch wordt aangedreven mede gebaseerd op de kosten voor verzekering, onderhoud en 285413 11
Raadsbesluit
reparatie, welke worden berekend aan de hand van afspraken tussen gemeente en gecontracteerde aanbieders. 9. De hoogte van een pgb voor een woningaanpassing: a. wordt, indien dit wordt uitgevoerd door een persoon die behoort tot het eigen sociaal netwerk, opgebouwd uit de goedkoopst en noodzakelijke materialen en uren op basis van het wettelijk minimumloon; b. bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende voorziening in natura. Indien het college geen passende voorziening in natura heeft gecontracteerd i. bij standaard woningaanpassingen wordt de hoogte van het pgb bepaald op basis van een door het college vast te stellen prijslijst die bij het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2022 is gevoegd; ii. bij complexe woningaanpassingen wordt door het college een bouwkundig, sociaal/medisch advies en daarbij behorende kostencalculatie ingewonnen bij een gecontracteerde externe partij. 10. De hoogte van een pgb voor een sporthulpmiddel: a. bedraagt maximaal € 2.500,- en wordt ten hoogste één keer per 3 jaar verstrekt; b. bedraagt, in afwijking van het gestelde in sub 1., voor een elektrisch voortbewogen of elektrisch ondersteund sporthulpmiddel bij een grote mate van immobiliteit maximaal € 5.000,- en wordt ten hoogste één keer per 6 jaar verstrekt; c.
is bedoeld als een bijdrage in de kosten van aanschaf, onderhoud en eventueel verzekering; d. wordt bepaald op basis van een bij de aanvraag in te dienen offerte van het sporthulpmiddel en een bewijsstuk van het lidmaatschap van een sportvereniging, tenzij het individuele sportbeoefening betreft; e. wordt verlaagd met de eventuele bijdrage van een sportclub, sponsor of fonds. 11. Aanvullende regels voor beschermd wonen: a. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt structureel behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning kan in uitzonderlijke gevallen een toeslag intensieve ondersteuning toegekend worden. Deze toeslag wordt toegekend indien er: i. als een gevolg van een lichamelijke of somatische aandoening, inzet van (verpleegkundige) ondersteuning nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm beschermd wonen en/of; ii. er sprake is van dermate complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met ernstige gedragsproblematiek, waardoor er inzet van begeleiding nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen. b. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt behoefte heeft aan een geregisseerde dagbesteding, kan er een toeslag dagbesteding aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen worden toegekend. c. Voor de toepassing en berekening van de tariefdifferentiatie, zoals bedoeld in artikel 9, lid 4 onder c.
van deze verordening, wordt in de basis uitgegaan van fictief acht uur ondersteuning per week voor beschermd wonen. 12. Aanvullende regels voor PGB jeugd 1. Een pgb wordt enkel verstrekt indien de jeugdige of ouders jeugdhulp inkoopt, waarbij wordt voldaan aan de in artikel 15 opgenomen kwaliteitseisen. 285413
12
Raadsbesluit
2. Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt voor zover: a. de geboden hulp passend, adequaat en veilig is; b. de inzet vanuit het sociaal netwerk aantoonbaar bijdraagt aan de beoogde doelen van de jeugdige in het gezin; c. de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan verlenen, zich voldoende op de hoogte hebben gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn; d. er bij de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan; e. de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft; f. de persoon uit het sociale netwerk geen handelingen verricht die op grond van de norm van verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerde professional zijn voorbehouden; g. de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring is in staat de in de individuele situatie vereiste jeugdhulp te realiseren; h. de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is. 13. De volgende kosten mogen niet uit het pgb worden betaald: • tussenpersonen of belangenbehartigers; • reiskosten van de zorgverlener; • bijkomende zorgkosten; • feestdagenuitkering; • een eenmalige uitkering bij beëindiging van het pgb. 14.
De budgetbeheerder is in elk geval niet de zorgaanbieder of daaraan te relateren (rechts)persoon. De budgetbeheerder ontvangt geen vergoeding in welke vorm dan ook, van de zorgaanbieder of daaraan te relateren (rechts)persoon. 15. Het college bepaalt bij nadere regeling de wijze van vaststellen van de hoogte van een pgb en kan bij nadere regeling aanvullende eisen stellen aan het verstrekken van een pgb. Artikel 10. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen 1. Voor het gebruik van door gemeentewege gerealiseerde algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning: a. kan een cliënt een vaste bijdrage in de kosten verschuldigd zijn; b. bedraagt de hoogte van de vaste bijdrage maximaal de kostprijs per dag voor deelname aan deze algemene voorzieningen: i. voor de maaltijdvoorziening die wordt aangeboden tijdens de dagopvang; Wmo begeleiding tussen de € 5,00 en € 10,00; ii. voor de open inloop bedraagt het tarief maximaal € 7,50 per persoon voor een dagarrangement inclusief warme maaltijd en koffie/thee, of € 1,00 per dagdeel voor koffie/thee, activiteiten en voor zover van toepassing professionele begeleiding; iii. voor collectief vrijwilligersvervoer bedraagt het tarief € 2,00 voor een enkele rit binnen het werkgebied van de betreffende voorziening en € 285413
13
Raadsbesluit
3,00 voor een rit buiten het werkgebied van de betreffende voorziening (prijspeil 1 januari 2022). iv. vanwege de complexiteit van de zorgvraag van sommige inwoners kan het college besluiten tot verlengd en verdiepend onderzoek naar de zorgvraag en het organiseren van een passende oplossing (conform de beleidsregel Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang. Het gaat hierbij om personen (met of zonder kinderen) uit de regio Noord- en Midden Limburg die verblijven in de acute opvang. Indien de termijn van 2 weken verlengd wordt, kan het college besluiten dat de cliënt ook voor deze periode geen eigen bijdrage verschuldigd is. v. het is de opvanginstelling toegestaan personen (met of zonder kinderen) die verblijven in de acute opvang een vergoeding te vragen voor verstrekte maaltijden. De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan de vergoeding die het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) berekent als gemiddelde voedingskosten. c. draagt het college zorg voor bekendmaking van de actuele kostprijs van de algemene voorziening. 2. Voor het gebruik van een maatwerkvoorziening: a. is een cliënt een eigen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt; b.
overstijgt de duur van de eigen bijdrage zoals bedoeld in onderdeel a, voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb, waarvan de aanvrager de eigendom verkrijgt, niet de kostprijs van de betreffende maatwerkvoorziening; c. wordt de eigen bijdrage voor Beschermd Wonen, in natura in de zin van de Wmo 2015, gebaseerd op het maximum dat op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is toegestaan; d. wordt bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang bepaalt op het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief toeslagen en de geldende norm voor persoonlijke uitgaven, met in achtneming van artikel 3.20 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; e. het college stelt de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang vast, en stelt nadere regels vast over de wijze van berekening en inning van deze eigen bijdrage; f. geen eigen bijdrage is verschuldigd voor: i. een tegemoetkoming op grond van artikel 6 lid 5; ii. de toekenning van een automatische deuropener in een gemeenschappelijke ruimte; iii. een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt; iv. een rolstoel. g. bedraagt de bijdrage voor het collectief geïndiceerd vervoer € 0,91 per zone (prijspeil: 1 januari 2024), aangevuld met een jaarlijkse indexering volgens de Landelijke Tariefindex. De standaard toekenning bedraagt maximaal 590 reiszones per jaar.
Incidenteel ophogen is in overleg met de cliënt mogelijk. De maximale ritlengte is vijf zones; h. wordt de kostprijs voor hulpmiddelen (excl. trapliften) bepaald door een gemiddeld tarief incl. btw waarbij rekening wordt gehouden met 7 jaar onderhoudskosten en eventuele verzekeringskosten. De kostprijs voor trapliften bestaat uit de aanschafwaarde incl. btw en 15 jaar onderhoudskosten. 3. voor cliënten met GGZ-problematiek, uitgezonderd cliënten Beschermd Wonen die in een instelling verblijven, geldt geen eigen bijdrage, indien het heffen van de eigen 285413 14
Raadsbesluit
bijdrage naar het oordeel van het college kan leiden tot mishandeling, ernstige verwaarlozing of schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige en tot het weigeren van de noodzakelijke begeleiding en ondersteuning. Artikel 11. Tegemoetkoming aannemelijke meerkosten 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt. Artikel 12. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Als het college een beslissing heeft ingetrokken a. op grond van artikel 2.3.10 lid 1 onder a, Wmo 2015, en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt of van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening of het ten onrechte ontvangen pgb. b.
op grond van artikel 8.1.4 lid 1 onder a, Jeugdwet, en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt of diens ouders/verzorgers geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van het ten onrechte ontvangen pgb. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 wordt, ingeval het recht op een in eigendom of een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, deze voorziening teruggevorderd met inachtneming van de voorwaarden voor verhaal van kosten zoals bepaald in de Jeugdwet en de Wmo 2015. 3. Een beslissing tot toekenning van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt 4. Het besluit tot toekenning van een pgb wordt in ieder geval ingetrokken: a. met ingang van de dag waarop de cliënt met een pgb schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op een pgb; b. maximaal twee weken na de dag waarop de cliënt met een pgb overlijdt. 5. Het college kan bij nadere regeling aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald. Artikel 13. Controle en (her)onderzoek 1. Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs en met inachtneming van hetgeen daartoe gesteld is in de Jeugdwet en artikel 2.3.9 van de Wmo 2015, onderzoeken of: a.
de in het leefzorgplan afgesproken resultaten in relatie tot de daartoe in te zetten maatwerkvoorzieningen worden bereikt; en/of b. de verstrekte maatwerkvoorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het resultaat waarvoor ze verstrekt zijn. 2. Het college kan een heronderzoek instellen om vast te stellen of de cliënt nog steeds is aangewezen op de ingevolge deze verordening toegekende maatwerkvoorzieningen. 3. Bij beleidswijzigingen kan het college een heronderzoek instellen. Ten einde een eerdere beoordeling voor een maatwerkvoorziening in overeenstemming te brengen met het aangepaste toetsingskader. 4. Indien uit het heronderzoek blijkt dat de belanghebbende niet langer is aangewezen op een maatwerkvoorziening ingevolge de verordening, kan het college de beschikking tot toekenning van een maatwerkvoorziening intrekken of herzien. 285413 15
Raadsbesluit
5. Het college bepaalt bij nadere regeling de verdere procedure over de verantwoording van een pgb en controle en heronderzoek bij maatwerkvoorzieningen. 6. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de (her)beoordeling van de toekenning van een maatwerkvoorziening, degene door wie een ondersteuningsvraag is ingediend en indien er sprake is van gebruikelijke hulp de voor het onderzoek relevante huisgeno(o)t(en): a. te verzoeken om het gesprek bij te wonen zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, of op een later moment alsnog uit te nodigen; b. te verzoeken om aanwezig te zijn bij een afspraak met en/of onderzoek door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. 7. Het college heeft de bevoegdheid een besluit tot verstrekking van een lopende voorziening te herzien met toepassing van deze verordening: a. op de gronden vermeld in deze verordening b. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen c. indien de cliënt ondersteuning ontvangt in natura en wenst over te stappen naar een andere aanbieder of naar een pgb d. indien de cliënt ondersteuning ontvangt in de vorm van een pgb en wenst over te stappen naar ondersteuning in natura. Artikel 14. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.
Jaarlijks wordt aan mantelzorgers, die zorg verlenen aan inwoners van de gemeente Venlo, een blijk van waardering verstrekt zoals bedoeld in artikel 2.1.6 Wmo 2015. 2. Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Artikel 15. Kwaliteitseisen voor aanbieders 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en zoals omschreven in artikel 3.1 en verder Wmo 2015. 2. Het college kan bij nadere regeling aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Artikel 16. Bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen 1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. 3.
Het college kan nadere regels stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college bepaalt bij nadere regeling welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 3.4 en 4.2.5 Wmo 2015.
285413
16
Raadsbesluit
Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit, levering diensten door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en ii. de vast prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerst lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo respectievelijk artikel 2.11, tweede lid, onderdeel a, van de Jeugdwet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo respectievelijk artikel 2.11, tweede lid, onderdeel b, van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c.
redelijke overheadkosten; d. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis en opleidingskosten; f. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; g. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerst lid hij een overeenkomst aangaat. 6. Het college houdt bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren diensten en voorzieningen op het gebied van jeugdhulp, rekening met een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit, waaronder de deskundigheid van het personeel van de aanbieder en de arbeidsvoorwaarden. 7.
Het college bedingt bij door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden indien zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen, bedoeld in het derde lid. 8. Het bepaalde in het derde en het zevende lid geldt voor een subsidie slechts voor zover zij wordt verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en met de subsidie wordt beoogd de te subsidiëren diensten volledig te bekostigen 9. Het college kan bij nadere regeling aanvullende eisen stellen die gelden voor een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit als bedoeld in lid 6. 285413 17
Raadsbesluit
Artikel 19. Klachtenregeling De aanbieders van maatwerkvoorzieningen hebben een procedure voor de onafhankelijke afhandeling van klachten van cliënten zoals bedoeld in artikel 4.2.1 tot en met 4.2.3 Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. Artikel 20. Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 2.10 Jeugdwet en artikel 2.1.3 lid 3 Wmo 2015, in overeenstemming met de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Aanbieders en gecertificeerde instellingen van maatwerkvoorzieningen die in opdracht van de gemeente jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning verlenen of hun taken laten uitvoeren door in de regel meer dan tien personen, dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder en gecertificeerde instellingen, welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 4.2.4 tot en met 4.2.12 Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. Artikel 21. Nadere regels en hardheidsclausule 1. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van deze verordening. 2.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 3. In gevallen betreffende de uitvoering van deze verordening, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022 wordt ingetrokken. 2. Aanvragen die bij het college zijn ingediend voor 1 maart 2025 en waarop nog niet is beslist voor 1 maart 2025, worden afgehandeld volgens deze verordening. 3. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022 wordt beslist met inachtneming van de verordening waarop het besluit is gebaseerd, tenzij de toepassing van deze verordening gunstiger is voor de bezwaarmaker. 4. Een cliënt houdt het recht op een lopende voorziening in de vorm van zorg in natura verstrekt voor 1 maart 2025, tot de datum waarop de verstrekte voorziening eindigt, of totdat het college een ander besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze lopende voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 5.
Een cliënt houdt het recht op een persoonsgebonden budget verstrekt voor 1 maart 2025, tot de datum waarop het verstrekte pgb eindigt of totdat het college een ander besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze lopende voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 maart 2025 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2025. Toelichting Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2025 285413
18
Raadsbesluit
Met deze verordening geeft de gemeente Venlo uitvoering aan de wettelijke verplichting die is opgenomen in de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Via een verordening vult de gemeenteraad, op basis van het door haar vastgestelde beleid, haar kaderstellende rol verder in. De wetgever beoogt met beide wetten vergelijkbare doelen te behalen voor hulp en ondersteuning aan verschillende doelgroepen en verplicht gemeenten om beleid in samenhang te ontwikkelen. Dit is, samen met het financieel arrangement waarin de beide wetten zijn gegoten, de aanleiding om te komen tot een integrale procesverordening. Deze integrale verordening heeft betrekking op de Jeugdwet en de Wmo 2015. Dubbelingen met wetgeving zijn niet in de verordening opgenomen, tenzij dit strikt noodzakelijk is om zaken te verduidelijken. De verordening beperkt zich grotendeels tot de verplichte elementen uit artikel 2.9 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3 van de Wmo 2015. Deze is verder aangevuld met wezenlijke onderwerpen zoals de toegang tot hulp en ondersteuning. Deze toelichting bevat een algemeen gedeelte waarin zal worden ingegaan op de gedachte achter de integrale procesverordening, de totstandkoming en de reikwijdte. Daarnaast wordt aan de hand van de bestaande uitvoeringspraktijk rondom de sociale wijkteams, de verordening in het bredere kader geplaatst.
In de artikelsgewijze toelichting wordt verder ingegaan op onderwerpen zoals criteria en weigeringsgronden voor maatwerkvoorzieningen, persoonsgebonden budget, bijdrage in de kosten, kwaliteitseisen, inspraak en medezeggenschap. Kader Het doel van de Wmo 2015 is dat zij die het nodig hebben tijdig bij hun situatie passende hulp ontvangen, zodat de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen minimaal behouden blijven en waar mogelijk versterkt worden. Op die manier kunnen mensen zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Het is de taak van het college om te bezien wat redelijkerwijs verwacht mag worden van betrokkene en zijn sociaal netwerk. Daarna zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene of overige voorziening en als dat niet volstaat een individuele- of een maatwerkvoorziening, zoals verduidelijkt is in de toelichting op artikel 2. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de mogelijkheden van betrokkene om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren in de maatschappij. Integrale procesverordening Voor inwoners van Venlo met vragen voor hulp of ondersteuning is belangrijk dat hun situatie in de volle breedte wordt bekeken. Het zal regelmatig voorkomen dat inwoners zowel een vraag vanuit de Jeugdwet als vanuit de Wmo 2015 hebben.
Met deze verordening kunnen we deze breedte al in een vroeg stadium bereiken. Een procesverordening sluit aan bij het ‘loslaten in vertrouwen’: verantwoordelijkheden worden zo laag mogelijk belegd, bij voorkeur bij de professional. Er wordt vertrouwd op zijn deskundigheid. Daarom wordt het proces om te komen tot passende ondersteuning beschreven en niet beschreven welke ondersteuning er in welk geval moet komen. Dat wordt aan de professional overgelaten. Zo garanderen wij dat iedereen op een gelijkwaardige manier wordt behandeld. Waar mogelijk zijn onderdelen gedelegeerd aan het college. Met deze verordening wordt een basis gelegd om de door de wetgever toebedeelde verantwoordelijkheden vorm te geven. Een basis waarop door ervaringen in de praktijk en veranderingen in de samenleving kan 285413 19
Raadsbesluit
worden voortgebouwd. Op deze manier wordt de benodigde flexibiliteit gecreëerd om snel te kunnen ingrijpen als de uitvoeringspraktijk daarom vraagt. Dit uiteraard binnen het door de raad gestelde kader. Waar in wetgeving en deze verordening ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid altijd nog mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb (Algemene wet bestuursrecht). Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo 2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van betrokkene echter alleen mandateren aan een (zorg)aanbieder. Deze beperking geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. In artikel 2.11 van de Jeugdwet is opgenomen dat het college de uitvoering van de wet, behoudens de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door derden kan laten verrichten. Toeleiding naar zorg en ondersteuning in Venlo In de wetgeving is uitgewerkt dat ingezetenen zich melden tot het college van de gemeente waar zij wonen. Alleen in het geval van beschermd wonen of opvang wordt gesproken over een verstrekking door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt.
Sinds 2013 zijn er in Venlo sociale wijkteams operationeel en vanaf 2015 zijn er in alle wijken in de gemeente Venlo wijkteams actief. Zij zijn de belangrijkste schakel voor de toeleiding naar jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. De bevoegdheid hiervoor ligt bij het college. Zij heeft de taak om telkens een zorgvuldige toegangsprocedure te doorlopen om de ondersteuningsvraag van de betrokkene, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. De kwaliteit van dit onderzoek is belangrijk. Ook moet worden achterhaald wat betrokkene op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren. Toegang: het proces De uitvoering van de toegang zal in de praktijk namens het college worden georganiseerd. Daarbij kan waar nodig consultatie van andere professionals plaats vinden, of in geval van jeugdhulp hebben aanbieders hierin een wettelijke rol na verwijzing. Het college houdt de wettelijke bevoegdheid om een besluit te nemen. Op basis van de bij het college ingediende ondersteuningsvraag vindt het (wettelijk verplichte) onderzoek plaats naar de aard en omvang van de gevraagde ondersteuning.