CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

080 Bijl03 BP toelichting_Bijlage 2 Verkennend (water)bodemonderzoek.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.5: Vaststellen bestemmingsplan Dijkversterking -verlegging Arcen (RV080)23.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verkennend (water)bodemonderzoek ter plaatse van het huidige dijklichaam en het toekomstige tracé van het dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen Documentnummer MA200271.013.R02.V5.0

9 september 2022

Verkennend (water)bodemonderzoek ter plaatse van het huidige dijklichaam en het toekomstige tracé van het dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen Rapportnummer MA200271.013.R02.V5.0 9 september 2022

Opdrachtgever Waterschap Limburg Postbus 2207 6040 CC Roermond

+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen

Geonius.nl Functie

Naam

Projectleider Milieu

Francis Huitink

Collegiale toets

Niels Geuijen

MA200271.013.R02.V5.0

Paraaf

2 van 59

Samenvatting In opdracht van het Waterschap Limburg heeft Geonius Milieu b.v. een bodemonderzoek uitgevoerd. De aanleiding van dit bodemonderzoek is de geplande aanpassing van de bestaande dijk en het aanleggen van een nieuwe dijk rondom Arcen. Op dit moment zijn de dijken niet hoog en sterk genoeg om Arcen ook in de toekomst goed te beschermen tegen hoogwater. De dijken zullen dus aanzienlijk verhoogd moeten worden om Arcen ook de komende jaren veilig te houden. Om de werkzaamheden te kunnen uitvoeren heeft het Waterschap vooraf informatie nodig om de dijken te kunnen aanpassen. Een van de onderzoeken is het uitvoeren van een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek wordt uitgevoerd om te bepalen wat de kwaliteit van de bodem is. Dit is van belang om te weten op welke bodem er een dijk wordt aangelegd, welke kwaliteit de bodem heeft die niet meer nodig is, maar belangrijker nog in welke kwaliteit bodem zal worden gegraven voor de veiligheid van de mensen, die daar straks moeten werken. De aanleg en aanpassing van de dijk betekent ook dat de huidige wegen moeten worden aangepast of worden verlegd. Ook dan is het nodig om te kijken welk soort asfalt bijvoorbeeld in het verleden is gebruikt.

Heel in het kort is het de vraag of het asfalt of de bodem verontreinigd is of is er asbest aanwezig? De kwaliteit wordt bepaald door verschillende monsters van het asfalt en de bodem te nemen en deze in het laboratorium te laten analyseren. In dit rapport is de kwaliteit van de bodem beschreven. Het onderzoek naar de kwaliteit is onderverdeeld in verschillende delen. De grond tussen de rivier en de dijk noemen wij waterbodem en grond aan de andere kant van de dijk noemen wij het landbodem. Verder zijn er wegen, van asfalt of ander materiaal, met een laag eronder, het zogenaamde fundatiemateriaal. Van alle onderdelen is bepaald wat de kwaliteit is en of er asbest in zou kunnen voorkomen. In hoofdstuk 1 van dit rapport staat uitgelegd wat de reden van het onderzoek is. In hoofdstuk 2 is de manier van uitvoering van het onderzoek uitgelegd. De uitvoering van het onderzoek en de manier waarop de resultaten worden getoetst aan de wet- en regelgeving staan in hoofdstuk 3 en 4. In hoofdstuk 5 is de kwaliteit van het asfalt en de laag eronder (de zogenaamde fundatie) weergegeven. Uit de resultaten volgt dat het asfalt over het algemeen van een goede kwaliteit is. Dit geldt ook voor de laag eronder. In hoofdstuk 6 is kwaliteit van de grond van de landbouwpercelen aan beide kanten van de dijk beschreven.

De huidige landbouwpercelen zijn niet tot licht verontreinigd, ook is daar geen asbest aangetoond. De landbouwpercelen in het overstromingsgebied van de rivier en de huidige dijk zijn wat meer verontreinigd, door de frequentere overstroming betekent dit ook dat ze wat ‘viezer’ zijn. Dit betekent niet dat ze zo verontreinigd zijn dat het een gevaar voor de omgeving is. Door dit onderzoek is duidelijk geworden wat de kwaliteit van de bodem is.

MA200271.013.R02.V5.0

3 van 59

Inhoud 1

Inleiding ......................................................................... 6

2

Achtergrondinformatie ............................................. 7

2.1

Algemeen

7

2.2

Situering onderzoekslocatie

7

2.3

Terreininspectie

7

2.4

Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie

8

2.4.1

Asfalt ............................................................................................................................................................8

2.4.2

Bodem en fundatie ..................................................................................................................................8

2.4.3

Waterbodem............................................................................................................................................. 10

2.4.4

PFAS ........................................................................................................................................................... 10

2.4.5

Asbest in bodem/puin .......................................................................................................................... 10

3

Veldwerk en analyses .............................................. 12

3.1

Onderzoeksprogramma

12

3.2

Veldwerk (water)bodemonderzoek

14

3.3

Bodemprofiel

15

3.4

Veldwerk asbestonderzoek

15

3.5

Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters

16

3.5.1

(Water)bodem) samenstelling en analyseparameters .............................................................. 16

3.6

Watermonstername

3.6.1

Asbest samenstelling en analyseparameters .............................................................................. 17

4

Toetsingskader .......................................................... 22

4.1

Wet bodembescherming

22

4.2

Toetsingskader waterbodem

22

4.3

Handelingskader PFAS en INEV

23

4.4

Besluit en Regeling bodemkwaliteit

24

4.5

Asbest in bodem/puin

25

4.6

Asfalt

25

4.7

Veiligheidsmaatregelen CROW 400

25

5

Resultaten asfalt en fundatie ................................ 26

5.1

Veldwerk asfalt

26

5.2

Dikte asfalt

26

5.3

Analyseresultaten asfalt

26

5.3.1

Interpretatie asfalt ................................................................................................................................ 28

5.4

Fundatie

5.4.1

Veldgegevens fundatie ....................................................................................................................... 29

5.4.2

Resultaten fundatie .............................................................................................................................. 30

6

Toetsing van de analyseresultaten ..................... 32

MA200271.013.R02.V5.0

16

29

4 van 59

6.1

Toetsing Bodem

32

6.2

Toetsing waterbodem

39

6.3

Veiligheidsklasse

46

6.3.1

Toetsing Asbest ..................................................................................................................................... 46

7

Conclusies en aanbevelingen ............................... 49

7.1

Conclusies

49

7.2

Aanbevelingen

57

Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Situatietekening

MA200271.013.R02.V5.0

5 van 59

1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Waterschap Limburg een verkennend milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het huidige en het toekomstige dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen. Aanleiding voor dit verkennend (water)bodemonderzoek vormt de geplande reconstructie van het bestaande dijklichaam en de aanleg van een nieuw dijklichaam rondom Arcen. Op dit moment zijn de dijken niet hoog en sterk genoeg om Arcen ook in de toekomst goed te beschermen tegen hoogwater. De dijken zullen dus aanzienlijk verhoogd moeten worden om Arcen ook de komende jaren veilig te houden. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem vereist. Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017), de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016).

En onderhavig waterbodemonderzoek is uitgevoerd conform de werkwijze volgens de NEN 5717 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, december 2017) en NEN 5720 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie, november 2009 en wijzigingsblad NEN 5720/A1, juli 2014). Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V. en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek. Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket.

Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2), de gehanteerde onderzoeksopzet (hoofdstuk 2) en de uitgevoerde veldwerkzaamheden (hoofdstuk 3) besproken. Het toetsingskader is in hoofdstuk 4 weergegeven en vervolgens de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven. In hoofdstuk 5 zijn de resultaten van het asfalt- en fundatieonderzoek weergegeven en in hoofdstuk 6 de resultaten van het (water)bodem en asbestonderzoek per deellocatie. Tot slot worden de conclusies en eventueel aanbevelingen per deellocatie geformuleerd in hoofdstuk 7.

MA200271.013.R02.V5.0

6 van 59

2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. Dit vooronderzoek is gerapporteerd in de rapportage ‘Vooronderzoek ter plaatse van het huidige dijklichaam en het toekomstige tracé van het dijklichaam rondom de dorpskern van Arcen’, Geonius, kenmerk MA200271.013.R01.V1.0, d.d. 16 december 2022. Voor de details van het vooronderzoek wordt verwezen naar deze rapportage. Onderstaand worden de hoofdpunten weergegeven.

2.2 Situering onderzoekslocatie Het onderzoek heeft betrekking op het huidige dijklichaam en een nieuw dijklichaam rondom Arcen. Het huidige dijklichaam ligt op de scheidslijn tussen de land- en waterbodem. In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 7 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie

Bestaande dijklichaam, ca. 18 ha Geplande nieuwe dijklichaam, ca.29 ha

Maaiveldhoogte

Variërend van circa 12,0 tot 16,0 m + NAP en 16,9 m + NAP (bestaande dijk)

2.3 Terreininspectie Een terreininspectie betreft een indicatieve inspectie van de locatie gericht op het huidige gebruik en kenmerken die kunnen duiden op bodemverontreiniging en het vaststellen van de mogelijke aanwezigheid van asbest. Tijdens het locatiebezoek zullen het maaiveld en de daarop aanwezige bouwwerken en objecten indicatief geïnspecteerd worden voorafgaand aan het uit te voeren verkennend bodemonderzoek. Opgemerkt wordt dat er terreininspectie is uitgevoerd op 27 juli 2021 door de heer J. Zoer van Geonius Milieu BV, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden. Deze inspectie is vanaf de openbare weg uitgevoerd en hierbij zijn geen particuliere terreinen betreden. In de periode van 25 oktober tot 29 juni 2022 is door de heer B.M.D.M. Houben of de heer M. Witteveen tijdens het uitvoeren van het veldwerk ook een terreininspectie uitgevoerd. •

Het plangebied is in gebruik als dijk(weg) met buitendijks de uiterwaard en binnendijks de dorpskern van Arcen. Buitendijks is agrarisch in gebruik en binnendijks betreft het met name de achtertuinen van bebouwde en of bewoonde percelen en of agrarisch in gebruik zijnde percelen.

•

In het algemeen geldt dat het een verzorgd gebied betreft, waarin de onbewoonde percelen niet zijn voorzien van zwerfafval oid en de bewoonde percelen er veelal netjes en verzorgd uitzien.

•

De bebouwing is met name binnendijks gerealiseerd.

•

De dijk is grotendeels voorzien van asfalt, maar is plaatselijk ook halfverhard (Eikenweerd) of voorzien van klinkers (Burg. Linderspromenade).

•

Uit de inspectie van de geasfalteerde delen zijn geen aanvullende reparatievakken, extra wegvakken oid. naar voren gekomen.

MA200271.013.R02.V5.0

7 van 59

•

Er is slechts beperkt sprake van (voormalig) industriële activiteiten (Kruisweg 44, bierbrouwerij Hertog Jan).

•

Ter plaatse van de Maasstraat 113 is een in bedrijf zijnde glastuinbouwbedrijf aanwezig. Dit terrein is in het geheel toegevoegd vanwege voorgenomen aankoop. Verder is rondom de woning van Engelen aan de Kruisweg 50, zowel binnen- als buitendijks een groter gebied onderzocht, vanwege een aanpassing van het ontwerp en voorgenomen aankoop.

•

Aan de noordzijde is het terrein van Hotel Rooland onderdeel van de onderzoekslocatie. Het terrein is bebouwd en voorzien van verhardingen.

•

Van alle boorpunten en proefgaten zijn foto’s genomen. Deze foto’s zijn in bijlage 2 weergegeven.

•

Tijdens het terreininspectie is de gehele onderzoekslocatie visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie niet waargenomen.

De fotobijlage is opgenomen als bijlage 2.

2.4 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie Het onderzoeksgebied is verdacht voor niet gesprongen explosieven. T&A Survey BV heeft hiervoor de begeleiding in het veld verzorgd en heeft alle boorpunten vooraf vrijgegeven. Onderstaand wordt per onderdeel de hypothese en strategie weergegeven.

2.4.1 Asfalt Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK-gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (CROW210, Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). Op basis van historisch vooronderzoek en een visuele inspectie van het te frezen/op te breken weggedeelte worden eventueel te onderscheiden vakken aangegeven. Uitgangspunt is dat het asfalt voor 1994 is aangelegd, omdat geen gegevens bekend zijn geworden ten aanzien van de aanbrengdatum van het asfalt op de verschillende deellocaties. Op de kernen wordt een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK-detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat in overleg met de opdrachtgever in dit stadium van het onderzoek geen onderzoek wordt ingezet wordt naar PAK in asfalt analyses om de samenstellingswaarden te bepalen. De realisatie van het project zal niet op korte termijn zijn, waardoor het onderzoek bij realisatie mogelijk verlopen is en opnieuw dient te worden uitgevoerd/geactualiseerd.

2.4.2 Bodem en fundatie Op basis van het vooronderzoek en de terreininspectie blijkt dat de onderzoekslocatie in gebruik is als dijk, groenstroken, weilanden, rijweg, parkeerplaats en fiets- en wandelpad. Het gehele onderzoeksgebied valt in het overstromingsgebied van de Maas. Gezien het feit dat de onderzoekslocatie in het overstromingsgebied van de Maas valt is de bodem hier verdacht op bodemverontreiniging. De onderzoekslocatie is verdeeld in de volgende deellocaties.

MA200271.013.R02.V5.0

8 van 59

Bodem en fundatie geasfalteerde wegen: Op basis van het vooronderzoek blijkt dat er diverse wegvakken in gebruik zijn als openbare rijweg. De bodem is ter plaatse van de verharde terreindelen verdacht wegens mogelijke lekkages/spills van voertuigen en uitloging vanuit het fundatiemateriaal. De bovengrond en de onderliggende bodem onder het fundatiemateriaal wordt onderzocht conform strategie “verdacht, diffuus, heterogeen verdeeld, niet lijnvormig” (VED-HE-NL) uit de NEN 5740. Tevens zullen er van de aanwezige fundatielagen monsters worden genomen en worden geanalyseerd. Opgemerkt wordt dat de zandfundaties niet op samenstelling en uitloging worden onderzocht. Agrarisch in gebruik zijnde gebied (landbodem): Op basis van de aangeleverde informatie blijkt dat vooralsnog geen activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Derhalve is voor dit deel van de onderzoekslocatie de hypothese “onverdacht” van toepassing en wordt uitgegaan van de strategie “grootschalig, onverdacht niet lijnvormig” (ONV-GR-NL) uit de NEN 5740. Voor de oppervlakteberekening zijn verschillende agrarische percelen op basis van geografische ligging samengevoegd. In Tabel 3.1 is een overzicht van de percelen, samengestelde deellocaties weergegeven.

In de kopjes Sub is een overzicht van de totale onderzoeksinspanning van de deellocaties voor de agrarische en onverdachte percelen weergegeven. Percelen Engelen Agrarisch in gebruik zijnde gebied (landbodem): Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat vooralsnog geen activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Derhalve is voor dit deel van de onderzoekslocatie de hypothese “onverdacht” van toepassing en wordt uitgegaan van de strategie “grootschalig, onverdacht niet lijnvormig” (ONV-GR-NL) uit de NEN 5740. Percelen Engelen bebouwde gedeelte Kruisweg 48 en 50 Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijken geen activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Dit zal tijdens de uit te voeren terreininspectie moeten worden getoetst. Het voorterrein met bebouwing heeft een oppervlakte van 4.000 m 2. Voor dit deel van de onderzoekslocatie wordt vooralsnog de hypothese “onverdacht” van toepassing en wordt uitgegaan van de strategie “onverdacht niet lijnvormig” (ONV-NL) uit de NEN 5740. Opgemerkt wordt dat de verhardingen en evt. fundatielagen buiten beschouwing zijn gelaten. Percelen Engelen agrarisch in gebruik zijnde gebied (waterbodem): Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat onderhavige onderzoekslocatie verdacht is voor het voorkomen van een bodemverontreiniging.

De buitendijkse gebieden en de bestaande dijk worden onderzocht conform de onderzoeksstrategie voor een “oevergebied, lichte en normale onderzoeksinspanning, zonder bodemverwachtingskaart, diffuse bodembelasting (OZ)” uit de NEN5720. De diepte van de boringen voor de ontvangende waterbodem is 0,5 m-mv. Kassencomplex Maasstraat 113 Op verzoek van de opdrachtgever wordt het gehele terrein dat in gebruik is met kassen onderzocht. Derhalve is voor dit deel van de onderzoekslocatie de hypothese “verdacht” van toepassing en wordt uitgegaan van de strategie “verdacht, diffuus, heterogeen verdeeld, niet lijnvormig” (VED-HE-NL) uit de NEN 5740 aangevuld met de analyses op bestrijdingsmiddelen in de bovengrond. Verder zal hier een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd vanwege mogelijk toegepaste asbesthoudend kit.

MA200271.013.R02.V5.0

9 van 59

Hotel Rooland en omgeving Op basis van de aangeleverde informatie blijkt dat vooralsnog geen activiteiten te verwachten zijn die tot een bodemverontreiniging hebben kunnen leiden. Derhalve is voor dit deel van de onderzoekslocatie de hypothese “onverdacht” van toepassing en wordt uitgegaan van de strategie “onverdacht niet lijnvormig” (ONV-GR-NL) uit de NEN 5740. Opgemerkt wordt dat de asfaltverhardingen niet zijn meegenomen. Verder komen er diverse halfverhardingen voor en betreft een gedeelte waterbodem, dat buitendijks is gelegen of (water dragende) watergangen betreft.

2.4.3 Waterbodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat onderhavige onderzoekslocatie verdacht is voor het voorkomen van een bodemverontreiniging. De buitendijkse gebieden en de bestaande dijk worden onderzocht conform de onderzoeksstrategie voor een “oevergebied, lichte en normale onderzoeksinspanning, zonder bodemverwachtingskaart, diffuse bodembelasting (OZ)” uit de NEN5720. De diepte van de boringen voor de ontvangende waterbodem is 0,5 m-mv. De (binnendijkse) watergangen worden onderzocht conform de onderzoeksstrategie voor een ‘Lintvormig water, normale onderzoeksinspanning, (OLN)” uit de NEN5720.

2.4.4 PFAS Voor hergebruik is het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de stofgroep PFAS (poly- en perfluor alkylverbindingen). Aangezien de vrijkomende grond/slib wordt afgevoerd en elders zal worden hergebruikt, wordt voor dit verkennend bodemonderzoek het standaard stoffenpakket uitgebreid met de stofgroep PFAS. Omdat de locatie onverdacht is ten aanzien van GenX wordt de grond/slib niet op deze parameter onderzocht. De te hanteren onderzoeksstrategie is gebaseerd op het gehele oppervlak (28 ha) en wordt uitgegaan van de strategie “verdacht, diffuus, homogeen verdeeld, niet lijnvormig” (VED-HO-NL) uit de NEN 5740.

2.4.5

Asbest in bodem/puin

Het verkennend onderzoek naar asbest in bodem/puin wordt uitgevoerd volgens de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017) danwel de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017). (Half)verharde terreindelen Op basis van de beschikbare informatie blijkt dat voor de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem/puin de hypothese “verdacht” van toepassing is, vanwege de mogelijke aanwezigheid van asbesthoudend plaatmateriaal in het aanwezige fundatiemateriaal. Het asbestonderzoek van het fundatiemateriaal vindt plaats volgens de strategie voor “afgedekte funderingslagen voor kleinschalige locaties” (5897-AF) uit de NEN 5897. In aanvulling op de NEN 5897 worden alle gaten ter plaatse van het wegdek uitgevoerd. Onverharde delen (asbest in bodem) Bij asbest onverdachte locaties is het niet noodzakelijk om een asbest in bodemonderzoek uit te voeren.

Om een verkennend onderzoek naar asbest in bodem achterwege te kunnen laten, moet, in aanvulling op het locatiebezoek tijdens het vooronderzoek, in dat geval echter ook een visuele inspectie van het maaiveld conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018, alsmede een visuele beoordeling van uit tijdens het verkennend bodemonderzoek uitgekomen grond worden uitgevoerd, waarbij geen asbestverdachte materialen (plaatjes, buis etc.) of bodemvreemde bijmengingen die worden geassocieerd met een mogelijke verontreiniging met asbest (puin, resten baksteen en beton etc.) worden waargenomen. In dat geval wordt voor de locatie de hypothese “onverdacht” gesteld en is onderzoek conform NEN 5707 niet noodzakelijk.

MA200271.013.R02.V5.0

10 van 59

Tijdens de veldwerkzaamheden wordt het maaiveld en de opgeboorde grond beoordeeld op de eventuele aanwezigheid van asbest, ter onderbouwing van de hypothese niet verdacht voor asbest. De hiervoor genoemde hypotheses wordt met behulp van dit bodemonderzoek getoetst. De uitwerking van de onderzoeksinspanning is weergegeven in Tabel 3.1. In de navolgende hoofdstukken worden de uitgevoerde werkzaamheden en de onderzoeksresultaten besproken.

MA200271.013.R02.V5.0

11 van 59

3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat. Opgemerkt wordt dat deellocatienummers corresponderen met de nummers op de kaart in bijlage 4 en dat de deellocaties, die als landbodem worden onderzocht gecodeerd zijn met een letter L en de waterbodemdeellocaties met een W. De (half)verharde deellocaties zijn gecodeerd met een A of AS. De nummering loopt van de noordzijde nabij de N271 naar de zuidzijde. De boringen zijn op dezelfde wijze genummerd. Opgemerkt wordt het volgende: •

De diepte van de boringen voor de ontvangende (water)bodem is 0,5 m-mv.

•

Er wordt geen onderzoek naar de kwaliteit van grondwater gedaan.

In Tabel 3.2 is een overzicht van het asfaltonderzoek weergegeven. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodem- en asbestonderzoek Analyses1)

Strategie

Nr

Landbodem 0ppervlakte (m2)

(Deel)locatie

Oppervlakte (m2) / Lengte (m)

Fundatie

Veldwerk PAK-marker

1L

Agrarisch

1A 2W 3L 4L 4AS 5A

schouwpad Watergang Agrarisch Agrarisch halfverharding Boerenweg

6L 7L 8A

Agrarisch Agrarisch Maasstraat

6734

-

350

350 50m

11245 2736 1510 600

198 8251 1300

Waterbodem

Grond

Grondwater

Asbest

C2 pakket

St.pakket

St.pakket

Asbest in puin/ grond

ONV

-

-

-

-

-

5897-HV 5720-OLN ONV ONV 5897-HV CROW210 5897-AF VED-HE-NL ONV ONV CROW210 5897-AF VED-HE-NL

4*proefgat 10 sLibsteken

3 -

-

2 -

3 -

4 -

-

-

12*proefgat 3*kernen 6*proefgat *) 7*1,0-mv 4*kernen 8*proefgat 19*1,0-mv

Sub

7000 Sloot naast Maasstraat 150m 5720-OLN 10* slibsteek 4**) (waterbodem NEN5720) Agrarisch 7106 ONV halfverharding 320 320 5897-HV 4*proefgat Agrarisch 15799 ONV Agrarisch 52.739 ONV-GR-NL 31*0,5m-mv ***) 6 Opgemerkt wordt dat er per abuis 6 ipv benodigde 5 proefgaten zijn gegraven. VANWEGE HOMOGENE SAMENSTELLING 1 IPV 2 ANALYSES. Beeld is representatief en afdoende Opgemerkt wordt dat de westelijk en oostelijk sloot separaat zijn onderzocht, daarom aantal analyse 4 i.p.v. 2 (beide bodemlagen zijn onderzocht) Opgemerkt wordt dat er in agrarische deel vanwege ontbreken betredingstoestemming 1 boring minder is geplaatst en deel verplaatst naar westelijke deel locatie 11L. Agrarische percelen 21.330 ONV-GR-NL 17* 0,5 m-mv Engelen 4*2,0 m-mv 1*peilbuis Bebouwde percelen 4.000 ONV-NL 11 0,5 m-mv Engelen 3*2,0 m-mv 1*peilbuis Waterbodem 26.037 5720-OZ 21*0,5 m-mv 7 (NEN5720-OZ) Bestaande dijk 1772 5720-OZ Agrarisch-waterbodem 1507 5720-OZ Bestaande dijk736 5720-OZ waterbodem 4.643 5720-OZ 11*0,5m-mv 4#)

13A

Steeningseweg

8S 9L 10L 11L Sub *) **) ***) 301322 201215101121 12W 13W 14W

13B

#) ##) 14 15L 15A

545

CROW210 3*kernen 5897-AF 5*proefgat Kruisweg 500 CROW210 2*kernen 2 1 5897-AF 4*proefgat # VED-HE-NL #) 5*1,0-mv Opgemerkt wordt dat er per abuis teveel boringen zijn geplaatst. Opgemerkt wordt dat er vanwege de bodemopbouw 4 in plaats van 2 analyses zijn ingezet. Verhardingsonderzoek t.p.v. 13A is op verzoek OG vervallen. Strategie voor landbodem is gehanteerd voor de wegberm, locatie ligt op de grens van water- en landbodem Achtertuin 235 5707-VED-HE 4*proefgat Raadhuisplein 14 Agrarisch 11.996 ONV Broekhuizerweg 350 CROW210 2*kernen 2 1

MA200271.013.R02.V5.0

St. -ket St. -ket St. -ket -

1 2 1 -

4

-

1

-

-

-

7

-

1 -

4

1

-

3

1

-

-

-

-

-

-

-

-

545

12 van 59

2 2

1

Analyses1)

Strategie

Nr

(Deel)locatie

Landbodem 0ppervlakte (m2)

Oppervlakte (m2) / Lengte (m)

Fundatie

Veldwerk PAK-marker

16L 17A

18L 19A 21L 22A

23L 24A

Sub ^) 20E

*) 25W 26W 26A 25BAS 27W 27A

28W 29W Sub 30L 31L

32L Sub @) 33L Totaal

5897-AF 4*proefgat VED-HE-NL 5*1,0-mv Agrarisch 9.775 ONV Wellerveldweg 300 CROW210 2*kernen 2 5897-AF 4*proefgat VED-HE-NL 5*1,0-mv Agrarisch 10.731 ONV Parkeerterrein 225 CROW210 2*kernen 2 5897-AF 4*proefgat Agrarisch 6647 6647 ONV Wellerveldweg 545 CROW210 3*kernen 3 5897-AF 5*proefgat VED-HE-NL 7*1,0-mv Agrarisch 5123 5123 ONV Broekhuizerweg 635 CROW210 3*kernen 3 5897-AF 5*proefgat VED-HE-NL 7*1,0-mv Agrarisch 44.272 ONV-GR-NL 57*0,5m-mv ^) Opgemerkt wordt dat er per abuis teveel boringen zijn geplaatst. Vanwege de gefaseerde aanpak is er een tweetal extra analyses uitgevoerd. Voor de locatie is in afwijking van de norm 1 in plaats 2 analyses per abuis ingezet. Kassencomplex 16.185 VED-HE-NL 18* 0,5 m-mv Maasstraat 113 VED-HE 5*2,0 m-mv 3*peilbuis 16*proefgat Vanwege de aanwezige doek in de kassen zijn de inpandige boringen/proefgaten beperkt iom gebruiker.

Bestaande dijk6104 5720-OZ waterbodem Waterbodem 38839 5720-OZ Parkeerterrein Spar 1345 CROW210 4*kernen 4 5897-AF 7*proefgat Halfverharding 3535 5897-HV 14*proefgat Waterbodem 15535 5720-OZ De Schans 300 CROW210 2*kernen 2 5897-AF 4*proefgat VED-HE-NL 5*1,0-mv Waterbodem 11.860 5720-OZ Waterbodem 15.581 5720-OZ Waterbodem 87.919 5720-OZ 63*0,5m-mv Landbodem 13.816 ONV Landbodem 14.725 ONV Asfalt Ventweg/ N271 4000 4000 CROW210 9*kernen 9 5897-AF 14*proefgat VED-HE-NL 15*1,0-mv Agrarisch /bosgebied 31.326 Agrarisch 63.867 ONV-GR-NL 37*0,5m-mv Opgemerkt wordt dat er twee analyses in plaats 3 analyses uitgevoerd, vanwege homogene samenstelling en indicatief. 16*0,5m-mv Hotel Rooland 4.900 ONV-NL 1*2,0 m-mv 283.242

Waterbodem

Grond

Grondwater

Asbest

C2 pakket

St.pakket

St.pakket

Asbest in puin/ grond 1

2 1 2 1 1 3 1 1 3 8

-

-

5 +3*OCB

3

2

1 1

2 3

1 1 3 1 20

1 2@) 4 8 3

34L= W

Te ontgraven dijk+)

18.048

5720-OZ

15*2,0 m-mv

PFAS

28ha

VED-HO-NL

Combi bovenstaand

1)

Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB, som-PAK(10) en minerale olie Standaardpakket grondwater: 9 zware metalen vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform) en minerale olie

+)

10

16*PFAS

PFAS PFAS (30 poly- en perfluor alkyl-verbindingen) Samenstellingspakket beperkt en uitloogproef (bouwstoffen) organische parameters (som PCB, som PAK (10) en minerale olie). schudproef met L/S=10 en analyse eluaat op pakket 15 metalen (As, Ba, Cd, Cr, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Sb, Se, Va, Zn) en 4 anionen (fluoride, bromide, chloride en sulfaat). C2 Standaardpakket (Waterbodem en baggerspecie uit zoet Rijksoppervlaktewater, voor toepassing buiten Rijsoppervlaktewater) Algemeen: organisch stof- en lutumgehalte Metalen: arseen, barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink Organische stoffen: PAK (10 VROM), pentachloorbenzeen, hexachloorbenzeen, pentachloorfenol, PCB (som 7), chloordaan , DDT, DDE, DDD, som-DDT/DDD/DDE, aldrin, dieldrin, endrin, isodrin, telodrin, som-drins, aendosulfan, endosulfansulfaat, a-HCH, b-HCH, g-HCH, d-HCH, som-HCH’s 7, heptachloor, som-heptachloorepoxide, hexachloorbutadieen, OCB (som) en minerale olie PFAS PFAS (30 poly- en perfluor alkyl-verbindingen) Te ontgraven bestaande dijk: Als basis is de strategie OZ gehanteerd, maar om een goed beeld van de bodemopbouw/kwaliteit te krijgen is de diepte van de boring aangepast naar 2,0 m-mv. De bestaande dijk is grotendeels aangelegd na 1995, waarbij vanwege spoedeisendheid allerlei materiaal kan zijn gebruikt (puin etc is niet uitgesloten).

Doorgestreepte deellocaties zijn vervallen onderdelen, vanwege niet aantreffen asfalt / vervallen deellocatie

MA200271.013.R02.V5.0

13 van 59

De chemische analyses van de grond(meng)monsters en grondwatermonsters, zijn conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 en AS3000erkend. De analyses op de stofgroep PFAS zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. Opgemerkt wordt dat de op de verschillende certificaten geplaatste voetnoten door het laboratorium geen invloed hebben op het resultaat en de conclusies. De puin- en grond(meng)monsters ten behoeve van het asbestonderzoek zijn geanalyseerd op asbest conform NEN 5898. Voor het asfaltonderzoek zijn onderstaande werkzaamheden uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat de deellocaties 13a (Steeningseweg), deellocatie 17 en 22 (Wellerweg) op basis van de terreininspectie niet geasfalteerd bleken te zijn en zijn komen te vervallen. Opgemerkt wordt verder dat in overleg met de opdrachtgever in dit stadium van het onderzoek geen onderzoek wordt ingezet wordt naar PAK in asfalt analyses om de samenstellingswaarden te bepalen. De realisatie van het project zal niet op korte termijn zijn, waardoor het onderzoek bij realisatie mogelijk verlopen is en opnieuw dient te worden uitgevoerd/geactualiseerd.

Tabel 3.2: overzicht van de werkzaamheden ten behoeve van het asfaltonderzoek asfalt onderzoek Deellocatie Wegvak Oppervlakte Ton (dikte Veldwerk Analyse (m2) 15 cm / 2,5 (kernen) PAK-marker test (RAW 77.2) + laagdikte-bepaling (RAW 77.1) ton/m3) 5A Boerenweg 600 3 3 225 8A 13A 13B 15A 17A 19A

31A

Maasstraat Steeningseweg Kruisweg Broekhuizerweg Wellerveldweg Parkeerterrein Maasstraat to huisnummer 144 Wellerveldweg Broekhuizerweg Parkeerterrein Spar Schans (nieuwe dijk door Schans) N271 incl. ventweg

a

Doorgestreepte deellocaties zijn vervallen, vanwege niet aantreffen asfalt of vervallen deellocatie

22A 24A 26A 27A

1300 545 500 350 300 225

488 205 188 131 113

4 2 2 2 2 2

4 2 2 2 2 2

84 550 635 1350 300

206 238 506 115

3 3 4 2

3 3 4 2

4000

1500

9

9

De PAK-marker analyses zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam.

3.2 Veldwerk (water)bodemonderzoek De veldwerkzaamheden ten behoeve van het bodemonderzoek op de landbodem zijn uitgevoerd in de periode van 25 oktober tot en met 29 juni 2022 conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerker die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, de heer B.M.D.M. Houben is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer J. Kerckhoffs en de heer S. Bekker. De veldwerkzaamheden ten behoeve van het waterbodemonderzoek zijn uitgevoerd In de periode van 29 oktober tot en met 29 juni 2022 conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2003 (Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerker die de

MA200271.013.R02.V5.0

14 van 59

werkzaamheden heeft uitgevoerd, de heer S. Bekker of de heer M. Witteveen, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer B.M.D.M. Houben en de heer J. Kerkhoffs. Een tekening met de locaties van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 7. Tijdens de werkzaamheden zijn voor wat betreft de parameter PFAS maatregelen getroffen om contaminatie zoveel als mogelijk te voorkomen, zoals staat omschreven in het “Kennisdocument voor Bemonstering en analyse van PFAS-verbindingen in grond- en grondwater”. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden.

3.3 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal zowel lithologisch als zintuiglijk onderzocht. Bij het lithologische onderzoek worden de grondsoorten geclassificeerd. Bij het zintuiglijk onderzoek worden bodemvreemde elementen en waarneembare afwijkingen ten aanzien van kleur en geur van het bodemmateriaal beschreven. Voor de boorprofielen wordt verwezen naar de boorstaten die als bijlage 3 zijn toegevoegd. De landbodem wordt als volgt beschreven. Van maaiveld tot 1,0 m-mv (maximale boordiepte) wordt zeer fijn tot matig fijn zand aangetroffen. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen. De zintuiglijke waarnemingen zijn weergegeven in bijlage 3. De waterbodem wordt als volgt beschreven. In watergang 2w is een dunne laag slib (circa 8 cm) met een waterkolom van circa 15 cm aangetroffen. De vaste bodem bestaat uit zand. In watergang 8S is geen slib en of waterkolom aangetroffen. De waterbodem bestaat van maaiveld tot 0,5 m-mv (maximale boordiepte) uit zand. In de droge waterbodem (buitendijkse gebied) is geen slib en of waterkolom aangetroffen. De waterbodem bestaat van maaiveld tot 0,5 m-mv (maximale boordiepte) met name uit zand. Plaatselijk is ook klei of leem aangetroffen. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen.

De zintuiglijke waarnemingen zijn weergegeven in bijlage 3.

3.4 Veldwerk asbestonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode van 25 oktober tot en met 29 juni 2022, voor zover van toepassing, conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018). De coördinerend veldmedewerker, de heer B.M.D.M. Houben, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van IenW. Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer J. Kerckhoffs en de heer S. Bekker. Voor asbestonderzoek geldt dat bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal protocol 2018 niet van toepassing is en het asbestonderzoek niet onder het BRL SIKB 2000 certificaat kan worden uitgevoerd. Voor onderhavig onderzoek is dat ook het geval. Voor de fundatielagen van niet vormgegeven bouwstoffen geldt dat dit het geval is. Tijdens het veldwerk waren de omstandigheden als volgt: •

Droog (neerslag <10 mm);

•

Helder (zicht >50 m);

•

Bedekking maaiveld: >95%;

MA200271.013.R02.V5.0

15 van 59

•

Toplaag: zand, vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie of volledig verhard.

De inspectie-efficiëntie van de maaiveldinspectie wordt geschat op circa 0%. Vermeld wordt dat de maaiveldinspectie niet conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018) heeft kunnen plaatsvinden. Bij een inspectieefficiëntie lager dan 50% is de waarde van een maaiveldinspectie namelijk onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de toplaag. De maaiveldinspectie kan derhalve ook niet dienen om de onderzoekstrategie (eventueel) bij te stellen.

3.5 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters 3.5.1 (Water)bodem samenstelling en analyseparameters Naar aanleiding van het zintuiglijk onderzoek zijn conform de gevolgde strategie uit de NEN 5720 en uit de NEN 5740 de grond(meng)monsters uit de opgeboorde grond samengesteld, zoals in tabel 3.1 verwoord. Opgemerkt wordt dat in Tabel 3.1 voor een aantal deellocaties geldt dat er meer of minder boringen en of meer of minder analyses zijn uitgevoerd dan de NEN strikt genomen voorschrijft. Bij de interpretatie van de resultaten is hiermee rekening gehouden en aangenomen wordt dat het beeld, tenzij anders opgemerkt, hiermee afdoende is vastgesteld. Gerelateerd aan de zintuiglijke waarnemingen dan wel analyseresultaten zijn de volgende wijzigingen en/of bijzonderheden te melden: •

Op basis van de analyseresultaten van mengmonster 22A mm1 zijn de individuele monsters van dit mengmonster separaat geanalyseerd op de parameters minerale olie en of PAK (in totaal 9 monsters).

De waterbodem(meng)monsters zijn onderzocht op het C2-pakket uit de NEN 5720 en de stofgroep PFAS. De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740 en de stofgroep PFAS. In Tabel 6.1 (hoofdstuk 6) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. De grondwatermonsters zijn conform de onderzoeksopzet onderzocht op het standaardpakket grondwater uit de NEN 5740:2009. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven. Plaatselijk zijn in bodemlagen van gelijke textuur zintuiglijk bodemvreemde bijmengingen aangetroffen aan sporen baksteen. Bij het samenstellen van de mengmonsters zijn in enkele gevallen mengmonsters samengesteld van zintuiglijk schone bodemmonsters met sporadisch met bijgemengde en geroerde bodemmonsters. Gezien het hier “homogene” bodemlagen betreft alsmede de mate van bijmengingen (gradatie sporen) betreft het hier geen afwijking op de NEN 5740 en wordt ons inziens een representatief kwaliteitsbeeld verkregen. Dit wordt gestaafd op basis van de analyseresultaten van de monsters die zijn verkregen.

3.6 Watermonstername In de periode van 15 juli en 16 augustus 2022 is het grondwater bemonsterd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters, versie 6.0, 1 februari 2018). De monsternemers, de heer J. Beugels en de heer R. Snel, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van IenW.

MA200271.013.R02.V5.0

16 van 59

Voor de watermonstername is de grondwaterstand, zuurgraad, turbiditeit en geleidbaarheid bepaald. Deze zijn weergegeven in Tabel 6.2. De grondwaterstand is locatie- en seizoensgebonden en kan derhalve variëren.

3.6.1 Asbest samenstelling en analyseparameters Naar aanleiding van de maaiveldinspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In het opgegraven fundatiemateriaal uit proefgat PG26A.5 (Parkeerterrein van de Spar) zijn 4 stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het materiaal is bemonsterd, gelabeld en opgestuurd naar het laboratorium voor analyse op asbest conform NEN 5896. In Tabel 6.3 zijn de analyseresultaten van dit plaatmateriaal opgenomen. In aanvulling op de NEN 5707 is, tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden, tevens de uitkomende grond visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen, danwel verdachte bijmengingen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest. Deze zijn op onderhavige locatie (anders dan in het fundatiemateriaal) niet waargenomen waardoor een verkennend onderzoek naar asbest in land- en droge waterbodem achterwege kan blijven. Op basis van de visuele waarnemingen zijn proefgaten gemaakt (minimaal 30*30 centimeter) uitgevoerd tot maximaal 0,5 m in de verdachte fundatielaag (deellocatie 13B, 26A, 27A en 31A) en in de (half)verhardingen tot maximaal 0,5 m-mv. In Tabel 3.2 is een beschrijving gegeven van de verschillende proefgaten/boringen.

Tabel 3.2: resultaten veldwerk proefgaten en bijzonderheden verrichte boringen ten behoeve van het (indicatieve) asbestonderzoek Proefgat Onderzocht Bodemomschrijving Mengmonster Afmetingen Bodemvreemd Asbest traject (cmfijne fractie (cm) materiaal (%) aangetroffen mv) (l x b) 1.Schouwpad 001A.1

0,0 – 0,5

Zand, resten planten

-

0,3*0,3

<2

Nee

001A.2

0,0 – 0,5

Zand, resten planten

-

0,3*0,3

<2

Nee

001A.3

0,0 – 0,5

Zand, resten planten

001A.3

0,3*0,3

<2

Nee

001A.4

0,0 – 0,5

Zand, resten planten

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS. Onverhard pad tussen akkers 4AS.1

0,0 – 0,5

Zand, sporen kolen

-

0,3*0,3

<5

Nee

4AS.2

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.3

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.4

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.5

0,0 – 0,5

Zand, zwak steenhoudend, sporen baksteen

4AS.5

0,3*0,3

<5

Nee

4AS.6

0,0 – 0,5

Zand, zwak steenhoudend, zwak baksteenhoudend

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.7

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen, zwak steenhoudend

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.8

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen, sporen beton, zwak steenhoudend

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.9

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen, sporen beton, zwak steenhoudend

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.10

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.11

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

4AS.12

0,0 – 0,5

Zand, sporen baksteen

4AS.12

0,3*0,3

<5

Nee

0,20 - 040

Zand, zwak steenhoudend, matig asfalthoudend

008A.2

0,3*0,3

<15

Nee

8A. Maasstraat 008A.2

MA200271.013.R02.V5.0

17 van 59

008A.3

0,12-0,35

Zand, zwak steenhoudend, zwak asfalthoudend

-

0,3*0,3

<5

Nee

008A.5

0,10 - 0,30

Zand, zwak steenhoudend, zwak asfalthoudend

-

0,3*0,3

<5

Nee

008A.6

0,10-0,30

Zand, zwak steenhoudend, zwak asfalthoudend

-

0,3*0,3

<10

Nee

008A.8

0,10 - 0,50

Zand, zwak asfalthoudend, matig betonhoudend, sporen baksteen, sporen sintels

-

0,3*0,3

<10

Nee

10L. Onverhard pad 10L.1

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

10L.2

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend

-

0,3*0,3

<2

Nee

10L.3

0,00 - 0,50

Zand, sporen baksteen

0,3*0,3

<2

Nee

10L.4

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen baksteen, sporen aardewerk

10L.4

0,3*0,3

<2

Nee

10L.5

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

13B.2

0,17 – 0,5

Zand, matig repac houdend

13B.2

0,3*0,3

<2

Nee

13B.3

0,13 – 0,5

Volledig repac

13B.3

0,3*0,3

<2

Nee

13B. Kruisweg

14. Achtertuin Raadhuisplein 14 PG014.1

0,00 - 0,50

Zand, sporen baksteen, sporen kalksteen

-

0,3*0,3

<5

Nee

PG014.2

0,00 - 0,50

Zand

-

0,3*0,3

<2

Nee

PG014.3

0,15 - 0,54

Zand, zwak baksteenhoudend, zwak kalksteenhoudend, sporen ijzer

-

0,3*0,3

<15

Nee

PG014.4

0,04 - 0,54

Zand, zwak baksteenhoudend, zwak kalksteenhoudend, zwak aardewerkhoudend, sporen kolen

PG014.4

0,3*0,3

<20

Nee

15A. Broekhuizerweg: geen asbestverdachte bijmengingen 17A. Wellerweg (onverhard) 017A

0,00 - 0,50

Zand

017A asbest1

0,3*0,3

<2

Nee

017A.3

0,00 - 0,50

Zand, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

017A.4

0,00 - 0,50

Zand, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

017.A7

0,00 - 0,50

Zand

-

0,3*0,3

<2

Nee

Zand, zwak glashoudend Zand, sporen glas

-

0,3*0,3

3

Nee

AM2

0,3*0,3

2

Nee

20E. Kassencomplex Maasstraat 113 006

0,00 - 0,50

007

0,00 - 0,50

008

0,00 – 0,50

Zand, zwak plastichoudend, Piepschuim zwak

-

0,3*0,3

5

Nee

013

0,00 - 0,50

Zand, sporen glas, sporen plastic, sporen baksteen, sporen beton,

-

0,3*0,3

5

Nee

MA200271.013.R02.V5.0

18 van 59

014

0,00 - 0,50

016

0,00 - 0,50

018 021

Piepschuim sporen Zand

-

0,3*0,3

0

Nee

AM1

0,3*0,3

10

Nee

0,00 - 0,50

Zand, zwak plastichoudend, sporen baksteen, zwak glashoudend, resten hout, sporen aardewerk Zand, sporen glas

AM2

0,3*0,3

2

Nee

0,00 - 0,50

Zand

-

0,3*0,3

0

Nee

022

0,00 - 0,50

AM1

0,3*0,3

2

Nee

023

0,00 - 0,50

sporen baksteen, sporen glas Zand

-

0,3*0,3

0

Nee

22A. Wellerveldweg (onverhard) 022A.1

0,00 - 0,50

Zand, sporen baksteen, sporen asfalt

22A asb

0,3*0,3

<2

Nee

022A.3

Zand

Zand, zwak steenhoudend

-

0,3*0,3

-<2

Nee

022A.5

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen aardewerk, sporen glas

-

0,3*0,3

<2

Nee

022A.7

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen aardewerk

-

0,3*0,3

<2

Nee

022A.9

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen asfalt

-

0,3*0,3

<5

Nee

25.BAS Eikenweerd halfverhard pad 25BAS.1

0,00 - 0,50

Zand, zwak baksteenhoudend, sporen beton

-

0,3*0,3

<5

Nee

25BAS.2

0,00 - 0,50

Zand, sporen beton, matig baksteenhoudend

25BAS.2

0,3*0,3

<15

Nee

25BAS.3

0,00 - 0,50

Zand, sporen baksteen, sporen beton, sporen asfalt

25BAS.3

0,3*0,3

<2

Nee

25BAS.4

0,00 - 0,50

Zand, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

25BAS.5

0,00 - 0,50

Zand, sporen beton, matig baksteenhoudend

25BAS.2

0,3*0,3

<10

Nee

25BAS.6

0,00 - 0,50

Zand, sporen beton, matig baksteenhoudend

-

0,3*0,3

<10

Nee

25BAS.7

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend,

-

0,3*0,3

<2

Nee

25BAS.8

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

25BAS.9

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

25BAS.10

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

25BAS.11

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen baksteen

-

0,3*0,3

<2

Nee

25BAS.12

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, zwak baksteenhoudend

-

0,3*0,3

<5

Nee

25BAS.13

0,00 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, zwak baksteenhoudend, sporen

-

0,3*0,3

<5

Nee

MA200271.013.R02.V5.0

19 van 59

kolen 25BAS.14

0,00 - 0,50

Zand, zwak baksteenhoudend, sporen kolen, sporen sintels

-

0,3*0,3

8

Nee

26A. Fundatielaag parkeerterrein Spar PG26A.2

0,10 – 0,3

Volledig repac*)

PG26A.2

0,3*0,3

>50

Nee

PG26A.5

0,13 – 0,4

Volledig repac

PG26A.5

0,3*0,3

>50

Ja (52,7 g)

27A.Schans (nieuwe dijk door Schans) 27A.1

0,11 - 0,40

Zand, sporen baksteen, zwak steenhoudend, zwak asfalthoudend

27A.1

0,43*0,43

<5

Nee

27A.2

0,20-0,45

Zand

-

0,43*0,43

<2

Nee

27A.3

0,10 - 0,50

Zand, matig steenhoudend, sporen asfalt, sporen baksteen

-

0,43*0,43

<2

Nee

27A.4

0,14-0,50

Zand, zwak steenhoudend, sporen asfalt

-

0,43*0,43

<2

Nee

31A. N271 incl. ventweg 31A.2

0,25 - 0,40

Volledig beton

-

0,43*0,43

<2

Nee

31A.3

0,21 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, zwak betonhoudend

-

0,43*0,43

<5

Nee

31A.5

0,22 - 0,50

Zand, zwak steenhoudend, matig betonhoudend

31A.5

0,43*0,43

<10

Nee

31A.7

0,32 - 0,55

Zand, zwak steenhoudend, zwak betonhoudend

-

0,43*0,43

<5

Nee

31A.9

0,31 - 0,60

Zand, zwak steenhoudend, matig betonhoudend

31A.9

0,43*0,43

<10

Nee

31A.11

0,30 - 0,55

Zand, zwak steenhoudend, matig betonhoudend

-

0,43*0,43

<2

Nee

31A.13

0,23 - 0,60

Volledig beton

-

0,43*0,43

>50

Nee

31A.15

0,25 - 0,40

Zand, sporen baksteen, zwak betonhoudend, zwak steenhoudend

-

0,43*0,43

<5

Nee

*)

Opgemerkt wordt dat de fundatielaag ter plaatse van PG26A2 heel heterogeen is. Uit de geplaatste boring is de fundatie beschreven als zand, matig baksteenhoudend, zwak kalksteenhoudend, zwak betonhoudend. Vervolgens is er een proefgat naast gezet en bestaat de fundatielaag volledig uit repac.

Opgemerkt wordt dat in afwijking van de NEN5789 het fundatiemateriaal in de verschillende wegen is opgeboord in een gat met een doorsnede van 12 centimeter in plaats van 35 centimeter, met name vanwege fundatie opbouw is hier voor gekozen. Ter plaatste van deellocatie 13B, 26A, 27A en 31A (N271) is het proefgat wel opgeboord tot 35cm. Bij de interpretatie van de resultaten is hiermee rekening gehouden en aangenomen wordt dat het beeld hiermee afdoende is vastgesteld. Tijdens de visuele inspectie zijn enkele foto’s gemaakt, die zijn toegevoegd in bijlage 2. Op basis van de visuele inspectie kan worden geconcludeerd dat zintuiglijk geen onderverdeling (wel/geen asbestverdacht materiaal) van de locatie kan worden gemaakt. De uit de proefgaten/boringen vrijgekomen grond/materiaal is voor inspectie gezeefd (maaswijdte zeef 20 mm). De grove fractie van de uitgekomen grond/materiaal is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen.

MA200271.013.R02.V5.0

20 van 59

Vervolgens zijn van de grond en fundatiemateriaal diverse monsters samengesteld ten behoeve van de microscopische analyse van de fijne fractie conform NEN 5898. Selectie heeft met name plaatsgevonden op basis van de bijmengingen en geografische dekking.

MA200271.013.R02.V5.0

21 van 59

4 Toetsingskader 4.1 Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan de streefwaarden (S) voor grondwater, de interventiewaarden (I) voor grond en grondwater uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De streefwaarden voor grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire bodemsanering en Besluit bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen.

In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: •

Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde).

•

Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”- en interventiewaarde.

•

Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.

4.2 Toetsingskader waterbodem De analyseresultaten zijn getoetst aan het referentiekader uit het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit (tabel 1 en 2 bijlage B). Op basis hiervan is vastgesteld of de baggerspecie in aanmerking komt voor hergebruik dan wel toepassen of verspreiden in oppervlaktewater. Daarnaast wordt hiermee getoetst aan de interventiewaarde bodem onder oppervlaktewater. Op de waterbodemmonsters zijn de volgende toetsingen uitgevoerd: • Beoordeling kwaliteit van grond en bagger bij toepassing op of in de bodem (T1). • Beoordeling kwaliteit van bagger en ontvangende bodem bij toepassing in een oppervlaktewaterlichaam (T3). • Beoordeling kwaliteit van bagger bij verspreiden op een aangrenzend perceel (landbodem) (T5). • Beoordeling kwaliteit van baggerspecie bij GBT op landbodem (emissietoetswaarde) (T9). • Beoordeling kwaliteit van baggerspecie bij GBT in oppervlaktewaterlichamen (emissietoetswaarde) (T11).

MA200271.013.R02.V5.0

22 van 59

4.3 Handelingskader PFAS en INEV De analyseresultaten van de stofgroep PFAS zijn getoetst aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem danwel in oppervlaktewater) uit het handelingskader (HK). De volledige toetsingen van de analyseresultaten zijn opgenomen in bijlage 4. Op 13 december 2021 is het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie geactualiseerd en is nu het Handelingskader PFAS . De normen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Voor de details wordt verwezen naar het Handellingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (versie december 2020).

Voor de buitendijkse gebieden geldt dat bij het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewaterlichamen, met inbegrip van grootschalig toepassen, in ophogingen als bedoeld in artikel 35, onder d, Bbk, wordt onderscheid gemaakt tussen toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam (categorie 4.8.1 in de tabel) en toepassen in

MA200271.013.R02.V5.0

23 van 59

een ander oppervlaktewaterlichaam (categorie 4.8.2 in de tabel). Categorie 4.8.2 in de tabel bevat daarnaast toepassingswaarden voor verspreiden van baggerspecie in situaties waarin dit - anders dan bij categorie 4.7 – niet gaat om stroomafwaarts gelegen oppervlaktewateren met een natuurlijke verspreiding van sediment, dat wil zeggen verspreiden van baggerspecie in andere niet-sedimentdelende oppervlaktewaterlichamen. Als de baggerspecie binnen hetzelfde oppervlaktewaterlichaam (zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts) wordt toegepast waaruit het is vrijgekomen (categorie 4.8.1 in de tabel), kan er over het geheel genomen geen verslechtering optreden, omdat de baggerspecie alleen wordt verplaatst. Dergelijke toepassingen zijn daarom verantwoord. Wel dient bij uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen gedaan te worden om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een niet-representatieve verontreiniging, dat wil zeggen een voor de watergang afwijkende waarde die het gevolg kan zijn van de aanwezigheid van een puntbron. Het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, is ongewenst omdat daarmee mogelijk een puntbronvervuiling verder wordt verspreid.

Voor het in een ander niet-sedimentdelend oppervlaktewaterlichaam verspreiden van baggerspecie of het in een ander oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie (categorie 4.8.2 in de tabel), wordt onderscheid gemaakt naar rijkswateren en regionale wateren. Hierbij geldt voor grond dezelfde toepassingswaarde als voor baggerspecie. De kwaliteit van de toe te passen grond en baggerspecie moet daarbij tenminste voldoen aan de toepassingswaarde zoals genoemd in de tabel onder 4.8.2 om ervoor te zorgen dat de kwaliteit in deze gebieden niet achteruit gaat. Bij het toetsen van de stofgroep PFAS aan de toepassingsnormen uit het Handelingskader (HK) hoeft bij een organisch stofpercentage tot 10% geen bodemtypecorrectie toegepast te worden. Als het organisch stofpercentage tussen 10% en 30% is gelegen, wordt wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat voor onderhavige (water)bodemmonsters geldt dat het organische stof percentage kleiner dan 10% is. Daarnaast zijn de analyseresultaten van de stofgroep PFAS getoetst aan de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV’s) opgesteld door het RIVM (RIVM, 15 december 2022).

4.4 Besluit en Regeling bodemkwaliteit Voor niet-vormgegeven bouwstoffen (repac e.d.) is het toetsingskader van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In het geval van een niet-vormgegeven bouwstof zijn de analyseresultaten tevens (indicatief) getoetst aan de maximale samenstellingswaarden voor organische parameters zoals vermeld in bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit.

MA200271.013.R02.V5.0

24 van 59

4.5 Asbest in bodem/puin De resultaten van het asbestonderzoek zijn getoetst aan de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering 2013 (versie 1 juli 2013), dan wel aan de maximale samenstellingswaarden voor niet vormgegeven bouwstoffen uit het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. In zowel de Circulaire, als het Beluit en Regeling, wordt als interventiewaarde een gehalte van 100 mg/kg d.s. gehanteerd. Het gehalte asbest wordt berekend uit het gewogen serpentijnasbestgehalte vermeerderd met 10 maal het amfiboolgehalte. Indien het (maximale) asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest

4.6 Asfalt Indien het asfalt een PAK-10 gehalte bevat van minder dan 75 mg/kg d.s. wordt dit geclassificeerd als nietteerhoudend en dan kan dit warm in asfaltmengsels worden herverwerkt. Indien het asfalt een PAK-10 gehalte heeft van meer dan 75 mg/kg d.s. wordt dit geclassificeerd als teerhoudend en mag het asfalt niet worden hergebruikt. De teerhoudendheid is onderhavig onderzoek alleen bepaald op basis van de PAK-marker, waarbij boven de 250 mg/kg ds de laag als teerhoudend wordt beschouwd.

4.7 Veiligheidsmaatregelen CROW 400 Bij eventuele graafwerkzaamheden dient rekening gehouden worden met de veiligheidsvoorschriften en Arbowetgeving voor grondwerk en bodemsanering. Indien een veiligheidsklasse van toepassing is dient de aannemer vóór aanvang van het werk een (beknopt) V&G-plan uitvoeringsfase op te stellen, welke onderdeel uit kan maken van het veiligheidsplan voor het gehele civiele werk. Het bepalen van de veiligheidsklassen heeft plaatsgevonden conform de CROW Publicatie 400 (werken in of met verontreinigde grond), de 2e gewijzigde druk: december 2017. Bij het bepalen van de veiligheidsklasse zijn de hoogst verkregen waarden van de geanalyseerde parameters gehanteerd. Ten aanzien van de berekeningen wordt vermeld dat het een indicatie geeft van de betreffende gezondheidsrisico's. Bij werkzaamheden waarbij mogelijke blootstelling aan toxische stoffen mogelijk is wordt geadviseerd contact op te nemen met een deskundige zoals omschreven in module 5 “eisen aan de deskundigheid” van CROW-publicatie 400, 2e gewijzigde druk, december 2017. De aannemer is verantwoordelijk voor de veiligheidsmaatregelen die hij bij de werkzaamheden voor zijn personeel doorvoert.

MA200271.013.R02.V5.0

25 van 59

5 Resultaten asfalt en fundatie 5.1 Veldwerk asfalt

De asfaltkernen zijn voorzien van een barcode en verstuurd naar het laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. de gaten in het asfalt zijn gedicht met koud asfalt. De ligging van de kernen is conform CROW publicatie 210 met een nauwkeurigheid van 20 centimeter vastgelegd. De locaties van de asfaltboringen zijn aangegeven op de situatietekening die als bijlage 7 is toegevoegd.

5.2 Dikte asfalt De dikte van het asfalt ter plaatse van de verschillende deellocaties is aangegeven in onderstaande tabel. Met het bijbehorende oppervlakte en de gemiddelde dikte is de hoeveelheid vrijkomend asfalt bij benadering in m3 en in tonnen berekend. Tabel 5.1: Overzicht dikte asfalt en berekende hoeveelheid vrijkomend asfalt (m3 en ton) Deellocatie Weg Gemiddelde dikte Oppervlak (m2) asfalt (m) 5A 8A 13B 15A 19A

Boerenweg Maasstraat Kruisweg Broekhuizerweg Parkeerterrein Maasstraat to huisnummer 144 Broekhuizerweg Parkeerterrein Spar Schans N271

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20168