076rv+rb Vaststelling Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022.pdf
Tekst van het document
Kwaliteitseisen voor aanbieders Deze bepaling is een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
1788135
34
Raadsbesluit
De wetgever legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. Het Kabinet benadrukt in de Memorie van Toelichting ten aanzien van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3), dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid is een algemene bepaling opgenomen. Bij verordening wordt aangehaakt bij de minimale wettelijke kwaliteitseisen en in de praktijk dienen ook bestaande kwaliteitsstandaarden te worden toegepast.
1788135
35
Raadsbesluit
Artikel 16. Bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen. In de Wmo is de bevoegdheid voor het college opgenomen om een toezichthouder aan te wijzen die belast is met toezicht op de naleving van de Wmo, waaronder ook toezicht op rechtmatigheid. De sociale recherche is voor de gemeente Venlo al aangewezen als toezichthouder rechtmatigheid Wmo. Voor het toezicht op de kwaliteit is door de NoordLimburgse gemeenten gezamenlijk een toezichthouder aangesteld. Voor Beschermd Wonen wordt door de gemeenten van Noord en Midden Limburg een toezichthouder aangesteld. In de Jeugdwet is het toezicht op de kwaliteit belegd bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; het toezicht op de rechtmatigheid is een bevoegdheid van de gemeente zelf. In de Jeugdwet is niet vastgelegd hoe de gemeente het toezicht op rechtmatigheid moet vormgeven. Hierin heeft de gemeente beleidsvrijheid. Steeds meer gemeenten in het land wijzen daarvoor een toezichthouder aan. De Awb geeft de mogelijkheid om een toezichthouder aan te wijzen, als dit is geregeld bij een wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb en verder). Inmiddels is in regionaal verband overeengekomen, dat deze taak belegd wordt bij de sociale recherche, die deze taken al uitvoert in het kader van de Participatiewet. Artikel 16 geeft het college de bevoegdheid om een toezichthouder rechtmatigheid Jeugdwet aan te wijzen.
Bestrijding van misbruik en fraude begint natuurlijk met preventie: voorkómen dat misbruik of fraude wordt gepleegd. Belangrijk is, dat gebruikers van voorzieningen goed geïnformeerd worden over de rechten en plichten die daarmee samenhangen. Dit is in dit artikel ook nog eens nadrukkelijk geregeld. Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld In dit artikel is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudende ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015. Dit artikel bepaalt dat het college bij nadere regeling eisen opstelt over het doen van meldingen van calamiteiten en geweld. Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit, levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015 door derden laten verrichten. Dit is in overeenstemming met artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet en artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo 2015.
Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering of een voorziening in het kader van de Wmo 2015 gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015). Daarbij kan worden gedacht aan de deskundigheid van de beroepskrachten. Er is voor een algemene bepaling gekozen gelet op omdat dit aansluit bij het proces van inkoop van de maatwerkvoorzieningen en de gedachte van een procesverordening. Dat
1788135
36
Raadsbesluit
maakt een delegatiebepaling nodig zodat het college bij nadere regeling nadere en aanvullende eisen kan opnemen die ook bij het aangaan van nieuwe contracten of subsidierelaties dienen te worden gehanteerd. Daarbij kan worden gedacht aan criteria over bijvoorbeeld het benoemen van aard en omvang van te verrichten werkzaamheden, aandeel van overheadkosten, kosten voor bijscholing en eventuele extra werkzaamheden die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd. Uitgangspunt is hoe dan ook dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. De werkzaamheden zullen moeten aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 19. Klachtenregeling De gemeente is al op grond van de Awb verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Er is al voorzien in een klachtenregeling voor de gemeente. Daarom is er in deze verordening geen (nieuwe) voorziening voor getroffen en kan worden volstaan met de bestaande gemeentelijke klachtenregeling. Dit artikel ziet op het behandelen van klachten door aanbieders van maatwerkvoorzieningen. Daaronder worden geacht te worden verstaan zowel aanbieders die via inkoop als via een subsidierelatie zijn gecontracteerd.
Voor de klachtmogelijkheid tegenover aanbieders van jeugdhulp is overigens ook al een en ander geregeld in artikel 4.2.1 en verder van de Jeugdwet. Wanneer dit klachtrecht niet toereikend is, of niet logisch, dan dient te worden bezien of de gemeentelijke klachtenregeling van toepassing is. In de Wmo 2015 is in artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, een verplichting opgenomen dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoners is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). Er wordt voor gekozen een klachtregeling bij deze verordening te beperken tot aanbieders van maatwerkvoorzieningen. Aanbieders van algemene voorzieningen kunnen ook vrijwilligersorganisaties zijn en geoordeeld kan worden dat het stellen van een eis van klachtafhandeling in dit geval erg verregaand is. Deze keuze laat onverlet dat algemene vereisten die de wet stelt aan aanbieders van algemene voorzieningen onverminderd van toepassing zijn. Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren.
Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Dat dient onafhankelijk plaats te vinden zodat de belangen van betrokkene zo goed mogelijk gewaarborgd zijn. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. In dit artikel wordt gesproken over een procedure. Het is aan de aanbieders in welke vorm (gezamenlijk, extern of anderszins) zij dit inregelen. Dit artikel heeft slechts betrekking op aanbieders van maatwerkvoorzieningen.. Artikel 20. Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen over inspraak en medezeggenschap gecombineerd. Inspraak heeft betrekking op het gemeentelijke beleid en medezeggenschap heeft betrekking op het (zorginhoudelijke) beleid dat aanbieders voeren.
1788135
37
Raadsbesluit
Het eerste lid geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In dit lid wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het beleid voor zowel jeugdhulp als maatschappelijke ondersteuning. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Voor deze wettelijke vereisten rondom inspraak zijn de Inspraakverordening en de Inspraakverordening Sociaal Domein van de gemeente Venlo onverkort van toepassing. Deze laatste heeft betrekking op cliëntenparticipatie in de vorm van de Adviesraad Sociaal Domein Venlo. In het eerste lid kan daarom worden volstaan met een verwijzing naar artikel 150 van de Gemeentewet. Het is aan het college om invulling te geven aan de Gemeentewet, de Jeugdwet, de Wmo 2015 en de Participatiewet door alle doelgroepen vertegenwoordigd te laten zijn in dit adviesorgaan. Op die manier kunnen betrokkenen en hun vertegenwoordigers in een vroeg stadium adviseren over voorstellen voor het beleid en periodiek overleg voeren over het te voeren beleid.
Voorheen moesten aanbieders voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder al verwezenlijkt via de cliëntenraad. In de Wmo 2015 is in artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, opgenomen dat bij verordening moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van betrokkenen over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. Daaraan wordt in het tweede lid uitvoering gegeven. In artikel 2.10 Jeugdwet (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid (inspraak en medezeggenschap), en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard voor de Jeugdwet. Wel zijn in artikel 4.2.4 en verder van de Jeugdwet aanvullende bepalingen opgenomen over het instellen van een cliëntenraad door gecertificeerde instellingen. De Wmo 2015 biedt gemeenten hierin meer vrijheid en kan eveneens bepalen voor welke instellingen dit geldt.
In het tweede lid is afstemming gezocht met artikel 4.2.4 tot en met 4.2.12 Jeugdwet, die bepalen dat medezeggenschap geldt voor aanbieders en gecertificeerde instellingen met in de regel meer dan tien personen in dienst. Op die manier wordt er geen verschil gemaakt tussen jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning. Het is aan de aanbieder om te bezien in welke vorm (gezamenlijk of anderszins) dit geregeld wordt mits zij het wettelijk kader volgen. Via deze bepaling worden de belangen van betrokkenen zo goed mogelijk ondervangen. Het tweede lid impliceert bovendien dat aanbieders met minder dan tien personen in dienst niet verplicht zijn om een regeling voor medezeggenschap te treffen. Dat is ter eigen beoordeling. Artikel 21. Nadere regels en hardheidsclausule Hoewel in de verordening al diverse delegatiebepalingen zijn opgenomen, is uit het oogpunt van flexibiliteit toch nog een algemene delegatiebepaling opgenomen in het eerste lid. Het college zal er niet aan ontkomen, juist omdat het in de wetgeving om maatwerk gaat, om zelfs na een zorgvuldig gemaakte afweging alsnog te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Omdat het gaat om zeer persoonlijke
1788135
38
Raadsbesluit
beoordelingen is de verwachting dat dit beperkt voorkomt. Als desondanks toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule in het tweede lid een vangnet. Als hier te vaak een beroep op wordt gedaan verdient het aanbeveling om te bezien of het beleid alsnog moet worden aangepast. In de tussentijd heeft het college bovendien via het derde lid de mogelijkheid om, indien niets is geregeld bij verordening en hogere wet- en regelgeving, ter zake te beslissen. Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht Het vierde lid regelt het overgangsrecht voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het tweede lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het derde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan, tenzij toepassing van deze verordening gunstiger is voor de bezwaarmaker. Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel De verordening treedt in werking per 1 januari 2022.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 22 december 2021 . De griffier
De voorzitter
Geert van Soest
Antoin Scholten
1788135
39