CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

096 Technische vragen en beantwoording Veur Groeët Venlo - RC Circulaire Hoofdstad.pdf

Commissie Omgeving 3 december 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 7.1: Uitvoeringsprogramma Circulaire en Duurzame Hoofdstad 2025-2027 (249433)1.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAAG

Peter Bastiaens – Veur Groeët Venlo Naam en fractie RC 249433 Uitv.programma Circulaire en duurzame hoofdstad Onderwerp 30 november 2025 Datum Inleiding/toelichting De RC van dit document roept enkele technische vragen op. Vraag 1. Welke 3–5 UVP-resultaten hebben hoogste prioriteit en waarom? 2. Hoe verhoudt het UVP zich tot Strategische Visie, Omgevingsvisie en Nieuwe Energie 2.0? 3. Welke indicatoren worden al in 2025 gemeten? 4. Wanneer en hoe wordt de raad betrokken bij herijking Meetbaar Venlo in 2026? 5. Is per resultaat een inschatting van benodigde capaciteit (fte) gemaakt? 6. Welke resultaten zijn afhankelijk van externe partijen en hoe wordt dit gemonitord? 7. Zijn er risico’s in de uitvoering en zo ja kunnen die worden geïdentificeerd? 8. Is de meerjarige financiële dekking per resultaat inzichtelijk? 9. Welke resultaten zijn afhankelijk van specifieke uitkeringen (CDOKE, ISDE) en welke risico’s zijn hieraan verbonden? 10. Waar is het afwegingskader voor nieuwe initiatieven uitgewerkt en hoe wordt het toegepast? 11. Wat is de gemiddelde doorlooptijd van aanvraag tot besluit? 12. Is per gebied inzichtelijk welke projecten 2025–2027 worden uitgevoerd? 13. Welke participatie-instrumenten worden ingezet? 14. Hoe zijn de aanbevelingen verwerkt en hoe wordt de voortgang hiervan gemonitord? Antwoorden 1.

Welke 3–5 UVP-resultaten hebben hoogste prioriteit en waarom? Het uitvoeringsprogramma brengt in beginsel geen prioritering aan tussen de verschillende resultaten die deel uitmaken van de basis van dit UVP, wel via het afwegingskader wanneer het gaat om nieuwe initiatieven. Waar in de uitvoering toch sprake is van een zekere voorrang, sluit dit vooral aan bij wettelijke verplichtingen. In het bijzonder is er aandacht voor netcongestie, hetgeen essentieel is voor de uitvoerbaarheid van projecten in de gebouwde omgeving en op bedrijventerreinen, maar waarvan de feitelijke realisatie in hoge mate afhankelijk is van de netbeheerder. Ook het Warmteprogramma vraagt aandacht, zowel vanwege de wettelijke opgave rondom de warmtetransitie als vanwege de wijkgerichte keuzes die richting geven aan de uitvoering. Tabel 1 Hoofdstuk 1 geeft de uitvoering weer die in de basis belegd is. Prioritering t.b.v. netcongestie is te vinden in het kader op bladzijde 38. Verdere wijze van prioritering staat beschreven in het afwegingskader van bladzijde 35–37. Zie ook onder kopje Toetsing en prioritering vanaf bladzijde 38. Naast de wettelijke verplichtingen vragen we de raad tevens om, waar nodig, aanvullende prioritering aan te brengen om de inzet verder te kunnen aanscherpen. 2.

Hoe verhoudt het UVP zich tot Strategische Visie, Omgevingsvisie en Nieuwe Energie 2.0?

Zie het schema op bladzijde 7 inclusief toelichting. De beleidsmatige achtergrond wordt beschreven in hoofdstuk 2.4 beleidsmatige verankering van beleidskader Nieuwe Energie 2.0. Voortbordurend hierop zijn de raakvlakken in de uitvoering ook uitgewerkt in het UVP zelf op bladzijde 12-15. Het UVP is een driejarige uitvoeringsagenda van onder andere het beleidskader Nieuwe Energie 2.0 en sluit daarmee direct aan op dat beleidsdocument. De Strategische Visie vormt het richtinggevende kader, waarin duurzaamheid, leefbaarheid, gezondheid en economie samenkomen; het UVP geeft hieraan uitvoering binnen domein energie, zoveel mogelijk in samenhang met klimaat en circulariteit. De Omgevingsvisie en Omgevingswet komen terug in de

TECHNISCHE VRAAG integratie van energie, ruimtelijke keuzes en klimaatadaptatie in planvorming. 3.

Welke indicatoren worden al in 2025 gemeten?

Tabel 2 wordt gerapporteerd in termen van resultaten vanaf vaststelling. Het meten van alle indicatoren uit hoofdstuk 3 en bijlage 1 start ook zodra het uitvoeringsprogramma is vastgesteld. Het betreft zowel prestatie-indicatoren die gekoppeld zijn aan de 40 resultaatbeschrijvingen als effectindicatoren binnen de programmalijnen Nieuwe Energie, Nieuwe Natuur en Nieuw Gebruik. Deze metingen vormen de basis voor de herijking van Meetbaar Venlo in 2026. 4.

Wanneer en hoe wordt de raad betrokken bij herijking Meetbaar Venlo in 2026?

De herijking van Meetbaar Venlo vindt plaats in 2026 en wordt aan de raad aangeboden via de reguliere planning- en controlcyclus. De raad ontvangt de geactualiseerde indicatorenset en de bijbehorende monitoringsinformatie binnen dezelfde structuur als andere programmatische voortgangsrapportages. 5.

Is per resultaat een inschatting van benodigde capaciteit (fte) gemaakt?

Het uitvoeringsprogramma bevat geen uitsplitsing van benodigde capaciteit in fte per individueel resultaat. In het UVP wordt wel aangegeven dat voor de uitvoering gebruik wordt gemaakt van aanvullende personele capaciteit via landelijke regelingen, zoals CDOKE. 6.

Welke resultaten zijn afhankelijk van externe partijen en hoe wordt dit gemonitord?

Verschillende resultaten binnen het uitvoeringsprogramma zijn afhankelijk van externe partijen. Een belangrijk onderdeel betreft de energie-infrastructuur, waar netcongestie een sterk bepalende factor is. Hiervoor is nauwe samenwerking met de netbeheerder noodzakelijk, inclusief periodiek bestuurlijk overleg met Enexis over knelpunten en benodigde oplossingen. Daarnaast zijn we voor verschillende projecten afhankelijk van regionale samenwerking, zoals de regionale isolatieaanpak binnen de RES Noord- en Midden-Limburg. Ook bij de verduurzaming van bedrijventerreinen en de ontwikkeling van energiehubs zijn ondernemers essentiële partners. Voor de warmtetransitie spelen woningcorporaties een belangrijke rol in de uitvoering binnen de bestaande woningvoorraad. De voortgang op deze onderdelen wordt gevolgd via de indicatorenset en via de jaarlijkse monitoring in de reguliere P&C-cyclus. 7.

Zijn er risico’s in de uitvoering en zo ja kunnen die worden geïdentificeerd?

Zie ook onder kopje Toepassing van het afwegingskader: Praktijkrijpheid en beheersbaar uitvoeringsrisico vanaf bladzijde 36. De belangrijkste externe risico’s hebben betrekking op de beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet, waardoor projecten afhankelijk zijn van de ruimte die het net toelaat en daardoor vertraging kunnen oplopen. Daarnaast zijn er risico’s door de afhankelijkheid van samenwerkingspartners, bijvoorbeeld bij de energienetbeheerders, woningcorporaties en ondernemers op bedrijventerreinen. Ook kunnen wijzigingen in landelijke regelgeving en subsidiemogelijkheden gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid of timing van bepaalde maatregelen. Het hele afwegingskader is opgesteld om vanuit de pilot stand naar stabiele uitvoering te komen, met het kunnen beoordelen mede op basis van uitvoeringsrisico’s, zie pagina 35-37. 8.

Is de meerjarige financiële dekking per resultaat inzichtelijk?

Het UVP geeft de financiële dekking weer op het niveau van programmalijnen, maar niet per individueel resultaat. Middelen en prestaties worden programmatisch gekoppeld en de exacte dekking per resultaat wordt daarom niet afzonderlijk gespecificeerd. 9.

Welke resultaten zijn afhankelijk van specifieke uitkeringen (CDOKE, ISDE) en welke

TECHNISCHE VRAAG risico’s zijn hieraan verbonden? CDOKE ondersteunt voornamelijk de inzet van personele capaciteit. Daarnaast wordt de uitvoering van de regionale isolatieaanpak ondersteund via de specifieke uitkering Lokale Aanpak Isolatie, die gericht is op het stimuleren en coördineren van isolatiemaatregelen in de regio. ISDE ondersteunt landelijke regelingen voor inwoners, zoals isolatie en warmtepompen. Een risico vormt dat doelgroepen lastig te bereiken zijn in het nemen van verduurzamingsmaatregelen. Wanneer resultaten niet worden gehaald, wordt dit inzichtelijk gemaakt in de reguliere planningen verantwoordingscyclus. De ingezette middelen worden verantwoord op basis van de uitgevoerde activiteiten en inspanningen, inclusief een toelichting op factoren die de voortgang hebben beïnvloed en eventuele bijsturing. Voor specifieke uitkeringen vanuit het Rijk geldt bovendien dat bij niet-besteding het risico bestaat op (gedeeltelijke) terugbetaling; dit is een aandachtspunt dat niet alleen voor Venlo, maar voor alle gemeenten geldt. We monitoren de uitvoering van deze specifieke rijksuitkeringen jaarlijks en leggen hierover verantwoording af via de SiSa-systematiek. 10. Waar is het afwegingskader voor nieuwe initiatieven uitgewerkt en hoe wordt het toegepast? Het afwegingskader staat beschreven in hoofdstuk 2 van het UVP, inclusief toepassing beschrijving stap voor stap.

Zie ook onder kopje Toepassing van het afwegingskader: Praktijkrijpheid en beheersbaar uitvoeringsrisico vanaf bladzijde 36. Het bestaat uit een beleidsmatige toetsing binnen het raadsprogramma en een toets op praktische uitvoerbaarheid en technische volwassenheid (TRL). Het wordt toegepast bij initiatieven die niet vallen binnen de 40 vooraf geplande resultaten, zodat nieuwe voorstellen systematisch, beleidsmatig, en op praktisch uitvoeringsrisico, kunnen worden beoordeeld. Het hele afwegingskader is opgesteld om voortaan vanuit de pilot stand naar stabiele uitvoering te komen, met het kunnen beoordelen mede op basis van praktisch uitvoeringsrisico, zie pagina 35-37. 11. Wat is de gemiddelde doorlooptijd van aanvraag tot besluit? Het is onduidelijk wat met deze vraag wordt bedoeld, omdat niet is aangegeven op welke aanvragen of besluiten wordt gedoeld. Indien het gaat om nieuwe initiatieven van inwoners, kan worden aangegeven dat wordt gewerkt aan een herziene subsidieregeling, waarbij volgens het nieuwe subsidiebeleid wordt ingezet op laagdrempelige en toegankelijke aanvraagmogelijkheden. 12. Is per gebied inzichtelijk welke projecten 2025–2027 worden uitgevoerd? Het UVP bevat geen volledig overzicht per gebied van alle projecten.

Wel worden diverse gebiedsgerichte instrumenten toegepast, zoals de wijkgerichte warmtetransitie, gebiedsspecifieke toepassing van het klimaatdashboard en clustergerichte aanpak op bedrijventerreinen. Een totaaloverzicht per wijk of gebied is echter niet opgenomen. 13. Welke participatie-instrumenten worden ingezet? De participatie-instrumenten bestaan onder meer uit inzet van energiecoaches, ondersteuning via het duurzaamheidsloket, educatieve programma’s, de leidraad voor energiecoöperaties en gerichte communicatiecampagnes. Deze worden toegepast om inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners te betrekken bij uitvoering. In 2026 wordt daarnaast een nieuwe regeling duurzame initiatieven geïntroduceerd op basis van het ingediende amendement op de begroting. Hierbij is nadrukkelijk aandacht voor korte doorlooptijden en makkelijke aanvraagmogelijkheden, conform de uitgangspunten van het herziende subsidiebeleid. 14. Hoe zijn de aanbevelingen verwerkt en hoe wordt de voortgang hiervan gemonitord?

TECHNISCHE VRAAG Dit traject vanuit het beleidskader nieuwe energie 2.0 kent een brede evaluatie en een complete verwerking van alle 213a aanbevelingen van het vorige uitvoeringsprogramma (zie onder andere bladzijde 8-11, 18). De aanbevelingen uit het 213a-onderzoek zijn verwerkt door meetbaarheid te versterken via indicatoren, de koppeling tussen beleid, uitvoering en financiën te verbeteren en versnippering te voorkomen door een vast overzicht van 40 resultaten op te stellen. De voortgang wordt gemonitord via Tabel 2 resultaten SMART beschrijving, de indicatorenset, de herijking van Meetbaar Venlo in 2026 en jaarlijkse rapportages binnen de P&C-cyclus.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/869/documents/24349