CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

080 Bijl09 BP toelichting Bijlage 8 Karterend booronderzoek archeologie.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.5: Vaststellen bestemmingsplan Dijkversterking -verlegging Arcen (RV080)24.102 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

HWBP DR65 ARCEN, GEMEENTE VENLO Een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O karterende en waarderende fase)

EARTH Integrated Archaeology Rapporten 250

HWBP DR 65 ARCEN, GEMEENTE VENLO Een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O karterende en waarderende fase)

EARTH Integrated Archaeology Rapporten 250

1

COLOFON EARTH Integrated Archaeology Rapporten 250 HWBP DR 65 Arcen, gemeente Venlo. Een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O karterende en waarderende fase) Auteurs: T. Bongers, E.M. Arler, K. Grothe, S. Rumping, I. Devriendt en J. de Moor In opdracht van: Waterschap Limburg Disclaimer: Foto’s en tekeningen: EARTH Integrated Archaeology, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. EARTH Integrated Archaeology aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. Autorisatie: drs. T. Vanderhoeven EARTH Integrated Archaeology B.V. Senior KNA-archeoloog

© EARTH Integrated Archaeology Amersfoort, december 2023

EARTH Integrated Archaeology B.V. Fortranweg 1-7 3821 BK Amersfoort t 033-4554127 e contact@earth-archaeology.com w earth-archaeology.com Versiebeheer: conceptrapport v.3 14-12-2023 ISSN: 2211-1077

EARTH Integrated Archaeology

2

EARTH Integrated Archaeology

3

INHOUD COLOFON ..................................................................................................................................................... 1 INHOUD ........................................................................................................................................................ 3 SAMENVATTING .......................................................................................................................................... 4 Doelstelling en methode ......................................................................................................................... 4 Resultaten en advies .............................................................................................................................. 5 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS .................................................................................................................. 7 1 INLEIDING ................................................................................................................................................ 8 1.1 Aanleiding van het onderzoek ......................................................................................................... 8 1.2 Doel- en vraagstelling ....................................................................................................................

10 1.3 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................... 11 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................................... 12 2 KARTEREND BOORONDERZOEK ..........................................................................................................13 2.1 Inleiding en werkwijze ................................................................................................................... 13 2.2 Bodemopbouw ............................................................................................................................... 16 2.3 Archeologische indicatoren .......................................................................................................... 20 3 WAARDEREND BOORONDERZOEK ......................................................................................................25 3.1 Inleiding en werkwijze ................................................................................................................... 25 3.2 Resultaten......................................................................................................................................

28 4 CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................................................................32 4.1 Conclusies onderzoek ................................................................................................................... 32 4.2 Advies ............................................................................................................................................. 36 LIJST MET AFBEELDINGEN EN TABELLEN ...............................................................................................44 LITERATUUR ..............................................................................................................................................45 BIJLAGE 1: BOORSTATEN KARTEREND ONDERZOEK ............................................................................46 BIJLAGE 2: KAART AANWEZIGHEID ARCHEOLOGISCHE INDICATOREN KARTEREND BOORONDERZOEK....................................................................................................................................79 BIJLAGE 3: OVERZICHT ARCHEOLOGISCHE INDICATOREN KARTEREND BOORONDERZOEK ............81 BIJLAGE 4: OVERZICHT ARCHEOLOGISCHE INDICATOREN WAARDEREND BOORONDERZOEK ........94

EARTH Integrated Archaeology

4

SAMENVATTING In opdracht van Waterschap Limburg heeft EARTH Integrated Archaeology in de periode maart – november 2023 een inventariserend veldonderzoek (IVO-0) door middel van boringen (karterende en waarderende fase; conform KNA 4.1 protocol 4003) uitgevoerd op enkele locaties in Arcen, gemeente Venlo. Hier zijn grondverstorende werkzaamheden ten behoeve van de versterking/verlegging van de dijken voorzien, in het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) Noordelijke Maasvallei. Het plangebied is gelegen op de oostelijke oever van de Maas en bestaat uit verschillende deelgebieden (1-4). Deelgebieden 1 en 2 liggen ten noorden van de kern van Arcen en deelgebieden 3 en 4 ten zuiden ervan. Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart van Venlo 1 heeft het plangebied hoofdzakelijk een hoge of middelhoge archeologische verwachting. Hier is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 100 m2 (AMK-terrein en zeer hoge archeologische verwachting), 500 m2 (hoge/middelhoge verwachting en hoge verwachting voor natte gebieden) en 5.000 m2 (middelhoge verwachting voor natte gebieden). Voor alle zones geldt een vrije verstoringsgrens tot 0,4 meter -mv. Onderhavig onderzoek is specifiek gericht op het opsporen van vuursteenvindplaatsen.

DOELSTELLING EN METHODE Binnen het plangebied hebben in het verleden al verschillende onderzoeken plaatsgevonden. Dit betreffen bureauonderzoeken en verkennende booronderzoeken van verschillende deelgebieden. 2 Binnen het plangebied zijn daarbij 4 zones aangemerkt met een middelhoge verwachting voor mesolithische/neolithische artefactvindplaatsen. Die aangemerkte zones vormen tezamen het door Bevoegd Gezag vastgestelde onderzoeksgebied waarvoor karterend booronderzoek in verschillende fasen uitgevoerd dient te worden. Het karterend onderzoek dient te resulteren in een concrete maatregelenset voor (vervolg)onderzoek, behoud in situ dan wel vrijgave. Het doel van het onderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals deze in het bureauonderzoek is opgesteld. Meer specifiek is het doel van een karterend booronderzoek het opsporen van archeologische vondstlocaties in zones in het plangebied waar bij het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat daar een hoge verwachting is op het aantreffen van vindplaatsen uit de midden en nieuwe steentijd. Indien vondstlocaties worden aangetroffen, dienen deze nader onderzocht te worden in een verdicht boorgrid (waarderende fase). Het onderzoek dient te resulteren in een selectieadvies voor het plangebied.

1 Peeters 2014. 2 Van Oosterhout 2017; Sanders et al. 2021; Sommers et al. 2022; Sommers & Raczynski-Henk 2023.

EARTH Integrated Archaeology

5

RESULTATEN EN ADVIES Op basis van de karterende boringen kan worden geconcludeerd dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit verschillende afzettingen van de Maas (laatglaciaal en/of interstadiaal terras). De meeste boringen laten een intacte bodemvorming zien. De bodemopbouw past goed bij de ligging op een rivierterras dat niet langer actief overstroomd wordt. Het overige deel van de boringen ligt in de huidige overstromingsvlakte van de Maas, in oude restgeulen of in het stuifduin landschap. In dit grotendeels intacte terrassenlandschap zijn 14 steentijd vondstlocaties vastgesteld, waarmee de hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf het Mesolithicum wordt bevestigd. De locatie van deze vondstlocaties is gebaseerd op het voorkomen van een of meerdere fragmenten antropogeen bewerkte vuursteen. De diepte van de vindplaatsen is relatief beperkt, veelal van 40 cm -mv t/m 100 cm -mv. Sommige vondstlocaties kunnen al voorkomen vanaf 30 cm -mv. De meeste vondstlocaties konden begrensd worden aan de hand van het karterende of waarderende booronderzoek. De combinatie van archeologische indicatoren en de gaafheid van het bodemprofiel zijn maatgevend voor de behoudenswaardigheid van deze vondstlocaties.

Het vaststellen van ook de informatiewaarde (waardering) van deze vondstlocaties vormde evenwel geen onderdeel van dit onderzoek en is met de toegepaste methodiek (alleen boringen) ook niet mogelijk. Ook is het met uitgevoerde onderzoek niet mogelijk om te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van vindplaatsen, grondsporen kunnen niet met booronderzoek worden opgespoord danwel vastgesteld. Gelet op de resultaten van het booronderzoek en de reikwijdte van de waardestelling, adviseert EARTH Integrated Archaeology om de aangetroffen vondstlocaties in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is, vanwege bodemverstorende activiteiten (vanaf maaiveld), dient vervolgonderzoek plaats te vinden. Gezien de geringe diepte van het archeologische niveau (vanaf 40 cm -mv) en gezien er reeds karterend en waarderend booronderzoek heeft plaatsgevonden, kan dit uitgevoerd worden in de vorm van proefsleuven met zeefvakken (IVO-P, KNA 4.1 protocol 4003), gericht op het gravend waarderen van artefactconcentraties/-vindplaatsen. Daarbij adviseert EARTH om op basis van het soort vondstlocatie (clustering of geïsoleerde vondstlocatie) een selectie te maken van vondstlocaties waarvoor een vervolgonderzoek wordt geadviseerd.

Daarbij is tevens rekening gehouden met de aard van de geplande ingrepen en is in overleg met opdrachtgever en bevoegd gezag een verticale bufferzone van 20 cm boven de diepteligging van aangetroffen vondsten gehanteerd en een horizontale bufferzone van 5 meter rondom elke vondstlocatie gehanteerd. Dit resulteert in het advies om bij vondstlocaties 1, 4, 5 en 8-

EARTH Integrated Archaeology

6

13 vervolgonderzoek uit te voeren en vondstlocaties 2, 3, 6, 7 en 14 niet nader te onderzoeken op de aanwezigheid van vuursteenvindplaatsen. Het bovenstaande archeologisch selectieadvies heeft betrekking op de vuursteen vondstlocaties. In overige boringen zijn binnen onderhavig onderzoek eveneens archeologische waarden aangetroffen en hiervoor kunnen eveneens archeologische beperkingen gelden. In overleg met het bevoegd gezag heeft het advies van onderhavig onderzoek zich uitsluitend toegelegd op de vuursteen vindplaatsen. In aanvulling op bovenstaand selectieadvies doet EARTH de aanbeveling om bij het geval van inpassing van de archeologische waarden in planvorming voor het plangebied de aanplant van diep wortelende vegetatie te vermijden. Deze zaken kunnen mogelijk resulteren in degradatie van de archeologische waarden, hetgeen in strijd is met behoud in situ. Het bovenstaande vormt een selectieadvies. Op basis van dit onderzoek zal de bevoegde overheid, de gemeente Venlo, samen met de Provincie Limburg een selectiebesluit nemen voor het plangebied. Indien tijdens de uitvoering van grondwerk buiten de zones met archeologische waarden uit de steentijd toch archeologische (toevals)vondsten worden gedaan, geldt nog wel de wettelijke plicht om deze te melden bij de bevoegde overheid, zoals staat aangegeven in de Erfgoedwet (Art. 5.10).

EARTH Integrated Archaeology

7

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS EARTH projectnummer Datum Projectnaam Toponiem Plaats Gemeente Provincie Oppervlakte plangebied Kaartbladnummer Top 25 Centrumcoördinaten plangebied Huidig grondgebruik Aanleiding onderzoek Onderzoeksmelding / Zaak ID Archis3 Uitvoerder

Contactpersoon

Opdrachtgever Contactpersoon Bevoegd Gezag

Adviseur archeologie Waterschap Limburg Goedkeuring door Bevoegd Gezag Uitvoeringsperiode veldonderzoek

Beheerder en plaats documentatie

Actoren

2023-019 14-12-2023 HWPB Arcen Arcen Arcen Venlo Limburg 9,8 ha 52E, 52F, 52G, 52H 209850/ 388400 Akker, weiland, glastuinbouw, berm, bos, erf Dijkverlegging, dijkversterking 5428120100 EARTH Integrated Archaeology B.V. Fortranweg 1-7 3821 BK Amersfoort Tel.: 033-4554127 Email: contact@earth-archaeology.com T. Vanderhoeven T: 033 455 41 27 E: t.vanderhoeven@earth-archaeology.com Waterschap Limburg Dhr. A. Knipping a.knipping@waterschaplimburg.nl Gemeente Venlo, dhr. J. Schotten j.schotten@venlo.nl Provincie Limburg, dhr. R. Isarin isarin@crevasse.nl Mevr. A. Van de Water anneleen.vandewater@hetarcheologiebureau.nl Conceptrapport Veldwerk: maart – oktober 2023 Analyse: juni – oktober 2023 Rapportage: november 2023 EARTH Integrated Archaeology BV, Amersfoort Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburg Archis 3 en DANS J. de Moor, Senior KNA Prospector E.M. Arler, KNA prospector Ma in opleiding S. Rumping, KNA prospector Ba in opleiding K. Grothe, KNA archeoloog Ma T. Vanderhoeven, Senior KNA Archeoloog T. Bongers, KNA Archeoloog Ma in opleiding

EARTH Integrated Archaeology

8

1 INLEIDING 1.1 AANLEIDING VAN HET ONDERZOEK In opdracht van Waterschap Limburg heeft EARTH Integrated Archaeology in de periode maart – november 2023 een archeologisch onderzoek uitgevoerd op enkele locaties in Arcen, gemeente Venlo (zie Afbeelding 1). Hier zijn grond verstorende werkzaamheden ten behoeve van de versterking en verlegging van de dijken voorzien, in het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) Noordelijke Maasvallei, dijkring 65 Arcen. Het onderzoek is uitgevoerd als een inventariserend veldonderzoek (IVO-0) door middel van boringen (karterende en waarderende fase; conform KNA 4.1 protocol 4003 IVO-O).

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied (bron achtergrondkaart: OpenStreetMap®/ CC BY-SA 2.0).

EARTH Integrated Archaeology

9

Het plangebied ligt volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart van Venlo hoofdzakelijk in een zones met een hoge of middelhoge archeologische verwachting. 3 Het uiterste noorden ligt in een zone met een middelhoge verwachting voor natte gebieden. Het zuidelijke deel van het plangebied kruist enkele bekende vindplaatsen of terreinen met een zeer hoge verwachting. Voor verschillende zones in het onderzoeksgebied geldt een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij voorgenomen ingrepen groter dan 100 m 2 (AMK-terrein en zeer hoge archeologische verwachting), 500 m2 (hoge/middelhoge verwachting en hoge verwachting voor natte gebieden) en 5.000 m2 (middelhoge verwachting voor natte gebieden). Voor alle zones (ook voor bekende archeologische vindplaatsen) geldt een vrije verstoringsgrens tot 0,4 meter -mv. Op de verwachtingskaart is ook is de verwachte ligging van een Romeinse weg aangegeven; deze doorkruist het onderzoeksgebied verschillende keren. Als laatste valt een groot gedeelte van het noordelijk deel van het onderzoeksgebied binnen het provinciale aandachtsgebied Maasdal. 4 Deze status heeft geen juridische basis maar de provincie zet hier in op een hoge kwaliteit archeologisch onderzoek. Het onderzoeksgebied valt eveneens binnen de Archeologische Verwachtingskaart Maasdal (AVM), opgesteld voor het Maasdal tussen Mook en Eijsden.

Op deze kaarten heeft het plangebied voor het grootste deel een lage verwachting voor resten van bewoning, begraving, economische en/of rituele activiteiten uit de periode jager-verzamelaars. Langs de oude, nog watervoerende, Maasgeul geldt een hogere kans op het aantreffen van archeologische resten. Voor de vroege landbouwsamenlevingen kunnen langs diezelfde loop kans zijn op lokaal resten van bewoning, begraving, economische en/of rituele activiteiten op hoogtes. Langs de huidige Maasgeul geldt voor deze periode een algemene verwachting. Voor de latere landbouwsamenlevingen gelden dezelfde archeologische verwachtingen, met uitzondering van de zone grenzend aan de huidige Maas. Hier geldt een kans op resten van economische en/of rituele activiteiten. Voor de staatssamenlevingen geldt hetzelfde verwachtingsmodel, alleen vervalt de kans op het vinden van rituele activiteiten en lokale hoogtes met resten van bewoning, begraving, economische en/of rituele activiteiten. Binnen het plangebied hebben in het verleden al verschillende onderzoeken plaatsgevonden. Dit betreffen bureauonderzoeken en verkennende booronderzoeken van verschillende deelgebieden.5 Binnen het plangebied zijn daarbij 4 zones aangemerkt met een verwachting voor artefactvindplaatsen.

Die aangemerkte zones vormen tezamen het door Bevoegd Gezag vastgestelde onderzoeksgebied waarvoor karterend booronderzoek in verschillende fasen uitgevoerd dient te worden. Het onderzoek dient te resulteren in een selectieadvies voor het plangebied en indien van toepassing in een concrete maatregelenset voor (vervolg)onderzoek,

3 Peeters 2014. 4 https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/archeologie/arch-onderzoek/ - geraadpleegd 6-11-2023. 5 Van Oosterhout 2017; Sanders et al. 2021; Sommers et al. 2022; Sommers & Raczynski-Henk 2023.

EARTH Integrated Archaeology

10

behoud in situ dan wel vrijgave. Onderhavig onderzoek is specifiek gericht op het opsporen van steentijd vondstlocaties en/of vindplaatsen.6 De specifieke eisen voor het onderzoek zijn door de adviseur archeologie van Waterschap Limburg (mevr. A. Van de Water) vastgelegd in een opdrachtomschrijving. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de vergunningsaanvraag voor de gebiedsontwikkeling en was noodzakelijk om te bepalen of bij de voorgenomen activiteiten de kans bestaat dat archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. Het plangebied is gelegen op de oostelijke oever van de Maas en bestaat uit verschillende deelgebieden (1-4, zie Afbeelding 1). Deelgebieden 1 en 2 liggen ten noorden van de kern van Arcen en deelgebieden 3 en 4 ten zuiden ervan. Algemeen zijn de verschillende deelgebieden momenteel in gebruik als akker, weiland, kas voor glastuinbouw, berm, bos, of erf. De totale oppervlakte van het plangebied is circa 98.400 m2. Het maaiveld ligt tussen 11,09 en 21,55 m +NAP. Dit grote verschil kan verklaard worden door de aanwezigheid van rivierduinen (hoogtes) en oude geulen (laagtes), oftewel het natuurlijke landschap. Het grootste gedeelte van de geplande ingrepen betreft de aanleg van een nieuwe dijk, bestaande uit het aanbrengen van een grondlichaam van enkele meters hoogte.

De dijk heeft een breedte van circa 17,1 tot 25,7 meter, waarbij de bovenzijde van de dijk een horizontale breedte (kruinbreedte) heeft van 4,5 meter, hierop is de aanleg van een onderhoudspad bestaande uit betongranulaat voorzien. Voordat ophoging plaatsvindt, zal de huidige bouwvoor vermoedelijk afgegraven worden. De flanken lopen onder een talud van 1:3 naar het huidige maaiveld, waaronder nog een zogenaamde klei-inkassing van circa 5 meter breed aan beide zijden van de nieuwe dijk wordt gerealiseerd. Hiertoe worden ontgravingen tot in ieder geval 0,75 meter onder maaiveld uitgevoerd. Tevens wordt aan de landzijde van de nieuwe dijk (oostzijde) een damwand van ca. 2 tot 3,5 meter hoog aangebracht.

1.2 DOEL- EN VRAAGSTELLING Het doel van het onderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals deze in het bureauonderzoek is opgesteld (zie hieronder). Meer specifiek is het doel van een karterend booronderzoek het opsporen van archeologische steentijd vondstlocaties en/of vindplaatsen in zones in het plangebied waar bij het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat

6 Het opsporen van steentijd (vuursteen)sites door middel van boringen beperkt zich meestal tot het opsporen van

vondstlocaties (puntlocaties) van vuursteen. Opsporen van grondsporen is niet mogelijk met boringen en derhalve zal in deze rapportage vooral over vondstlocaties worden gesproken.

EARTH Integrated Archaeology

11

daar een hoge verwachting is op het aantreffen van vindplaatsen uit de midden en nieuwe steentijd. Daarbij zijn de volgende onderzoeksvragen van toepassing: •

Zijn er archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen?

•

Wat is de diepteligging van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen t.o.v. maaiveld en NAP?

•

Wat is de stratigrafische positie van de (archeologische) laag waarin de archeologische indicatoren zijn aangetroffen?

Indien vindplaatsen worden aangetroffen, dienen deze nader onderzocht te worden in een verdicht boorgrid (waarderende fase). Op de eventueel aangetroffen vindplaatsen zijn de volgende vragen van toepassing: •

Wat is de aard en ouderdom van de archeologische resten?

•

Wat is de conservering en gaafheid van de archeologische resten?

•

Wat is de omvang van de vindplaats?

•

Op welke manier dient bij de voorgenomen werkzaamheden met de archeologische waarden om te worden gegaan? Is behoud in situ mogelijk?

•

Is in het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet?

In Nederland dient het vaststellen van de archeologische verwachting uitgevoerd te worden op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1). Het gehele onderzoek is uitgevoerd volgens de eisen die in de KNA 4.1 worden gesteld aan een inventariserend veldonderzoek karterende/waarderende fase (protocol 4003). De gemeente Venlo heeft voor het uitvoeren van een karterend/waarderend booronderzoek geen aanvullende uitvoeringskaders vastgesteld. De volledige opdrachtomschrijving (inclusief uitgangspunten onderzoek en te leveren producten) is door de adviseur archeologie van Waterschap Limburg opgesteld.

1.3 ARCHEOLOGISCH VERWACHTINGSMODEL Het karterend onderzoek wordt uitgevoerd in een gebied dat in het verkennend onderzoek is geïdentificeerd als ‘zone A’, waarvoor het volgende verwachtingsmodel geldt: “Dit zijn die delen van het plangebied die in de hogere terrasafzettingen van het plangebied vallen. Voor zone A geldt een hoge verwachting voor behoudenswaardige vindplaatsen vanaf het Mesolithicum. Het kan daarbij gaan om artefactvindplaatsen die bestaan uit een losse strooiing van (voornamelijk) vuurstenen artefacten met geringe afmetingen van slechts enkele tientallen vierkante meters, tot grotere palimpsesten die de begrenzing van het onderzoeksgebied overschrijden.

EARTH Integrated Archaeology

12

Vindplaatsen uit deze periode worden verwacht vanaf het maaiveld, in de bouwvoor en in de (top van de) natuurlijke afzettingen eronder. Voor zone A geldt een hoge verwachting voor behoudenswaardige vindplaatsen vanaf het Neolithicum. Dergelijke vindplaatsen worden grotendeels gekenmerkt door een sporenniveau en een vondstlaag. Voor het noordelijke deel van het plangebied geldt een specifieke hoge verwachting voor een Romeins villaterrein en een mogelijke Romeinse weg. Deze verwachting blijft onverkort gehandhaafd. Vondstmateriaal van vindplaatsen uit deze periode kunnen worden verwacht vanaf het maaiveld tot in de bouwvoor, het sporenniveau is zichtbaar vanaf de overgang van de bouwvoor naar de onderliggend afzettingen. Als gevolg van de verbruining van deze afzettingen is het mogelijk dat een eventueel sporenniveau moeilijk leesbaar is. In zone A dient te worden gerekend met de aanwezigheid van grafvelden met crematies uit de late prehistorie. Deze kunnen in grootte variëren van losse begravingen, via kleine grafveldjes met minder dan tien graven, tot de ‘klassieke’ grotere urnenvelden met tientallen bijzettingen. Voor deze begravingen geldt dat zij zeer moeilijk waarneembaar zullen zijn, aangezien grafheuvels ontbreken en de grafkuilen als gevolg van verbruining niet of nauwelijks zichtbaar zullen zijn.”7

1.4 LEESWIJZER In de samenvatting zijn de resultaten van het karterende/waarderende booronderzoek en het advies beknopt weergegeven. In hoofdstuk 1 wordt de achtergrondinformatie van het project besproken, alsmede de archeologische verwachting. In hoofdstuk 2 worden de resultaten van het karterende booronderzoek weergegeven en besproken, de resultaten van het waarderende booronderzoek in het daaropvolgende hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 zijn de conclusies weergegeven en is een advies opgenomen. Bijlage 1 bevat boorbeschrijvingen van de karterende boringen, terwijl Bijlage 2 de aan- of afwezigheid van archeologische indicatoren in de zeefresiduen illustreert. Bijlage 3 en 4 geven een overzicht van respectievelijk de karterende en waarderende boringen, inclusief de analyse van de zeefresiduen.

7 Sommers & Raczynski-Henk 2023.

EARTH Integrated Archaeology

13

2 KARTEREND BOORONDERZOEK 2.1 INLEIDING EN WERKWIJZE De locaties van de boringen zijn in GIS gezet, waarbij de XY-coördinaten zijn bepaald. De locaties en NAP hoogtes van de boorpunten zijn in het veld met behulp van een DGPS bepaald. Alle boringen zijn beschreven conform de eisen van de Leidraad Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 5.2.8 Binnen de ASB wordt de lithologische beschrijving van de NEN5104 gebruikt en wordt de bodemkundige indeling van Stiboka gebruikt. 9 De boorgegevens zijn in het veld ingevoerd in het programma TerraIndex. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform de BRL SIKB 4000 (Protocol 4003) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4.1.10 Voor aanvang van het veldwerk is een Plan van Aanpak opgesteld, is het onderzoek aangemeld bij Archis en zijn KLIC-meldingen uitgevoerd. De karterende boringen zijn geplaatst in een boorgrid van 16 bij 20 meter, wat resulteerde in 314 boringen. De locaties van deze boringen zijn onder begeleiding van een specialist OOO (Onderzoek naar ontplofbare Oorlogsresten) uitgezet en geïnspecteerd op verdachte objecten. Echter, niet alle boorpunten konden worden uitgezet.

Zo was er niet voor alle percelen betredingstoestemming, sommige percelen waren vanwege zeer dichte begroeiing niet bereikbaar, en enkele boringen stonden gepland op locaties die momenteel in gebruik zijn als kas of als dijklichaam. Ook zijn meerdere boringen verplaatst vanwege verdachte OOO-locaties of in verband met de veiligheid nabij een drukke rijksweg (met name in deelgebied 4). Vanwege deze beperkingen zijn de boringen, waar mogelijk, verplaatst.11 In totaal zijn er 311 boringen uitgevoerd. Negen boringen zijn komen te vervallen (boring 27, 141, 142, 143, 144, 197, 204 en 206). Vijf boringen konden gezet worden door deze te verplaatsen (boring 194, 198, 199, 272, en 273). Zie Afbeelding 2 en Afbeelding 3 voor een overzicht van de boorlocaties en hun status (geboord, verplaatst, of vervallen). Het booronderzoek is uitgevoerd door middel van handmatige edelmanboringen. Daarbij is per boorlocatie eerst een boring gezet met een 7 cm edelmanboor, heeft beschrijving van de bodemopbouw conform de ASB plaatsgevonden en is het te bemonsteren niveau vastgesteld. Alle boringen zijn zover mogelijk tot 1 meter onder maaiveld geplaatst (tot in de ongeroerde natuurlijke ondergrond).

Vervolgens is per boorlocatie een monsterboring gezet met een 15 cm edelmanboor (megaboor), waarbij vanaf de top van het te bemonsteren niveau (natuurlijke bodem (A-B horizonten) onder de bouwvoor) een laag van ca. 40 cm dikte is bemonsterd.

8 Bosch 2008. 9 De Bakker & Schelling 1989. 10 SIKB 2018. 11 Ook zijn enkele boringen later uitgevoerd nadat vegetatie is verwijderd en/of belemmeringen op percelen zijn verwijderd.

EARTH Integrated Archaeology

14

Afbeelding 2: Boorpuntenkaart plangebied noord (deelgebied 1 en 2).

EARTH Integrated Archaeology

15

Afbeelding 3: Boorpuntenkaart plangebied zuid (deelgebied 3 en 4).

EARTH Integrated Archaeology

16

Niet alle boringen zijn bemonsterd: zo zijn enkele boringen gestuit op puin of op boomwortels. In enkele boringen was er geen sprake van een te bemonsteren archeologisch niveau. Als gevolg was het niet mogelijk om 22 boringen (van de 311) te bemonsteren. De monsters zijn vervolgens nat gezeefd over een maaswijdte van 2 mm, waarna de residuen zijn gedroogd en onder leiding van Senior KNA archeoloog drs. T. Vanderhoeven en Senior materiaal specialist dr. I. Devriendt zijn onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zie Bijlage 2: Kaart aanwezigheid Archeologische indicatoren ). Hierbij is gekeken naar de aanwezigheid van de volgende materiaalcategorieën: natuursteen, leisteen, tefriet, vuursteen (antropogeen en niet-antropogeen), houtskool, bot, aardewerk (prehistorisch t/m nieuwe tijd), bouwkeramiek, glas, metaal, slak, en verkoolde organische resten. Deze vondstencategorieën zijn geselecteerd vanwege hun indicatie voor de periodes waarvoor het plangebied een hoge verwachting heeft (Mesolithicum t/m Nieuwe tijd). Echter, gezien de doelstelling van zowel het karterende, als waarderende onderzoek (zie hierboven) ligt de focus op archeologische resten uit de midden- en nieuwe Steentijd. Hieronder volgt een overzicht van de uitgevoerde boringen, waarbij eerst ingegaan wordt op de bodemopbouw van de verschillende deelgebieden.

Vervolgens wordt ingegaan op de aanwezigheid van verschillende categorieën archeologische indicatoren. Daarbij ligt de nadruk op boringen waarin ofwel aardewerk (Afbeelding 5 en Afbeelding 6), ofwel antropogeen bewerkt vuursteen (Afbeelding 7 en Afbeelding 8) is aangetroffen. De overige archeologische indicatoren (leisteen, tefriet, metaal, glas, bouwkeramiek, en metaalslak) zijn opgenomen als bijlage (Bijlage 2: Kaart aanwezigheid Archeologische indicatoren en Bijlage 3: Overzicht Archeologische indicatoren

2.2 BODEMOPBOUW Het onderzochte gebied kan landschappelijk grofweg worden opgedeeld in een gebied dat bestaat uit laatglaciale en/of interstadiale terrasafzettingen van de Maas met daarin plaatselijk een restgeul en in een gebied dat bestaat uit laatglaciale (eolische) rivierduinafzettingen die op oudere Maasafzettingen liggen en plaatselijk zijn afgedekt met jongere stuifzanden. In alle sedimenten heeft bodemvorming plaatsgevonden, waarbij de terrasafzettingen gekenmerkt worden door een gemiddeld ca. 40 cm dikke bouwvoor (Ap) horizont met daaronder natuurlijke bodemhorizonten met vaak bruin tot rood/oranjebruine Bw horizonten welke naar onder geleidelijk overgaan in BC en C horizonten, plaatselijk met zeer sterke ijzeraanrijking. Hoewel er “bodemkaart-technisch” bij deze bodems vaak gesproken wordt over hoge bruine enkeerdgronden, is er geen sprake van een (dik) opgebracht antropogeen dek. In de rivierduinen komen veelal haarpodzolen voor met de karakteristieke AEBC-bodemhorizonten. In de jongere stuifzanden is sprake van nog maar beperkt ontwikkelde bodems die tot de vaaggronden gerekend worden. Sedimentologisch bestaan de eolische afzettingen veelal uit matig grof siltarm zand, dat matig tot goed gesorteerd is.

EARTH Integrated Archaeology

17

DEELGEBIED 1 De boringen in plangebied 1 bestaan aan de basis uit licht tot sterk grindig, uiterst fijn of matig grof zand. Het grind is 1,5 tot 0,5 cm in doorsnede en grotendeels mooi afgerond. Naar boven toe verdwijnt het grind en bestaat het zand uit matig fijn, matig siltig zand. De bovenkant van de natuurlijke bodem is in boringen 2 en 3 zeer humeus, tot venig. Wel is er sprake van een bijmenging zand. Waar de humositeit in boring 1 echt samenhangt met bodemvorming, is dat in boring 2 en 3 waarschijnlijk niet het geval. Deze twee boringen liggen ook wat lager in het landschap. Waarschijnlijk gaat het hier om restgeul afzettingen, welke gerekend worden tot de formatie van Beegden. 12 De formatie omvat alle afzettingen van de Maas uit het Pleistoceen en Holoceen. Het zand kan goed afkomstig zijn van een korte overstroming of instuiving tijdens het vormen van de rivierduinen die aan de overkant van de weg liggen. De bovenkant van de bodemopbouw wordt gevormd door 30 tot 35 cm van een huidige bouwvoor. DEELGEBIED 2: Boringen 4 tot en met 140 laten in de bodemopbouw allemaal een sterk vergelijkbaar beeld zien, dat goed overeenkomst met de boringen uit het verkennend booronderzoek. Het sediment bestaat in principe uit sterk tot uiterst siltig zand danwel kleiig zand. Het zand is in het algemeen matig fijn of matig grof.

Met name aan de onderkant van de boringen treedt er af en toe variatie op. Het zand is dan bijvoorbeeld minder siltig of bevat een enkel klein grindje. De meeste boringen laten ook een intacte bodemvorming zien, met bovenaan een matig humeuze bouwvoor, daaronder een B of BChorizont op het moeder materiaal. De bodemvorming betreft hier de voor dit deel van het Maasdal karakteristieke verbruining (interne verwering, Bw horizont). Op sommige locaties is deze bodem begraven, zoals in boringen 115 – 119 en 121. Op het AHN is ook te zien dat dit gebied iets hoger ligt dan de omgeving en dus opgehoogd is (zie Afbeelding 4). De bodemopbouw zoals deze in deelgebied 2 aangetroffen is, past goed bij de ligging op een laatglaciaal rivierterras dat niet langer actief overstroomd wordt. Op het AHN is dit goed te zien, met nog zichtbare oude geulen, maar met minimale verschillen in hoogte. De top van dit natuurlijke rivierterras is vanaf de onderkant van de bouwvoor bemonsterd voor onderzoek naar archeologische indicatoren. DEELGEBIED 3: Boringen 145 tot en met 268 laten grotendeels dezelfde bodemopbouw zien als de boringen in deelgebied 2, bestaande uit siltig matig fijn zand. Wel lijkt het sediment wat vaker in mindere mate silt te bevatten, of soms juist meer siltig dan zandig te zijn, zoals in boringen 214, 216 en 217.

De bodemopbouw is ook in het grootste gedeelte van dit deelgebied intact, met eveneens een bouwvoor op een B of BC- horizont op het moeder materiaal. Ook hier gaat het om een oud rivierterras wat al langere tijd stabiel aan het oppervlakte ligt en waarin bodemvorming ook weer

12 De Mulder et al. 2003. https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator/formatie-van-beegden

EARTH Integrated Archaeology

18

vooral het proces van verbruining betreft (Bw horizont). De aangetroffen bodemopbouw sluit veelal goed aan bij de resultaten van het verkennend booronderzoek. Boringen 146 – 149, 152 en 153 zijn duidelijker veel fijner van korrelgrootte aan de bovenkant van de boringen, bestaande uit licht tot sterk zandige silt. Deze boringen liggen ook aan de rivierzijde van de dijk en liggen waarschijnlijk op een jonger terras. Boringen 202, 203 en 205 wijken eveneens af van de algemene bodemopbouw. Hier bestonden de boringen grotendeels uit klei en veen. Deze boringen liggen buiten de dijk, op de huidige overstromingsvlakte van de rivier waar de Lingsforterbeek in de Maas uitmondt. Tijdens het veldwerk stond het gebied rond de boringen enkele dagen onder water. DEELGEBIED 4:

Het grootste gedeelte van deelgebied 4 ligt binnen het stuifduinen landschap. Het sediment in boringen 278 tot en met 314 bestaat uit in matig fijn tot matig grof, licht tot matig siltig zand. Enkele boringen bestaan aan de basis uit sterk tot licht zandige leem, andere boringen bevatten aan de onderkant juist grindjes. Alle boringen laten een volledige intacte en ongeroerde bodemopbouw zien, welke regelmatig bestaat uit de volledige opbouw van AEBC-horizonten van een podzolbodem. Twee boringen (304, 299) laten daarbij een dubbele fase van bodemvorming zien. Boringen 269 tot en met 277 bestaan in het algemeen uit iets fijner sediment, zeer fijn tot matig fijn zand, licht tot matig siltig. Deze boringen laten meer verstoringen zien, gerelateerd aan de weg die erlangs loopt. Ze hebben veel puin in de bovengrond en boring 275 is volledig verstoord. Boringen 269, 270 en 277 lieten een intacte bodemvorming zien, met aan de onderkant van de boringen een A en E horizont. In andere boringen was de bodemvorming ook aanwezig maar minder duidelijk. Mogelijk zijn deze boringen afgetopt. In dit deelgebied zijn de podzolbodems bemonsterd en onderzocht op archeologische indicatoren. De tijdens het karterend booronderzoek vastgestelde bodemopbouw sluit redelijk goed aan bij de verkennende boringen, waarbij reeds geconcludeerd is dat er sprake is van rivierduinen met podzolbodems.

Het AHN-beeld van het gebied (zie Afbeelding 4) laat zien dat het grootste gedeelte van deelgebied 4 in een hoger gelegen gedeelte ligt, welke als rivierduinen gevormd zijn. Rivierduin afzettingen worden gerekend tot de formatie van Boxtel, laagpakket van Delwijnen. 13 De relatief grove zandfractie die in het sediment te vinden is, is waarschijnlijk afkomstig van het relatief grove rivierzand wat opgestoven is uit de zeer nabij gelegen droge rivierbeddingen. De bodemvorming (met een volledig ontwikkelde podzolbodem) laat zien dat deze rivierduinen al zeer lange tijd stabiel aan het oppervlakte liggen. De tweede fase van bodemvorming is mogelijk in veel recenter stuifzand gevormd. Fases van stuifzandvorming zijn in heel Nederland bekend en te linken aan fases van ontbossing, zoals in de Romeinse Tijd, maar vooral uit de Middeleeuwen. Aan de westkant van het

13 De Mulder et al. 2003. https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator/laagpakket-van-delwijnen

EARTH Integrated Archaeology

19

plangebied is er sprake van fijner en siltiger sediment, wat meer overeenkomt met de boringen in eerdere deelgebieden. Het gaat hier waarschijnlijk daarom ook om terrasafzettingen, mogelijk met een dunlaagje stuifzand eroverheen. Op het AHN is eveneens te zien dat er een restgeul dicht tegen het deelgebied aan ligt, wat dit beeld bevestigt.

Afbeelding 4: AHN4 (DTM, 0,5 m) beeld van het plangebied. Bron: PDOK.

EARTH Integrated Archaeology

20

2.3 ARCHEOLOGISCHE INDICATOREN14 In de boringen zijn verschillende archeologische indicatoren aangetroffen (zie Bijlage 3: Overzicht Archeologische indicatoren ). Het materiaal bestaat voornamelijk uit (zeer) kleine fragmenten bouwkeramiek (in een groot deel van de boringen aangetroffen). De fragmenten zijn te klein om deze toe te wijzen aan een historische periode. Baksteen komt in Nederland voor vanaf de Romeinse periode, maar kent een (her)opleving in de Late Middeleeuwen en, met name, in de Nieuwe tijd. De tweede grootste categorie wordt opgemaakt door houtskoolfragmenten. Dit grote aantal kan verklaard worden de lange occupatie van het Maasterras (i.e. palimpsest). Houtskool kan onder natuurlijke omstandigheden ontstaan, door bijvoorbeeld een bosbrand, en is daarmee niet altijd een indicatie voor antropogene activiteit. Houtskool wordt in aantal gevolgd door lei- en natuursteen. Met name dit laatste kan verklaard worden door de nabijheid van de Maas, die veelal grindig materiaal afzet op de nabijgelegen terrassen. Leisteen kent net als baksteen een lang gebruik als onder andere dakbedekking in de Romeinse periode, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De 36 aangetroffen fragmenten glas bestonden waarschijnlijk voornamelijk uit vensterglas en zijn daarmee afkomstig van bouwwerken. Het is echter niet duidelijk of deze hier als opspit terecht zijn gekomen.

De 69 fragmenten metaalslak zijn een sterke indicatie voor menselijke activiteit. Metaalslakken zijn restproducten (afslagen) van metaalbewerking. Echter, deze kunnen net als het bouwmateriaal niet aan een specifieke periode worden toegewezen. Metaalbewerking vindt al plaats in Nederland vanaf de IJzertijd. Brons, dat opkomt in de voorgaande Bronstijd, werd eerder gegoten (en niet gesmeed), waarbij veelal geen metaalslakken vrijkomen. Hiernaast zijn 13 fragmenten niet-determineerbaar metaal aangetroffen. In het aangetroffen aardewerk (Afbeelding 5 en Afbeelding 6) kan wel een historische onderverdeling worden gemaakt. 49 fragmenten stammen uit de Middeleeuwen (voornamelijk Late-Middeleeuwen), 21 fragmenten uit de Nieuwe tijd, één fragment kon worden ondergebracht in de prehistorie en één in de Romeinse tijd (boring 36). Ook de 24 fragmenten tefriet (3 vondstlocaties) stammen waarschijnlijk uit de Romeinse periode, wanneer het vanuit Duitsland naar onze streken kwam als onder andere maalsteen. Het romeins aardewerk en twee locaties waar tefriet is aangetroffen bevinden zich op de akker ten zuiden van de Kruisweg. De vondsten zijn een aanwijzing voor een romeinse vindplaats in de directe nabijheid. Er zijn 19 fragmenten antropogeen vuursteen aangetroffen. Dit betreft de meeste directe indicaties voor de aanwezigheid van steentijdvindplaatsen in het plangebied.

De locatie van deze boringen is weergegeven in Afbeelding 7 en Afbeelding 8. Op basis van de aanwezigheid van antropogeen vuursteen is, in overleg met Bevoegd Gezag (de gemeente Venlo) en conform de opdrachtomschrijving besloten om een aanvullend waarderend booronderzoek uit te voeren waar antropogeen-bewerkt vuursteen is aangetroffen. 14 Analyse zeefresiduen vondstmateriaal uitgevoerd door I. Devriendt, K. Olaya, T. Bongers en T. Vanderhoeven.

EARTH Integrated Archaeology

21

Afbeelding 5: Overzicht boringen met aardewerk (prehistorisch, Romeins, middeleeuws en nieuwetijds) in het noordelijke plangebied (deelgebied 1 en 2). Boringen waarin aardewerk uit meerdere perioden is aangetroffen zijn met meerdere kleuren (conform legenda) weergegeven.

EARTH Integrated Archaeology

22

Afbeelding 6: Overzicht boringen met aardewerk (prehistorisch, Romeins, middeleeuws en nieuwetijds) in het noordelijke plangebied (deelgebied 3 en 4).

EARTH Integrated Archaeology

23

Afbeelding 7: Overzicht boringen met antropogene vuursteen in het noordelijke deel van het plangebied (deelgebied 1 en 2).

EARTH Integrated Archaeology

24

Afbeelding 8: Overzicht boringen met antropogene vuursteen in het noordelijke deel van het plangebied (deelgebied 3 en 4).

EARTH Integrated Archaeology

25

3 WAARDEREND BOORONDERZOEK 3.1 INLEIDING EN WERKWIJZE Het doel van het waarderende onderzoek is, net als de karterende fase, het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Meer specifiek is het doel van het waarderend booronderzoek het nader te begrenzen van de locaties waar bij het karterend booronderzoek is vastgesteld dat daar vindplaatsen uit de steentijd aanwezig zijn. Het boorgrid voor de waarderende fase is opgezet om te verdichten rond de boorpunten uit de karterende fase waar antropogeen vuursteen is aangetroffen. De waarderende boringen zijn in een zone van 10 meter rondom de karterende boringen met vuursteen uitgezet in een grid van 4 x 5 meter (zie Afbeelding 9 en Afbeelding 10). Enkele boringen moesten verplaatst worden vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen in de ondergrond of de plaatsing op wegverharding. Om dezelfde redenen vervallen er 4 boringen die niet te verplaatsen zijn. Het aantal boringen komt daarmee op 173.

EARTH Integrated Archaeology

26

Afbeelding 9: Boorpuntenkaart waarderend onderzoek plangebied noord (deelgebied 1 en 2).

EARTH Integrated Archaeology

27

Afbeelding 10: Boorpuntenkaart waarderend onderzoek plangebied zuid (deelgebied 4 en 4).

EARTH Integrated Archaeology

28

3.2 RESULTATEN15 Tijdens het waarderende onderzoek zijn bijkomende 10 fragmenten antropogeen-bewerkte vuursteen aangetroffen.16 Hierdoor komt het totaal op 29 (zie Tabel 1). De onderstaande paragraaf betreft de specialistische analyse van het antropogene vuursteen uit de karterende en waarderende fase. Het materiaal betreft zo goed als steeds debitagemateriaal zoals splinters, afslagen en microklingen of fragmenten ervan. Toch zijn niet alle fragmenten even duidelijk van antropogene oorsprong. Daarmee is er een zekerheidsgraad toegevoegd. Een hoge zekerheid houdt in dat vuursteenmateriaal zonder twijfel antropogeen bewerkt is. Een middelhoge waarschijnlijkheid betekent dat er geen absolute zekerheid is, maar dat er sterke aanwijzingen zijn voor antropogene bewerking. Een geringe zekerheid houdt in dat er voldoende bewijs is om te spreken van antropogene bewerking, maar dat hierover twijfel kan bestaan. Hoewel over de ouderdom van deze stukken geen uitspraak gedaan wordt (mesolithicum of neolithicum), is het wel duidelijk dat ze wijzen op de aanwezigheid van één of meerdere vuursteenclusters in de bodem. Een aantal vondsten is minder goed bewaard of zelfs bedekt met een (lichte) posterieure glanspatina.

Dit kan erop wijzen dat deze antropogene vuurstenen vondsten lang aan de oppervlakte hebben gelegen of niet meer in situ liggen, dan wel op een andere wijze verstoord kunnen zijn. Aangezien de aard van deze verstoringen op basis van boringen niet vastgesteld kan worden, hoeft dit niet altijd te bedoelen dat de gehele vuursteencluster verstoord zou zijn. Het microklingfragment in boring 247 heeft subparallelle boorden en twee ribben wat duidt op systematische debitage. Het stuk heeft bovendien een kleurpatina. Kleurpatina’s komen wel vaker voor op finaal-paleolithische artefacten maar ook andere tafonomische processen kunnen leiden tot de verkleuring van artefacten. Het werktuigfragment in boring 45 vertoont een lichte glans maar dit kan evengoed het gevolg zijn van gebruik. De conservering van de vuursteenfragmenten is over het algemeen goed. Ze hebben een vers uiterlijk wat doet vermoeden dat de vuurstenen vondsten nog in situ in de bodem bewaard zijn gebleven (bijvoorbeeld boring 2, 216, 217, 247, 1024, 1079, 1081, 1091, 1148, 1234). De hoeveelheid niet-antropogeen vuursteen (zie Bijlage 3: Overzicht Archeologische indicatoren en Bijlage 4: Overzicht Archeologische indicatoren ) toont echter aan dat er in de ondergrond ook van nature vuursteen aanwezig is in de vorm van kleine keitjes, grind en brokjes.

Dit materiaal is niet altijd eenduidig te onderscheiden van bijvoorbeeld (recente) steenslag, fragmenten van historisch bouwpuin of zelfs hoekige brokjes antropogeen vuursteen. Het is daarom van belang dat op alle positieve boorlocaties verder onderzoek wordt uitgevoerd in de vorm van kleine proefputten om de aard, omvang en eventuele verstoringsgraad van de aanwezige vuursteenclusters te kunnen bepalen. 15 In deze paragraaf ligt de focus vooral op vuursteen. Kaarten met verspreiding van overige indicatoren zijn terug te vinden

in Bijlage 4. 16 Vuurstenen artefacten zijn geanalyseerd door Izabel Devriendt (vuursteenspecialist BAAC Vlaanderen).

EARTH Integrated Archaeology

29

Vuursteen Vuursteen Vuursteen Beschrijving - antropogeen - mogelijk antropogeen - niet antropogeen

Fase

Boring

Bewaring

Zekerheidsgraad

Karterend

2

1

Karterend

42

1

afslagfragment (8x6x2 mm)

goed

Hoge zekerheid

afslag (21x27x6 mm)

gepatineerd

Hoge waarschijnlijkheid

Karterend

43

1

splinter

goed

Hoge waarschijnlijkheid

werktuigfragment (tipje van boor: 5x4x2 mm), mogelijk microklingfragment (8x3x3 mm)

redelijk goed en goed Hoge zekerheid

potlidfragment (patina dorsaal)

redelijk goed

Geringe zekerheid

splinter en mogelijke splinter (hoekig)

gepatineerd

Geringe zekerheid

Karterend

45

2

Karterend

51

1

Karterend

72

1

Karterend

79

1

splinter (hoekig)

redelijk goed

Geringe zekerheid

Karterend

82

1

splinter (hoekig)

redelijk goed

Hoge waarschijnlijkheid

Karterend

216

1

splinter

goed

Hoge zekerheid

Karterend

217

1

splinter

goed

Hoge zekerheid

Karterend

244

1

afslag (9x13x5 mm)

licht gepatineerd

Hoge waarschijnlijkheid

Karterend

247

1

microklingfragment (11x11x2 mm, kleurpatina)

goed

Hoge zekerheid

Karterend

260

5

2

7

splinters (hoekig)

goed

Hoge waarschijnlijkheid

Karterend

536

1

1

2

splinter (hoekig)

goed

Geringe zekerheid

Waarderend 1024

1

1

1

afslag (10x5x5 mm) en mogelijke potlid

goed

Hoge zekerheid

Waarderend 1079

1

splinter

goed

Hoge zekerheid

Waarderend 1081

1

1

microklingfragment (8x5x2 mm) en mogelijke splinter (hoekig)

goed

Hoge zekerheid

Waarderend 1091

1

1

afslagfragment (10x7x2 mm) en mogelijke splinter (hoekig)

goed

Hoge zekerheid

Waarderend 1138

2

brokstuk en splinter

licht gepatineerd

Geringe zekerheid

Waarderend 1139

1

potlidfragment (patina dorsaal)

goed

Hoge waarschijnlijkheid

Waarderend 1148

1

afslagfragment (6x11x4 mm)

goed

Hoge zekerheid

brokstuk

licht gepatineerd

Geringe zekerheid

afslag (12x9x2 mm) recent beschadigd?

goed

Hoge zekerheid

splinter (hoekig)

goed

Geringe zekerheid

Waarderend 1169

1

1

1

Waarderend 1234

1

Waarderend 1373

1

Tabel 1: Overzicht vuursteenvondsten karterende en waarderende fase.

EARTH Integrated Archaeology

1

1

30

Afbeelding 11: Overzicht antropogeen bewerkte vuursteen in plangebied noord (deelgebied 1 en 2)

EARTH Integrated Archaeology

31

Afbeelding 12: Overzicht antropogeen bewerkte vuursteen in plangebied zuid (deelgebied 3 en 4).

EARTH Integrated Archaeology

32

4 CONCLUSIES EN ADVIES 4.1 CONCLUSIES ONDERZOEK Op basis van de verkennende, karterende en waarderende boringen kan worden geconcludeerd dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit verschillende afzettingen van de Maas (laatglaciaal en/of interstadiaal terras). De meeste boringen laten een intacte bodemvorming zien, met bovenaan een matig humeuze bouwvoor en onderaan een B of BC-horizont op het moeder materiaal. De bodemopbouw past goed bij de ligging op een rivierterras dat niet langer actief overstroomd wordt. Het overige deel van de boringen ligt in de huidige overstromingsvlakte van de Maas, in oude restgeulen of in het stuifduin landschap. In dit grotendeels intacte terrassenlandschap zijn 14 vuursteen vondstlocaties vastgesteld (zie Tabel 2), waarmee de hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf het Mesolithicum wordt bevestigd. Daarbij dient te worden opgemerkt dat onderhavig onderzoek specifiek gericht was op het opsporen van vuursteenvindplaatsen. Het is vooralsnog niet mogelijk om deze vondstlocaties nader te dateren (mesolithicum/ neolithicum). Ook kon met dit onderzoek niet bepaald worden op het om alleen vondstlocaties gaat, of dat er daadwerkelijk sprake is van vindplaatsen. Karterend/waarderend booronderzoek is per definitie niet geschikt om het type vuursteen (artefact) vindplaats nader te bepalen.

Bij diverse vuursteen vondstlocaties is ook leisteen en/of bouwmateriaal aangetroffen. De relatie hiervan met aangetroffen vuursteen is echter twijfelachtig. In boring 36 is naast vuursteen (waarvan niet zeker is of het antropogeen is) ook romeins aardewerk aangetroffen. De vondstlocaties zijn gebaseerd op het voorkomen van één of meerdere fragmenten antropogeen bewerkte vuursteen (zie Afbeelding 13 en Afbeelding 14). De diepte van de vondstlocaties is relatief beperkt, veelal van 40 cm -mv t/m 100 cm -mv. Sommige vondstlocaties, bijvoorbeeld 3 of 5, kunnen al voorkomen vanaf 30 cm -mv (zie Tabel 2). De intactheid van de bodem wordt bevestigd door de conservering van de vuursteenfragmenten die algemeen een vers uiterlijk hebben, wat erop wijst dat deze vondsten zich waarschijnlijk in een primaire context bevinden. De meeste vondstlocaties konden begrensd worden aan de hand van het karterende of waarderende onderzoek. Echter, van vondstlocaties 2,4, 8, 12, en 14 was het niet mogelijk om de grens te bepalen aan de hand van het gehanteerde boorgrid.

EARTH Integrated Archaeology

33

Vondst locatie

Diepte (cm -mv)

X-centrum

Y-centrum

Oppervlakte (m2)

Buffer (m)

Antropogene vuursteen (aantal)

Begrenzing

1

45-85

210225,28

389361,74

78

5

1

Begrensd

2

65-85

209537,04

388837,81

78

5

1

Niet begrensd

3

30-70

209519,87

388781,10

78

5

1

Begrensd

4

50-70

209533,84

388778,81

184

5

4

Niet begrensd

5

30-70

209549,16

388761,50

78

5

2

Begrensd

6

35-75

209625,20

388754,31

78

5

1

Begrensd

7

40-80

209866,45

388728,06

78

5

2

Begrensd

8

40-80

209857,07

388644,46

246

5

4

Niet begrensd

9

50-90

209861,05

388632,02

78

5

1

Begrensd

10

35-75

210187,76

386940,59

78

5

1

Begrensd

11

35-75

210202,51

386939,51

78

5

1

Begrensd

12

35-90

210227,05

386692,68

226

5

5

Niet begrensd

13

40-80

210234,43

386676,30

78

5

1

Begrensd

14

40-100

210236,40

386556,80

103

5

6

Niet begrensd

Tabel 2: Overzicht vuursteen vondstlocaties.

Het archeologisch vooronderzoek in het plangebied heeft zich in deze fasen beperkt tot het opsporen, waar mogelijk, begrenzen van terreinen met archeologische waarden, de zogenaamde vondstlocaties en het waarderen van deze vondstlocaties. Het onderzoek volgt daarmee de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Gemeente Venlo hanteert geen afwijkende waarderingscriteria en bescherming van archeologische vindplaatsen is geborgd in het bestemmingsplan. De combinatie van archeologische indicatoren en de gaafheid van het bodemprofiel zijn maatgevend voor de behoudenswaardigheid van deze vondstlocaties. Deze methodiek is in lijn met de waarderingscriteria van de KNA, er is echter geen sprake van een volledig KNA conforme waardering. Het vaststellen van ook de informatiewaarde van deze vondstlocaties vormde evenwel geen onderdeel van dit onderzoek en is met de toegepaste methodiek (alleen boringen) ook niet mogelijk. Alle vondstlocaties zijn op grond van de waarderingscriteria van de KNA 4.1 en het archeologiebeleid van de gemeente Venlo, behoudenswaardig (Tabel 3).

EARTH Integrated Archaeology

34

Afbeelding 13: Vuursteen vondstlocaties plangebied noord (deelgebied 1 en 2).

EARTH Integrated Archaeology

35

Afbeelding 14: Vuursteen vondstlocaties plangebied zuid (deelgebied 3 en 4).

EARTH Integrated Archaeology

36

Waarderingscriteria Fysieke kwaliteit: Conservering

Fysieke kwaliteit: Gaafheid

Totaal score fysieke kwaliteit Inhoudelijke kwaliteit: Zeldzaamheidswaarde Inhoudelijke kwaliteit: Informatiewaarde

Score Onderbouwing Informatie omtrent de conservering is gebaseerd op aannames, de in het plangebied toegepaste onderzoeksmethode maakt een KNA conforme beoordeling van de conservering niet mogelijk. De aanwezigheid van primaire indicatoren als vuursteen wijst er op dat anorganische resten op de vondstlocaties bewaard zullen zijn gebleven. De vindplaatsen bevinden zich boven het grondwater. Overige informatie over conservering ontbreekt, waardoor er geen score kan worden gegeven op basis van de huidige gegevens. 3 Het bodemprofiel op de vondstlocaties is grotendeels intact en er zijn vrijwel overal B- en BC-horizonten aanwezig onder de humeuze bouwvoor. In de bufferzones rondom de vondstlocaties komen eveneens veelal intacte bodems voor. 3 -

Niet onderzocht, het type vindplaats is onbekend.

-

Het materiaal dateert uit de Steentijd, maar er kan geen onderscheid gemaakt worden tussen het Mesolithicum of het Neolithicum. Vergelijkbare sites zijn niet bekend in de directe omgeving. Er is niet onderzocht om welk type vindplaatsen het gaat en door de uitgevoerde manier van onderzoek kan er dan ook geen score aan de informatiewaarde worden toegekend. Landschappelijke context: de vondstlocaties bevinden zich in een grotendeels ongeschonden en intacte context (Maasterrasvlakte). Archeologische (synchrone) context: Steentijd vindplaatsen uniek in de regio van Arcen Door de manier van uitgevoerd onderzoek (geen gravende prospectie) kan hier geen score aan worden toegekend.

Inhoudelijke kwaliteit: Ensemblewaarde

3

Inhoudelijke kwaliteit: Representativiteit

-

Totaal score inhoudelijke kwaliteit

3

Tabel 3: Waarderingstabel vondstlocaties.

4.2 ADVIES Enkele vondstlocaties betreffen een clustering van boringen met vuursteen (locaties 4, 8, 12 en 14). De overige vondstlocaties betreffen geïsoleerde punten, waarvan alleen locaties 5 en 7 bestaan uit 2 stuks vuursteen en de overige locaties bestaan uit 1 stuk vuursteen (zie Tabel 2). Voor de vondstlocaties waar sprake is van een clustering van vuursteen, is de kans groter dat hier daadwerkelijk sprake is van een vindplaats. Gelet op de resultaten van het booronderzoek en de reikwijdte van de waardestelling, adviseert EARTH Integrated Archaeology om de aangetroffen vondstlocaties in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is, vanwege bodemverstorende activiteiten (vanaf maaiveld), dient vervolgonderzoek plaats te vinden. Daarbij adviseert EARTH om op basis van het soort vondstlocatie (clustering of geïsoleerde vondstlocatie) een selectie te maken van vondstlocaties waarvoor een vervolgonderzoek wordt geadviseerd. Daarbij is tevens rekening gehouden met de aard van de geplande ingrepen en is in overleg met opdrachtgever en bevoegd gezag een verticale bufferzone van 20 cm boven de diepteligging van aangetroffen vondsten gehanteerd en een horizontale bufferzone van 5 meter

EARTH Integrated Archaeology

37

rondom elke vondstlocatie gehanteerd. In Tabel 4 en Afbeeldingen 15 a-f zijn de adviezen per vondstlocatie weergegeven. Vondst locatie

Diepte (cm -mv)

Raakvlakanalyse

Advies artefact vondstlocaties

1

45-85

Vondstlocatie buiten ingrepen, bufferzone binnen kleiinkassing

Vervolgonderzoek in bufferzone bij ingrepen dieper dan 25 cm -MV

2

65-85

Vondstlocatie en bufferzone buiten klei-inkassing

Geen vervolgonderzoek

3

30-70

Vondstlocatie en bufferzone buiten klei-inkassing

Geen vervolgonderzoek

Vondstlocaties en bufferzones deels binnen klei-inkassing, deels onder opgebracht dijklichaam Vondstlocatie geheel en bufferzone grotendeels binnen klei-inkassing Vondstlocatie buiten ingrepen en bufferzone deels binnen klei-inkassing Vondstlocatie buiten ingrepen en bufferzone voor klein deel binnen klei-inkassing Vondstlocaties en bufferzone deels binnen klei-inkassing en deels onder opgebracht dijklichaam Vondstlocatie geheel en bufferzone deels binnen kleiinkassing Vondstlocatie en bufferzone grotendeels binnen kleiinkassing Vondstlocatie en bufferzone grotendeels binnen kleiinkassing Vondstlocaties en bufferzones grotendeels binnen kleiinkassing, deels onder opgebracht dijklichaam

Vervolgonderzoek gehele zone bij ingrepen dieper dan 30 cm -MV Vervolgonderzoek gehele zone bij ingrepen dieper dan 10 cm -MV

4

50-70

5

30-70

6

35-75

7

40-80

8

40-80

9

50-90

10

35-75

11

35-75

12

35-90

13

40-80

Vondstlocatie geheel en bufferzone deels binnen kleiinkassing, en deels buiten geplande ingrepen

14

40-100

Vondstlocaties buiten geplande ingrepen, buffer deels binnen ingrepen (damwand)

Geen vervolgonderzoek Geen vervolgonderzoek Vervolgonderzoek gehele zone bij ingrepen dieper dan 20 cm -MV Vervolgonderzoek gehele zone bij ingrepen dieper dan 30 cm -MV Vervolgonderzoek gehele zone bij ingrepen dieper dan 15 cm -MV Vervolgonderzoek gehele zone bij ingrepen dieper dan 15 cm -MV Vervolgonderzoek gehele zone bij ingrepen dieper dan 15 cm -MV Vervolg binnen geplande ingrepen bij ingrepen dieper dan 20 cm, daarbuiten geen vervolgonderzoek Geen vervolgonderzoek

Tabel 4: Overzicht vondstlocaties en advies.

Het is aangewezen om deze adviezen te passen in de toekomstige planvorming voor het plangebied, aangezien de instandhouding van archeologische waarden momenteel niet is vastgelegd in het geldende bestemmingsplan. Indien inpassing van de vondstlocaties niet slaagt, is de bovengenoemde waardestelling (Tabel 3) niet toereikend. In dat geval zal een reguliere KNA-conforme onderzoeksstrategie moeten leiden tot een volledige KNA-conforme waardestelling, conform bijlage 4 van de KNA 4.1 “Waarderen van vindplaatsen”.17 Op basis hiervan dient onderhavig selectieadvies te worden aangepast. Indien het behoud in situ van de archeologische waarden niet mogelijk blijkt, kan de gemeente de voorwaardelijke verplichting opleggen dat de archeologische waarden worden veiliggesteld door middel een archeologisch onderzoek. Gezien de geringe diepte van het archeologische niveau (vanaf 40 cm -mv) en gezien er reeds karterend en waarderend booronderzoek heeft plaatsgevonden, kan dit uitgevoerd worden in de vorm van proefsleuven met zeefvakken (IVO-P, KNA 4.1 protocol 4003), gericht op het gravend waarderen van artefactconcentraties/-vindplaatsen.

17 https://www.sikb.nl/doc/archeo/KNA40juni2016/KNA%20Lb%20bijlage%20IV%20Waarderen%20van%20vindplaatsen

%20versie%204.0.pdf

EARTH Integrated Archaeology

38

Afbeelding 15a: Advies vondstlocatie 1.

EARTH Integrated Archaeology

39

Afbeelding 15b: Advies vondstlocaties 2-6.

EARTH Integrated Archaeology

40

Afbeelding 15c: Advies vondstlocaties 7-9.

EARTH Integrated Archaeology

41

Afbeelding 15d: Advies vondstlocaties 10-11.

EARTH Integrated Archaeology

42

Afbeelding 15e: Advies vondstlocaties 12-13.

Het bovenstaande archeologisch selectieadvies heeft betrekking op de vuursteen vondstlocaties. In overige boringen zijn binnen onderhavig onderzoek eveneens archeologische waarden aangetroffen en hiervoor kunnen eveneens archeologische beperkingen gelden. In overleg met het bevoegd gezag heeft het advies van onderhavig onderzoek zich uitsluitend toegelegd op de vuursteen vindplaatsen. In aanvulling op bovenstaand selectieadvies doet EARTH de aanbeveling om bij het geval van inpassing van de archeologische waarden in planvorming voor het plangebied de aanplant van diep wortelende vegetatie te vermijden. Deze zaken kunnen mogelijk resulteren in degradatie van de archeologische waarden, hetgeen in strijd is met behoud in situ.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20174