CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

080 Bijl18 BP toelichting_Bijlage 17 Integraal Waterhuishoudingsplan.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.5: Vaststellen bestemmingsplan Dijkversterking -verlegging Arcen (RV080)21.809 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

WATERSCHAP LIMBURG

DIJKVERSTERKING ARCEN INTEGRAAL WATERHUISHOUDINGSPLAN ONTWERPLOOP 2

25-05-2023

KRAGTEN SCHOOLSTRAAT 8, HERTEN

PROJECTNUMMER WAB019011

wsp.com / kragten.nl

DOCUMENTNUMMER DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01Dijkversterk Arcen L2

COLOFON RAPPORTHISTORIE 1

25-10-2022

Opzet eerste versie

2

10-01-2023

Opzet tweede versie (n.a.v. interne controle)

3

03-02-2023

Toevoeging geohydrologie

4

10-02-2023

Verwerking opmerkingen OG

5

14-03-2023

Opzet definitieve versie (n.a.v. interne controle)

6

15-05-2023

Opzet 2de definitieve versie (n.a.v. reactie OG op verwerkingswijze 1ste ronde)

7

25-05-2023

Verwerking opmerkingen n.a.v. 2de definitieve versie

CONTACTGEGEVENS 088 33 66 164 cc@kragten.nl

AUTORISATIE PROJECTNUMMER

DOCUMENTNUMMER

VERSIE

STATUS

WAB019011

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2

3.0

Definitief

OPGESTELD DOOR

FUNCTIE

DATUM

PARAAF

CC

Hydroloog

25-05-2023

MR

Stedelijk water specialist

25-05-2023

NSV

Geohydroloog

25-05-2023 b.a.

RRI

Geohydroloog

25-05-2023

GEVERIFIEERD DOOR

FUNCTIE

DATUM

NSV

Geohydroloog

25-05-2023 b.a.

GOEDGEKEURD DOOR FUNCTIE

DATUM

MLI

25-05-2023

Technisch Manager

PARAAF

PARAAF

PRODUCTIETEAM WSP/KRAGTEN Hydroloog

CC

Stedelijk water specialist

MR

Geohydroloog

NSV

Geohydroloog

RRI

Technisch Manager

MLI

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 2/34

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Planproces dijkversterking en -verlegging

5

1.2

Aanpak

7

1.3

Deelproject Arcen

7

1.4

DOEL EN POSITIONERING DOCUMENT

8

1.5

LEESWIJZER

9

2

OPPERVLAKTE- EN STEDELIJK WATER PER DIJKVAK 10

2.1

Dijkvak 1

10

2.1.1

Afwatering rondom kering in maasduinen gebied

11

2.1.2

Kruising Lommerbroeklossing-N271

11

2.1.3

Waterhuishouding Provinciale weg N271

15

2.2

Dijkvak 2

15

2.3

Dijkvak 3 en dijkvak 4

16

2.3.1

Te verpompen hoeveelheid duiker kistdam

16

2.3.2

Persleiding Wymarche watermolen naar vrijvervalriool

16

2.4

Dijkvak 5

17

2.5

Dijkvak 6 en dijkvak 7

18

2.5.1

Bergingssysteem overslagdebiet t.p.v. glazen/zelfsluitende kering

18

2.5.2

Voorzieningen voor afvoer hemelwater en kwelwater

19

2.5.3

Hemelwaterafvoer La Tour Meuse

19

2.5.4

Riooloverstort op de Maas

19

2.5.5

Persleiding Waterschapsbedrijf RG Arcen

20

2.6

Dijkvak 8

20

2.6.1

Afwatering Hertog jan Brouwerij

21

2.6.2

Afwatering Proeverij (kruisweg 45)

21

2.6.3

Riooloverstort op de Maas

22

2.6.4

Gemeentelijk drukgemaal kruisweg 47

22

2.6.5

Afwatering percelen langs dijkvak 8

22

2.7

Dijkvak 9

23

2.7.1

Kruising Laaklossing

23

2.7.2

Kruising Boerenhuizenlossing

27

2.8

Gevolgen dijkverlegging voor agrarische percelen dijkvak 8 en 9

30

3

GEOHYDROLOGIE

31

3.1

Functioneren grondwatersysteem Arcen

31

3.2

Grondwatergerelateerde ingrepen

32

3.3

Grondwatermodel

32

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 3/34

3.3.1

Gevoeligheidsanalyse

33

3.3.2

Kalibratie

33

3.3.3

Damwanden: wijze van verwerking in grondwatermodel

33

3.4

Effectbeschrijving ingrepen

33

3.4.1

Stationair model

34

3.4.2

Instationair model

34

3.4.3

Compenserende maatregelen

34

OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage A

— Waterhuishuishoudingsplan – Oppervlaktewater Ontwerploop 1 Bijlage B

— Effecten Grondwater model Bijlage C

— Overzichtskaart stedelijk water

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 4/34

1

INLEIDING

1.1

PLANPROCES DIJKVERSTERKING EN -VERLEGGING

Om te borgen dat Nederland nu en in de toekomst beschermd is tegen overstromingen, is wettelijk vastgelegd dat primaire waterkeringen periodiek worden gecontroleerd. Primaire waterkeringen die niet op orde zijn, worden versterkt. Afspraken over welke primaire waterkeringen wanneer aangepakt worden, leggen het Rijk en de waterschappen gezamenlijk vast in het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Het HWBP wordt jaarlijks geactualiseerd en steeds voor een periode van zes jaar opgesteld, met een doorkijk naar twaalf jaar. Het doel van het huidige programma is het op orde krijgen van de primaire waterkeringen die in de afgelopen en lopende toets/beoordelingsronde zijn afgekeurd. Waterschap Limburg (WL) is verantwoordelijk voor de hoogwaterbescherming in het door haar beheerde gebied. Ze werkt daarbij nauw samen met partners als het Rijk, Provincie Limburg, betrokken gemeenten en naastgelegen waterschappen. Na de hoge rivierwaterstanden in 1993 en 1995 zijn in het beheergebied van WL in snel tempo Maaskades aangelegd die als nooddijk fungeerden met een overstromingskans van circa 1/50 e per jaar. Deze Maaskades zouden deels een tijdelijke functie hebben en vooruitlopend op rivierverruiming hoogwaterbescherming bieden tegen de hoge rivierwaterstanden zoals deze in 1993 en 1995 optraden. Op 1 januari 2017 is de Waterwet gewijzigd.

Er zijn nieuwe wettelijke normen voor hoogwaterveiligheid in werking getreden. Voor ieder dijktraject bestaan de wettelijke normen uit twee delen, beide uitgewerkt in een overstromingskans per jaar. Ten eerste de signaleringswaarde, de overstromingskans per jaar die de beheerder het sein geeft dat de waterkering op termijn versterkt moet worden. Daarnaast de ondergrens, de overstromingskans per jaar waarop het dijktraject gedurende de gehele levensduur ten minste berekend moet zijn. Voor dijktraject Arcen betreft dit een signaleringswaarde van 1/300e per jaar en een ondergrens van 1/100e per jaar. Na dijkverbetering dient de waterkering gedurende de gehele levensduur in ieder geval veiliger te zijn dan de ondergrenswaarde. Op basis van de nieuwe normen voor hoogwaterbescherming in de Waterwet zijn veel dijken in het beheergebied van Waterschap Limburg afgekeurd op hoogte en sterkte. In 2016 heeft het Waterschap een dijkverbeteringsprogramma opgestart om diverse dijktrajecten in de Noordelijke Maasvallei te verhogen en te versterken. Deze dijkverbeteringen zijn opgenomen in het landelijke Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP).

Waterschap Limburg, Rijkswaterstaat, provincie Limburg, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, gemeente Beesel, gemeente Bergen, gemeente Leudal, gemeente Maasgouw, gemeente Peel en Maas, gemeente Roermond en gemeente Venlo hebben samen de Stuurgroep HWBP Noordelijke Maasvallei opgezet. Deze Stuurgroep adviseert de bevoegde bestuursorganen met betrekking tot de te nemen besluiten. De doelstelling van het dijkversterkingsprogramma is primair: het verbeteren van de waterveiligheid in de Maasvallei (versterkingsopgave). De secundaire doelstelling is het versterken van gebiedskwaliteiten (opgave ruimtelijke kwaliteit). Deze doelstellingen zijn van alle betrokken partners binnen de Stuurgroep HWBP Noordelijke Maasvallei. Deze opgaven zijn in paragraaf 1.3 nader toegelicht.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 5/34

Figuur 1-1: Locaties van dijkversterkingen van Waterschap Limburg in het Hoogwaterbeschermingsprogramma.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 6/34

1.2

AANPAK

Het HWBP werkt aan de hand van een systematiek die ontleend is aan de werkwijze uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Dit betekent dat de volgende fasen doorlopen worden: de voorverkenning, de verkenning, de planuitwerking en de realisatie. Momenteel bevindt het project dijkverbetering Arcen zich aan het einde van de planuitwerking.

Voorverkenning

Verkenning

Planuitwerking

Realisatie

Figuur 1-2: De planfasen van de HWBP dijkversterkingen.

In de planuitwerkingsfase worden het voorkeursalternatief en eventuele restpunten verder geoptimaliseerd, uitgewerkt en gedetailleerd. Het uiteindelijke ruimtebeslag (hoogte en breedte) kan afwijken van het vastgestelde voorkeursalternatief.

1.3

DEELPROJECT ARCEN

Het project Arcen geeft invulling aan de doelstellingen vanuit verschillende programma’s. Allereerst maakt het onderdeel uit van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP Noordelijke Maasvallei), zoals beschreven in paragraaf 1.1. Het project heeft daarnaast een extra opgave meegekregen: de systeemopgave. Met deze systeemopgave wordt beoogd om zoveel mogelijk rivierbed te behouden en de stijging van de waterstand te voorkomen. In de verkenningsfase zijn verschillende tracés voor de primaire waterkering onderzocht en vergeleken. Dit heeft geleid tot een bestuurlijk vastgesteld tracé voor nieuwe primaire waterkering (zie Figuur 1-3). De bestaande waterkering wordt geheel vervangen en, met name in het noordelijke deel, dichter tegen de bebouwde kom van Arcen aangelegd. In Arcen Midden wordt de waterkering uitgevoerd als een glazen wand óf als een zelfsluitende kering. In Arcen Noord en Arcen Zuid wordt een ‘groene’ kering aangelegd van grond die aansluit op de hoge gronden aan de rand van het Maasdal. Op een aantal plaatsen worden coupures aangelegd die bij hoogwater worden gesloten. Op maatwerklocaties en langs de kasteeltuin wordt geen groene kering aangelegd maar een verticale constructie (keermuur).

In de planuitwerking wordt dit tracé nader uitgewerkt en geoptimaliseerd tot een referentieontwerp voor de waterkering dat de basis is voor de juridische procedures en de realisatiefase. Ten derde wordt met het project Arcen ook invulling gegeven aan de Kaderrichtlijn water (KRW). Naast het aanleggen en versterken van de primaire waterkering omvat het project ook het beekherstel van de Lingsforterbeek inclusief een vispassage bij de Wymarsche watermolen. Tot slot is er nog sprake van verschillende meekoppelkansen die bijdragen aan de doelstelling voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. In de planuitwerkingsfase worden diverse wensen vanuit de omgeving meegenomen in het referentieontwerp: • Dubbelzijdig fietspad vanaf zuidelijke molenvijver direct aan de nieuwe dijk gelegen bij de Schans tot de provinciale weg; • Het verplaatsen van de bebouwde kom bij de Schans gecombineerd met een 30km-plateau en fietsoversteekplaats; • Het parkeerterrein tegenover MFA uitbreiden met 7 parkeerplaatsen; • Het herinrichten van het Schanstorenplein, inclusief terugbrengen oude gracht en suggestie van een brug in combinatie met de nieuwe te plaatsen kering met diverse wandelroutes; • Het herinrichten/verbeteren van de Burgemeester Linderspromenade inclusief de nieuwe kering (landschappelijk en cultuurhistorisch passend);

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 7/34

• •

Het duiden op verschillende plekken van de landschappelijk cultuurhistorische waarde van het gebied gecombineerd met de dijkversterking-, of verlegging; Realiseren van een passantenhaven ter plaatse van de Schans (optioneel).

Figuur 1-3: Ligging van de dijkvakken voor het tracé bij Arcen.

1.4

DOEL EN POSITIONERING DOCUMENT

Het Integraal waterhuishoudingsplan voor het dijkversterkingsproject Arcen heeft als doel inzage te geven in de effecten van het dijkversterkingsproject op het stedelijk-, oppervlaktewater- en grondwatersysteem. Voor het stedelijken oppervlaktewatersysteem geldt dat gekeken wordt naar specifieke ontwerpvraagstukken die ontstaan als gevolg van de dijkversterking en zijn raakvlakken met de omgeving. Voor grondwater wordt gekeken naar de effecten van de gehele dijkversterking op het grondwatersysteem en wat dit betekent voor de omgeving. Dit rapport is een vervolg en aanvulling op de eerder opgestelde documenten, het stedelijk waterbeheerplan1 en het waterhuishoudingplan (zie Bijlage A). Dit document wordt gecomplementeerd door de geohydrologische systeemanalyse.

1

De inhoud van dit plan is geïntegreerd in dit rapport en is daarom niet bijgevoegd als aparte bijlage. Bron: ‘DR652021Z36129-WSP_14-03-2023-Waterhuishouding-A02.01-Stedelijke waterbeh. plan’, Kragten/WSP, 14-03-2023. DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 8/34

1.5

LEESWIJZER

In Hoofdstuk 2 wordt gekeken naar de ontwerpvraagstukken voor stedelijk- en oppervlaktewatersysteem per dijkvak. Per paragraaf wordt een dijkvak behandeld waarvoor specifieke ontwerpvragen zijn opgesteld. In Hoofdstuk 3 wordt de grondwateranalyse uitgewerkt.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 9/34

2 OPPERVLAKTE- EN STEDELIJK WATER PER DIJKVAK In dit hoofdstuk worden per nieuw dijkvak de oppervlakte- en stedelijk water ontwerpopgaves uitgewerkt. In Afbeelding 1 zijn de betreffende dijkvakken weergegeven van het nieuwe dijktraject, ten opzichte van de watergangen. In Bijlage C is een overzichtskaart van het stedelijk watersysteem toegevoegd.

Afbeelding 1. Indeling van het nieuwe dijktrajecten op basis van de dijkvakken.

2.1

DIJKVAK 1

Dijkvak 1 begint in het Maasduinengebied en loopt vervolgens langs de N271 richting de weg Schans. De Lommerbroeklossing zal in tegenstelling tot de huidige situatie de primaire kering (in de vorm van een keermuur) gaan kruisen direct benedenstrooms van de N271, zie Afbeelding 2. De keermuur wordt direct langs de N271 gelegd. De ontwerpvragen horende bij dijkvak 1 zijn als volgt: • Afwatering rondom het dijkvak in het Maasduinen gebied; • Welke diameter buis moet de kruising Lommerbroeklossing-N271 krijgen; • Hoe moet de kruising Lommerbroeklossing-N271 afgesloten worden bij hoogwater; • Bestaat er een risico op wateroverlast wanneer de afsluiter dicht wordt gezet; • Daarnaast speelt nog dat de afwatering van de provinciale weg aangepast moet worden.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 10/34

Afbeelding 2. Locatie te realiseren afsluiter Lommerbroeklossing.

2.1.1

AFWATERING RONDOM KERING IN MAASDUINEN GEBIED

Dijkvak 1 wordt onder andere aangelegd in het natuurgebied oostelijk van de N271. Hier sluit dijkvak 1 aan op de hoge gronden. Langs de Maliebaan (de weg in de buurt van de aansluiting op de hoge gronden) loopt een zaksloot. Deze is te zien in de hoogtekaart in Afbeelding 3. De zaksloot zal door dijkvak 1 doorkruist worden. Deze sloot is niet nader geanalyseerd omdat het geen leggerwatergang is. Aangezien het een zaksloot betreft en geen stromende watergangen, is de verwachting dat de aanleg van de waterkering geen noemenswaardige effecten zullen opleveren.

Maliebaan

Afbeelding 3. Het deel van dijkvak 1 dat door het natuurgebied loopt. Ondergrond is de AHN4 (5m gefilterd).

2.1.2

KRUISING LOMMERBROEKLOSSING-N271

DIAMETER VAN DE DUIKER Momenteel stroomt de Lommerbroeklossing al onder de N271 door richting de Kasteeltuinen van Arcen. De duiker heeft een diameter van 1.000 millimeter. Omdat de keermuur direct langs de N271 gelegd wordt, is aan te raden om als minimum maat een diameter van 1.000 millimeter aan te houden. Zo ontstaan er geen vernauwingen in het duiker systeem, waar vuil zich kan gaan ophopen. Hiermee is ook een goede doorstroom gegarandeerd. Hydraulisch gezien is een rond 1.000 millimeter meer dan voldoende. De Lommerbroeklossing wordt gekenmerkt door lage afvoeren. Zie daarvoor het rapport in Bijlage A waarin het oppervlaktewatersysteem rondom Arcen staat

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 11/34

beschreven. In Afbeelding 5 zijn de maximale waterstanden getoond in geval van een 50% MA landelijke afvoer in combinatie met een T100 bui op stedelijk gebied (o.a. Lomm). In Afbeelding 4 is het traject van het lengteprofiel te zien. De piek afvoer is dan 0,33 m3/s in de Lommerbroeklossing. Zoals te zien in Afbeelding 5 is de maximale opstuwing nagenoeg verwaarloosbaar. De binnenkant onderkant buis (b.o.b.) van deze kruising in het model is NAP +14,04 meter.

Waterhoogten [NAP +… meter]

Afbeelding 4. Traject van het lengteprofiel getoond in Afbeelding 5.

Duiker kruising N271Lommerbroeklossing Afstand [meter] Afbeelding 5. Lengteprofiel van de Lommerbroeklossing met maximale waterstanden (blauw) bij een T100 bui op stedelijk gebied, in combinatie met 50% MA landelijke afvoer (groen zijn de duikers).

Omdat bij een hoge afvoer de piek verwaarloosbaar is, kan ook gesteld worden dat in reguliere afvoer situaties de waterstanden niet beïnvloed worden. Drooglegging zal daarom door deze onderdoorgang niet negatief beïnvloed worden. AFSLUITEN BIJ HOOGWATER Conform de eisen van het waterschap moet de duiker voorzien worden van een dubbele afsluiter. Deze dubbele afsluiter moet op tijd gesloten worden om te voorkomen dat Maaswater de dijkring in kan stromen. Voor Arcen is een

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 12/34

kritiek peil bepaald van NAP +15,2 meter2. Als veiligheidsmarge wordt een Maaswaterstand van maximaal NAP +15,2 meter minus 0,3 meter de kruising Lommerbroeklossing-N271 aangehouden. Het sluitpeil van NAP +14,9 meter komt overeen met een afvoer tussen de 1.500 en 1.982 m 3/s bij Sint Pieter (zie blauwe kader in Tabel 1). Dit betekent dat de kruising ongeveer één keer in de drie à vijf jaar gesloten moet worden. Het hierboven genoemde sluitpeil is gebaseerd op een conservatieve aanname. Voor de nieuwe buitendijkse gebieden – waar de Lommerbroeklossing bovenstrooms van de kruising deel uitmaakt – wordt een aparte analyse uitgevoerd. Onderdeel van deze analyse is het bepalen van een realistisch sluitpeil. Dit wordt beschreven in een aparte notitie (‘Effectanalyse verwijderen primaire kering’). Tabel 1. Uitsnede uit de Betrekkingslijnen Maas 2020-2021.

Een terugslagklep is bij deze afsluiter niet mogelijk in verband met de stromingsrichting van het water. In normale omstandigheden stroomt het water namelijk de dijkring in, in plaats van uit (zoals bij Lingsforterbeek, Boerenhuizenlossing en Laaklossing). RISICO OP WATEROVERLAST BIJ SLUITEN KRUISING De hieronder beschreven analyse is gebaseerd op een aantal aannamen (overstromen N271, sluitingsmoment van de Lommerbroeklossing). Voor de nieuwe buitendijkse gebieden – waar de Lommerbroeklossing bovenstrooms van de kruising deel uitmaakt – wordt een aparte analyse uitgevoerd. Onderdeel van deze analyse is het bepalen van een realistisch sluitpeil en een analyse van het vollopen van het gebied vanuit de Maas. Dit wordt beschreven in een aparte notitie (‘Effectanalyse verwijderen primaire kering’). Voor beken die binnendijks liggen en niet meer naar de Maas kunnen afvoeren vanwege afgesloten kruisingen, worden noodpompen geïnstalleerd die overtollig water over de dijk naar de Maas kunnen verpompen. Voor kruising Lommerbroeklossing-N271 is dit niet het geval omdat deze van buitendijks naar binnendijkse richting stroomt. De Lommerbroeklossing voert echter water af van Lomm. Zodra de kruising Lommberbroeklossing-N271 wordt afgesloten zal het water zich bovenstrooms van de afsluiting gaan ophopen.

De vraag is daarom of er wateroverlast kan ontstaan door water vanuit de Lommerbroeklossing wanneer de kruising langdurig afgesloten is. Om dit te kunnen beantwoorden is gekeken hoeveel berging bovenstrooms van de kruising ligt. Deze zogenaamde komberging is getoond in Afbeelding 6. Deze komberging is als volgt bepaald. Op basis van de hoogtekaart (AHN4) is gekeken waar ongeveer de natuurlijke grenzen liggen van een komberging. Deze grenzen moeten lager liggen dan de hoogte waarop het gebied sowieso al zou gaan vollopen met Maaswater door een hoogwater vanuit de Maas. Als het gebied namelijk al onderloopt vanwege de Maas, dan speelt het vraagstuk van wateroverlast als gevolg van het afsluiten van de Lommerbroeklossing immers niet meer. Het vollopen van het gebied door de Maas is dan beduidend urgenter (vanwege deze reden worden immers dijkvak 1 en 2 ontworpen). De grens van de komberging wordt daarom gevormd door de laagste hoogte van de N271. Deze weg vormt de scheiding tussen de Maas en de komberging. Op basis van deze gegevens ontstaat vervolgens de (conservatief gekozen) begrenzing die getoond is in Afbeelding 6.

2

Bron: ‘IO.DR65.34.003-1.0-1-Rp-Arcen nadere bepaling faalkansruimte’, Witteveen en Bos/Arcadis, 14-04-2022

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 13/34

Afbeelding 6. Komberging bovenstrooms van kruising Lommerbroeklossing-N271.

Vervolgens is gekeken wat het volume van dit gebied is tussen circa NAP +15 meter en NAP +16,75 meter. De laagst gelegen bebouwing aan de noordkant van Lomm heeft een maaiveld niveau van circa NAP +17,25 meter. De bovengrens voor de komberging van NAP +16,75 meter ligt hier dus een halve meter onder. Op basis van een analyse met ArcGIS Pro is het volume van de komberging bepaald op 369.275 m 3. Vervolgens is berekend wanneer deze komberging volledig gevuld zou raken bij de diverse landelijke afvoeren van de Lommerbroeklossing. De resultaten hiervan zijn in Tabel 2 getoond. Bij de hoogwaterafvoeren T1, T25 en T100 in de Lommerbroeklossing moet aangemerkt worden dat het hier gaat over stationaire afvoeren. Dit houdt in dat de piekafvoer als een continue stroom worden gemodelleerd en niet als een piek van een toe- en afnemende hoogwatergolf. Dit houdt dus in dat in de praktijk bij de T1, T25 en T100 de komberging eigenlijk langzamer volloopt dan getoond in Tabel 2. Een hoogwatergolf in de Maas duurt gemiddeld ongeveer 5 tot 12 dagen duren voordat deze voorbij een locatie is (gekeken vanaf prille stijging tot de hoogwaterpiek, en vervolgens de terugkeer naar normale afvoer).

De vollooptijd van de komberging op basis van de Lommerbroeklossing afvoeren (zie Tabel 2) duurt dusdanig lang dat deze geen probleem zal ondervinden van een gesloten kruising Lommerbroeklossing-N271 gedurende een Maashoogwater.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 14/34

Tabel 2. Vollooptijd van komberging bij Lommerbroeklossing voor diverse afvoeren. TYPE AFVOEREN

AFVOEREN [M3/S]

VOLLOOPTIJD [UREN]

VOLLOOPTIJD [DAGEN]

BASISAFVOER

0,011

9.325

389

ZOMERAFVOER

0,032

3.206

134

VOORJAARSAFVOER

0,045

2.279

95

WINTERAFVOER

0,074

1.386

58

MAATGEVENDE AFVOER (T 1)

0,14

733

31

T25 (LANDELIJK)

0,22

466

19

T100 (LANDELIJK)

0,24

427

18

2.1.3

WATERHUISHOUDING PROVINCIALE WEG N271

Vanwege de aanleg van het nieuwe dijklichaam zal er rekening gehouden moeten worden met de waterhuishouding van de Provinciale weg. Waarschijnlijk zal deze aangepast moeten worden. De aanpassingen/werkzaamheden zullen in overleg met de Provincie Limburg plaats moeten vinden. Eventuele kolkleidingen die binnen de invloedssfeer van het waterstaatswerk komen te liggen zullen moeten voldoen aan de NEN3651, mogen de nieuwe kering niet kruisen en moeten voldoen aan de eisen van het waterschap.

2.2 DIJKVAK 2 In dijkvak 2 spelen geen stedelijkwateropgaven. Daarnaast lopen er geen leggerwatergangen van het waterschap door dit gebied. Wel liggen in de zuidkop van de kasteeltuinen zaksloten waarvan één gekruist gaat worden, zie Afbeelding 7. Deze sloten zijn niet nader geanalyseerd omdat het geen leggerwatergangen zijn. Aangezien het zaksloten betreffen en geen stromende watergangen, is de verwachting dat de aanleg van de waterkering geen noemenswaardige effecten zullen opleveren.

Afbeelding 7. Dijkvak 2 met de kruising van de zaksloot.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 15/34

2.3 DIJKVAK 3 EN DIJKVAK 4 Bij de dijkvakken 3 en 4 zijn een tweetal aspecten relevant binnen dit waterhuishoudkundigrapport, namelijk: • de te verpompen hoeveelheid water bij de te realiseren onderdoorgang in dijkvak 3; • hoe om te gaan met de persleiding die van de Wymarsche Watermolen naar het gemeentelijk vrijverval riool loopt. In Afbeelding 8 zijn deze twee aspecten weergegeven. De dimensionering van de onderdoorgang (duiker in de kistdam) en de vispassage die voorzien is langs de Wymarsche Watermolen, worden behandeld in een apart rapport3. De in onderstaande afbeelding getoonde persleiding wordt behandeld in paragraaf 2.5.5.

Afbeelding 8. Dijkvakken 3 en 4 met nieuwe kruising en persleiding van WBL (zie paragraaf 2.5.5 voor toelichting op deze persleiding).

2.3.1

TE VERPOMPEN HOEVEELHEID DUIKER KISTDAM

Te verpompen hoeveelheden bij afsluiten van de duiker bij Maashoogwater Afhankelijk van het gewenste beschermingsniveau moet men voor de pompen rekening houden met de volgende hoeveelheden per uur: • Winterafvoer: 0,83 m3/s → ca. 3.000 m3/uur 3 • Maatgevende afvoer: 2,05 m /s → ca. 7.400 m3/uur Bij deze duiker wordt een permanent gemaal geplaatst. De kruising van de Lingsforterbeek met de kistdam wordt verder uitgediept in een apart rapport3.

2.3.2 PERSLEIDING WYMARCHE WATERMOLEN NAAR VRIJVERVALRIOOL De dijkversterking heeft invloed op de gemeentelijk persleiding die vuilwater afvoer van de Wymarsche Molen naar het vrijvervalriool gelegen bij La Tour Meuse (zie Afbeelding 9). Dit geldt met name over een lengte van circa 350 meter nabij het lozingspunt van de persleiding op het vrijvervalriool. Het betreft een PE ø63 persleiding, leeftijd is onbekend. De persleiding zal hoogstwaarschijnlijk niet voldoen aan de geldende eisen voor buisleidingsystemen die waterstaatswerken kruisen of in de lengterichting er in, op, onder of langs liggen (zoals beschreven in NEN3651). Het advies is daarom dan ook om de leiding te verleggen, daar waar de leiding binnen de invloedssfeer van de nieuwe waterkering komt, tot aan het nieuwe lozingspunt. Daar waar de persleiding binnen de invloedssfeer van het 3

Zie: ‘DR65-2021Z36129-WSP_08-03-2023-Ontwerp-A03.01-Ontwerprapport N-M-Z 100%’, WSP/Kragten, 08-03-2023

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 16/34

waterstaatswerk ligt zal er voldaan moeten worden aan de NEN3651. Het precieze tracé en lozingspunt moet met de gemeente Venlo (afdeling beheer) afgestemd worden. Hierin zit eveneens een overlap met dijkvak 5 (zie paragraaf 2.4).

Afbeelding 9. Situatie rondom de persleiding die van de watermolen naar het lozingspunt nabij La Tour Meuse loopt.

2.4 DIJKVAK 5 Het nieuwe lozingspunt van de persleiding van de Wymarsche Watermolen zal naar alle waarschijnlijkheid in dit dijkvak komen te liggen. Zie paragraaf 2.3.2 voor verdere toelichting. Nabij dijkvak 5 ligt de regenwaterberging Kurversgraaf (zie Afbeelding 9), waar MFA de Schans op loost. Met de gemeente Venlo is afgestemd dat er een overstort voor deze regenwaterbergingsvoorziening gerealiseerd moet worden, bijvoorbeeld op een binnendijkse watergang. Zo kan de Kurversgraaf onderdeel gemaakt worden van een mogelijke toekomstige regenwaterstructuur binnen de kern Arcen. Gedurende hoogwater zal als gevolg van de kweldruk deze voorziening gaan functioneren als communicerend vat (neemt de waterstand van de Maas aan). Het is daarom van belang dat bij hoogwater water uit deze voorziening naar de Maas wordt verpompt middels een (nood)pomp. Deze pomp moet ervoor zorgen dat kwelwater dan wel overtollig regenwater, niet op het maaiveld komt te staan.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 17/34

2.5 DIJKVAK 6 EN DIJKVAK 7 Dijkvakken 6 en 7 zijn gesitueerd ter plaatse van het centrum van Arcen, zie Afbeelding 10. Het dijktracé loopt hier door de achtertuinen van de percelen gelegen aan de Maasstraat. De kering in dijkvak 6 en 7 is voorzien als harde kering, mogelijk als glazen- of zelfsluitende kering. Omdat de kering door de achtertuinen loopt, spelen er een aantal ontwerpvragen, namelijk: • Hoeveel Maaswater kan over de harde keringen slaan (overslag), ten tijde van een Maashoogwater? En waar moet een hiervoor bestemd bergingssysteem aan voldoen? • Moet regenwater in de achtertuinen – dat als gevolg van de voorziene harde kering niet vrij kan afstromen – afgevoerd worden? Daarnaast zal de nieuwe kering ter plaatse van dijkvak 7 ook een overstortleiding en een persleiding gaan kruisen. De gevolgen hiervan worden hieronder ook in kaart gebracht.

Afbeelding 10. Locatie stedelijke wateropgave bij dijkvakken 6 en 7.

2.5.1

BERGINGSSYSTEEM OVERSLAGDEBIET T.P.V. GLAZEN-/ZELFSLUITENDE KERING

Bij Maashoogwater kan door golven water over de kering slaan. Voor de glazen-/zelfsluitende kering ter plaatse van dijkvak 6 en 7 is het van belang dat gekeken wordt naar een bergingssysteem, aangezien deze kering direct op achtertuinen aansluit. Het overslagdebiet is vastgesteld op 1 l/s/m. De middels TUN4 berekende hoeveelheid bedraagt 1.965 m3/uur. Dit debiet komt alleen onder maatgevende omstandigheden voor en hebben een kleine kans van optreden. De berekende kans ligt op 1/200 jaar. Ter plaatse van deze dijkvakken zijn in totaal vijf pompen voorzien met een maximale pompcapaciteit van 500 m 3/uur. Onder het onderhoudspad langs het dijkvak (binnendijks), dient bij voorkeur een waterdichte bergingssysteem te komen. Dit systeem moet over de gehele lengte een aaneengesloten systeem vormen. De totale lengte van het onderhoudspad (binnendijks) bedraagt circa 685 m. Uitgaande van een bergingsleiding met een diameter van 1.250 millimeter komt dat neer op een berging van circa 840 m3. Wanneer een pomp uitvalt tijdens het hoogwater heeft men ongeveer één uur de tijd om de pomp te vervangen, voordat deze leiding begint over te lopen.

4

Bron: ‘IO.DR65.34.001 Technische uitgangspunten notitie en faalkansanalyse Arcen’, Witteveen en Bos/Arcadis, 3006-2022 DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 18/34

In of naast het onderhoudspad (binnendijks) dienen voldoende instroom mogelijkheden gerealiseerd te worden die het water in de bergingsvoorziening laten stromen. Ter plaatse van de pompopstellingen moet een put komen waarin de pomp wordt gehangen. Deze put dient ongeveer 0,5 m onder het vloeivlak te liggen van het bergingssysteem. De putten moeten goed bereikbaar zijn. De voorkeur heeft daarom om op meerdere locaties putten aan te leggen. De locatie van deze putten dient nog nader te worden bepaald. Het bergingssysteem moet voldoen aan de vigerende eisen voor buisleidingsystemen die waterstaatswerken kruisen of in de lengterichting er in, op, onder of langs liggen (NEN3651).

2.5.2 VOORZIENINGEN VOOR AFVOER HEMELWATER EN KWELWATER Het merendeel van de achtertuinen bij de harde kering is niet verhard. Hierdoor kan het merendeel van de buien infiltreren via het groen in de bodem. Het kwelwater dat kan optreden bij hoogwater5, kan gelijktijdig met het infiltrerende hemelwater worden opgevangen en afgevoerd. Bij gebruik van het bergingssysteem zoals omschreven in paragraaf 2.5.1, is het mogelijk om eventueel overtollig regenwater en kwelwater op te vangen en te laten afvoeren naar de Maas. Hiervoor zal er een verbinding gemaakt moeten worden met de overstortleiding bij het gemaal RG Arcen naar de Maas (zie paragraaf 2.5.3). Bij Maashoogwater dient deze overstortleiding dicht gezet te worden.

2.5.3 HEMELWATERAFVOER LA TOUR MEUSE Momenteel vind de lozing van hemelwater plaats op de Maas. Als gevolg van het plaatsen van de kering moet de hemelafvoer die momenteel aanwezig is ter plaatse van La Tour Meuse nader beschouwd worden. Hierbij moet het regenwater afgevoerd worden naar een binnendijkse watergang of -berging.

2.5.4 RIOOLOVERSTORT OP DE MAAS De dijkversterking heeft invloed op de gehele betonnen overstortleiding (ø 1.250 mm, aanlegjaar 1980) ter hoogte van RG Arcen, zie Afbeelding 10. Hoogstwaarschijnlijk zal deze leiding niet voldoen aan de vigerende eisen voor buisleidingsystemen die waterstaatswerken kruisen of in de lengterichting er in, op, onder of langs liggen (NEN3651). Het advies is om deze ter plaatse te vervangen en het tracé niet te wijzigen. Zo wordt voorkomen dat deze leiding over een aantal jaar alsnog vervangen moet worden. Het verkleinen van de overstort (door bijvoorbeeld een binnenliner aan te brengen) is niet toegestaan. Hierdoor wordt namelijk het benodigde hydraulische profiel verkleind, met (stedelijk) wateroverlast als gevolg. De aanpassingen/werkzaamheden zullen in overleg met de gemeente Venlo, afdeling beheer, plaats moeten vinden. De overstortleiding kan ongeveer 0,5 m dieper aangelegd worden dan de huidige diepteligging (Huidig gemiddelde b.o.b. ligt op ca. 12.90+). De overstortleiding valt binnen de invloedssfeer van het waterstaatswerk en er zal voldaan moeten worden aan de NEN3651 en de eisen van Waterschap Limburg. Gezien de aansluiting van de hemel- en kwelwatervoorziening (zie paragraaf 2.5.2) op de overstort, moet geverifieerd worden of deze overstort (hydraulisch) nog voldoet.

5

Zie Hoofdstuk 3 voor een nadere toelichting op de grondwatereffecten van de voorziene ingreep.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 19/34

2.5.5 PERSLEIDING WATERSCHAPSBEDRIJF RG ARCEN De dijkversterking heeft invloed op de persleiding (PVC ø315) vanaf RG Arcen naar RG Lomm van het Waterschapsbedrijf Limburg. Waterschapsbedrijf Limburg heeft aangeven dat deze vervangen moet worden over een lengte van ongeveer 300 meter, specifiek tussen het gemaal RG Arcen en hotel “La Tour Meuse” (zie Afbeelding 11). De persleiding moet voldoen aan de vigerende eisen voor buisleidingsystemen die waterstaatswerken kruisen of in de lengterichting er in, op, onder of langs liggen (NEN3651). Planvorming en afstemming dient in nauw overleg met het Waterschapsbedrijf te gebeuren. Hierbij aansluitend is de gemeente Venlo bezig met een mogelijke doorontwikkeling van de passantenhaven (zie Afbeelding 11). Deze ontwikkeling is nog niet definitief. Geadviseerd wordt om tijdens de verdere planontwikkelingen bij de gemeente Venlo te informeren naar de status van deze doorontwikkeling. Het kan namelijk zijn dat de persleiding hierdoor over een grotere lengte verlegd moet worden.

Afbeelding 11. Locatie van de te vervangen persleiding.

2.6 DIJKVAK 8 Dijkvak 8 ligt onder andere rondom de Hertog Jan Brouwerij. Op deze locatie spelen een aantal opgaves rondom stedelijk water. Deze vragen betreffen: • Hoe om te gaan met het afstromende regenwater van de Hertog Jan Brouwerij;

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 20/34

• •

Hoe rekening te houden met de riooloverstort die in de huidige situatie op de Maas loost en de waterkering kruist en gesaneerd dient te worden; Hoe om te gaan met het drukgemaal dat buitendijks bij Kruisweg 47 ligt.

In Afbeelding 12 zijn de locaties van de relevante leidingen, gemalen en afsluiters getoond bij Dijkvak 8.

Afbeelding 12. Locatie en objecten van het bestaande stedelijkwatersysteem bij Dijkvak 8.

Daarnaast speelt de vraag of regenwater geen knelpunt gaan vormen na realisatie van dijkvak 8.

2.6.1 AFWATERING HERTOG JAN BROUWERIJ Op de bestaande overstortleiding (zie paragraaf 2.6.3) in dijkvak 8 zit het regenwaterriool van de Brouwerij Hertog Jan aangesloten. Deze overstort loost rechtstreeks op de Maas. De exacte ligging van het regenwaterriool en de aansluiting op de overstortleiding is onbekend. In het belang om het aantal dijkkruisingen te beperken moet een alternatief worden gevonden om het regenwater van de Brouwerij Hertog Jan, niet onnodig op het gemengd riool te lozen. Het advies is om een separate RWA-riool aan te leggen richting de Laakslossing (zie ook de ontwerptekeningen) die daarop aangepast moet worden. Uitgangspunt is dat de gehele verharding van de Hertog Jan brouwerij, de Proeverij en eventuele wegverhardingen, hierin wordt meegenomen. De brouwerij heeft reeds een gescheiden systeem. Het exacte tracé, binnen de op tekening aangegeven kadastrale percelen, volgt nog na overeenstemming met het waterschap Limburg, het Waterschapsbedrijf Limburg, de gemeente Venlo en de betrokken grondeigenaren. Daarnaast heeft de gemeente Venlo de eis dat bij afkoppelen niet rechtsreeks wordt afgevoerd maar er een waterberging dient te komen. De gemeente Venlo hanteert hierbij de afkoppelbeslisboom. Bij aansluiting op het leggerwatersysteem van Waterschap Limburg zal echter voldaan moeten worden aan de eisen van het waterschap.

Deze schrijven onder andere voor dat minimaal 100 millimeter regenwater geborgen moet worden, alvorens overgestort wordt op de leggerwatergang. Met deze eisen kan de bergingsopgaaf berekend worden van het afwaterend oppervlak van de brouwerij.

2.6.2 AFWATERING PROEVERIJ (KRUISWEG 45) De Proeverij heeft een gemengde aansluiting op het RG Vriendenkring gemaal. Indien het mogelijk en haalbaar wordt geacht zal deze afgekoppeld moeten worden. Mogelijk dat dit het gebouw zowel aan de voor- als achterzijde afgekoppeld kan worden. Dit vanwege de aanleg van het dijkterras (en bijbehorende ingrepen).

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 21/34

Daarnaast heeft de gemeente Venlo de eis dat bij afkoppelen niet rechtsreeks wordt afgevoerd maar er een waterberging dient te komen. De gemeente Venlo hanteert hierbij de afkoppelbeslisboom. Bij aansluiting op het leggerwatersysteem van Waterschap Limburg zal echter voldaan moeten worden aan de eisen van het waterschap. Deze schrijven onder andere voor dat minimaal 100 millimeter regenwater geborgen moet worden, alvorens overgestort wordt op de leggerwatergang. Met deze eisen kan de bergingsopgaaf berekend worden van het afwaterend oppervlak van de Proeverij.

2.6.3 RIOOLOVERSTORT OP DE MAAS Op basis van het besluit tot het afkoppelen van het hemelwater, afkomstig van de Hertog Jan brouwerij, de Proeverij en eventuele wegverharding van de Kruisweg, hebben Waterschap Limburg met de gemeente Venlo en Waterschapsbedrijf Limburg besloten dat de riooloverstort kan komen te vervallen.

2.6.4 GEMEENTELIJK DRUKGEMAAL KRUISWEG 47 Het gemeentelijk drukgemaal dat buitendijks blijft liggen moet in bedrijf blijven. De bijbehorende persleiding moet verlengd worden naar het RG gemaal de Vriendenkring. De aanpassingen/werkzaamheden zullen in overleg met de gemeente Venlo, afdeling beheer, plaats moeten vinden. De persleiding valt binnen de invloedssfeer van het waterstaatswerk en moet voldoen aan de NEN3651 en de eisen van Waterschap Limburg. Het RG Vriendenkring is in beheer en eigendom van het Waterschapsbedrijf Limburg.

2.6.5 AFWATERING PERCELEN LANGS DIJKVAK 8 Op een drietal locaties langs dijkvak 8 speelt de vraag of de dijk de afstroming van het hemelwater niet negatief beïnvloedt. Deze zijn weergegeven in Afbeelding 13. Locatie 1 omhelst de percelen Maasstraat 65 tot en met 87. Van belang is dat bij de nadere uitwerking hier geverifieerd wordt dat dijkvak 8 niet extra regenwater richting de particuliere percelen laat afwateren. De verwachting is dat het effect van de dijk op de oppervlakkige afstroming van regenwater mee zal vallen. De Wellerveldweg en de Broekhuizerweg liggen namelijk dusdanig hoog dat in de huidige situatie het gebied aan de westzijde begrenzen. Dit zal door de komst van de dijk niet veranderen.

Afbeelding 13. Aandachtslocaties afwatering hemelwater langs dijkvak 8.

Voor locatie 2 geldt dat de greppel die langs de kassen ligt gaat verdwijnen. Hier moet het maaiveld dusdanig gevormd worden dat water afstroomt richting openbaar terrein, en niet richting particulieren percelen.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 22/34

Locatie 3 betreft een drietal agrarische percelen die door de komst van de dijk opgedeeld zullen worden. Voor de twee zuidelijke percelen 3.1 en 3.2 geldt dat deze momenteel de laagste delen vormen van de (nog niet door de dijk opgedeelde) agrarische percelen. Als gevolg van de opdeling zal minder regenwater oppervlakkig af kunnen stromen naar deze vakken. De dijk houdt dit regenwater immers tegen. De aanleg van dijkvak 8 zal er hier dus hoogstens voor zorgen dat minder regenwater kan afstromen naar, en ophopen op, deze percelen. Voor perceel 3.3 geldt dat de dijk precies op een verhoging (rug) in het perceel gelegd wordt. Water stroomt naar verwachting nu al naar de noordzijde of naar de zuidzijde. Vanwege deze reden wordt het effect als nihil ingeschat.

2.7 DIJKVAK 9 Dijkvak 9 is het laatste stuk dijktraject, gelegen ten noorden van Arcen. Dit traject kruist twee oppervlaktewaterlichamen, namelijk de Laaklossing en de Boerenhuizenlossing (zie Afbeelding 14). In deze paragraaf wordt gekeken hoe de kruising met de dijk uit moet komen te zien voor deze watergangen.

Afbeelding 14. Locaties te realiseren onderdoorgangen met afsluiters bij zowel de Laaklossing als de Boerenhuizenlossing.

2.7.1

KRUISING LAAKLOSSING

In de huidige situatie stroomt de Laaklossing uit in de Boerenhuizenlossing. De Boerenhuizenlossing kruist vervolgens de huidige primaire waterkering. Vanwege de teruglegging van de primaire kering zal de Laaklossing ook de nieuwe primaire waterkering gaan kruisen (zie Afbeelding 14). De ontwerpvragen horende bij deze nieuwe kruising zijn als volgt: • Welke diameter buis moet de kruising krijgen; • Hoe moet de kruising afgesloten worden bij hoogwater; • Hoeveel moet er vanuit de beek de Maas ingepompt worden, bij Maashoogwater.

DIAMETER VAN DE DUIKER Vanuit het waterschap moet de diameter van een dijk-kruisende duiker minimaal Ø 500 millimeter zijn. Onderliggende reden is dat vanaf deze diameter de duiker goed te onderhouden is. De landelijke afvoer van de Laaklossing is laag, zie ook de analyse terug te vinden in Bijlage A. De hoogste landelijke afvoer zou hier 16 liter per seconde betreffen. Tijdens de droge zomer van 2022 stond de watergang volledig droog. Daarnaast was er ook sprake van veel ruwere/struik begroeiing nabij de beekbodem. Dit suggereert dat de watergang sowieso beperkt watervoerend is, aangezien dergelijke vegetatie niet graag lang natte wortels heeft. Opstuwing als gevolg van een rond 500 mm dijkonderdoorgang zou verwaarloosbaar zijn bij deze landelijke afvoer. De minimum

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 23/34

grootte van de duiker (Ø 500 mm) zou daarom afdoende voor de Laaklossing zijn. Echter, dit alleen zolang er geen extra regenwaterlozing op de Laaklossing komt vanuit Hertog Jan Brouwerij en omgeving (zie paragraaf 2.6.1). Zoals beschreven in paragraaf 2.6.1 wordt geadviseerd om een RWA riool richting de Laaklossing te leggen. Op dit RWA riool watert de brouwerij en omgeving dan af. Berekeningen met het ArcenREF.lit SOBEK model6 laten zien dat wanneer in een dergelijk geval de duiker als een rond 500 millimeter wordt uitgevoerd, de opstuwing door deze duiker oploopt tot meer 25 centimeter. Dit is hieronder te zien. In Afbeelding 16 is een lengteprofiel te zien met daarin de waterstandseffecten van de duiker op met een landelijke afvoer van 50% MA en een T100 stedelijke bui (100 millimeter cumulatief). Het traject van dit lengteprofiel wordt getoond in Afbeelding 15. Het blauwe vlak laat de waterstand zien met de nieuwe kruising bij de kering en de rode lijn de waterstanden zonder de kruising (referentiesituatie). In beiden gevallen wordt uitgegaan van een RWA lozing vanuit de Hertog Jan Brouwerij en omgeving. Wanneer daadwerkelijk een RWA riool aangelegd wordt richting de Laaklossing, dan wordt geadviseerd de volgende punten in acht te nemen: • om deze benedenstrooms van de overkluizing aan te sluiten.

Dit omdat de rond 500 millimeter buis voor de overkluizing te krap is voor een dergelijke extra lozing. Helemaal bovenstrooms in de Laaklossing bestaat bij een T100 bui namelijk al risico op inundatie. Deze mag niet versterkt worden. Een andere optie zou zijn om de overkluizing te vergroten bij de aansluiting; • tevens wordt geadviseerd om de kruising van de Laaklossing met de (nieuwe) dijk en de bestaande duikers ROB-2100D (bovenstrooms van de overkluizing) en ROB-2095D (benedenstrooms van de overkluizing) te vergroten naar rond 800 millimeter. Als deze niet worden vergroot wordt de eerder genoemde inundatie vergroot. Het resultaat van bovenstaande adviezen is te zien in Afbeelding 17. Als b.o.b. is in het model NAP +14,04 meter aangehouden.

Afbeelding 15. Traject van het lengteprofiel getoond in Afbeelding 16.

6

Zie Bijlage A voor een toelichting op dit model.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 24/34

Waterhoogten [NAP +… meter]

Afstand [meter]

Waterhoogten [NAP +… meter]

Afbeelding 16. Lengteprofiel met daarin de waterstanden (blauwe vlak = toekomstige situatie; rode lijn = huidige situatie) als gevolg van een rond 800 mm duiker onder de nieuwe kering (rode ovaal) in de Laaklossing (waterstanden bij een 300%MA).

Afstand [meter]

Afbeelding 17. Lengteprofiel met daarin de waterstanden (blauwe vlak = toekomstige situatie; rode lijn = huidige situatie) als gevolg van een vergroting naar rond 800 mm duikers (waterstanden bij een 50%MA en T100 bui).

Omdat bij een hoge afvoer de waterstandsverhoging beperkt is, kan ook gesteld worden dat in reguliere afvoer situaties de waterstanden niet beïnvloed worden. Drooglegging zal daarom door deze onderdoorgang niet negatief beïnvloed worden.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 25/34

AFSLUITEN BIJ HOOGWATER Conform de eisen van het waterschap moet de duiker voorzien worden van een dubbele afsluiter. Deze dubbele afsluiter moet op tijd gesloten worden om te voorkomen dat Maaswater de dijkring in kan stromen. Voor Arcen is een kritiek peil bepaald van NAP +15,2 meter7. Als veiligheidsmarge wordt een Maaswaterstand van maximaal NAP +15,2 meter minus 0,3 meter de kruising te sluiten. Het sluitpeil van NAP +14,9 meter komt overeen met een afvoer tussen de 1.500 en 1.982 m3/s bij Sint Pieter (zie blauwe kader in Tabel 1). Dit betekent dat de kruising ongeveer één keer in de drie à vijf jaar gesloten moet worden. Het hierboven genoemde sluitpeil is gebaseerd op een conservatieve aanname. Voor de nieuwe buitendijkse gebieden – waar de Laaklossing tussen de kruising en de Boerenhuizenlossing deel gaat uitmaken – wordt een aparte analyse uitgevoerd. Onderdeel van deze analyse is het bepalen van een realistisch sluitpeil. Dit wordt beschreven in een aparte notitie (‘Effectanalyse verwijderen primaire kering’). Door het aanbrengen van de kwelschermen speelt binnendijkse kwel geen rol bij hoogwater. Los daarvan, zal binnendijkse kwel sowieso niet significant toenemen (zie Hoofdstuk 3).

TE VERPOMPEN HOEVEELHEDEN BIJ AFSLUITEN VAN DE DUIKER BIJ MAASHOOGWATER Afhankelijk van het gewenste beschermingsniveau moet men voor de pompen rekening houden met de volgende hoeveelheden per uur: • Winterafvoer: 0,005 m3/s → ca. 20 m3/uur 3 • Maatgevende afvoer: 0,008 m /s → ca. 30 m3/uur VOLLOOPDUUR LAAKLOSSING BIJ AFSLUITING EN NIET POMPEN Wanneer niet gepompt wordt bij het afsluiten van de Laaklossing bij een Maashoogwater, dan loopt deze lossing binnendijks langzaam vol. Hieronder wordt een korte inschatting gegeven van hoe lang dit vollopen duurt. Er wordt vanuit gegaan dat de Laaklossing een maatgevende afvoer heeft op het moment van afsluiten. Dit is dus de hierboven staande 30 m3/uur. In Afbeelding 18 is voor een representatief profiel aangegeven wat de waterstand dan is, inclusief nat profiel.

Afbeelding 18. Dwarsprofiel Laaklossing met maatgevende waterstand (T1) bij vrije afstroom (links) en met maximale vulling (rechts).

Voor de duur van het vollopen van de Laaklossing wordt ervan uitgegaan dat het deel boven de reguliere maatgevende afvoer waterstand gebruikt kan worden als berging, tot aan de laagste insteek. Deze laagste insteek ligt op ongeveer NAP +15,1 meter8. Op basis van het bovenstaande profiel betekent dit dat (1,73 – 0,31 =) 1,42 m2 geborgen kan worden per meter. Uitgaande van de delen van de Laaklossing die vrij liggen (niet zijnde overkluizingen 9) kan er over circa 400 7

Bron: ‘IO.DR65.34.003-1.0-1-Rp-Arcen nadere bepaling faalkansruimte’, Witteveen en Bos/Arcadis, 14-04-2022 Bij NAP +14,9 meter wordt de afsluiter van de Laaklossing al dichtgezet, het Maaswater kan dus bij reguliere hoogwaters niet tot deze hoogte kunnen komen. 9 Aangenomen wordt dat overkluizingen al vroegtijdig volgelopen zijn en daarmee weinig bergingsruimte bieden. 8

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 26/34

meter water geborgen worden. Er moet echter rekening gehouden worden met verhang van de beek. Het profiel van Afbeelding 18 is namelijk genomen bovenstrooms van de kruising met de nieuwe dijk – oftewel benedenstrooms van het potentiële bergingstraject. Daarom wordt uitgegaan van een bergingscapaciteit 1 m2 per meter. Dit betekent dat circa 400 m3 geborgen kan worden in de Laaklossing. De volloopduur kan nu hieruit eenvoudig afgeleid worden: • Volloopduur bij winterafvoer: 400 / 20 = 20 uur; • Volloopduur bij maatgevende afvoer: 400 / 30 = 13,3 uur. Aangezien de volloopduur minder dan een etmaal is, en een hoogwater golf meerdere dagen duurt, is besloten om een pompopstelplaats te realiseren bij de kruising Laaklossing. Bij afsluiten van de kruising kan de Laaklossing bij een Maashoogwater dan alsnog op peil gehouden worden.

2.7.2 KRUISING BOERENHUIZENLOSSING In de huidige situatie stroomt de Laaklossing uit in de Boerenhuizenlossing. De Boerenhuizenlossing kruist vervolgens de huidige primaire waterkering. Vanwege de teruglegging van de primaire kering zal de Boerenhuizenlossing ook de nieuwe primaire waterkering gaan kruisen (zie Afbeelding 14). De ontwerpvragen horende bij deze nieuwe kruising zijn als volgt: • Welke diameter buis moet de kruising krijgen; • Hoe moet de kruising afgesloten worden bij hoogwater; • Hoeveel moet er vanuit de beek de Maas ingepompt worden, bij Maashoogwater. DIAMETER DUIKER Vanuit het waterschap moet de diameter van een dijk-kruisende duiker minimaal Ø 500 millimeter zijn. De reden hiervoor is dat vanaf deze diameter de duiker goed te onderhouden is. Bovenstrooms van de kruising liggen echter Ø 800 millimeter duikers. Het is daarom aan te raden om voor de kruising ook een dergelijke diameter te hanteren, zodat er geen plotselinge vernauwing in het traject ontstaat. In Afbeelding 20 is een lengteprofiel te zien met daarin de waterstandseffecten van de duiker op de hoogste landelijke afvoer 10. Het traject van dit lengteprofiel wordt getoond in Afbeelding 19. Het blauwe vlak laat de waterstand zien met de nieuwe kruising bij de kering en de rode lijn de waterstanden zonder de kruising (referentiesituatie).

Gezien het (zeer) beperkte verschil tussen deze twee lijnen, kan gesteld worden dat opstuwing als gevolg van de onderdoorgang verwaarloosbaar is. De minimum grootte van de duiker (Ø 800 mm) is daarom afdoende voor de Boerenhuizenlossing. Als b.o.b. is in het model NAP +13,44 meter aangehouden. De afvoer van de Boerenhuizenlossing zijn terug te vinden in de analyse in Bijlage A.

10

Voor de Boerenhuizenlossing is deze piek vergelijkbaar met de piek van de landelijke afvoer 50% MA met T100 bui.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 27/34

Waterhoogten [NAP +… meter]

Afbeelding 19. Traject van het lengteprofiel getoond in Afbeelding 20.

Afstand [meter]

Afbeelding 20. Lengteprofiel met daarin de waterstanden (blauwe vlak = toekomstige situatie; rode lijn = huidige situatie) als gevolg van een rond 800 mm duiker onder de nieuwe kering (rode ovaal) in de Boerenhuizenlossing (waterstanden bij 300% MA).

Omdat bij een hoge afvoer de waterstanden verwaarloosbaar zijn, kan ook gesteld worden dat in reguliere afvoer situaties de waterstanden niet beïnvloed worden. Drooglegging zal daarom door deze onderdoorgang niet negatief beïnvloed worden. AFSLUITEN BIJ HOOGWATER Conform de eisen van het waterschap moet de duiker voorzien worden van een dubbele afsluiter. Deze dubbele afsluiter moet op tijd gesloten worden om te voorkomen dat Maaswater de dijkring in kan stromen. Voor Arcen is een kritiek peil bepaald van NAP +15,2 meter11. Als veiligheidsmarge wordt een Maaswaterstand van maximaal NAP +15,2 meter minus 0,3 meter de kruising te sluiten. Het sluitpeil van NAP +14,9 meter komt overeen met een afvoer tussen de 11

Bron: ‘IO.DR65.34.003-1.0-1-Rp-Arcen nadere bepaling faalkansruimte’

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 28/34

1.500 en 1.982 m3/s bij Sint Pieter (zie blauwe kader in Tabel 1). Dit betekent dat de kruising ongeveer één keer in de drie à vijf jaar gesloten moet worden. Het hierboven genoemde sluitpeil is gebaseerd op een conservatieve aanname. Voor de nieuwe buitendijkse gebieden – waarvan de Boerenhuizenlossing tussen de kruising en de Maasstraat deel gaat uitmaken – wordt een aparte analyse uitgevoerd. Onderdeel van deze analyse is het bepalen van een realistisch sluitpeil. Dit wordt beschreven in een aparte notitie (‘Effectanalyse verwijderen primaire kering’). Door het aanbrengen van de kwelschermen speelt binnendijkse kwel geen rol bij hoogwater. Los daarvan, zal binnendijkse kwel sowieso niet significant toenemen (zie Hoofdstuk 3). TE VERPOMPEN HOEVEELHEDEN BIJ AFSLUITEN VAN DE DUIKER BIJ MAASHOOGWATER Afhankelijk van het gewenste beschermingsniveau moet men voor de pompen rekening houden met de volgende hoeveelheden per uur: • Winterafvoer: 0,03 m3/s → ca. 110 m3/uur 3 • Maatgevende afvoer: 0,06 m /s → ca. 220 m3/uur Gezien de omvang en de jaarlijkse afvoeren van de Boerenhuizenlossing is niet gekeken naar een mogelijke volloopduur in geval van het niet gebruiken van pompen bij het afsluiten van de kruising Boerenhuizenlossing. Voor de Boerenhuizenlossing geldt dat er sowieso gepompt moet worden bij een Maashoogwater.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 29/34

2.8 GEVOLGEN DIJKVERLEGGING VOOR AGRARISCHE PERCELEN DIJKVAK 8 EN 9 In Arcen-Noord wordt zowel bij dijkvak 8 als bij dijkvak 9 de dijk teruggelegd. Zie ter verduidelijking Afbeelding 21. Bij dijkvak 8 wordt de huidige kering tot aan de Maasstraat afgegraven.

Afbeelding 21. Geplande dijk teruglegging ter hoogte van dijkvak 8 en 9.

Door de teruglegging van de dijk en het afgraven van de huidige dijk, zullen percelen op deze locatie vaker gaan onderlopen. Vanwege de omvang van deze gebieden is een aparte analyse uitgevoerd. Deze wordt beschreven in een aparte notitie (‘Effectanalyse verwijderen primaire kering’). Voor de waterhuishouding rondom hotel Rooland is een maatwerk oplossing nodig. De aanpassingen/werkzaamheden zullen in overleg met de Provincie Limburg en gemeente Venlo plaats moeten vinden.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 30/34

3 GEOHYDROLOGIE Een uitgebreide rapportage van het geohydrologisch systeem en de uitgangspunten voor de huidige situatie, welke voor de effectbepaling als uitgangssituatie genomen wordt, staat beschreven in het rapport ‘Geohydrologie-A01.01systeemanalyse’, d.d. 14-03-2023. Dat rapport geeft ook inzicht in het functioneren van het grondwatermodel. De volgende hoofdstukken geven een beknopte samenvatting van het grondwatersysteem van Arcen, de grondwater gerelateerde ingrepen, en het gebruikte grondwatermodel. Verder volgt een effectbeschrijving van de ingrepen en eventuele benodigde compenserende maatregelen.

3.1

FUNCTIONEREN GRONDWATERSYSTEEM ARCEN

Op basis van bovenstaande paragrafen die iets zeggen over de ligging van Arcen, het maaiveldniveau, de bodemopbouw en het grondwater kan vervolgens het functioneren van het gehele grondwatersysteem beschreven worden. Het freatische pakket wordt aan de onderzijde begrensd door de kleilaag van de Kiezeloöliet-Formatie, ook wel Venloklei genoemd, en deze is net ten westen van de Maas circa 15 m – 20 m dik en wordt verder richting het westen circa 30 m dik. Het grondwater stroomt van de hoge Maasterrassen in het oosten naar het Maasdal, waar Arcen ligt. De grondwaterstand ligt over het algemeen meer dan 2 m beneden maaiveld. Hoe dichter het grondwater bij de Maas ligt, hoe groter de interactie met de Maaswaterstand is. Zo zijn bijvoorbeeld de hoogwaterpieken van 1993 en 1995 in onderstaande grafiek bij peilbuis B52F0054 in het centrum van Arcen duidelijk zichtbaar. Tijdens een hoogwaterperiode kan de grondwaterstand in Arcen centrum stijgen, als gevolg van de hoge rivierwaterstanden. Doordat het grondwater gedurende deze periode niet weg kan stromen richting de Maas, kan binnendijks opstuwing en lokaal kwel ontstaan. Op het moment dat de waterstand in de Maas weer daalt, zal ook de grondwaterstand weer snel dalen.

Afbeelding 22. Grondwaterstanden van een aantal lokale peilbuizen en Maaswaterstanden, met een focus op de hoogwaterperiode 1993 en 1995

Concluderend stijgt en daalt het grondwater ter plaatse van Arcen met het Maaspeil mee en er is geen sprake van een langdurig effect. Tijdens een hoogwaterperiode kan er, op basis van bovenstaande gegevens grondwateroverlast ontstaan. De lager gelegen gebieden in Arcen zullen hier meer gevoelig voor zijn.

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 31/34

3.2 GRONDWATERGERELATEERDE INGREPEN De geplande ingrepen die veranderingen in de grondwaterstanden teweeg kunnen brengen zijn de damwanden zoals opgenomen in het ontwerp. De ligging van de damwanden is op onderstaande afbeelding weergegeven. De globale diepte van de damwand is per dijkvak verschillend en is op onderstaande afbeelding weergegeven in m NAP. De damwand heeft een variërende lengte van 3 m in het zuiden tot 6 m in het noorden.

Afbeelding 23. Ligging van de damwand met de globale diepte van de damwand in m NAP

3.3 GRONDWATERMODEL Voor de modellering van geohydrologische effecten wordt gebruikt gemaakt van het regionale grondwatermodel IBRAHYM (versie IBv2.1_N, aanpassingen en kalibratie stationair model Noord- en Midden-Limburg, d.d. 05-03-2018). Het model is ontstaan uit een samenwerking tussen Waterschap Limburg, WML en de Provincie Limburg. Via een server die door Deltares wordt beheerd kunnen met het model grondwaterberekeningen worden uitgevoerd. De rekenperiode van het huidige tijdsafhankelijke en stationaire model is van 1994 tot en met 2011. In dit project zijn we uitgegaan van de rekenperiode van dit model. Verder is de gebruikte rekenresolutie voor het tijdsafhankelijke model 25x25 m en de rekenresolutie voor het stationaire model 50x50 m. Het freatische pakket net ten westen van de Maas wordt aan de onderzijde begrensd door de kleilaag van de Kiezeloöliet-Formatie, ook wel Venloklei genoemd, en is hier circa 15 m – 20 m dik. We gaan ervanuit dat de effecten van het dijkversterkingsproject niet dieper dan deze kleilaag reiken en beschouwen de Venloklei als geohydrologische basis voor de modellering. Op sommige locaties in de modelbegrenzing (maar buiten de locaties waar de damwanden komen) is de Venloklei niet aanwezig en hier wordt de Formatie van Breda als geohydrologische basis voor de modellering beschouwd.

De doorlatendheid in deze formatie is heel laag vergeleken met de beter doorlatende zandlagen erboven. In het grondwatermodel IBRAHYM, dat voor deze modellering wordt gebruikt, is de kleilaag

DR65-2021Z36129-WSP_25-05-2023-Waterhuishouding-A03.01-Dijkversterk Arcen L2 1, versie 3 Waterschap Limburg

WSP/Kragten 25-05-2023 pagina 32/34

opgenomen als slecht doorlatende laag halverwege modellaag 4 en begint de zandlaag van de Formatie van Breda ook halverwege modellaag 4. Daarom worden met het grondwatermodel enkel modellaag 1 t/m 4 beschouwd. De nieuwe damwanden reiken in het zuiden tot NAP +14 m en in het noorden tot NAP +8,5 m. In het zuiden sluiten de damwanden modellaag 1 en een deel van modellaag 2 af. In het noorden wordt een deel van modellaag 4 afgesloten. De beschouwing van enkel model laag 1 t/m 4 in het grondwatermodel is hiermee dus ook voldoende.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20183