CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

080 Bijl04 BP Toelichting_Bijlage 3 Aanvullend waterbodemonderzoek dijklichaam.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.5: Vaststellen bestemmingsplan Dijkversterking -verlegging Arcen (RV080)33.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

(Water)bodemonderzoek huidig dijklichaam en toekomstig tracé van het dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen MD200271.013.R01.V3.0 30 mei 2023

B

(Water)bodemonderzoek huidig dijklichaam en toekomstig tracé van het dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen Documentnummer MD200271.013.R01.V3.0 30 mei 2023

Opdrachtgever Waterschap Limburg Postbus 2207 6040 CC Roermond

+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen

Geonius.nl

Functie

Naam

Projectleider Milieu

Francis Huitink

Collegiale toets

Niels Geuijen

MD200271.013.R01.V3.0

Paraaf

2 van 68

Inhoud 1

Inleiding

5

2

Achtergrondinformatie

7

2.1 2.2

Algemeen Situering onderzoekslocatie

7 7

2.3 2.4

Resultaten eerder uitgevoerd bodemonderzoek Terreininspectie

7 8

2.5 2.5.1

Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie Asfalt

9 9

2.5.2 2.5.3

(Water)bodem PFAS

10 11

2.5.4

Asbest in bodem/puin

11

3

Veldwerk en analyses

3.1

Onderzoeksprogramma

13

3.2 3.3

Veldwerk verkennend (water)bodemonderzoek Veldwerk asbestonderzoek

14 15

3.4 3.5

Bodemprofiel Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters

15 17

4

Toetsingskader

18

4.1 4.2

Wet bodembescherming Toetsingskader waterbodem

18 18

4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

Handelingskader PFAS en INEV Besluit en Regeling bodemkwaliteit Asbest in bodem/puin Asfalt Veiligheidsmaatregelen CROW 400

18 20 21 21 21

5

Asfalt, fundatie en bodem

5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.3

Algemeen Veldwerk asfalt Dikte asfalt Analyseresultaten asfalt Interpretatie asfalt resultaten Fundatie onderzoek

22 22 22 23 26 27

5.3.1 5.3.2

Veldgegevens fundatie Resultaten fundatie

27 28

5.4 5.5

Resultaten bodem (wegberm en onder fundatie) Resultaten asbest

29 33

5.5.1

Interpretatie van de resultaten aanvullend en afperkend onderzoek

35

MD200271.013.R01.V3.0

3 van 68

13

22

6

Analyseresultaten (water)bodem

6.1 6.2

Algemeen Resultaten bestaande dijk

36 36

6.2.1 6.2.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3

Interpretatie van de resultaten bestaande dijk Vergelijking resultaten eerder onderzoek Resultaten nieuwe dijk Interpretatie van de resultaten nieuwe dijk Interpretatie van de resultaten zuidzijde Schanstorenplein Interpretatie van de resultaten vispassage

38 40 40 51 54 55

6.3.4 6.3.5 6.3.6 6.3.7 6.4 6.5

Interpretatie van de resultaten kistdam Interpretatie van de resultaten Keermuur en coupure Interpretatie van de resultaten Kruising Lommerbroeklossing Vergelijking resultaten eerder onderzoek Resultaten Bosperceel oostzijde N271 (extra ruimte beslag) Veiligheidsklasse

56 57 57 58 58 60

7

Conclusies en aanbevelingen

61

7.1 7.2

Conclusies Aanbevelingen

61 68

Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Situatietekening Bijlage 8 Toelichting berekening veiligheidsklassen (CROW 400)

MD200271.013.R01.V3.0

4 van 68

36

1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Waterschap Limburg een aanvullend milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het huidige en het toekomstige dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen. Aanleiding voor dit (water)bodemonderzoek vormt de geplande reconstructie van het bestaande dijklichaam en de aanleg van een nieuw dijklichaam rondom Arcen. Op dit moment zijn de dijken niet hoog en sterk genoeg om Arcen ook in de toekomst goed te beschermen tegen hoogwater. De dijken zullen dus aanzienlijk verhoogd moeten worden om Arcen ook de komende jaren veilig te houden. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem vereist. Onderliggende rapportage betreft een aanvullend (water)bodemonderzoek op de rapportage Verkennend (water)bodemonderzoek (Geonius, MA200271.013R02,V5.0, d.d. 9 september 2022). De resultaten van dit onderzoek zijn met name bedoeld om de milieuhygiënische (water)bodemkwaliteit voor de op te stellen grondbalans te verkrijgen.

Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017), de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). En onderhavig waterbodemonderzoek is uitgevoerd gebaseerd op de werkwijze NEN 5720 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie, november 2009 en wijzigingsblad NEN 5720/A1, juli 2014). Het asfaltonderzoek is conform de CROW210 uitgevoerd. Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V. en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V.

en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NENEN-ISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek. Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het voorgaand onderzoek (hoofdstuk 2), de gehanteerde onderzoeksopzet (hoofdstuk 2) en de uitgevoerde veldwerkzaamheden (hoofdstuk 3) besproken. Het toetsingskader is in hoofdstuk 4 weergegeven en vervolgens de resultaten van het analytisch onderzoek

MD200271.013.R01.V3.0

5 van 68

beschreven. In hoofdstuk 5 zijn de resultaten van het asfalt- en fundatieonderzoek weergegeven. Opgemerkt wordt dat de relevante resultaten uit eerder uitgevoerd onderzoek zijn toegevoegd aan dit hoofdstuk. En in hoofdstuk 6 zijn de resultaten van het (water)bodem en asbestonderzoek per onderscheiden deellocatie weergegeven. Tevens worden in dit hoofdstuk de resultaten vergeleken met eerder uitgevoerd (water)bodemonderzoek. Tot slot worden de conclusies en eventueel aanbevelingen per deellocatie geformuleerd in hoofdstuk 7. Ook voor dit hoofdstuk geldt dat de relevante conclusies uit eerder uitgevoerd onderzoek zijn toegevoegd aan onderhavige conclusies.

MD200271.013.R01.V3.0

6 van 68

2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen

Voorafgaand aan dit aanvullende (water)bodemonderzoek is een vooronderzoek gebaseerd op de NEN 5725 en de NEN 5717 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, december 2017) uitgevoerd. Dit vooronderzoek is gerapporteerd in “Vooronderzoek ter plaatse van het huidige dijklichaam en het toekomstige tracé van het dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen, project MA200271.013.R01.V1.0, d.d. 16 december 2021, Geonius Milieu B.V.”. Onderhavig (water)bodemonderzoek is uitgevoerd gebaseerd op de werkwijze NEN 5720 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie, november 2009 en wijzigingsblad NEN 5720/A1, juli 2014) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). De resultaten van eerder uitgevoerd onderzoek zijn weergegeven de rapportage ‘Vooronderzoek ter plaatse van het huidige dijklichaam en het toekomstige tracé van het dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen’, Geonius, kenmerk MA200271.013.R01.V1.0, d.d. 16 december 2022 en in het verkennend (water)bodemonderzoek in de rapportage Verkennend (water)bodemonderzoek (Geonius, MA200271.013R02,V5.0, d.d. 9 september 2022).

Relevante onderzoeksresultaten (fundatie en bodem in wegberm en onder de fundatie) zijn in hoofdstuk 5 overgenomen en de verhardingsonderzoeksresultaten zullen t.z.t. hieraan worden toegevoegd. Verder wordt opgemerkt dat de conclusies van relevante deellocaties eveneens zullen worden overgenomen en daar waar nodig worden aangevuld. Voor de details van het eerder uitgevoerd onderzoek wordt verwezen naar deze rapportage

2.2 Situering onderzoekslocatie Het onderzoek heeft betrekking op het huidige dijklichaam en een nieuw dijklichaam rondom Arcen. Het huidige dijklichaam ligt op de scheidslijn tussen de land- en waterbodem. Opgemerkt wordt dat in deze fase de uitwerking van het ontwerp, de ligging en de geplande (graaf)werkzaamheden zijn afgestemd op elkaar. In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 7 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie

Bestaande dijklichaam, ca. 18 ha Geplande nieuwe dijklichaam, ca.29 ha

Maaiveldhoogte

Variërend van circa 12,0 tot 16,0 m + NAP en 16,9 m + NAP (bestaande dijk)

2.3 Resultaten eerder uitgevoerd bodemonderzoek Uit de resultaten van het verkennend (water)bodemonderzoek in de rapportage Verkennend (water)bodemonderzoek (Geonius, MA200271.013R02,V5.0, d.d. 9 september 2022) blijkt dat ter plaatse van een aantal deellocatie een aanvullend/afperkend onderzoek benodigd is. Het aanvullend onderzoek betreft de afperking van enkele PAK-verontreinigingen uit eerder uitgevoerd (water)bodemonderzoek (Geonius, 2022) en aanvullen van enkele deellocaties met boringen/proefgaten danwel analyses om te voldoen aan de betreffende NEN. Een overzicht van deze deellocaties, bijbehorende strategie en toelichting is in onderstaande Tabel weergegeven.

MD200271.013.R01.V3.0

7 van 68

Tabel 2.2: overzicht deellocaties en strategie ten behoeve van het aanvullend onderzoek (Deel)locatie en strategie Oppervlakte (m2) Toelichting 4AS Onverhard pad (ONV-NL) (5897-HV) 5A Boerenweg (5897-AF)

475

Ruimtebeslag is groter geworden. Bodem- en asbest onderzoek uitvoeren. Aanvulling: Tijdens eerder uitgevoerd onderzoek is er 1 asbestanalyse te weinig uitgevoerd. Afperking: Ter plaatse van boring 08A .20 en 22 is in de bovengrond (0,0 tot 0,5 m-mv) een sterke verontreiniging met PAK aangetoond. Deze verontreiniging wordt middels plaatsing 2*3 boringen afgeperkt. Dit zal worden aangevuld. Aanvulling: Tijdens eerder uitgevoerd onderzoek zijn er te weinig asbestanalyses en geen onderzoek naar de aanwezigheid van OCB uitgevoerd. Dit zal worden aangevuld. Aanvulling: Uit eerder uitgevoerd onderzoek bleek dat de bovenen ondergrond van de wegberm onvoldoende was onderzocht. Bodemonderzoek in de wegberm uitvoeren. Afperking: Ter plaatse van boring 27A.5 en 27A.6 is in de bovengrond (0,0 tot 0,5 m-mv) een matige verontreiniging met PAK aangetoond. Dit mengmonster is niet uitgesplitst en derhalve zijn nieuwe boringen opnieuw geplaatst om na te gaan of er sprake is van een verontreiniging en in welke mate. Deze verontreiniging wordt middels plaatsing 2*3 boringen afgeperkt.

600

8A. Maasstraat 5897-AF 008A20 en 22 PAK afperking (maatwerk)

<50

20E. Kassencomplex (VED-HE-NL) (Asbest VED-HE)

16.185

24A. Broekhuizerweg (VED-HE-NL)

635

27A. Schans 27A5 en A6 (berm Schans) PAK afperking (maatwerk)

<50

2.4 Terreininspectie Een terreininspectie betreft een indicatieve inspectie van de locatie gericht op het huidige gebruik en kenmerken die kunnen duiden op bodemverontreiniging en het vaststellen van de mogelijke aanwezigheid van asbest. Tijdens het locatiebezoek zullen het maaiveld en de daarop aanwezige bouwwerken en objecten indicatief geïnspecteerd worden voorafgaand aan het uit te voeren verkennend bodemonderzoek. Opgemerkt wordt dat er terreininspectie is uitgevoerd op 27 juli 2021 door de heer J. Zoer van Geonius Milieu BV, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden. Deze inspectie is vanaf de openbare weg uitgevoerd en hierbij zijn geen particuliere terreinen betreden. In de periode van 9 januari tot 2 februari 2023 is door de heer H.J. van Ooijen (en aanvullend in maart 2023 door de heer B. Houben en in april 2023 door de heer S. Ortmans) tijdens het uitvoeren van het veldwerk ook een terreininspectie uitgevoerd. • Het plangebied is in gebruik als dijk(weg) met buitendijks de uiterwaarde en binnendijks de dorpskern van Arcen. Buitendijks is agrarisch in gebruik en binnendijks betreft het met name de achtertuinen van bebouwde en of bewoonde percelen rondom de dorpskern van Arcen en of agrarisch in gebruik zijnde percelen in het buitengebied. Verder zijn er diverse groenstroken, rijweg, parkeerplaatsen en fiets- en • • •

wandelpaden. In het algemeen geldt dat het een verzorgd gebied betreft, waarin de onbewoonde percelen niet zijn voorzien van zwerfafval o.i.d. en de bewoonde percelen er veelal netjes en verzorgd uitzien. De bebouwing is met name binnendijks gerealiseerd. Er is slechts beperkt sprake van (voormalig) industriële activiteiten (Kruisweg 44, bierbrouwerij Hertog Jan).

MD200271.013.R01.V3.0

8 van 68

•

Tijdens de terreininspectie is de gehele onderzoekslocatie visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie niet waargenomen. Ten behoeve van het asfaltonderzoek is een schouw uitgevoerd. Ter plaatse van de onderzoekslocaties is geen sprake van reparatievakken of iets dergelijks, waardoor het aantal onderzoeksvakken vanuit de

•

onderzoeksopzet kan blijven gehandhaafd. Van de boorpunten en proefgaten zijn foto’s genomen. Deze foto’s zijn in bijlage 2 weergegeven.

2.5 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie Het onderzoeksgebied is verdacht voor niet gesprongen explosieven. T&A Survey BV heeft hiervoor de begeleiding in het veld verzorgd en heeft alle boorpunten vrijgegeven. Onderstaand wordt per onderdeel de hypothese en strategie weergegeven.

2.5.1 Asfalt Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK-gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (CROW210, Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). Op basis van historisch vooronderzoek en een visuele inspectie van het te frezen/op te breken weggedeelte worden eventueel te onderscheiden vakken aangegeven. Uitgangspunt is dat het asfalt voor 1994 is aangelegd, omdat geen gegevens bekend zijn geworden ten aanzien van de aanbrengdatum van het asfalt op de verschillende deellocaties. Op de kernen wordt een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK-detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Vervolgens dienen PAK in asfalt analyses te worden ingezet om de samenstellingswaarden te bepalen. Conform de norm mogen maximaal 3 verschillende soorten lagen worden gemengd. Het mengmonster bestaat uit maximaal 20 cm dikte en maximaal 3 kernen per mengmonster. Opgemerkt wordt dat de boorintensiteit kan wijzigen als gevolg van de locatie-inspectie en nieuwe indeling in homogene wegvakken. De onderzoekslocatie is verdeeld in de volgende deellocaties.

Tabel 2.3: overzicht van de werkzaamheden ten behoeve van het asfaltonderzoek Deellocatie Wegvak Oppervlakte (m2) 5A 8A 13B 15A 19A 24A 26A 27A 31A 38A

Boerenweg Maasstraat Kruisweg Broekhuizerweg Parkeerterrein Maasstraat to huisnummer 144 Broekhuizerweg Parkeerterrein Spar Fietspad Schans links Fietspad Schans rechts N271 Ventweg N271 Hotel Rooland rotonde noordzijde N271 Hotel Rooland rotonde zuidzijde

MD200271.013.R01.V3.0

600 1300 500 350 75 635 125 784 648 2450 848 1084 1412

9 van 68

Ton (dikte 15 cm/ 2,5 ton/m3) 225 488 188 131 30 238 50 294 243 920 318 406 530

2.5.2 (Water)bodem Op basis van het vooronderzoek en de terreininspectie blijkt dat de onderzoekslocatie in gebruik is als dijk, groenstroken, weilanden, rijweg, parkeerplaats en fiets- en wandelpad. Het gehele onderzoeksgebied valt in het overstromingsgebied van de Maas. Gezien het feit dat de onderzoekslocatie in het overstromingsgebied van de Maas valt is de bodem hier verdacht op bodemverontreiniging. Opgemerkt wordt dat er gekozen is voor maatwerk-onderzoek. Om een duidelijk beeld van de (water)bodemkwaliteit te verkrijgen voor het opstellen van een grondbalans is deze strategie keuze in overleg met de opdrachtgever bepaald. De onderzoekslocatie is verdeeld in de volgende deellocaties: • Bestaande dijk (BS). • •

Tracé van de nieuw aan te leggen dijk (ND). Locaties ten behoeve van een aanleg van een beek nabij het Schanstorenplein (ST), de aanleg van een vispassage (VP), de aanleg van een kistdam bij de molen aan de Schans 20 (KDW) en nabij de watergang Lommerbroeklossing (ZL).

•

Een bosperceel aan de oostzijde van de provinciale weg de N271 ter hoogte van de Kasteeltuinen van Arcen (37L).

•

Aanvullend bodemonderzoek naar aanleiding de resultaten van eerder uitgevoerd onderzoek (Geonius, 2022).

Onderstaand een toelichting per deellocatie. De aanvulling op eerder uitgevoerd onderzoek komt voort uit deels gewijzigd ontwerp en de nu bekende ontgravingsdiepte. Bestaande dijk Ter plaatse van de bestaande dijk is in de eerste fase een indicatief onderzoek uitgevoerd. In onderhavig onderzoek wordt de gehele bestaande dijk onderzocht. Er wordt gebruik gemaakt van een aangepaste, intensievere onderzoeksstrategie. Uitgangspunt is dat er om de 50 m in de kruin van de dijk of op 2/3 in het talud aan de rechter- of linkerzijde van de bestaande dijk een boring wordt geplaatst. De boringen worden allemaal tot 3,0 m-mv geplaatst. De aantallen analyses zijn gebaseerd op de NEN5720-OZ, waarbij er maximaal drie monsters per mengmonster worden samengevoegd en elke bodemlaag van 0,5 m dik wordt onderzocht. Nieuw aan te leggen dijk Ter plaatse van de nieuw aan te leggen dijk is in de eerste fase een indicatief onderzoek uitgevoerd tot 0,5 mmv. Tijdens de aanleg van deze nieuwe dijk zullen er tot 1,05 m-mv graafwerkzaamheden plaatsvinden. In onderhavig onderzoek wordt het tracé van de nieuwe dijk onderzocht. Er wordt gebruik gemaakt van een aangepaste onderzoeksstrategie welke in overleg met de opdrachtgever is bepaald. Uitgangspunt is dat er wisselend om de 50 m aan de linker- en rechterzijde van de nieuwe dijk ter hoogte van de toekomstige teen een boring tot 1,3 m-mv wordt geplaatst.

Dit betekent dat er tot 0,25 m-geplande graafdiepte wordt geboord. De aantallen analyses zijn gebaseerd op de NEN5720-OZ, waarbij er maximaal drie monsters per mengmonster worden samengevoegd en elke bodemlaag van 0,5 m dik wordt onderzocht. Opgemerkt wordt dat op dit tracé een aantal deellocaties is onderscheiden vanwege een verschillende graafdiepte. Het betreft de volgende deellocaties: • •

Keerwand Arcen Midden (diepte boringen tot 3,0 m-mv) (onderdeel van ND) Terrein aan de zuidzijde Schanstorenplein (zuidzijde nabij oude beek, diepte boringen tot 5,0 m-mv)

•

(ST) Kistdam Lingforterbeek (diepte boringen tot 2,0 m-mv) (KD)

MD200271.013.R01.V3.0

10 van 68

•

Keermuur (diepte boringen tot 1,0 m-mv) en de Coupure (diepte boringen tot 1,0 m-mv).aan de zuidzijde tracé nabij kruising Schans/N271 (Z)

Verder is de aangehouden diepte op onderstaande plaatsen, vanwege het ontwerp niet voldoende diep onderzocht danwel betreft het nieuwe deellocaties, toegevoegd als gevolg van het ontwerp. Het betreft de volgende deellocaties: • Kruisweg 43/45, achterzijde terrein van de bierproeverij (diepte tot 1,0 m-mv) (BP) • Vispassage (tekening Arcen Zuid 2, diepte boringen tot 2,0 m-mv) (VP) • Watergang nabij de molen-tot Kistdam Lingforterbeek (0,5 m-vaste waterbodem) (KDW) • Kruising Lommerbroeklossing (tekening Arcen Zuid 1, diepte boringen tot 2,0 m-mv) (ZL) •

Extra ruimtebeslag aan de oostzijde van Provinciale weg (diepte boringen tot 0,5 m-mv) (37L)

De aantallen analyses zijn gebaseerd op de NEN5720-OZ, waarbij er maximaal drie monsters per mengmonster worden samengevoegd en elke bodemlaag van 0,5 m dik wordt onderzocht, met uitzondering van het extra ruimtebeslag aan de oostzijde van Provinciale weg hiervoor is de strategie ONV-GR-NL uit de NEN5740 van toepassing, omdat dit geen deel uitmaakt van het overstromingsgebied. Aanvullend bodemonderzoek Het aanvullend onderzoek betreft de afperking van enkele PAK-verontreinigingen uit eerder uitgevoerd (water)bodemonderzoek (Geonius, 2022) en aanvullen van enkele deellocaties met boringen/proefgaten danwel analyses om te voldoen aan de betreffende NEN, zoals in paragraaf 2.3 toegelicht. Een overzicht van deze deellocaties is in onderstaande Tabel weergegeven. Tabel 2.4: overzicht van de werkzaamheden ten behoeve van het aanvullend onderzoek (Deel)locatie en strategie Oppervlakte (m2) Opmerking 4AS Onverhard pad (ONV-NL) (5897-HV) 5A Boerenweg (5897-AF) 8A. Maasstraat 5897-AF 008A20 en 22 PAK afperking (maatwerk) 20E. Kassencomplex (VED-HE-NL) (Asbest VED-HE) 24A. Broekhuizerweg 27A. Schans 27A5 en A6 (berm Schans) PAK afperking (maatwerk)

475

Ruimtebeslag groter

600

Aanvulling

<50

Afperking PAK-verontreiniging

16.185

Aanvulling

635 <50

Aanvulling Afperking PAK verontreiniging

2.5.3 PFAS Voor hergebruik is het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de stofgroep PFAS (poly- en perfluor alkylverbindingen). Aangezien de vrijkomende grond/slib wordt afgevoerd en elders zal worden hergebruikt, wordt voor dit onderzoek het standaard stoffenpakket uitgebreid met de stofgroep PFAS. Omdat de locatie onverdacht is ten aanzien van GenX wordt de (water)bodem/slib niet op deze parameter onderzocht. Aansluitende op de onderzoeksopzet voor de deelgebieden is ook voor PFAS voor maatwerk gekozen.

2.5.4

Asbest in bodem/puin

Het verkennend onderzoek naar asbest in bodem/puin wordt uitgevoerd volgens de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017) danwel de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017).

MD200271.013.R01.V3.0

11 van 68

(Half)verharde terreindelen Op basis van de beschikbare informatie blijkt dat voor de (half)verharde terreindelen met betrekking tot asbest in bodem/puin de hypothese “verdacht” van toepassing is, vanwege de mogelijke aanwezigheid van asbesthoudend plaatmateriaal in het aanwezige fundatiemateriaal. Het asbestonderzoek van het fundatiemateriaal vindt plaats volgens de strategie voor “afgedekte funderingslagen voor kleinschalige locaties” (5897-AF) uit de NEN 5897. In aanvulling op de NEN 5897 worden alle gaten ter plaatse van het wegdek uitgevoerd. Onverharde delen (asbest in bodem) Bij asbest onverdachte locaties is het niet noodzakelijk om een asbest in bodemonderzoek uit te voeren. Om een verkennend onderzoek naar asbest in bodem achterwege te kunnen laten, moet, in aanvulling op het locatiebezoek tijdens het vooronderzoek, in dat geval echter ook een visuele inspectie van het maaiveld conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018, alsmede een visuele beoordeling van uit tijdens het verkennend bodemonderzoek uitgekomen grond worden uitgevoerd, waarbij geen asbestverdachte materialen (plaatjes, buis etc.) of bodemvreemde bijmengingen die worden geassocieerd met een mogelijke verontreiniging met asbest (puin, resten baksteen en beton etc.) worden waargenomen.

In dat geval wordt voor de locatie de hypothese “onverdacht” gesteld en is onderzoek conform NEN 5707 niet noodzakelijk.

Tijdens de veldwerkzaamheden wordt het maaiveld en de opgeboorde grond beoordeeld op de eventuele aanwezigheid van asbest, ter onderbouwing van de hypothese niet verdacht voor asbest. De hiervoor genoemde hypotheses worden met behulp van dit bodemonderzoek getoetst. De uitwerking van de onderzoeksinspanning is weergegeven in Tabel 3.1. In de navolgende hoofdstukken worden de uitgevoerde werkzaamheden en de onderzoeksresultaten besproken.

MD200271.013.R01.V3.0

12 van 68

3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat. De nummering loopt van de noordzijde nabij de N271 naar de zuidzijde. De boringen zijn per deellocatie voorzien van de letters, die in de eerste kolom vernoemd staan (voorbeeld BS= bestaande dijk). In Tabel 3.2 is een overzicht van het asfaltonderzoek weergegeven. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma (water)bodem- en asbestonderzoek Nr. (Deel)locatie en strategie Oppervlakte (m2)/ Veldwerk Lengte (m1) BS Bestaande dijk Ca 2.000 40 * 3,0 m-mv (maatwerk) ND Nieuwe dijk Ca 4.000 80 * 1,3 m-mv (maatwerk) BP Kruisweg 43/45 Ca. 100 2*1,0 m-mv (maatwerk) KM tracé Keerwand (combi met ND) 745 m 17* 3,0m-mv (maatwerk) ST Zuidzijde Schanstorenplein nabij 793 m2 8*5 m-mv oude beek (maatwerk) VP Vispassage 2,0 m-mv < 1ha 6*2,0 m-mv (NEN5720-OZ) KD Kistdam Lingforterbeek < 100 6*2,0 m-mv (maatwerk) KDW Watergang molen-tot kistdam 300m 10* 0,5-vaste bodem (NEN5720-LN) Z Keermuur +Coupure 600 m 14* 1,0 m-mv (maatwerk) ZL Kruising Lommerbroeklossing 98 m 2* 2,0 m-mv (maatwerk) 37L Extra ruimtebeslag Prov. Weg 15.673 m2 24*0,5 m-mv (ONV-NL-GR) Nr

(Deel)locatie en strategie

Oppervlakte (m2)

Veldwerk

4AS

Onverhard pad (ONV-NL) (5897-HV) Boerenweg (5897-AF) Maasstraat (5897-AF) 008A20 en 22 PAK afperking Kassencomplex (VED-HE-NL) (VED-HE) Broekhuizerweg (VED-HE-NL) 27A5 en A6 (berm Schans) PAK afperking (maatwerk)

475

4*1,0m-mv 1*proefgat (0,3*0,3*0,5) 2*proefgat (0,3*0,3*0,5) 2*proefgat (0,3*0,3*0,5) 4*1,0m-mv 8*proefgat (buiten) 6* 0,5 m-mv

5A 8A

20E

24A 27A

600 < 50

16.185

635

7*1,0m-mv

< 50

4*1,0m-mv

Analyses 80*C2-standaardpakket 40*PFAS 80*C2-standaardpakket 10*PFAS Bovengrond: 1*standaardpakket 34*C2-standaardpakket 27*C2-standaardpakket 8*C2 pakket 8*C2-standaardpakket 2*C2-standaardpakket 10*C2-standaardpakket 4*C2-standaardpakket Bovengrond: 2*standaardpakket 2*PFAS Analyses Grond Bovengrond/ondergrond: 2*standaardpakket 1*asbest in grond 2*asbest in puin 2*asbest in puin 8*PAK 4*asbest in grond 2*standaard pakket +OCB Bovengrond/ondergrond: 3*standaard pakket 8*PAK

Opmerking Ruimtebeslag groter Aanvulling Afperking

Aanvulling Aanvulling Afperking

C2 Standaardpakket (Waterbodem en baggerspecie uit zoet Rijksoppervlaktewater, voor toepassing buiten Rijsoppervlaktewater) Algemeen: organisch stof- en lutumgehalte Metalen: arseen, barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink Organische stoffen: PAK (10 VROM), pentachloorbenzeen, hexachloorbenzeen, pentachloorfenol, PCB (som 7), chloordaan, DDT, DDE, DDD, som-DDT/DDD/DDE, aldrin, dieldrin, endrin, isodrin, telodrin, som-drins, a-endosulfan, endosulfansulfaat, a-HCH, b-HCH, g-HCH, d-HCH, som-HCH’s 7, heptachloor, som-heptachloorepoxide, hexachloorbutadieen, OCB (som) en minerale olie Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB, som-PAK(10) en minerale olie PFAS PFAS (30 poly- en perfluor alkyl-verbindingen) PAK Naftaleen, fenantreen, anthraceen, fluoranteen, benzo(a)anthraceen, chryseen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen

MD200271.013.R01.V3.0

13 van 68

OCB chloordaan, DDT, DDE, DDD, som-DDT/DDD/DDE, aldrin, dieldrin, endrin, isodrin, telodrin, som-drins, a-endosulfan, endosulfansulfaat, a-HCH, b-HCH, g-HCH, d-HCH, som-HCH’s 7, heptachloor, som-heptachloorepoxide, hexachloorbutadieen, OCB (som)

Opgemerkt wordt dat daar waar sprake is van “aanvulling” in de opmerkingen kolom alleen het extra veldwerk en analyses is opgenomen om tezamen met het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek te voldoen aan de aantallen uit de norm voor de aangegeven onderzoeksstrategie. Vanwege de ontbrekende betredingstoestemming zijn de boringen ND14 tot en met ND18 nog niet uitgevoerd. De chemische analyses van de grond(meng)monsters en waterbodemmonsters, zijn conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 en AS3000-erkend. De analyses op de stofgroep asbest, PFAS en asfalt zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. In onderstaande Tabel staan de uit voeren werkzaamheden ten behoeve van het asfaltonderzoek vermeld. Tabel 3.2: overzicht van de werkzaamheden ten behoeve van het asfaltonderzoek Deellocatie Wegvak Oppervlakte Ton (dikte Veldwerk (m2) 15 cm/ 2,5 (kernen) ton/m3)

5A 8A 13B 15A 19A 24A 26A 27A 31A 38A

Totaal: #) *) **) ***)

Boerenweg Maasstraat Kruisweg Broekhuizerweg Parkeerterrein Maasstraat t.o. 144 Broekhuizerweg Parkeerterrein Spar**) Fietspad Schans links Fietspad Schans rechts N271***) Ventweg N271 Hotel Rooland rotonde noordzijde N271 Hotel Rooland rotonde zuidzijde

PAK-marker test (RAW 77.2) + laagdiktebepaling (RAW 77.1)

Analyse PAK in asfalt (GCMS)

600 1300 500 350 75

225 488 188 131 30

3 4 2 +2 #) 2 + 1 *) 1

3 4 2 +2 2+1 1

2 2 1 +1 1 1

635 125 784 648 2450 848 1084

238 50 294 243 920 318 406

3 2 3 3 6 3 4

3 2 3 3 6 3 4

2 1 2 2 2 2 2

1412

530

4

4

2

43 43 23 Aan de oostzijde loopt tracé door tot de bierproeverij Kruisweg43/45 Tracé aangepast, zuidzijde extra kern Ter plaatse van Sparterrein, alleen werkzaamheden t.h.v keerwand. Resterend deel van het asfalt wordt buiten beschouwing gelaten Kernen in N271 en ventweg ter plaatse van geplande verhoging N271

In totaal worden er 43 asfaltkernen geanalyseerd op de PAK marker en 23 op PAK in asfalt. De PAK-marker en PAK in asfalt (GCMS) analyses zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam.

3.2 Veldwerk verkennend (water)bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode van 9 januari tot 4 april 2023 conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018), protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018) en protocol 2003 (Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerkers die de werkzaamheden hebben uitgevoerd, de heer H.J. van Ooijen, de heer J.H.M.S. van Aart, de heer D.F.A. van Hoek, de heer B.A.T. van Gerven en de heer B. Houben zijn in dit kader geregistreerd

MD200271.013.R01.V3.0

14 van 68

bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer S. Ortmans, de heer R. Florentius, de heer J. Vriezen en of de heer G. Timmer. Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 7. Tijdens de werkzaamheden zijn voor wat betreft de parameter PFAS maatregelen getroffen om contaminatie zoveel als mogelijk te voorkomen, zoals staat omschreven in het “Kennisdocument voor Bemonstering en analyse van PFAS-verbindingen in grond- en grondwater”. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden.

3.3 Veldwerk asbestonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode van in de periode van 9 januari tot 4 april 2023,voor zover van toepassing, conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerkers die de werkzaamheden hebben uitgevoerd, de heer H.J. van Ooijen, de heer J.H.M.S. van Aart, de heer D.F.A. van Hoek, de heer B.A.T. van Gerven en de heer B. Houben zijn in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer S. Ortmans, de heer R. Florentius, de heer J. Vriezen en of de heer G. Timmer. Voor asbestonderzoek geldt dat bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal protocol 2018 niet van toepassing is en het asbestonderzoek niet onder het BRL SIKB 2000 certificaat kan worden uitgevoerd. Voor onderhavig onderzoek is dat ook het geval. Voor de fundatielagen van niet vormgegeven bouwstoffen geldt dat dit het geval is. Tijdens het veldwerk waren de omstandigheden als volgt: • Droog (neerslag <10 mm); • Helder (zicht >50 m); • Bedekking maaiveld: >95%; • Toplaag: zand, vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie of volledig verhard. De inspectie-efficiëntie van de maaiveldinspectie wordt geschat op circa 0%.

Vermeld wordt dat de maaiveldinspectie niet conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018) heeft kunnen plaatsvinden. Bij een inspectieefficiëntie lager dan 50% is de waarde van een maaiveldinspectie namelijk onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de toplaag. De maaiveldinspectie kan derhalve ook niet dienen om de onderzoekstrategie (eventueel) bij te stellen.

3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal zowel lithologisch als zintuiglijk onderzocht. Bij het lithologische onderzoek worden de grondsoorten geclassificeerd. Bij het zintuiglijk onderzoek worden bodemvreemde elementen en waarneembare afwijkingen ten aanzien van kleur en geur van het bodemmateriaal beschreven. Voor de boorprofielen wordt verwezen naar de boorstaten die als bijlage 3 zijn toegevoegd. Een overzicht van de zintuiglijke waarnemingen is weergegeven in bijlage 3.

MD200271.013.R01.V3.0

15 van 68

De landbodem wordt als volgt beschreven. Van maaiveld tot 1,0 m-mv (maximale boordiepte) wordt zeer fijn tot matig fijn zand aangetroffen. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen. De bodem van de bestaande dijk wordt als volgt beschreven. De toplaag bestaat uit matig siltige klei en heeft op de kruin en op het talud een dikte van circa 1,0 m. De onderliggende laag tot 3,0 m-mv bestaat veelal uit zwak humeus zeer fijn zand. Plaatselijk wordt in de ondergrond ook klei aangetroffen. De bodem van de nieuwe dijk wordt als volgt beschreven. De bodem tot 3,0 m-mv bestaat veelal uit zwak humeus zeer fijn zand. De bodem ter plaatse van de toekomstige dijk bestaat veelal van maaiveld tot 3,0 m-mv (maximale boordiepte) uit zeer fijn zand. Plaatselijk wordt in de ondergrond ook klei aangetroffen. In de watergang nabij de molen en de kistdam varieert de waterkolom van circa 10 tot 80 cm. Er is sterk slibhoudend zand aangetroffen. De vaste bodem bestaat uit zand. Opgemerkt wordt dat de boringen in de vaste bodem niet dieper doorgezet konden worden, vanwege harde onderlaag. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen, met uitzondering van boring ND022 (terrein van Engelen), waar op een diepte van 0,5 tot 1,7 m-mv een matige tot sterke oliewaterreactie en oliegeur is waargenomen.

In de onderliggende laag is geen oliewaterreactie of oliegeur waargenomen.

MD200271.013.R01.V3.0

16 van 68

3.5 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Naar aanleiding van het zintuiglijk onderzoek zijn gebaseerd op de opgestelde strategie uit de NEN5740 en NEN 5720 de (water)bodem(meng)monsters uit de opgeboorde grond samengesteld, zoals in tabel 3.1 verwoord. Gerelateerd aan de zintuiglijke waarnemingen dan wel analyseresultaten zijn de volgende wijzigingen en/of bijzonderheden te melden: • Op basis van een matige tot sterke oliewaterreactie en oliegeur ter plaatse van boring ND022 (terrein van Engelen) op een diepte van 0,5 tot 1,7 m-mv is een extra monster onderzocht van deze laag en van de zintuiglijke schone onderliggende laag. De onderzochte monsters zijn genomen in een steekbus. De (water)bodem is onderzocht op het C2-pakket uit de NEN 5720 en of de stofgroep PFAS, met uitzondering van een aantal grond(meng)monsters ten behoeve van het aanvullend en afperkende onderzoek. De (meng)monsters van de landbodem zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740 en de stofgroep PFAS. In aanvulling op de NEN 5707 is, tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden, tevens de uitkomende grond visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen, danwel verdachte bijmengingen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest.

Deze zijn op onderhavige locatie (anders dan in het fundatiemateriaal) niet waargenomen waardoor een verkennend onderzoek naar asbest in land- en droge waterbodem achterwege kan blijven. Vanwege aanpassing van het ruimtebeslag en of aanvullend onderzoek zijn er ter plaatse van de deellocaties 4A (onverhard pad tussen de akkers), 5A (Boerenweg), 8A (Maasstraat) en 20E (Kassencomplex aan de Maasstraat 113) proefgaten gemaakt (minimaal 30*30 centimeter) uitgevoerd tot maximaal 0,5 m in de verdachte laag. Op basis van de visuele waarnemingen en het eerder uitgevoerd onderzoek zijn proefgaten gemaakt en de monsters voor de analyse samengesteld. In Tabel 5.5 en Tabel 6.1, 6.2 en 6.3 (hoofdstuk 5 en 6) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven. Plaatselijk zijn in bodemlagen van gelijke textuur zintuiglijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen aan sporen baksteen of puin. Bij het samenstellen van de mengmonsters zijn in enkele gevallen mengmonsters samengesteld van zintuiglijk schone bodemmonsters met sporadisch met bijgemengde en geroerde bodemmonsters.

Gezien het hier “homogene” bodemlagen betreft alsmede de mate van bijmengingen (gradatie sporen) betreft het hier geen afwijking op de NEN 5740 en wordt ons inziens een representatief kwaliteitsbeeld verkregen. Dit wordt gestaafd op basis van de analyseresultaten van de monsters die zijn verkregen.

MD200271.013.R01.V3.0

17 van 68

4 Toetsingskader 4.1 Wet bodembescherming

De analyseresultaten zijn getoetst aan de interventiewaarden (I) voor grond uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire bodemsanering en Besluit bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen. In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: • Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde).

• Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”- en interventiewaarde. • Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.

4.2 Toetsingskader waterbodem De analyseresultaten zijn getoetst aan het referentiekader uit het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit (tabel 1 en 2 bijlage B). Op basis hiervan is vastgesteld of de baggerspecie in aanmerking komt voor hergebruik dan wel toepassen of verspreiden in oppervlaktewater. Daarnaast wordt hiermee getoetst aan de interventiewaarde bodem onder oppervlaktewater. Op de waterbodemmonsters zijn de volgende toetsingen uitgevoerd: • Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem (T1). • Beoordeling kwaliteit van bagger en ontvangende bodem bij toepassing in een oppervlaktewaterlichaam (T3). • Beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden op een aangrenzend perceel (landbodem) (T5). • Beoordeling kwaliteit van baggerspecie bij GBT op landbodem (emissietoetswaarde) (T9). • Beoordeling kwaliteit van baggerspecie bij GBT in oppervlaktewaterlichamen (emissietoetswaarde) (T11).

4.3 Handelingskader PFAS en INEV De analyseresultaten van de stofgroep PFAS zijn getoetst aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem danwel in oppervlaktewater) uit het handelingskader (HK). De volledige toetsingen van de analyseresultaten zijn opgenomen in bijlage 4. Op 13 december 2021 is het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie geactualiseerd en is nu het

MD200271.013.R01.V3.0

18 van 68

Handelingskader PFAS. De normen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Voor de details wordt verwezen naar het Handellingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (versie december 2020).

Voor de buitendijkse gebieden geldt dat bij het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van grootschalig toepassen, in ophogingen als bedoeld in artikel 35, onder d, Bbk, wordt onderscheid gemaakt tussen toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam (categorie 4.8.1 in de tabel) en toepassen in een ander oppervlaktewaterlichaam (categorie 4.8.2 in de tabel). Categorie 4.8.2 in de tabel bevat daarnaast toepassingswaarden voor verspreiden van baggerspecie in situaties waarin dit - anders dan bij categorie 4.7 – niet gaat om stroomafwaarts gelegen oppervlaktewateren met een natuurlijke verspreiding van sediment, dat wil zeggen verspreiden van baggerspecie in andere niet-sedimentdelende oppervlaktewaterlichamen.

MD200271.013.R01.V3.0

19 van 68

Als de baggerspecie binnen hetzelfde oppervlaktewaterlichaam (zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts) wordt toegepast waaruit het is vrijgekomen (categorie 4.8.1 in de tabel), kan er over het geheel genomen geen verslechtering optreden, omdat de baggerspecie alleen wordt verplaatst. Dergelijke toepassingen zijn daarom verantwoord. Wel dient bij uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen gedaan te worden om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een niet-representatieve verontreiniging, dat wil zeggen een voor de watergang afwijkende waarde die het gevolg kan zijn van de aanwezigheid van een puntbron. Het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, is ongewenst omdat daarmee mogelijk een puntbronvervuiling verder wordt verspreid. Voor het in een ander niet-sedimentdelend oppervlaktewaterlichaam verspreiden van baggerspecie of het in een ander oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie (categorie 4.8.2 in de tabel), wordt onderscheid gemaakt naar rijkswateren en regionale wateren. Hierbij geldt voor grond dezelfde toepassingswaarde als voor baggerspecie.

De kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie moet daarbij tenminste voldoen aan de toepassingswaarde zoals genoemd in de tabel onder 4.8.2 om ervoor te zorgen dat de kwaliteit in deze gebieden niet achteruit gaat. Bij het toetsen van de stofgroep PFAS aan de toepassingsnormen uit het Handelingskader (HK) hoeft bij een organisch stofpercentage tot 10% geen bodemtypecorrectie toegepast te worden. Als het organisch stofpercentage tussen 10% en 30% is gelegen, wordt wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat voor onderhavige (water)bodemmonsters geldt dat het organische stof percentage kleiner dan 10% is. Daarnaast zijn de analyseresultaten van de stofgroep PFAS getoetst aan de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV’s) opgesteld door het RIVM (RIVM, 15 december 2022).

4.4 Besluit en Regeling bodemkwaliteit In het geval van bodem c.q. grond zijn de analyseresultaten (indicatief) getoetst aan de maximale waarden behorende bij de diverse functieklassen zoals vermeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Voor niet-vormgegeven bouwstoffen (repac e.d.) is het toetsingskader van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In het geval van een niet-vormgegeven bouwstof zijn de analyseresultaten tevens (indicatief) getoetst aan de maximale samenstellingswaarden voor organische parameters zoals vermeld in bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit.

MD200271.013.R01.V3.0

20 van 68

4.5 Asbest in bodem/puin De resultaten van het asbestonderzoek zijn getoetst aan de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering 2013 (versie 1 juli 2013), dan wel aan de maximale samenstellingswaarden voor niet vormgegeven bouwstoffen uit het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. In zowel de Circulaire, als het Beluit en Regeling, wordt als interventiewaarde een gehalte van 100 mg/kg d.s. gehanteerd. Het gehalte asbest wordt berekend uit het gewogen serpentijnasbestgehalte vermeerderd met 10 maal het amfiboolgehalte. Indien het (maximale) asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest

4.6 Asfalt Indien het asfalt een PAK-10 gehalte bevat van minder dan 75 mg/kg d.s. wordt dit geclassificeerd als nietteerhoudend en dan kan dit warm in asfaltmengsels worden herverwerkt. Indien het asfalt een PAK-10 gehalte heeft van meer dan 75 mg/kg d.s. wordt dit geclassificeerd als teerhoudend en mag het asfalt niet worden hergebruikt.

4.7 Veiligheidsmaatregelen CROW 400 Bij eventuele graafwerkzaamheden dient rekening gehouden worden met de veiligheidsvoorschriften en Arbowetgeving voor grondwerk en bodemsanering. Indien een veiligheidsklasse van toepassing is dient de aannemer vóór aanvang van het werk een (beknopt) V&G-plan uitvoeringsfase op te stellen, welke onderdeel uit kan maken van het veiligheidsplan voor het gehele civiele werk. Het bepalen van de veiligheidsklassen heeft plaatsgevonden conform de CROW Publicatie 400 (werken in of met verontreinigde grond), de 2e gewijzigde druk: december 2017. Bij het bepalen van de veiligheidsklasse zijn de hoogst verkregen waarden van de geanalyseerde parameters gehanteerd. Ten aanzien van de berekeningen wordt vermeld dat het een indicatie geeft van de betreffende gezondheidsrisico's. Bij werkzaamheden waarbij mogelijke blootstelling aan toxische stoffen mogelijk is wordt geadviseerd contact op te nemen met een deskundige zoals omschreven in module 5 “eisen aan de deskundigheid” van CROW-publicatie 400, 2e gewijzigde druk, december 2017. De aannemer is verantwoordelijk voor de veiligheidsmaatregelen die hij bij de werkzaamheden voor zijn personeel doorvoert.

MD200271.013.R01.V3.0

21 van 68

5 Asfalt, fundatie en bodem 5.1 Algemeen

In onderstaande paragrafen wordt de kwaliteit van het asfalt, de fundatie en de milieuhygiënische kwaliteit van de wegbermen en de bodem onder de fundatie weergegeven. Opgemerkt wordt dat gebruik is gemaakt van resultaten (PAK markertesten en beschrijving laagopbouw) uit eerder uitgevoerd bodemonderzoek (Geonius, 2022). De teerhoudendheid van het asfalt zal nog worden bepaald. De resultaten ten aanzien van de fundatie en haar herbruikbaarheid en de bodemkwaliteit van de bodem (wegbermen en bodem onder de fundatie) zijn eveneens overgenomen uit eerder onderzoek en aangevuld met nieuwe resultaten. Dit is aangegeven door de toevoeging van de datum (januari 2023).

5.2 Veldwerk asfalt De asfaltkernen zijn voorzien van een barcode en verstuurd naar het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam. Het gat in het asfalt is gedicht met koud asfalt. De ligging van de kernen is conform CROW publicatie 210 met een nauwkeurigheid van 20 centimeter vastgelegd. De locaties van de asfaltboringen zijn aangegeven op de situatietekening die als bijlage 7 is toegevoegd. Uit de veldinspectie is gebleken dat ter plaatse geen afwijkingen zijn geconstateerd die zouden leiden tot meer onderzoeksvakken. Er zijn geen reparatievakken of overgangsnaden aanwezig.

5.2.1 Dikte asfalt De dikte van het asfalt ter plaatse van de verschillende deellocaties is aangegeven in onderstaande tabel. Met het bijbehorende oppervlakte en de gemiddelde dikte is de hoeveelheid vrijkomend asfalt bij benadering in m3 en in tonnen berekend. Tabel 5.1: Overzicht dikte asfalt en berekende hoeveelheid vrijkomend asfalt (m 3 en ton) Deellocatie Weg Gemiddelde dikte Oppervlak asfalt (m) (m2) 5A 8A 13B 15A 19A 24A 26A 27A 31A 31LK 38A 38AZ *) **) ***)

Vrijkomende hoeveelheid asfalt (m3)

Vrijkomende hoeveelheid asfalt (ton)

Boerenweg 0,07 600 42 105 Maasstraat 0,11 1300 143 357,5 Kruisweg 0,10 500 50 250 Broekhuizerweg 0,08 350 28 70 Parkeerterrein Maasstraat t.o. 0,16 75 12 30 huisnummer 144 Broekhuizerweg 0,10 635 63,5 Parkeerterrein Spar *) 0,10 125 12,5 Fietspad Schans links 0,05 200***) 10 25 Fietspad Schans rechts 0,19 648 123 308 N271**) 0,26 2450 637 1592,5 Ventweg 0,27 848 229 572 N271 Hotel Rooland rotonde 0,20 1084 217 542 noordzijde N271 Hotel Rooland rotonde 0,22 1412 311 777 zuidzijde Ter plaatse van Sparterrein, t.h.v keerwand. Resterend deel van het asfalt wordt buiten beschouwing gelaten Kernen in N271 en ventweg ter plaatse van geplande verhoging N271 Ter plaatse van fietspad links was alleen bij boring 27AF.1 sprake van asfalt, de ande re twee kernen betroffen beton, waardoor van oorspronkelijke oppervlakte 25% is aangehouden voor deze deellocatie.

MD200271.013.R01.V3.0

22 van 68

Opgemerkt wordt dat de deellocaties 13a (Steeningseweg), deellocatie 17A en 22A (Wellerweg) op basis van de terreininspectie niet geasfalteerd bleken te zijn en deze locaties zijn eerder al komen te vervallen.

5.2.2 Analyseresultaten asfalt Op basis van de PAK-markertesten is bepaald van welke delen van de asfaltkern(en) analytische bepaling van de teerhoudendheid zinvol is. Gezien de opbouw en uitslagen van de PAK-marker testen zijn vervolgens, rekening houdend met het tonnage en de aanwezige asfaltvakken, PAK-analyses uitgevoerd (voor een toelichting zie Tabel 5.1). De resultaten van de PAK-marker en/of analyses PAK in asfalt zijn opgenomen in Tabel 5.2. Tabel 5.1: PAK-markertest en PAK-analyses Analysepakket en -parameter Omschrijving PAK-markertest

Als bij een PAK-markertest een verkleuring ontstaat (++) is het asfalt teerhoudend. Indien geen verkleuring ontstaat (--) betekent dit niet automatisch dat het asfalt niet-teerhoudend is. Dit omdat de PAK marker pas verkleurt boven een PAK-gehalte van circa 250 mg/kg, terwijl de bovengrens voor niet-teerhoudend asfalt 75 mg/kg bedraagt. Daarom kunnen op basis van interpretatie van de PAKmarker geen uitspraken worden gedaan over de teerhoudendheid in het gebied tussen 75 mg/kg en circa 250 mg/kg. Uitsluitsel vindt plaats op basis van PAK-analyses. PAK-analyses worden verricht overeenkomstig NEN 7331 (Soxhlet extractie met PE, analyse volgens GCMS, danwel DLC)

PAK-analyses

De certificaten van de laagdiktebepaling en de PAK-markertest zijn bijgevoegd als bijlage 4. De certificaten van de PAK in asfaltbepaling zijn eveneens bijgevoegd als bijlage 4. Tabel 5.2: resultaten PAK-markertesten en PAK-analyses Kern Laagdikte-opbouw en PAK-marker Laagdikte Opbouw PAK(mm) marker 5. Boerenweg 5A.1

5A.2

5A.3

8. Maasstraat 8.A.1 8.A.2

8.A.3

8.A.4

13b. Kruisweg 13B.1

PAK-analyse Mengmonster nummer (traject in mm)

PAKgehalte2) (mg/kg d.s.)

Toetsing Conclusie3)

Indicatief advies Bbk4)

OB GAB 0/16 OB GAB0/16 OB GAB0/16 DAB 0/11 OB OB GAB 0/16 OB GAB 0/16 OB GAB0/16

0-5 5-24 24-32 32-51 51-56 56-86 0-34 34-43 43-52 52-66 0-7 7-26 26-36 36-56

+ + + + + -

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

DAB 00/8 DAB 0/11 DAB 0/16 OB DAB 00/8 penetratielaag DAB 0/11 OB DAB 00/8 penetratielaag DAB 0/11 OB DAB 00/8 penetratielaag

0-45 45-98 0-45 45-52 52-69 69-100 0-29 29-35 35-55 55-93 0-46 46-54 54-73 73-143

+ + + + + +

8.A1

< 10

Herbruikbaar

-

+

Niet teerhoudend Teerhoudend

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

DAB 00/8 DAB 0/11

0-31 314-81

-

13B1

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

MD200271.013.R01.V3.0

23 van 68

Niet herbruikbaar*)

Kern

13B.2

013B.3

013B.4

Laagdikte-opbouw en PAK-marker Laagdikte Opbouw PAK(mm) marker GAB 0/32 DAB 00/8 DAB 0/11 GAB 0/32 DAB 00/8 GAB 00/16 penetratielaag DAB 00/8 penetratielaag

15. Broekhuizerweg 15A.1

81-150 0-45 45-80 80-146 0-26 26-44 44-64 0-24 24-56

OB 0-4 GAB 0/16 4-57 OB 57-66 GAB 0/16 66-101 15A.2 OB 0-3 GAB 0/16 3-33 OB 33-40 GAB 0/16 40-73 15A.3 OB 0-6 GAB 0/16 6-36 OB 36-45 GAB 0/16 45-74 19. Parkeerterrein Maasstraat to huisnummer 144 19A.1 DAB 0/11 0-34 DAB 00/8 34-46 GAB 0/32 46-100 GAB 0/32 100-162 24. Broekhuizerweg 24.A1 OB 0-6 GAB 0/16 6-44 OB 44-54 GAB 0/16 54-87 24A.2 OB 0-10 GAB 0/16 10-56 OB 56-66 GAB 0/16 66-88 24A.3 DAB 00/8 0-11 GAB 0/16 11-77 GAB 0/16 77-112 26 Parkeerterrein Spar 26A.1 DAB 00/8 0-30 GAB 0/32 30-99 26A.3 DAB 00/8 0-33 GAB 0/32 33-102 27a De Schans fietspad westzijde 27A.AF.1 DAB 00/8 0-27 GAB 0/16 27-52 27a De Schans fietspad oostzijde 27A.AF.2 SMA 0/5 0-42 GAB 0/16 42-91 DAB 00/8 91-125 GAB 0/16 125-177 GAB 0/16 177-238 GAB 0/16 238-283 27A.AF.4 SMA 0/5 0-47 GAB 0/16 47-109 27A.AF6 SMA 0/5 0-37 GAB 0/16 37-75 GAB 0/16 75-135 De Schans 27AN.1 DAB 00/8 0-31 GAB 0/16 31-83 GAB 0/16 83-140 GAB 0/16 140-192 GAB 0/16 192-231 27AN.2 DAB 00/8 0-34

MD200271.013.R01.V3.0

+ + + + + + -

PAK-analyse Mengmonster nummer (traject in mm)

PAKgehalte2) (mg/kg d.s.)

13B1

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar

35

Niet teerhoudend

19A(75-162)

Toetsing Conclusie3)

Indicatief advies Bbk4)

Herbruikbaar

+ + +

-

+

Teerhoudend

Niet herbruikbaar*)

24A.1 (0-50)

730

Teerhoudend

Niet Herbruikbaar

24A.2(0-60)

860

Teerhoudend

Niet Herbruikbaar

-

26A1

-

27AF.1

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

-

27af.2

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

27af.3(0-90)

< 10

Herbruikbaar

27af.3 (0-90)

< 10

Niet teerhoudend Niet teerhoudend

-

27AN.1 (0-200)

50

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

27AN.2

< 10

Niet

Herbruikbaar

+ < 10

-

24 van 68

Niet teerhoudend Niet teerhoudend

Herbruikbaar Herbruikbaar

Herbruikbaar

Kern

27AN.3 27AN.4 31LK N271 31LK.1

31LK.2

31LK.4

31LK.6

31LK.8

31LK.10

31LK Ventweg N271 31LK.3

31LK.5

31LK.7

31LK.9

Laagdikte-opbouw en PAK-marker Laagdikte Opbouw PAK(mm) marker

PAK-analyse Mengmonster nummer (traject in mm)

PAKgehalte2) (mg/kg d.s.)

27AN.2

< 10

27AN.2

< 10

Toetsing Conclusie3)

GAB 0/16 DAB 00/8 GAB 0/16 DAB 00/8 GAB 0/16

34-117 0-32 32-118 0-40 40-117

-

SMA 0/11 DAB 00/8 GAB 0/32 GAB 0/32 GAB 0/16 DAB 00/8 DAB 0/16 Penetratielaag SMA 0/8 DAB 0/16 GAB 0/16 GAB 0/16 DAB 0/11 Penetratielaag SMA 0/8 DAB 0/11 GAB 0/16 GAB 0/16 DAB 00/8 SMA 0/8 DAB 0/11 GAB 0/16 GAB 0/16 DAB 0/11 Penetratielaag SMA 00/8 DAB 00/8 GAB 0/32 GAB 0/16 GAB 0/32 DAB 00/8 SMA 0/8 DAB 00/8 GAB 0/16 GAB 0/16 DAB 00/8 Penetratielaag

0-63 63-101 101-165 165-213 213-289 289-309 309-343 343-354 0-46 46-73 73-129 129-198 198-236 236-259 0-37 37-87 87-130 130-185 185-226 0-45 45-89 89-147 147-225 225-266 266-282 0-41 41-99 99-158 158-190 190-219 219-254 0-38 38-84 84-135 135-195 195-241 241-260

-

Asf 1 PAK (van 0 tot 158 mm)

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

Asf 5 pak

17

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

Asf 2 pak (van 0 tot 180 mm)

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

Asf 3 pak (van 0 tot 200 mm)

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

Asf 1 PAK (van 0 tot 158 mm)

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

Asf 3 pak (van 0 tot 195 mm)

< 10

Niet teerhoudend

Herbruikbaar

DAB 00/8 DAB0/16 GAB0/16 GAB0/16 GAB0/16 DAB 00/8 DAB0/16 GAB0/16 GAB0/16 GAB0/32 DAB 00/8 DAB0/16 GAB0/16 GAB0/16 GAB0/16 DAB 00/8 DAB0/11 GAB0/16 GAB0/32 GAB0/16

0-41 41-84 84-101 101-164 164-247 0-34 34-75 5-118 118-190 190-265 0-36 36-100 100-123 123-191 191-256 0-37 37-105 105-123 123-181 181-250

-

1 (van 0 tot 150mm)

<10

Niet Teerhoudend

Herbruikbaar

2 (van 0 tot 150mm)

<10

Niet Teerhoudend

Herbruikbaar

3 (van 0 tot 150mm)

<10

Niet Teerhoudend

Herbruikbaar

Niet Teerhoudend

Herbruikbaar

MD200271.013.R01.V3.0

-

4 (van 150 tot 250)

25 van 68

<10

teerhoudend Niet teerhoudend Niet teerhoudend

Indicatief advies Bbk4)

Herbruikbaar Herbruikbaar

Kern

Laagdikte-opbouw en PAK-marker Laagdikte Opbouw PAK(mm) marker

PAK-analyse Mengmonster nummer (traject in mm)

PAKgehalte2) (mg/kg d.s.)

Toetsing Conclusie3)

Indicatief advies Bbk4)

38A N271 Hotel Rooland rotonde noordzijde 38A.1 SMA 0/5 0-17 Asf 1 pak < 10 Niet Herbruikbaar GAB 0/16 17-77 (van 0 tot 200 mm) teerhoudend GAB 0/16 77-142 GAB 0/16 142-203 38A.3 SMA 0/5 0-31 Asf 1 pak < 10 Niet Herbruikbaar GAB 0/16 31-91 (van 0 tot 200 mm) teerhoudend GAB 0/16 91-147 GAB 0/16 147-203 38A.5 SMA 0/5 0-16 Asf 1 pak < 10 Niet Herbruikbaar GAB 0/32 16-79 (van 0 tot 200 mm) teerhoudend GAB 0/16 79-140 GAB 0/16 140-205 38A.8 SMA 0/5 0-19 Asf 2 pak < 10 Niet Herbruikbaar GAB 0/16 19-97 (van 19 tot 210 teerhoudend GAB 0/16 97-154 mm) GAB 0/16 154-210 38A Hotel Rooland rotonde zuidzijde 38AZ.1 SMA 0/5 0-27 Niet Herbruikbaar GAB 0/16 27-78 teerhoudend GAB 0/16 78-130 GAB 0/16 130-212 38AZ.4 SMA 0/5 0-25 Asf 1 PAK < 10 Niet Herbruikbaar GAB 0/16 25-80 (van 0 tot 200 mm) teerhoudend GAB 0/16 80-140 GAB 0/16 140-236 38AZ.6 SMA 0/5 0-25 Niet Herbruikbaar GAB 0/16 25-103 teerhoudend GAB 0/16 103-164 GAB 0/16 164-233 38AZ.8 SMA 0/5 0-26 Asf 2 PAK < 10 Niet Herbruikbaar GAB 0/16 26-85 (van 0 tot 200 mm) teerhoudend GAB 0/16 85-151 GAB 0/16 151-200 Verklaring 1) PAK-marker: ++ PAK-gehalte is hoger dan 250 mg/kg ds -> asfalt is teerhoudend PAK-marker: -PAK-gehalte is lager dan 250 mg/kg ds -> asfalt is mogelijk teervrij, uitsluitsel via PAK-analyse 2) PAK-gehalte Som 10-VROM volgens de NEN 7331 (GCMS- danwel DLC-analyse) 3) Conclusie De analytische bepaling geeft de doorslag

bij het bepalen van de teerhoudendheid indien de indicatieve bepaling en de analytische bepaling tegenstrijdig zijn. 4) Indicatief advies Indien het asfalt een PAK(10)-gehalte bevat van minder dan 75 mg/kg ds wordt dit Bbk geclassificeerd als niet-teerhoudend en dan kan dit warm in asfaltmengsels worden herverwerkt. Indien het asfalt een PAK(10)-gehalte heeft van meer dan 75 mg/kg ds wordt dit geclassificeerd als teerhoudend en mag het asfalt niet worden hergebruikt. * Niet herbruikbaar, aangezien het niet rendabel wordt geacht deze laag te frezen.

Ter plaatse van het fietspad westzijde van de Schans was deels sprake van beton in plaats van een asfaltverharding (27AF.3 en 27AF.5).

5.2.3 Interpretatie asfalt resultaten Uit de PAK-marker testen van de kernen ter plaatse van de verschillende deellocaties blijkt dat het asfalt ter plaatse van de Boerenweg (deellocatie 5A), de Maasstraat (deellocatie 8), de Broekhuizerweg (deellocatie 15A en 24A) en het parkeerterrein Maasstraat to huisnummer 144 (deellocatie 19A) teerhoudend zijn. Het betreft vooral de oppervlakbehandeling laag (OB) en de penetratielaag die teerhoudend is. De overige geanalyseerde kernen zijn op basis van de PAK-markertest dan wel de analyse PAK in asfalt vooralsnog niet teerhoudend.

MD200271.013.R01.V3.0

26 van 68

5.3 Fundatie onderzoek Funderingsmateriaal kan uit een niet-vormgegeven bouwstof of grond bestaan. In Tabel 5.3 is per boring aangegeven waaruit het funderingsmateriaal bestaat, in het kader van de Wet bodembescherming (50% bodemvreemd materiaal).

5.3.1 Veldgegevens fundatie In onderstaande Tabel 5.3 is een overzicht op boringniveau gegeven van de aangetroffen fundatiematerialen onder de (half)verhardingen. Tabel 5.3: funderingsmateriaal per deellocatie en boring Boring Traject (mTextuur mv) 5A. Boerenweg 005A.1 005A.2 005A.3 005A.4 005A.5 005A.6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20169