CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

076rv+rb Vaststelling Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022.pdf

Oordeelsvormende raadsvergadering 8 december 2021, gemeente VenloBij agendapunt: 5.c: 20.35 - 20.55 uur Vaststelling Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2022 (RV 2021–76)20.400 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

qnh_zaaknummerqnh_Berichtnummer

Raadsvoorstel

GEMEENTEBESTUUR

raadsnummer 2021

ons kenmerk 1788135

collegevergadering d.d. raadsvergadering d.d. programma portefeuillehouder

76 16 november 2021 22 december 2021 Gezond en actief Venlo F. Schatorjé

team RGMAOZ steller E.F. van Brakel doorkiesnummer +31 653520010 e-mail e.vanbrakel@venlo.nl datum 3-11-2021 bijlage(n) 3 datum verzonden

Onderwerp Vaststelling Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022

Advies Hierbij stellen wij u voor om de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022, conform bijgevoegd besluit, vast te stellen. Met de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022 worden aan uw raad een aantal wijzigingen voorgesteld die voortvloeien uit het regionale programma Sturing en Inkoop en de aanbesteding Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang.

Aanleiding Uw raad is op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en de Jeugdwet bevoegd om de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022 vast te stellen en aan te passen. In het kader van het programma Sturing en Inkoop en de regionale inkoop van de voorzieningen van Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang wordt er gewerkt aan een regionaal uniforme werkwijze voor de toegang. Voor de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2022 zijn regionale ‘baseline teksten’ voor de jeugdhulp en Wmo aangeleverd. Voor een deel zijn dit nieuwe artikelen die toegevoegd worden aan de Verordening en deels zijn het ‘regionale’ teksten ter vervanging van de lokale teksten om zo te komen tot regionale uniformiteit in de uitvoering. Door de regionale werkgroep Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang zijn eveneens regionale ‘baseline teksten’ aangeleverd. De Verordening is aangepast op basis van de regionale ‘baseline teksten’. Vanwege de vele wijzigingen is er gekozen voor een nieuwe verordening in plaats van een gewijzigde verordening. Zie bijlage 1 voor de Verordening met gemarkeerde wijzigingen. Daarnaast regelen we in de Verordening de wijziging in het proces van de aanvraag van een woningaanpassing. Hiermee beogen we het proces voor inwoners te vereenvoudigen.

Raadsvoorstel

Beoogd effect De nieuwe Verordening vormt te basis voor een uniforme werkwijze in Venlo en de regio.

Argumenten Uw raad wordt voorgesteld om de Verordening vast te stellen, waarin op hoofdlijnen de volgende wijzigingen zijn doorgevoerd: Wmo • Nieuw artikel 2 Aanbod algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Hierin benoemen we de trajecten Wmo Sturing en Inkoop en overige algemene en maatwerkvoorzieningen Wmo. • Aangepast artikel 4 Onderzoek op basis van een ondersteuningsvraag conform regionale tekst. • Aangepast artikel 6 Criteria voor een maatwerkvoorziening conform regionale tekst. • Aangepast artikel 8 Inhoud beschikking conform regionale tekst. • Aangepast artikel 9 Regels voor PGB conform regionale tekst. • Aangepast artikel 9 lid 8 De hoogte van een PGB voor een woningaanpassing. Het proces is voor de inwoner vereenvoudigd (lokaal). • Aangepast artikel 10 Bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen conform regionale tekst. • Aangepast artikel 22 Overgangsbepalingen conform regionale tekst. Jeugd • Nieuw artikel 2 Aanbod maatwerkvoorzieningen. Hierin benoemen we de trajecten Jeugd en overige voorzieningen jeugdhulp. • Nieuw artikel 5 Toegang niet via de gemeente. Hierin beschrijven we de route van rechtstreekse verwijzingen. • Aangepast artikel 9 Regels voor PGB conform regionale tekst. • Aangepast artikel 22 Overgangsbepalingen conform regionale tekst.

Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang • Aangepast artikel 9 Regels voor PGB conform regionale tekst. • Aangepast artikel 10 Bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen conform regionale tekst. Nadere toelichting: 1. Programma sturing en inkoop en aanbestedingen In het kader van het Programma Sturing en Inkoop zijn voor de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning regionale baseline teksten opgesteld. Hiermee beogen we een uniforme werkwijze in de regio te realiseren. Bij de regionale baseline teksten is gebruik gemaakt van de Modelverordeningen van de VNG voor de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. In de Modelverordening jeugdhulp en de Modelverordening maatschappelijke ondersteuning van de VNG worden in artikel 2 de algemene en maatwerkvoorzieningen benoemd. De gemeente Venlo hanteerde de Modelverordeningen van de VNG niet; hiermee is artikel 2 een nieuw artikel in de Verordening. In artikel 2 worden de trajecten jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning benoemd, evenals de overige voorzieningen voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Hiermee geven we voor inwoners inzicht in de algemene

1788135

2

Raadsvoorstel

en maatwerkvoorzieningen van de gemeente Venlo. Inherent hieraan worden in artikel 10 van de Verordening de kosten (eigen bijdrage) voor inwoners voor de algemene en maatwerkvoorzieningen benoemd. In artikel 8 (Inhoud van de beschikking) is nieuw opgenomen dat het Plan van aanpak, dat de zorgaanbieder met de cliënt opstelt, wordt opgenomen in het cliëntdossier van de gemeente Venlo. In het Plan van aanpak wordt beschreven hoe de ondersteuning wordt gerealiseerd om de gestelde doelen te behalen. Het Leefzorgplan maakt in Venlo al onderdeel uit van de beschikking. In het Leefzorgplan wordt beschreven welke ondersteuning wordt geboden en welke doelen behaald moeten worden. Conform de regionale baseline teksten worden in artikel 9 (Regels voor het PGB) naast de algemene regels over het PGB ook de specifieke bepalingen voor het PGB voor de jeugdhulp en Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang benoemd. Hiermee bieden we inwoners een completer beeld van de PGB-voorwaarden. De overige regionale baseline wijzigingen voor de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning zijn van tekstuele aard omdat hierin de Modelverordeningen van de VNG zijn gehanteerd en betreffen geen inhoudelijke wijzigingen. 2.

Regels voor het persoonsgebonden budget Sinds 2019 wordt voor de bepaling van de hoogte van een voor een woningaanpassing onderscheid gemaakt in 3 categorieën woningaanpassingen: standaard, niet-standaard en zeer complex. Om het PGB voor niet-standaard woningaanpassingen te bepalen, moest de cliënt 2 offertes opvragen. Gebleken is dat dit in de praktijk voor inwoners erg belastend is. Daarom wordt voorgesteld om voortaan geen onderscheid meer te maken tussen standaard en niet-standaard. Voor beide categorieën geldt dat de hoogte van het PGB wordt bepaald aan de hand van een door het college vast te stellen prijslijst. Het college is voornemens een nieuwe prijslijst vast te stellen, waarmee de kosten van woningaanpassingen goed zijn te berekenen. In het huidige beleid geldt dat, indien het college geen passende voorziening in natura heeft gecontracteerd, de cliënt twee offertes opvraagt. Waarbij de goedkoopste geldt voor het bepalen van de hoogte van een PGB. Voor standaard aanpassingen en bij zeer complexe woningaanpassingen is een toepasselijker werkwijze nodig. Om daarbij eenduidigheid na te streven in de wijze waarop de hoogte van een PGB tot stand komt worden de volgende aanpassingen voorgesteld: o het hanteren van een prijslijst voor standaard woningaanpassingen. Deze werkwijze wordt veel toegepast bij andere (regio)gemeenten.

Uw raad wordt voorgesteld een prijslijst toe te passen voor het bepalen van de hoogte van een PGB bij (standaard) woningaanpassingen. Het is een bevoegdheid van het college om de prijslijst vast te stellen. o het inwinnen van bouwkundig advies en/of bijbehorend sociaal/medisch advies bij een gecontracteerde adviseur bij zeer complexe woningaanpassingen. En op basis van dit advies en/of bijbehorende kostencalculatie de hoogte van het PGB te bepalen. Deze beleidsaanpassingen bieden duidelijkheid aan de inwoner en hierdoor wordt het proces voor woonvoorzieningen efficiënter ingeregeld. Daarnaast biedt het meer grip op de

1788135

3

Raadsvoorstel

kosten. Daarbij dient een PGB toereikend te zijn om een maatwerkvoorziening te betalen (Verordening, artikel 8, lid 2 sub b). 3. Toegang niet via de gemeente Een groot deel (40-60%) van de jeugdhulp wordt ingezet na verwijzingen door anderen dan de gemeentelijke toegang. Het gaat hierbij om wettelijke verwijzers zoals huisartsen, jeugdartsen en medische specialisten of om organisaties die de inzet van jeugdhulp kunnen bepalen, zoals gecertificeerde instellingen. We kunnen deze verwijzingen en bepalingen niet weigeren: de jeugdhulp moet worden ingezet en de gemeenten ontvangen de rekening. We willen de verwijzingen ook niet weigeren omdat elke partij vanuit zijn eigen expertise naar beste inzicht verwijst en inwoners zelf de route kiezen die het beste bij hun past. Wél willen we invloed hebben op die verwijzingen en bepalingen.

We willen daarmee bereiken dat: - Aan de voorkant uitgebreid en vooral naar het hele gezin/systeem gekeken wordt zodat onze jeugdigen/gezinnen direct naar de goede ondersteuning worden verwezen; - Gekeken wordt naar andere inzet dan enkel professionele ondersteuning (wat kan het gezin zelf, wat kan het netwerk en van welke voorliggende voorzieningen kan gebruik gemaakt worden?); - Geen onnodig dure of onnodige stapeling van voorzieningen worden/wordt ingezet vanuit het oogpunt van financiële houdbaarheid; - Gebruik gemaakt wordt van het aanbod dat gemeenten hebben gecontracteerd (alleen andere aanbieders buiten het gecontracteerde aanbod inzetten als dat echt nodig is vanwege ontbrekend aanbod/ontbrekende expertise of te lange wachttijden); - De samenwerking tussen verwijzers en de gemeentelijke toegang wordt versterkt zodat deze partijen elkaar vertrouwen en beter weten te vinden om snel te kunnen schakelen in het belang van de jeugdige/het gezin. Bij sommige aanbieders van jeugdhulp werken medisch specialisten of jeugdartsen. Zij mogen verwijzen naar jeugdhulp. Daarbij kunnen zij ook naar zichzelf verwijzen. Vanuit het oogpunt van het voorkomen van mogelijke belangenverstrengeling vinden we deze ‘zelfverwijzingen’ niet passend bij het jeugdhulpstelsel dat wij voor ogen hebben.

De aanbieders waarmee wij een contract hebben om behandeling te bieden, hebben verklaard te voldoen aan de eis dat zij handelen vanuit de visie van gemeenten.

Kanttekeningen Financiën De financiële effecten van de Verordening zijn opgenomen in de Programmabegroting 2022-2025.

1788135

4

Raadsvoorstel

Juridisch risico Het integrale juridisch advies luidt als volgt: “Resultaatgericht beschikken is niet in overeenstemming met uitspraken van de Centrale Raad van Beroep omdat onvoldoende rechtszekerheid wordt geboden aan cliënten. In het geval bezwaar wordt gemaakt kan het in lijn met deze jurisprudentie liggen dat bezwaren gegrond moeten worden verklaard met daarbij een mogelijke vergoeding van de kosten van bezwaar. Het resultaatgericht werken is enkele jaren geleden beleidsmatig opgepakt en het voornemen tot verdere uitrol ervan, is mede ingegeven door een positieve grondhouding van het rijk. Deze grondhouding heeft echter niet geleid tot een tijdige aanpassing van de wet onder meer door de val van het kabinet. Dit dilemma maakt het vanuit beleidsmatig oogpunt voorstelbaar dat thans toch voorgesteld wordt de gemeentelijke regelgeving alvast aan te passen” Ad waarborg in Verordening van activiteiten en frequentie. Het college heeft op 07-07-2020 het besluit genomen, in lijn met de visie binnen S&I, om voor de jeugdhulp en de Wmo resultaatgericht te gaan indiceren. Vanwege de demissionaire status van het Kabinet is de wetswijziging ‘resultaatgericht werken’ nog niet ingediend. Het gevolg is dat er nog geen juridische grondslag is voor het resultaatgericht indiceren en deze wijze van werken gelet op jurisprudentie in rechte niet houdbaar is.

Het is mogelijk dat inwoners bezwaar gaan maken en in de indicatie een urenverantwoording willen. Dit risico speelt vooral bij ‘Hulp bij het Huishouden’.” We nemen de volgende beheersmaatregelen: - Indien inwoners in beroep gaan, wordt de volgende beheersmaatregel genomen: bij de beschikking van Hulp bij het Huishouden wordt naast het Leefzorgplan ook het Plan van aanpak van de aanbieder bijgevoegd zodat de burger kan zien hoe de ondersteuning eruit komt te zien. Voor Wmo begeleiding wordt het plan van aanpak later aangeleverd door de aanbieder. Indien de burger bezwaar wil maken gaan we in overleg en kan er zo nodig een beschikking met uren worden afgegeven. - Op dit moment bestaat geen inzicht in de situatie of, en zo ja hoeveel, bezwaarschriften worden ingediend, en is ook geen inschatting te maken van de eventuele ambtelijke capaciteit die hiermee is gemoeid. De Adviesraad Sociaal Domein Venlo heeft positief advies uitgebracht op de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022 en daarbij een aantal aanbevelingen gedaan. De adviesbrief van de Adviesraad is bijgevoegd (bijlage 2).

Vervolgprocedure raad Uw raad wordt bij de beslismomenten van de P&C-cyclus geïnformeerd over de ontwikkelingen.

1788135

5

Raadsvoorstel

Burgemeester en wethouders van Venlo de secretaris

de burgemeester

Twan Beurskens

Antoin Scholten

Bijlagen Nr. 1. 2. 3.

Naam Concept Verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022 met gearceerde wijzigingen Advies van de Adviesraad Sociaal Domein Venlo Antwoordbrief aan de Adviesraad Sociaal Domein Venlo

1788135

Datum 03 november 2021 25 oktober 2021 27 oktober 2021

6

Raadsbesluit Onderwerp raadsnummer 2021 raadsvergadering d.d.

GEMEENTEBESTUUR Vaststelling Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2022 76 22 december 2021

team RGMAOZ steller E.F. van Brakel doorkiesnummer +31 653520010 e-mail f.vanbrakel@venlo.nl datum 3-11-2021

De raad van de gemeente Venlo; gelezen het voorstel van het college van13 november 2021, registratienummer 1788135; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; gezien het advies van; overwegende dat; besluit(en) vast te stellen: De Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022.

Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022 Intitulé Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022 De raad van de gemeente Venlo; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 november 2021; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015); overwegende dat: - burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; -

van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

-

burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn, onvoldoende in staat zijn tot participatie of begeleiding nodig hebben bij het zelfstandig kunnen wonen, een beroep moeten kunnen doen op

Raadsbesluit

ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; -

de gemeente per 2015 de verantwoordelijkheid heeft voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders/verzorgers en de jeugdige zelf ligt;

-

het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening c.q. maatwerkvoorziening, evenals de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van voorzieningen wordt afgestemd met andere voorzieningen;

-

het noodzakelijk is om regels op te stellen over het vaststellen van de hoogte van een persoonsgebonden budget, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een voorziening of een persoonsgebonden budget, evenals misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

-

het noodzakelijk is om richtlijnen vast te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van hulp, ondersteuning of zorg en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

-

het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden met betrekking tot de hoogte van het bedrag degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de hulp, ondersteuning of zorg kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociaal netwerk;

-

het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.9 van de Jeugdwet en 2.1.2 van de Wmo 2015 met betrekking tot de resultaatgebieden en doelgroepen die bij wet aan de gemeente worden toevertrouwd;

-

het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Venlo 2022. Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. b. c.

aanvraag: een verzoek tot het toekennen van een maatwerkvoorziening; acute opvang: opvangvoorziening voor spoedeisende gevallen waarbij het college onverwijld in afwachting van het onderzoek opvang ter beschikking stelt; algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet specifiek is bedoeld voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;

1788135

2

Raadsbesluit

d.

algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Hieronder worden in deze verordening tevens verstaan de overige voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.9 Jeugdwet; e. beschermd wonen: ° wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving; én, ° de begeleiding wordt planbaar en onplanbaar (24 uur per dag) geboden op gevraagde en ongevraagde momenten, zodat er goed kan worden ingespeeld op de (al dan niet geëxpliceerde) zorgvraag van de cliënt; f. budgetbeheerder: degene die namens de budgethouder het persoonsgebonden budget beheert; g. budgetplan: plan van de budgethouder waarin vermeld staat welke ondersteuning wordt ingekocht en welke bedragen per zorgverlener wordt besteed.

Een budgetplan wordt ingediend na ontvangst van een indicatie h. cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt of door of namens wie een melding of aanvraag is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, Wmo 2015. Hieronder wordt in deze verordening tevens verstaan de jeugdige of ouder zoals opgenomen in artikel 1.1 Jeugdwet; i. collectieve voorziening: een maatwerkvoorziening die collectief kan worden ingezet ten behoeve van personen die voor deze voorziening een indicatie hebben; j. eigen bijdrage: bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 onder b Wmo 2015; k. leefzorgplan: plan dat in overleg met de cliënt is opgesteld, dat de uitkomsten bevat van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Dit dient tevens als verslag zoals bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de Wmo 2015 en kan een aanvraag tot het toekennen van een maatwerkvoorziening bevatten; l. maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van (professionele) hulp, diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen, beschermd wonen, opvang en andere maatregelen, in de vorm van zorg in natura of een persoonsgebonden budget, ten behoeve van te bereiken resultaten zoals gedefinieerd in artikel 1.1.1 Wmo 2015.

Hieronder worden in deze verordening tevens verstaan de individuele voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1 Jeugdwet; m. ondersteuningsvraag: I. een aanvraag voor hulp of ondersteuning van een jeugdige of zijn vertegenwoordiger(s) in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, lid 1, Jeugdwet, of II. een melding voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, lid 1, Wmo 2015; n. onderzoek: onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 4 Jeugdwet en 2.3.2 lid 4 Wmo; o. pgb: persoonsgebonden budget, zijnde een door het college ter beschikking gesteld bedrag waaruit betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren

1788135

3

Raadsbesluit

p.

q. r. s. t. u.

en die een cliënt van derden heeft betrokken, als bedoeld in artikel 8.1.1 Jeugdwet en artikel 1.1.1 Wmo 2015; plan van aanpak: het plan van aanpak per cliënt dat in overleg tussen de zorgverlener en de cliënt is opgesteld waarin wordt aangegeven welke (maatschappelijke) ondersteuning wordt geboden om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan; sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; sport: het beoefenen van een sport in verenigings- of clubverband dan wel individueel, niet zijnde professionele sportbeoefening; traject: een tijdsduur waarbinnen de cliënt maatschappelijke ondersteuning ontvangt van de zorgverlener om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan; vaste bijdrage: bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen zoals bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 onder a Wmo 2015; winteropvang: een algemene voorziening voor opvang welke wordt opengesteld door de opvanginstelling zodra de koude- en/of winterregeling van kracht wordt.

Artikel 2. Aanbod algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen 1. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a. een maaltijdvoorziening die wordt aangeboden tijdens de dagbesteding b. open inloop c. nachtopvang d. collectief vervoer (buurtbus) e. algemene voorzieningen in de sociale basis 2. De volgende maatwerkvoorzieningen Wmo zijn in ieder geval beschikbaar: a. Beschermd wonen b. Maatschappelijke opvang c. Traject volwassenen met een complexe en meervoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding en dagbesteding) d. Traject volwassenen met een kortdurende en enkelvoudige ondersteuningsvraag (individuele begeleiding) e. Traject volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag (individuele ondersteuning en dagbesteding) f. Traject volwassenen met ouderdomsproblematiek (individuele begeleiding en dagbesteding) g. Traject hulp bij het huishouden h. Logeren i. Hulpmiddelen j. Woningaanpassingen k. Collectief vraagafhankelijk vervoer 3. De volgende maatwerkvoorzieningen jeugd zijn in ieder geval beschikbaar: a. Opname vervangende behandeling en verblijf met behandeling b. Wonen: i. Pleegzorg ii Gezinshuizen iii Zelfstandig wonen training iv Kleinschalige woongroepen v Logeren

1788135

4

Raadsbesluit

c. Dagbesteding / dagbehandeling: i. Ernstig meervoudige beperking en opgroeiproblematiek ‘het jonge kind’ ii. Terug naar school iii. Duurzame daginvulling d. Ambulante hulp: i. Ambulant duurzaam en perspectief 1 + 2 ii. Jeugd-GGZ iii. Ernstig Enkelvoudige Dyslexie e. Jeugdbescherming; f. Jeugdreclassering; g. Jeugdzorgplus; h Beschermd wonen (17+) i. Vervoer. Artikel 3. Toegang tot hulp en ondersteuning 1. Een ondersteuningsvraag wordt door of namens de cliënt schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal bij het college ingediend. 2. Indien de ondersteuningsvraag, zoals bedoeld in lid 1, een persoonlijke mondelinge of telefonische aanvraag betreft in de zin van de Jeugdwet, dan wordt deze op schrift gesteld. 3. De ontvangst van de ondersteuningsvraag, zoals bedoeld in lid 1, wordt schriftelijk of digitaal bevestigd. 4. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk zonder voorafgaande ondersteuningsvraag of onderzoek. Artikel 4. Onderzoek op basis van een ondersteuningsvraag 1. Een gesprek met de cliënt en indien van toepassing zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger(s) zijn familie en/of een onafhankelijke cliëntondersteuner, maakt deel uit van het onderzoek dat plaatsvindt naar aanleiding van een ondersteuningsvraag. Op verzoek van de cliënt of diens vertegenwoordiger kan een derde deelnemen aan dit gesprek, indien hiertegen geen bezwaar bestaat. 2.

In afwijking van lid 1 kan het college na het raadplegen van de cliënt of zijn vertegenwoordiger, indien daar aanleiding toe is, een gemotiveerde keuze maken om geen onderzoek uit te voeren. 3. De cliënt, en indien van toepassing zijn vertegenwoordiger, wordt tijdig, in elk geval tijdens het gesprek, geïnformeerd over de procedure en zijn rechten en plichten, zoals deze zijn vastgelegd in de Jeugdwet en de Wmo 2015. 4. Een weergave van het gesprek zoals bedoeld in lid 1 wordt, inclusief eventuele gemaakte afspraken, vastgelegd in het leefzorgplan. 5. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college, door middel van een door de cliënt ondertekend leefzorgplan als bedoeld in artikel 1. 6. Het college werkt bij nadere regeling met inachtneming van het bepaalde in de Jeugdwet en de Wmo 2015 verder uit op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

1788135

5

Raadsbesluit

Artikel 5. Toegang tot jeugdhulp niet via de gemeente 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. 2. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp-inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3. De in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde instellingen en functionarissen stellen het college in kennis van hun verwijzing naar een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2, derde lid. 4. De huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts kan alleen verwijzen naar een jeugdhulpaanbieder die een contract of subsidierelatie met de gemeente heeft. 5.

Bij een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts moet de jeugdhulpaanbieder, als en voor zover deze van oordeel is dat de inzet van jeugdhulp nodig is, in contact treden met het college over de in te zetten jeugdhulp. 6. De verplichting in lid 5 is niet van toepassing wanneer er sprake is van spoedeisende gevallen of crisissituaties zoals bedoeld in artikel 7.2.6 Jeugdwet en artikel 2.3.3 Wmo 2015. 7. Het vijfde lid is ook van toepassing bij jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp-inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 8. Het college kan een protocol opstellen waarin voorwaarden worden opgenomen over de (afstemming over) door de jeugdhulpaanbieder in te zetten jeugdhulp en de daarmee te behalen doelen. 9.

Uitvoering van de jeugdhulp als bedoeld in het zesde lid vindt plaats door een jeugdhulpaanbieder die een contract of subsidierelatie met de gemeente heeft. 10. De jeugdhulpaanbieder voorkomt alle (schijn van) belangenverstrengeling rondom verwijzingen en hulpverlening. Daaronder worden in elk geval verstaan zelfverwijzingen en intercollegiale verwijzingen. De jeugdhulpaanbieder moet in die gevallen in contact treden met het college over de in te zetten jeugdhulp. 11. Bij verwijzing naar een organisatie/partij/persoon die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, is de gemeente niet gehouden de jeugdhulp te vergoeden.

1788135

6

Raadsbesluit

Artikel 6. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens de cliënt ingediend bij het college. 2. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor zover de cliënt de problemen of beperkingen zoals omschreven in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet en artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015 niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht, en/of b. indien het een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo betreft, met gebruikelijke hulp, en/of met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk,en/of met gebruikmaking van algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen. 3. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 benoemde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de client in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven 4.

Een client met psychische of psychosociale problemen en een client die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de client deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 genoemde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de client aan beschermd wonen of maatschappelijke opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de client in staat wordt gesteld om zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 5. Een client komt enkel in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor zover: a. hiermee naar het oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de client in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven, en b.

het betreft een van de volgende voorzieningen: 1e tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing; 2e een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik of de aanschaf van een aangepast vervoermiddel, de voorwaarden hiervoor worden in de nadere regels vastgelegd 3e een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is .6. Het leefzorgplan zoals genoemd in artikel 4, lid 4, wordt gebruikt ter motivering van het besluit op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. 7. Als van een maatwerkvoorziening voor maatschappelijke ondersteuning meerdere varianten als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopste passende voorziening. 8. Een maatwerkvoorziening gericht op zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving kan worden toegekend in de vorm van zorg in natura, pgb of een financiële tegemoetkoming in de kosten van een verhuizing van maximaal € 3.000. 9. Het college kan bij nadere regeling aanvullen op basis van welke criteria en te bereiken resultaten een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

1788135

7

Raadsbesluit

Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening voor maatschappelijke ondersteuning 1. Er wordt in ieder geval geen maatwerkvoorziening verstrekt: a. indien de aanvraag betrekking heeft op kosten of een voorziening die de cliënt voorafgaand aan de ondersteuningsaanvraag of de beschikking heeft geaccepteerd, gemaakt of gerealiseerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; b. indien de noodzaak tot een maatwerkvoorziening niet is vast te stellen doordat de cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de wettelijke informatieverplichtingen waaronder artikel 2.3.2, lid 7, Wmo 2015; c. wanneer er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. 2. Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd: a. indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 2.3.10 eerste lid onderdeel a, d en e van de Wmo 2015, dan wel indien voldoende aannemelijk is dat een dergelijke herzienings- of intrekkingsgrond zich voordoet dan wel op korte termijn zal voordoen; b. indien de noodzaak tot een maatwerkvoorziening niet is vast te stellen doordat de cliënt of diens huisgeno(o)t(en) niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen van deze verordening; c.

voor zover de aanvraag betrekking heeft op een maatwerkvoorziening die al eerder aan de cliënt is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling, de normale afschrijvingstermijn van de maatwerkvoorziening nog niet verstreken is en/of deze nog functioneel is, tenzij: I. de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, II. de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de kosten, III. de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning; d. indien de cliënt, met het oog op zijn eigen verantwoordelijkheid, over mogelijkheden beschikt om zelf voor een passende oplossing te zorgen; e. als de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud; f. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. 3. Een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie kan worden geweigerd indien: a. deze voorziening of de noodzaak daarvan voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was; b.

deze voorziening redelijkerwijs voorzienbaar was, en van de cliënt redelijkerwijs verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag overbodig had gemaakt. 4. Het college kan bij nadere regeling aanvullende weigeringsgronden formuleren voor de (wijze van) toekenning van maatwerkvoorzieningen.

1788135

8

Raadsbesluit

Artikel 8. Inhoud beschikking 1. In de beschikking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Het leefzorgplan maakt onderdeel uit van de beschikking. 3. De door cliënt en college gekozen zorgverlener maakt gezamenlijk met cliënt het plan van aanpak. In het plan van aanpak tussen zorgverlener en de cliënt wordt aangeven welke maatschappelijke ondersteuning wordt geboden om de resultaten te behalen, zoals beschreven in het leefzorgplan. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval gemotiveerd vastgelegd: a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is. Dit wordt beschreven in het leefzorgplan; b. wat de ingangsdatum en de duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt; d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; e. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn verbonden. 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt in de beschikking in ieder geval gemotiveerd vastgelegd: a. voor welk beoogd resultaat het pgb dient te worden aangewend. Dit wordt beschreven in het leefzorgplan; b.

wat de ingangsdatum en de duur van het pgb is; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de maatwerkvoorziening; d. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe gekomen is; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f. de rechten en plichten die aan het ontvangen van een pgb zijn verbonden. 6. Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten, wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 9. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 tot en met artikel 8.1.8 Jeugdwet respectievelijk artikel 2.3.6 Wmo 2015. 2. Een pgb mag alleen worden besteed aan de maatwerkvoorziening en het beoogde resultaat waarvoor deze wordt toegekend. 3. Bij toekenning van een pgb is de duur van de beschikking maximaal 2 jaar. 4. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan waarin in ieder geval is uiteen is gezet: e 1 welke diensten, hulmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en 2e indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk; b.

wordt berekend op basis van een prijs of tarief: 1e waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorzieningen behoren, van derden te betrekken; e 2 waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot

1788135

9

Raadsbesluit

de maatwerkvoorziening behoren te betrekken; 3e waarbij, voor zover van toepassing, rekening is gehouden met de in artikel 9, lid 1 4 onder b gestelde voorwaarden betreffende het tarief onder welke de cliënt de mogelijkheid heeft om de betreffende diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, en 4e wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura zoals bedoeld in artikel 2, bedraagt niet meer dan 90% van de kostprijs voor een gediplomeerd ZZP-er en bedraagt niet meer dan 75% van de kostprijs (met een maximum van € 20 per uur voor een hulp uit het eigen sociale netwerk. Voor professionals geldt dat ten minste het wettelijk minimumloon wordt betaald. 5. De relevante kostprijzen worden ingaande 1 april van het betreffende jaar gehanteerd en jaarlijks door het college vastgesteld en tijdig gepubliceerd. 6. De hoogte van een pgb die geldt tijdens de afgifte van de beschikking, geldt voor de gehele duur van de beschikking. 7. De hoogte van een pgb bij een vervoersvoorziening in de vorm van een hulpmiddel is: 1.

maximaal het bedrag dat het college betaalt voor een nieuw hulpmiddel via een gecontracteerde aanbieder, 2. de dagwaarde indien het hulpmiddel uit het sociaal netwerk wordt betrokken, maar maximaal het bedrag dat het college betaalt voor een nieuw hulpmiddel via een gecontracteerde aanbieder, 3. in geval van een individuele vervoersvoorziening die elektrisch wordt aangedreven mede gebaseerd op de kosten voor verzekering, onderhoud en reparatie, welke worden berekend aan de hand van afspraken tussen gemeente en gecontracteerde aanbieders. 8. De hoogte van een pgb voor een woningaanpassing: 1. wordt, indien dit wordt uitgevoerd door een persoon die behoort tot het eigen sociaal netwerk, opgebouwd uit de goedkoopst en noodzakelijke materialen en uren op basis van het wettelijk minimumloon; 2. bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende voorziening in natura. Indien het college geen passende voorziening in natura heeft gecontracteerd: a. bij standaard woningaanpassingen wordt de hoogte van het pgb bepaald op basis van een door het college vast te stellen prijslijst die bij het Besluit jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2022 is gevoegd; b. bij complexe woningaanpassingen wordt door het college een bouwkundig, sociaal/medisch advies en daarbij behorende kostencalculatie ingewonnen bij een gecontracteerde externe partij. 9.

De hoogte van een pgb voor een sporthulpmiddel: 1. bedraagt maximaal € 2.500,- en wordt ten hoogste één keer per 3 jaar verstrekt; 2. bedraagt, in afwijking van het gestelde in sub 1., voor een elektrisch voortbewogen of elektrisch ondersteund sporthulpmiddel bij een grote mate van immobiliteit maximaal € 5.000,- en wordt ten hoogste één keer per 6 jaar verstrekt; 3. is bedoeld als een bijdrage in de kosten van aanschaf, onderhoud en eventueel verzekering;

1788135

10

Raadsbesluit

4.

wordt bepaald op basis van een bij de aanvraag in te dienen offerte van het sporthulpmiddel en een bewijsstuk van het lidmaatschap van een sportvereniging, tenzij het individuele sportbeoefening betreft; 5. wordt verlaagd met de eventuele bijdrage van een sportclub, sponsor of fonds. 10. Aanvullende regels voor beschermd wonen: 1. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt structureel behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning kan in uitzonderlijke gevallen een toeslag intensieve ondersteuning toegekend worden. Deze toeslag wordt toegekend indien er: a. als een gevolg van een lichamelijke of somatische aandoening, inzet van (verpleegkundige) ondersteuning nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm beschermd wonen en/of; b. er sprake is van dermate complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met ernstige gedragsproblematiek, waardoor er inzet van begeleiding nodig is aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen. 2. Indien uit het onderzoek blijkt dat een cliënt behoefte heeft aan een geregisseerde dagbesteding, kan er een toeslag dagbesteding aanvullend op de ondersteuningsvorm Beschermd Wonen worden toegekend. 3. Voor de toepassing en berekening van de tariefdifferentiatie, zoals bedoeld in artikel 9, lid 4 sub c. van deze verordening, wordt in de basis uitgegaan van fictief acht uur ondersteuning per week voor beschermd wonen. 11.

Aanvullende regels voor PGB jeugd 1. Een pgb wordt enkel verstrekt indien de jeugdige of ouders jeugdhulp inkoopt, waarbij wordt voldaan aan de in artikel 15 opgenomen kwaliteitseisen. 2. Een pgb voor ondersteuning vanuit het sociale netwerk wordt alleen verstrekt voor zover: a. de geboden hulp passend, adequaat en veilig is; b. de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan verlenen, zich voldoende op de hoogte hebben gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn; c. er bij de personen uit het sociale netwerk die de hulp gaan bieden geen sprake is van overbelasting of dreiging daarvan; d. de in te zetten jeugdhulp geen ggz-behandeling betreft; e. de persoon uit het sociale netwerk geen handelingen verricht die op grond van de norm van verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerde professional zijn voorbehouden; f. de persoon uit het sociaal netwerk op basis van opleiding en/of ervaring is in staat de in de individuele situatie vereiste jeugdhulp te realiseren; g. de persoon uit het sociaal netwerk beschikt over een actuele verklaring omtrent het gedrag, tenzij de persoon een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is. 12. De volgende kosten mogen niet uit het pgb worden betaald: o tussenpersonen of belangenbehartigers; o reiskosten van de zorgverlener; o bijkomende zorgkosten; o feestdagenuitkering;

1788135

11

Raadsbesluit

o een eenmalige uitkering bij beëindiging van het pgb. 13. De budgetbeheerder is in elk geval niet de zorgaanbieder of daaraan te relateren (rechts)persoon. De budgetbeheerder ontvangt geen vergoeding in welke vorm dan ook, van de zorgaanbieder of daaraan te relateren (rechts)persoon. 14. Het college bepaalt bij nadere regeling de wijze van vaststellen van de hoogte van een pgb en kan bij nadere regeling aanvullende eisen stellen aan het verstrekken van een pgb. Artikel 10. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen 1. Voor het gebruik van door gemeentewege gerealiseerde algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning: a. kan een cliënt een vaste bijdrage in de kosten verschuldigd zijn; b. bedraagt de hoogte van de vaste bijdrage maximaal de kostprijs per dag voor deelname aan deze algemene voorzieningen: 1. voor de maaltijdvoorziening die wordt aangeboden tijdens de dagopvang Wmo begeleiding tussen de € 5,00 e € 10,00; 2. voor de open inloop bedraagt het tarief maximaal € 7,50 per persoon voor een dagarrangement inclusief warme maaltijd en koffie/thee, of € 1,00 per dagdeel voor koffie/thee, activiteiten en voor zover van toepassing professionele begeleiding; 3.

voor collectief vervoer (buurtbus) bedraagt het tarief € 2,00 voor een enkele rit binnen het werkgebied van de betreffende voorziening en € 3,00 voor een rit buiten het werkgebied van de betreffende voorziening (prijspeil 2022). c. eigen bijdrage winteropvang en acute opvang. 1. voor gebruikers van de winteropvang tijdens de duur van de winter- en of koude-regeling geldt dat er geen eigen bijdrage verschuldigd is; 2. Gedurende de onderzoeksperiode (conform de beleidsregel Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang) is de cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor acute opvang. Deze periode is gemaximeerd tot 2 weken; 3. vanwege de complexiteit van de zorgvraag van sommige inwoners kan het college besluiten tot verlengd en verdiepend onderzoek naar de zorgvraag en het organiseren van een passende oplossing (conform de beleidsregel Landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang). Het gaat hierbij om personen (met of zonder kinderen) uit de regio Noord- en Midden Limburg die verblijven in de acute opvang. Indien de termijn van 2 weken verlengd wordt, kan het college besluiten dat de cliënt ook voor deze periode geen eigen bijdrage verschuldigd is. 4. het is de opvanginstelling toegestaan personen (met of zonder kinderen) die verblijven in de acute opvang een vergoeding te vragen voor verstrekte maaltijden.

De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan de vergoeding die het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) berekent als gemiddelde voedingskosten. d. draagt het college zorg voor bekendmaking van de actuele kostprijs van de algemene voorziening.

1788135

12

Raadsbesluit

2. Voor het gebruik van een maatwerkvoorziening: a. is een cliënt een eigen bijdrage verschuldigd als bedoeld in artikel 2.1.4b van de Wmo 2015, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt; b. overstijgt de duur van de eigen bijdrage zoals bedoeld in onderdeel a, voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb, waarvan de aanvrager de eigendom verkrijgt, niet de kostprijs van de betreffende maatwerkvoorziening; c. wordt de eigen bijdrage voor Beschermd Wonen, in natura in de zin van de Wmo 2015, gebaseerd op het maximum dat op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is toegestaan; d. wordt bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage voor maatschappelijke opvang bepaalt op ten hoogste het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief toeslagen en de geldende norm voor persoonlijke uitgaven, met in achtneming van artikel 3.20 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; e. het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de wijze van berekening en inning van de eigen bijdrage voor opvang; f. geen eigen bijdrage is verschuldigd voor: I. een tegemoetkoming op grond van artikel 6 lid 5; II. de toekenning van een automatische deuropener in een gemeenschappelijke ruimte; III. een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt; IV. een rolstoel. g.

bedraagt de bijdrage voor het collectief vraagafhankelijk vervoer € 0,85 per zone (prijspeil: 1 januari 2022), aangevuld met een jaarlijkse indexering volgens de Landelijke Tariefindex. De standaard toekenning bedraagt maximaal 590 reiszones per jaar. Incidenteel ophogen is in overleg met de cliënt mogelijk. De maximale ritlengte is vijf zones; h. wordt de kostprijs voor hulpmiddelen (excl. trapliften) bepaald door een gemiddeld tarief incl. btw waarbij rekening wordt gehouden met 7 jaar onderhoudskosten en eventuele verzekeringskosten. De kostprijs voor trapliften bestaat uit de aanschafwaarde incl. btw en 15 jaar onderhoudskosten. 3. Het college bepaalt bij nadere regeling door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4 lid 7 van de Wmo 2015, de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd. 4. voor cliënten met GGZ-problematiek, uitgezonderd cliënten Beschermd Wonen die in een instelling verblijven, geldt geen eigen bijdrage, indien het heffen van de eigen bijdrage naar het oordeel van het college kan leiden tot mishandeling, ernstige verwaarlozing of schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige en tot het weigeren van de noodzakelijke begeleiding en ondersteuning. Artikel 11. Tegemoetkoming aannemelijke meerkosten 1.

Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.

1788135

13

Raadsbesluit

Artikel 12. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1. Als het college een beslissing heeft ingetrokken a. op grond van artikel 2.3.10 lid 1 onder a, Wmo 2015, en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt of van degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte ontvangen maatwerkvoorziening of het ten onrechte ontvangen pgb. b. op grond van artikel 8.1.4 lid 1 onder a, Jeugdwet, en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt of diens ouders/verzorgers geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van het ten onrechte ontvangen pgb. 2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 wordt, ingeval het recht op een in eigendom of een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken, deze voorziening teruggevorderd met inachtneming van de voorwaarden voor verhaal van kosten zoals bepaald in de Jeugdwet en de Wmo 2015. 3. Een beslissing tot toekenning van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 4. Het besluit tot toekenning van een pgb wordt in ieder geval ingetrokken: a.

met ingang van de dag waarop de cliënt met een pgb schriftelijk heeft aangegeven geen prijs meer te stellen op een pgb; b. maximaal twee weken na de dag waarop de cliënt met een pgb overlijdt. 5. Het college kan bij nadere regeling aanvullende bepalingen opnemen op wat in dit artikel is bepaald. Artikel 13. Controle en (her)onderzoek 1. Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs en met inachtneming van hetgeen daartoe gesteld is in de Jeugdwet en artikel 2.3.9 van de Wmo 2015, onderzoeken of: a. de in het leefzorgplan afgesproken resultaten in relatie tot de daartoe in te zetten maatwerkvoorzieningen worden bereikt; en/of b. de verstrekte maatwerkvoorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het resultaat waarvoor ze verstrekt zijn. 2. Het college kan een heronderzoek instellen om vast te stellen of de cliënt nog steeds is aangewezen op de ingevolge deze verordening toegekende maatwerkvoorzieningen. 3. Bij beleidswijzigingen kan het college een heronderzoek instellen. Ten einde een eerdere beoordeling voor een maatwerkvoorziening in overeenstemming te brengen met het aangepaste toetsingskader. 4. Indien uit het heronderzoek blijkt dat de belanghebbende niet langer is aangewezen op een maatwerkvoorziening ingevolge de verordening, kan het college de beschikking tot toekenning van een maatwerkvoorziening intrekken of herzien. 5.

Het college bepaalt bij nadere regeling de verdere procedure over de verantwoording van een pgb en controle en heronderzoek bij maatwerkvoorzieningen. 6. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de (her)beoordeling van de toekenning van een maatwerkvoorziening, degene door wie een ondersteuningsvraag is ingediend en indien er sprake is van gebruikelijke hulp de voor het onderzoek relevante huisgeno(o)t(en): a. te verzoeken om het gesprek bij te wonen zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, of op een later moment alsnog uit te nodigen; b. te verzoeken om aanwezig te zijn bij een afspraak met en/of onderzoek door een of meer daartoe aangewezen deskundigen.

1788135

14

Raadsbesluit

7.

Het college heeft de bevoegdheid een besluit tot verstrekking van een lopende voorziening te herzien met toepassing van deze verordening: a. op de gronden vermeld in deze verordening; b. indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen; c. indien de cliënt ondersteuning ontvangt in natura en wenst over te stappen naar een andere aanbieder of naar een pgb; d. indien de cliënt ondersteuning ontvangt in de vorm van een pgb en wenst over te stappen naar ondersteuning in natura.

Artikel 14. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Jaarlijks wordt aan mantelzorgers, die zorg verlenen aan inwoners van de gemeente Venlo, een blijk van waardering verstrekt zoals bedoeld in artikel 2.1.6 Wmo 2015. 2. Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat. Artikel 15. Kwaliteitseisen voor aanbieders 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder begrepen eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en zoals omschreven in artikel 3.1 en verder Wmo 2015. 2. Het college kan bij nadere regeling aanvullende eisen stellen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Artikel 16. Bestrijding van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen 1. Het college informeert jeugdigen en ouders in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een jeugdhulpvoorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet. 3.

Het college kan nadere regels stellen over de bevoegdheden van de toezichthouder. Artikel 17. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Het college bepaalt bij nadere regeling welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 3.4 en 4.2.5 Wmo 2015. Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit, levering diensten door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en 2. de vast prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerst lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

1788135

15

Raadsbesluit

b.

3.

4.

5. 6.

7.

rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten c. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerst lid hij een overeenkomst aangaat. Het college houdt bij de vaststelling van de tarieven voor door derden te leveren diensten en voorzieningen op het gebied van jeugdhulp, rekening met een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit, waaronder de deskundigheid van het personeel van de aanbieder en de arbeidsvoorwaarden.

Het college kan bij nadere regeling aanvullende eisen stellen die gelden voor een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit als bedoeld in lid 6.

Artikel 19. Klachtenregeling De aanbieders van maatwerkvoorzieningen hebben een procedure voor de onafhankelijke afhandeling van klachten van cliënten zoals bedoeld in artikel 4.2.1 tot en met 4.2.3 Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. Artikel 20. Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 2.10 Jeugdwet en artikel 2.1.3 lid 3 Wmo 2015, in overeenstemming met de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Aanbieders en gecertificeerde instellingen van maatwerkvoorzieningen die in opdracht van de gemeente jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning verlenen of hun taken laten uitvoeren door in de regel meer dan tien personen, dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder en gecertificeerde instellingen, welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen, zoals bedoeld in artikel 4.2.4 tot en met 4.2.12 Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015. Artikel 21. Nadere regels en hardheidsclausule 1. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van deze verordening. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/506/documents/11069