CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

085 Bijl05 Personeelsbeleid - huishoudelijk regelement Omroep Venlo.pdf

Raadsvergadering 30 oktober 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 4.1: Aanwijzing Omroep Venlo als lokale omroep 2025-2029 (RV085)4.682 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Personeelsbeleid Omroep Venlo Ingangsdatum: 1 maart 2016. Vast gesteld door het bestuur op 23 februari 2016 Artikel 1 Algemene verplichtingen van de werkgever De werkgever is verantwoordelijk voor goed werkgeverschap. Hij zorgt ervoor dat het personeelsbeleid adequaat en integer wordt uitgevoerd. Ook draagt de werkgever zorg voor een stimulerend, prettig, open en veilig arbeidsklimaat waarin werknemers zich kunnen ontplooien, zich kunnen uitspreken, hun mening mogen geven en integer en met respect met elkaar omgaan. Artikel 2 Algemene verplichtingen van de werknemer 1. Goed werknemerschap De werknemer zal de belangen van de onderneming van de werkgever als een goed werknemer behartigen, ook indien geen uitdrukkelijke opdracht daartoe is gegeven. 2. Uitvoering opgedragen werkzaamheden De werknemer zal alle hem door of namens de werkgever opgedragen werkzaamheden, voor zover deze redelijkerwijze van hem kunnen worden verlangd, zo goed mogelijk uitvoeren en daarbij alle verstrekte aanwijzingen en voorschriften in acht nemen. 3. Verrichten andere werkzaamheden De werknemer is verplicht, indien het bedrijfsbelang dat vereist, andere passende werkzaamheden te verrichten dan die hij gewoonlijk verricht. Indien de werknemer, anders dan incidenteel, andere passende werkzaamheden verricht, zal de werkgever hem schriftelijk de vermoedelijke tijdsduur van deze werkzaamheden meedelen. 4.

Nevenwerkzaamheden a) De werknemer die voornemens is enigerlei arbeid voor derden te verrichten of als zelfstandige een nevenbedrijf te voeren, dient dit schriftelijk ten minste drie weken van tevoren bij de werkgever te melden. Het is de werknemer verboden deze werkzaamheden te verrichten indien de werkgever daartegen bezwaar maakt. Slechts dan zal bezwaar gemaakt worden, indien naar het oordeel van de werkgever de nevenwerkzaamheden schadelijk zijn voor een goede vervulling van de functie, dan wel de zakelijke belangen van de werkgever kunnen schaden. De werkgever zal het bezwaar binnen drie weken schriftelijk en gemotiveerd meedelen aan de werknemer. Bij nevenwerkzaamheden wordt uitgegaan van betaalde arbeid of arbeid waar een vergoeding in natura tegenover staat. Vrijwilligerswerk of onbetaalde werkzaamheden met een maatschappelijk karakter, waar slechts sprake is van een vergoeding van de gemaakte onkosten, vallen niet onder de noemer betaalde werkzaamheden en worden niet aangemerkt als nevenactiviteit. Dit is wel het geval als onbetaalde werkzaamheden worden verricht die hetzelfde zijn of in het verlengde liggen van de activiteiten van werkgever in de breedste zin van het woord.

Bij een parttime dienstverband van 50% of meer bij werkgever wordt werkgever gezien als primaire werkgever en geldt de regel dat nevenwerkzaamheden geen invloed mogen hebben op de beschikbaarheid van de werknemer voor werkgever. Daarnaast geldt dat voor alle werknemers met een parttime dienstverband bij werkgever (minder of meer dan 50%) dat zij werkzaam mogen zijn bij een andere werkgever of opdrachtgever in de media (producenten, nieuwe mediabedrijven, televisie-, radiobedrijven en hun exploitanten) indien hiervoor toestemming is gegeven door werkgever. Werkzaamheden bij niet-concurrerende bedrijven dienen te worden gemeld bij de werkgever.

b) De werknemer die arbeidsongeschikt wordt als gevolg van nevenwerkzaamheden, die hij niet gemeld heeft of waartegen de werkgever bezwaar heeft gemaakt, heeft in geval van arbeidsongeschiktheid geen recht op aanspraken voor zover deze verder strekken dan de wettelijke minimumverplichting tot loondoorbetaling tijdens ziekte als verankerd in artikel 7:629 BW, noch op enige aanvulling op eventuele wettelijke vervolguitkeringen op grond van de sociale zekerheidswetgeving. 5. Voorlichting en public relations Het geven van voorlichting en het onderhouden van public relations is voorbehouden aan de werkgever en de door deze aangewezen functionarissen. 6. Geheimhouding en International Property a) Tijdens het dienstverband en na beëindiging daarvan verplicht de werknemer zich tot volstrekte geheimhouding omtrent al die ondernemingsaangelegenheden waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat geheimhouding vereist is, ongeacht de wijze waarop deze hem ter kennis zijn gekomen. b) De werknemer is ter zake tevens gehouden aan de afspraken die de werkgever met derden is overeengekomen, voor zover de werkgever deze afspraken schriftelijk aan de werknemer heeft medegedeeld. c) De rechten van de producties (international property) liggen bij de Omroep.

De formats mogen niet door de werknemer gebruikt worden voor doeleinden die niet plaatsvinden binnen de Omroep, ook niet bij nevenfuncties. 7. Misbruik van positie De werknemer zal zich ervan onthouden: a) middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan ten behoeve van de onderneming van de werkgever door derden uit te voeren aannemingen, leveringen of werken; b) middellijk of onmiddellijk geschenken met handelswaarde, provisie of beloning aan te nemen van personen of rechtspersonen, waarmee hij door of vanwege zijn werkzaamheden voor de werkgever direct of indirect in aanraking komt; c) andere werknemers van de onderneming van de werkgever te verplichten tot het verrichten van persoonlijke diensten; d) zonder toestemming goederen van de onderneming van de werkgever te gebruiken voor eigen doeleinden. 8. Relatiebeding De werkgever kan in de individuele arbeidsovereenkomst een relatiebeding opnemen dat tot doel heeft de werknemer te verbieden, bij of na het eindigen van het dienstverband, op enigerlei wijze schade toe te brengen aan de zakelijke belangen van de onderneming van de werkgever. 9. Woonplaats De werknemer heeft de vrijheid zelf zijn woonplaats te kiezen, tenzij het voor de uitoefening van zijn functie noodzakelijk is dat hij in of in de directe omgeving van de standplaats woont. Het woon-werkverkeer over de eerste tien kilometer wordt niet vergoed.

Is het woon-werkverkeer meer dan tien kilometer dan ontvangt de medewerker over alle kilometers een onbelaste vergoeding van € 0,19 per kilometer tot een maximum van 20 kilometer enkele reis. Parkeerkosten worden niet vergoed. 10. Controle

De werkgever kan bij concrete aanwijzingen van ontvreemding de kleding, bagage en het voertuig van de werknemer bij het verlaten van de gebouwen of de terreinen van de onderneming (doen) onderzoeken. De werkgever kan bij concrete aanwijzingen van onrechtmatig gebruik de personal computer (doen) controleren. Alle maatregelen zullen worden getroffen om te voorkomen dat de werknemer hierbij in zijn gevoelens wordt gekwetst. Artikel 3 lndienstneming en ontslag 1. Proeftijd Bij het aangaan van een dienstbetrekking voor de duur van langer dan 6 maanden geldt wederzijds een proeftijd van een maand. 2. Medische keuring De werkgever kan, in bepaalde gevallen en met inachtneming van de wettelijke bepalingen, besluiten een medische aanstellingskeuring te laten plaatsvinden alvorens het dienstverband wordt aangegaan. 3. Aard van het dienstverband Het dienstverband kan worden aangegaan a) voor onbepaalde tijd; b) voor bepaalde tijd. In de individuele arbeidsovereenkomst wordt vermeld welk dienstverband is aangegaan. Indien deze vermelding ontbreekt, is het dienstverband voor onbepaalde tijd aangegaan. 4.

Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd a) Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangegaan voor maximaal één jaar b) Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dient minimaal een maand voor afloop van de overeenkomst schriftelijk te worden opgezegd door de werkgever c) Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan tweemaal met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden worden opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder dat de laatste arbeidsovereenkomst geldt te zijn aangegaan als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, indien deze arbeidsovereenkomsten gezamenlijk de periode van 24 maanden niet overschrijden. 5. Beëindiging van het dienstverband Inzake de beëindiging van het dienstverband gelden de bepalingen van het BW, hetgeen meebrengt dat: - de opzegtermijn tenminste een maand bedraagt; - een (voortgezette) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 4c van rechtswege, waarbij een opzegtermijn van tenminste een maand dient te worden gehanteerd; - het dienstverband tussen de werkgever en de werknemer voorts eindigt van rechtswege op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, zonder dat hiertoe enige opzegging is vereist. Artikel 4 Arbeidsduur en werktijden 1. Arbeidsduur a) De gemiddelde arbeidsduur bij een fulltime dienstverband bedraagt 36 uur per week.

b) De werkgever stelt op afdelingsniveau in overleg met de betrokken werknemers vast in welke van de onder sub a) genoemde vorm wordt gewerkt.

2. Arbeids- en rusttijden De arbeids- en rusttijden worden met inachtneming van de Arbeidstijdenwet vastgesteld. De werkgever past vanaf 1 april 2007 de nieuwe Arbeidstijdenwet toe. 3. Afwijken reguliere arbeidstijden De werknemer is gehouden ook buiten de vastgestelde arbeidstijden arbeid te verrichten, voor zover de werkgever de desbetreffende wettelijke voorschriften de redelijkheid in acht neemt. 4. Verantwoording arbeidstijd De werknemer dient zijn arbeidstijd te verantwoorden volgens de door de werkgever ingestelde systemen. Artikel 5 Beoordelen en ontwikkelen Met elke werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde of bepaalde tijd die minimaal zes maanden werkzaam is, wordt jaarlijks door de werkgever, die minimaal zes maanden werkzaam is, een beoordeling opgesteld en een beoordelingsgesprek gevoerd tussen direct leidinggevende en werknemer over functie-inhoud, prestaties en competenties. Naast het jaarlijks te houden beoordelingsgesprek wordt minimaal eenmaal per jaar een functioneringsgesprek gehouden tussen werknemer en de direct leidinggevende, waarin de ontwikkeling en voortgang van de werknemer worden besproken. Tevens kunnen in dit gesprek eerder gemaakte afspraken worden geëvalueerd en kunnen er nieuwe afspraken worden gemaakt over het persoonlijk functioneren van de werknemer voor de komende periode.

Daarnaast wordt aan het eind van elk jaar een startgesprek gevoerd tussen direct leidinggevende en werknemer waarin de prestatieafspraken voor het volgende jaar worden vast gelegd. De voortgang van de prestatieafspraken wordt besproken in het functioneringsgesprek en in het beoordelingsgesprek. Artikel 6 Compensaties 1. Overwerk en meerwerk a) Overwerk en meerwerk zal zoveel mogelijk worden beperkt. Noodzakelijk overwerk en meerwerk worden uitsluitend in opdracht van de werkgever door de werknemer verricht. b) Wanneer in opdracht van de werkgever werkzaamheden zijn verricht, waardoor de werknemer met een 36-urige werkweek meer dan 40 uur per week, 80 uur per twee weken of 160 uur per vier weken heeft gewerkt, is sprake van overwerk. c) Van meerwerk is voor een deeltijdwerknemer sprake indien deze werknemer meer uren werkt dan de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur, zoals opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst, doch minder dan het aantal uren dat hij bij een fulltime dienstverband zou moeten werken. Meerwerkuren worden gecompenseerd in tijd. d) Overwerk zal in beginsel voor 100% worden gecompenseerd in vrije tijd. Deze compensatie dient zo spoedig mogelijk plaats te vinden, doch uiterlijk binnen een maand na afloop van de periode waarin het overwerk heeft plaatsgevonden. e) De werkgever vergoedt geen telefoonkosten en verstrekt geen onkostenvergoedingen. 2.

Bereikbaarheidsdiensten De werknemer kan worden ingezet voor bereikbaarheidsdiensten. Dit zijn diensten waarbij de werknemer zich, elders dan op of bij de werkplek, beschikbaar dient te houden voor het opheffen van storingen dan wel voor het verrichten van onvoorziene werkzaamheden

Artikel 7 Feestdagen Onder feestdagen worden verstaan: nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag, Koningsdag en in lustrumjaren 5 mei ter viering van de nationale bevrijdingsdag. 2. Voor werknemers geldt dat op feestdagen als regel niet wordt gewerkt, tenzij het arbeid volgens dienstrooster betreft. 3. Indien op een op maandag tot en met vrijdag vallende feestdag niet wordt gewerkt, wordt het inkomen over die feestdag normaal doorbetaald. 4. De werknemer die voor een viering van een niet-christelijke feest- of gedenkdag tijdig een daartoe strekkend verzoek indient, zal voor zover de bedrijfsomstandigheden dit toelaten in de gelegenheid worden gesteld hiervoor vakantie-uren op te nemen. Artikel 8 Buitengewoon verlof In afwijking en met uitsluiting, voor zover wettelijk toegestaan, van het bepaalde in artikel 7:629b en 7:628 8.W., geldt het volgende. 1. Doorbetaald verlof Waar in dit lid gesproken wordt van kinderen worden mede begrepen stief- en pleegkinderen. Onder broers en zusters worden mede begrepen zwagers en schoonzusters. Onder ouders worden mede begrepen schoon-, stief- en pleegouders.

In de volgende gevallen kan de werknemer doorbetaald verlof opnemen mits hij, zo mogelijk ten minste een dag tevoren en onder overlegging van bewijsstukken, aan de werkgever van het verzuim kennis geeft, de gebeurtenis in het desbetreffende geval bijwoont en de gebeurtenis op een werkdag plaatsvindt. a) bij ondertrouw van de werknemer: de benodigde tijd; b) bij huwelijk van de werknemer: 2 dagen; c) bij huwelijk van ouder, broer, zuster, kind of kleinkind: I dag; d) bij bevalling van de partner: 2 dagen en recht op 3 dagen onbetaald verlof bij geboorte e) bij officiële adoptie van een kind: geldt de regeling voor zwangerschapsverlof; f) bij ziekte van de partner, ouders of kinderen, voor wie de werknemer de feitelijke verzorging heeft: in overleg tussen werkgever en werknemer te bepalen, tot een maximum van 2 dagen per jaar; bij zeer ernstige ziekte kan de werkgever een afwijkende regeling treffen; g) bij overlijden van de partner of van een kind: tot en met de dag van de uitvaart; bij overlijden van een ouder, broer of zus: 2 dagen; indien de werknemer belast is met de regeling van de uitvaart en/of nalatenschap: tot en met de dag van de uitvaart; h) bij overlijden van een grootouder of kleinkind: 1 dag; i) bij 25- of 40-jarig huwelijksfeest van de werknemer: 2 dagen; j) bij 25-,40- of SO-jarig huwelijksfeest van de ouders: 1 dag; k) bij 12,5-,25-, of 4O-jarig dienstjubileum

van de werknemer: I dag; l) bij verhuizing: binnen de gemeente I dag, ten hoogste eenmaal per kalenderjaar; naar een andere gemeente 2 dagen, ten hoogste eenmaal per kalenderjaar; bij een combinatie hiervan in één kalenderjaar geldt als maximum twee dagen per kalenderjaar; m) voor het afleggen van examens: die verband houden met de werkzaamheden van de werknemer voor de werkgever, ter beoordeling van de werkgever; n) voor het voldoen aan wettelijke verplichtingen en persoonlijke verplichtingen: ontstaan buiten zijn schuld of nalatigheid en waarvoor geen vergoeding wordt verstrekt, ter beoordeling van de werkgever:

o) voor het bijwonen van vergaderingen of zittingen van of het verrichten van werkzaamheden: de benodigde tijd voor publiekrechtelijke organen waarin de werknemer is benoemd of gekozen, voor zover dit niet in de vrije tijd kan plaatsvinden en op voorwaarde dat de werkgever aan de aanvaarding van de benoeming zijn goedkeuring heeft gehecht. 2. Overige gevallen a) Buiten de in dit artikel genoemde gevallen kan de werkgever de werknemer op diens verzoek buitengewoon verlof met of zonder behoud van zijn gehele of gedeeltelijke maandsalaris verlenen, indien de omstandigheden dat naar zijn oordeel rechtvaardigen. b) Indien de werknemer buitengewoon verlof zonder behoud van zijn maandsalaris geniet gedurende een periode van 3 maanden of korter, blijven de rechten en plichten van de werknemer ten aanzien van de Statuten en Reglementen van het Pensioenfonds ten volle gehandhaafd. De werkgever zal gedurende het buitengewoon verlof geen werkgeverspremie afdragen aan het Pensioenfonds. De kosten van voortzetting van de pensioenregeling tijdens het buitengewoon verlof komen volledig voor rekening van de werknemer. De werknemer kan, mits fiscaal toelaatbaar en in overeenstemming van de geldende pensioenregeling, gedurende het buitengewoon verlof desgewenst de werkgeverspremie voor zijn rekening nemen.

De werknemer heeft gedurende het buitengewoon verlof ook geen aanspraak op de wettelijke werkgeversbijdrage ten behoeve van zijn zorgverzekering, noch op de bijdrage in de nominale premie van de zorgverzekering. c) Indien de werknemer buitengewoon verlof zonder behoud van zijn maandsalaris geniet gedurende een periode langer dan 3 maanden, worden de verplichtingen van de werkgever en de werknemer ten aanzien van de Statuten en Reglementen van het Pensioenfonds beëindigd. Dit buitengewoon verlof zal niet worden verleend dan nadat door de werknemer met het bestuur van het Pensioenfonds en de zorgverzekeraar een regeling ten aanzien van de rechten en verplichtingen van de werknemer is getroffen. 4. Ouderschapsverlof De werknemer heeft aanspraak op ouderschapsverlof conform het bepaalde in artikel 6:1 e.v. Wet arbeid en zorg. De arbeidsvoorwaarden worden conform de bepalingen inzake deeltijdarbeid aangepast aan het aantal arbeidsuren per week tijdens het ouderschapsverlof. Een uitzondering hierop is dat de opbouw van het ouderdomspensioen wordt voortgezet op basis van de arbeidsduur, die gold voor de ingang van het ouderschapsverlof. 5. Niet doorbetaling maandsalaris De werkgever is niet gehouden het doorbetalen van het maandsalaris in geval van schorsing van de werknemer door de werkgever Artikel 9 Vakantie 1.

Vakantie-uren a) Per kalenderjaar verwerft de werknemer met een volledig dienstverband (36 uur per week) 172 vakantie-uren met behoud van inkomen. b) Het is de werkgever toegestaan jaarlijks maximaal twee dagen collectief toe te wijzen die ten laste gaan van vakantie-uren. Deze toewijzing zal niet gelden voor werknemers die op deze dagen werkzaam zijn in roosterdiensten. 2. Berekening aantal uren De werknemer die slechts een deel van het kalenderjaar in dienst van de werkgever is (geweest), heeft een evenredige aanspraak op vakantie-uren. Daarbij wordt een half vakantie-uur naar boven afgerond.

3. Het niet verwerven van vakantierechten gedurende onderbreking van de werkzaamheden a) De werknemer verwerft geen vakantie-uren over de tijd gedurende welke hij wegens het niet verrichten van zijn werkzaamheden geen aanspraak op loon heeft. b) In afwijking van het bepaalde in artikellid 3 sub a) verwerft de werknemer (tenzij in dit lid 3 anders is bepaald)aanspraak op het wettelijk minimum aantal vakantie-uren in de zin van artikel 7:634 BW, in de gevallen zoals beschreven in artikel 7:635 leden 1 tot en met 4 BW, waaronder de situatie waarin hij zijn werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten wegens: a. volledige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval; b. zwangerschaps-, bevallings-en adoptieverlof; c. het opnemen van verlof gebaseerd op in een vorige dienstbetrekking verworven doch niet genoten vakantie; d. het genieten van verlof als bedoeld in artikel 7:643 B.W. (politiek verlof). Opbouw van vakantie bij volledige arbeidsongeschiktheid vindt niet plaats indien de ziekte het gevolg is van opzet van de werknemer of van een gebrek waarover de werknemer in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt.

Evenmin vindt opbouw van vakantie plaats gedurende de tijd dat de werknemer door zijn toedoen zijn genezing heeft belemmerd of vertraagd, dan wel indien hij zonder deugdelijke grond geen passend werk verricht voor de werkgever of een door de werkgever aangewezen derde, hoewel hij daartoe wel in staat is en wanneer de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten. Indien een onderbreking van de werkzaamheden als bedoeld in b) 1.a. van dit artikellid in meer dan één vakantiejaar valt, wordt het in een vorig jaar vallend deel van de onderbreking bij de berekening aan de periode van afwezigheid mee in aanmerking genomen. Ten aanzien van het tijdstip van de aanvang en het einde van de hiervoor bedoelde onderbreking is het in lid 2 van dit artikel bepaalde van overeenkomstige toepassing. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijk werken worden de vakantierechten verworven naar rato van werken. 4. Opnemen van vakantie-uren a) De werkgever stelt de vakantie-uren vast na overleg met de werknemer.

Opname van vakantie-uren geschiedt ten minste eenmaal per jaar voor een aaneengesloten periode van minimaal 72 werkuren bij een dienstverband van 36 uur, tenzij anders wordt overeengekomen. De overige uren kunnen ook per 4 uur worden opgenomen. b) De werknemer dient de vakantie-uren zoveel mogelijk op te nemen in het jaar waarin zij worden verworven. De werkgever zal de werknemer daartoe zoveel mogelijk in de gelegenheid stellen. c) De werknemer vraagt aan de werkgever toestemming om verlof en vakantie op te nemen. De werkgever kent het verlof en/of de vakantie toe nadat de werkgever zich ervan vergewist heeft dat het verlof/de vakantieperiode niet in strijd is met het dienstbelang. d) Opbouw van vakantierechten geschiedt in beginsel als bij arbeidsgeschiktheid, zijnde volledige opbouw van het wettelijk minimum aantal vakantie-uren, alsmede volledige opname daarvan. 5. Samenvallen van vakantie-uren met uren waarop geen arbeid wordt verricht wegens arbeidsongeschiktheid. Indien de werknemer arbeidsongeschikt wordt gedurende de vastgestelde vakantie, zullen de uren waarop de verhindering zich voordoet niet als vakantie worden geteld. Dit geldt uitsluitend indien daadwerkelijk sprake is van arbeidsongeschiktheid. 6. Verjaring

Vakantie-uren opgebouwd tot 1 januari 2012 die niet zijn opgenomen binnen 5 jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin deze zijn verworven, komen te vervallen. Voorwaarde voor de toepassing van het in de vorige zin bepaalde is, dat de werkgever alles in het werk heeft gesteld om de werknemer daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen de vakantie-uren op te nemen. Wettelijke vakantie-uren opgebouwd na 1 januari 2012 komen te vervallen, indien die niet zijn opgenomen binnen 6 maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin deze zijn verworven. Voorwaarde voor de toepassing van het in de vorige zin bepaalde is, dat de werkgever alles in het werk heeft gesteld om de werknemer daadwerkelijk in de gelegenheid te stellen de vakantie-uren op te nemen. Artikel 10 Vakantiebijslag 1. Het vakantiebijslagjaar loopt van 1 juni tot en met 31 mei. 2. De werknemer ontvangt in de maand mei een vakantiebijslag ter grootte van 8 % van de som van de in het vakantiebijslagjaar verdiende maandsalarissen. 3. Vanaf 1 juli 2015 heeft de werknemer de keuze om de vakantiebijslag per kalendermaand uit te laten betalen. Indien de werknemer hierin geen keuze maakt, ontvangt de werknemer de vakantiebijslag in de maand mei. Artikel 10 Arbeidsongeschiktheid 1.

Indien een werknemer ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten, gelden voor hem de bepalingen van artikel 7:629 8.W., de Ziektewet, en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) dan wel de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WlA), voor zover hierna niet anders is bepaald. 2. a) Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende het eerste jaar 70% van het maandsalaris worden doorbetaald. b) Gedurende de periode van de 53ste tot en met de 104de week van arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer 70% van het maandsalaris worden doorbetaald. c) In geval van re-integratie (al dan niet op arbeidstherapeutische basis) tot en met de 104de week van arbeidsongeschiktheid, wordt 100% van het maandsalaris doorbetaald over het aantal uren dat men feitelijk werkzaam is, en 70% van het maandsalaris over de overige uren. d) Uitgangspunt voor iedere vorm van loondoorbetaling is dat de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer volledig meewerkt aan re-integratie en herstel. 3. Onder maandsalaris als bedoeld in dit artikel wordt verstaan het maandinkomen dat de werknemer zou hebben ontvangen indien hij arbeidsgeschikt zou zijn geweest. 4. De in lid 2 bedoelde loondoorbetalingen worden beëindigd wanneer de dienstbetrekking met de werknemer eindigt. 5.

Mogelijke sancties in verband met de loondoorbetaling tijdens arbeidsongeschiktheid: De werkgever heeft het recht om de in dit artikel bedoelde loondoorbetalingen te weigeren dan wel stop te zetten ten aanzien van de werknemer die: a) door opzet arbeidsongeschikt is geworden;

b) arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van een gebrek, waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt en daardoor de toetsing van de voor de functie opgestelde belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd; c) zijn genezing heeft belemmerd of vertraagd; d) zonder deugdelijke grond geen passend werk verricht; e) volgens andere in art.7:629lid 3 B.W. vermelde gronden geen aanspraak kan maken op loondoorbetaling. De werkgever heeft het recht om de in dit artikel bedoelde loondoorbetalingen op te schorten ten aanzien van de werknemer die: f) zich niet houdt aan de voor hem geldende regels en aanwijzingen bij ziekte (controlevoorschriften). De werkgever heeft het recht om de door werkgever verstrekte aanvullingen op de wettelijke loondoorbetalingverplichting als verankerd in art. 7:629 BW te weigeren ten aanzien van de werknemer die: g) weigert medewerking te verlenen aan een door de werkgever gevraagde second opinion van het UWV voor de duur van die weigering; h) weigert zonder gegronde reden gebruik te maken van voorhanden zijnde veiligheidsmiddelen dan wel de voorschriften met betrekking tot veiligheid en gezondheid overtreedt en als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is geworden; i)misbruik maakt van de voorziening.

Daarnaast kan de werkgever de werknemer een sanctie opleggen, indien de werknemer de voor hem geldende regels en aanwijzingen bij ziekte (controlevoorschriften) niet naleeft. 6. Medewerking vordering tot schadevergoeding In geval de werkgever in verband met arbeidsongeschiktheid van de werknemer tegen één of meer derden een vordering tot schadevergoeding kan doen gelden, zal de werknemer daaraan zijn medewerking verlenen. Arbobeleid 7. De werkgever voert een actief Arbobeleid. Onderdeel van dat beleid vormt een inspanningsverplichting om werknemers die 35% of minder arbeidsongeschikt zijn, in de zin van de WlA, binnen haar organisatie aan het werk te houden. Artikel 11 Uitkering bij overlijden 1. Indien de werknemer overlijdt, zal aan zijn nagelaten betrekkingen een overlijdensuitkering worden verstrekt op grond van het bepaalde in artikel 7:674 B.W. 2. Deze uitkering is gelijk aan 1/12 van het jaarinkomen op de datum van het overlijden 3. Op dit bedrag wordt in mindering gebracht hetgeen de nagelaten betrekkingen bij overlijden van de werknemer toekomt op grond van een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering en krachtens de Toeslagenwet. 4. De werkgever is geen uitkering verschuldigd indien de werknemer onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden door toepassing van artikel 7:629 lid 3 B.W.

geen aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 7:629lid 1 B.W. of door toedoen van de werknemer geen aanspraak bestaat op een uitkering op grond van de sociale verzekeringswetten - of regelingen als hiervoor genoemd in lid 3. 5. Onder nagelaten betrekkingen wordt in dit artikel verstaan:

a) de langstlevende der echtgenoten, dan wel geregistreerde partners van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde, dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde in de zin van art. 7 :67 4 lid 3 B.W.; b) bij ontstentenis van de personen genoemd onder a), de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond ; c) bij ontstentenis van de personen genoemd onder a) en b), degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan de werknemer grotendeels voorzag. Artikel 12 Pensioenregeling Met ingang van I januari 2016 geldt de nieuwe pensioenregeling Het pensioenreglement wordt bij indiensttreding aan de werknemer uitgereikt. Artikel 13 Gebruik dienstauto Het is de werknemer niet toegestaan om de dienstauto voor privédoeleinden te gebruiken.De werkgever houdt toezicht op de naleving van het verbod op privé gebruik van de dienstauto. Indien uit welke hoofde dan ook door de werkgever wordt geconstateerd dat het verbod op privégebruik door de werknemer wordt overtreden dan worden de volgende sancties opgelegd: De werkgever berekent € 1,00 per verreden privé-kilometer. Het te betalen bedrag wordt op het netto loon van de werknemer ingehouden.

Indien het verbod op privé gebruik herhaaldelijk wordt overtreden dan kan dit ook andere disciplinaire maartregelen en eventueel ontslag uit de dienstbetrekking tot gevolg hebben. Gedurende de looptijd van het contract vermeldt de werkgever in de aangifte loonheffingen bij de gegevens van de werknemer code 1 (verbod privégebruik auto). Alle gebruikers van de bedrijfsauto’s zijn verantwoordelijk voor een juist gebruik van de dienstauto; bij twijfel van een mogelijk defect wordt er direct contact met de werkgever opgenomen over het eventuele verdere gebruik van de auto. De dienstauto wordt alleen gebruikt voor de door de werkgever opgedragen werkzaamheden/afgesproken routes. Bij de ingebruikname van de auto wordt door de werknemer vastgesteld dat de auto in goede staat door vorige gebruiker is achtergelaten. Schade of gebreken wordt direct gemeld aan de werkgever. Door de werkgever wordt er een tankpas verstrekt; hiermee kunnen de werknemers brandstof tanken bij de hierbij aangesloten tankstations. Verkeersboetes worden niet door de werkgever vergoed.Na afloop van de route wordt de auto netjes en opgeruimd achtergelaten. Er wordt niet gerookt in de auto. Artikel 14 Plichtsverzuim 1.

Definitie Onder plichtsverzuim wordt verstaan zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets wat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. 2. Maatregelen De werkgever kan, onverminderd de mogelijkheid tot het nemen van disciplinaire maatregelen – beëindiging van het dienstverband daaronder begrepen - die voortvloeien uit de wet, tegen de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, de maatregelen nemen als omschreven in lid 3. 3. Omschrijving op te leggen maatregelen De maatregelen die onder andere kunnen worden opgelegd zijn: a. schriftelijke berisping; b. schorsing met behoud van salaris gedurende ten hoogste vier weken;

c. schorsing met gehele of gedeeltelijke inhouding van salaris gedurende ten hoogste twee weken; d. terugzetting met een salarisklasse gedurende ten hoogste één jaar; e. terugzetting in functie met plaatsing in de aan de nieuwe functie verbonden salarisschaal. Artikel 15 Vertrouwenspersoon Omroep Venlo heeft een externe vertrouwenspersoon. De contactgegevens kunnen worden opgevraagd bij de medewerker financiën en personeel. De medewerker financiën en personeel betracht geheimhouding tegenover iedereen binnen en buiten de organisatie als een werknemer de contactgegevens van de vertrouwenspersoon opvraagt. Bijlagen: Functieboek Functiebeschrijvingen Loongebouw/salaristabel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/313/documents/20371