068 bijl01 Toelichting bp 'Aan 't Erf ong. en Sijzenbroek ong. Arcen'.pdf
Tekst van het document
28
Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.
5.2.2
Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het diepe grondwaterpakket mag enkel worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen ten behoeve van beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een standstill beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol geldt voor gebieden welke minder dan 5 meter boven NAP zijn gelegen regels voor het hebben van een boorput, het roeren van grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. In het plangebied wordt niet voorzien in dergelijke onttrekkingen, waardoor er met betrekking tot de boringsvrije zone geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. De Maas is op een afstand van circa 550 meter van het plangebied gelegen.
Het plangebied is gedeeltelijk gelegen in het waterbergend rivierbed van de Maas en ligt binnen het gedeelte van het rivierbed waarvoor (conform artikel 6.16) paragraaf 6 van Hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (figuur 8). Met andere woorden: het plangebied ligt (uitsluitend voor wat betreft het meest oostelijk gelegen plandeel) binnen het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningsplicht in het kader van de Waterwet. In het kader van de Waterwet zijn de belangen van Rijkswaterstaat als rivierbedbeheerder hier dan ook zodanig gering, dat voor het plangebied geen extra afwegingen hoeven te worden gemaakt of belemmeringen gelden voor de gebruikers van de gronden.. Eventuele schade als gevolg hiervan kan niet worden verhaald op het Rijk.
29
Een gedeelte van het plangebied ligt in het bergend rivierbed waar voor een duurzame compensatie plicht geldt. De afname van het bergend rivierbed wordt in de directe omgeving gezocht. De compensatie zal uitgevoerd worden door het afgraven van een volume van 0,32 m x het oppervlakte van de toekomstige bebouwing.
Figuur 8 Kaart Waterbesluit met plangebied rood aangegeven
Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie worden maximaal 3 extra woningen gerealiseerd welke worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de huidige situatie is er geen verharding aanwezig. De oppervlakte aan verharding zal in de nieuwe situatie dus toenemen. In de nieuwe situatie betreft het verhard oppervlak zowel bebouwing als bestrating.
5.2.3
Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen.
30
Er is geen oppervlaktewater aanwezig in de omgeving, waardoor het hemelwater op een andere wijze dient te worden afgevoerd. In dit geval is er sprake van een toename van de oppervlakte aan verharding. Gezien de oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie meer dan 200 m2 bedraagt, geldt ‘bergingseis 3’. Dat wil zeggen dat er een waterbergings-/infiltratievoorziening op het eigen terrein dient te worden gerealiseerd welke is gebaseerd op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt waarbij 50 mm (50 liter per m2) neerslag valt. Dit betekent dat er een waterberging van 0,05 m3 per m2 aan verhard oppervlak dient te worden gerealiseerd. Daarnaast mag een bui die eens in de 100 jaar voorkomt waarbij 84 mm neerslag valt, tevens geen belemmeringen opleveren. De manier waarop er wordt voorzien in de waterberging, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning ‘Bouwen’. Er zal moeten worden voldaan aan de bergingseis conform de afkoppel beslisboom van de gemeente Venlo, waardoor het aspect water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.
Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de ‘Maasduinen’. Dit gebied is op een afstand van circa 855 meter ten zuiden en op 2,2 kilometer ten noorden van de planlocatie gelegen. Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen. Met
31
AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een ruimtelijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. Uitkomsten tot 0,00 mol per ha/jaar zijn de basis om te kunnen concluderen dat het plan niet vergunningsplichtig is voor de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft het onderdeel stikstof.
In een berekening kan onderscheid worden gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. Hieronder is aangegeven met welke gegevens zijn gerekend. Aanlegfase Onder de aanlegfase verstaan we in dit geval het bouwrijp maken van het perceel en het oprichten van de nieuwe woningen. Stikstofemissie kan bij dit initiatief, in de aanlegfase, ontstaan door vervoersbewegingen, onder andere door technisch personeel en de aanvoer van bouwmaterialen. Op basis van de Handreiking woningbouw en AERIUS van de rijksoverheid bedraagt de emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transportbewegingen) 3 kg NO x per woning. Gezien het nog niet duidelijk is of er in de beoogde situatie twee vrijstaande woningen of één koopwoning en twee 2-onder-één-kapwoningen worden gerealiseerd, wordt er in de berekening uitgegaan van deze laatste optie als het worstcasescenario. Dit resulteert in 3 kg x 3=9 kg NOx emissie voor de aanleg van de drie woningen. Gebruiksfase De gebruiksfase volgt na de aanlegfase en heeft in dit geval betrekking op het in gebruik nemen van de woningen en verkeersbewegingen. Gezien het nog niet duidelijk is of er in de beoogde situatie twee vrijstaande woningen of één koopwoning en twee 2-onderéén-kapwoningen worden gerealiseerd, wordt er in de berekening uitgegaan van deze laatste optie als het worstcasescenario.
De beoogde woningen zullen gasloos worden uitgevoerd, waardoor er bij het gebruik van de woningen geen NO x vrijkomt. Voor de gebruiksfase zijn dus enkel de toename van het aantal verkeersbewegingen van belang. Voor het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van de normen zoals opgenomen in de CROW-publicatie (381) ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018). Voor vrijstaande koopwoningen wordt uitgegaan van gemiddeld 8,2 verkeersbewegingen en voor 2-onder-één-kapwoningen in de koopsector wordt uitgegaan van gemiddeld 7,8 verkeersbewegingen per woning (binnen de bebouwde kom in niet/weinig stedelijk gebied) per etmaal. Hierbij is in de berekening rekening gehouden met 10% file, als worstcasescenario. Deze vervoersbewegingen zullen via Aan ’t Erf en Sijzenbroek opgaan in het heersende verkeer. Conclusie De berekening is worstcase benaderd. Zowel de aanleg- als gebruiksfase zijn ingevoerd in één berekening. In de praktijk vinden deze fases niet op hetzelfde moment plaats maar volgt de gebruiksfase na de aanlegfase. Uit de resultaten van de AERIUS berekening (zie bijlage III) volgt dat er geen (0,00 mol/ha/jaar) stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt als 32
gevolg van de ontwikkeling. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er is geen sprake is van een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Er geldt daarom geen vergunningplicht Wet natuurbescherming voor de beoogde ontwikkeling en kan de ontwikkeling voor het onderdeel stikstofdepositie plaatsvinden en gerealiseerd worden.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Bebouwing en groenelementen zoals bomen en struiken kunnen als (vaste) verblijfsplaats of foerageergebied dienen voor dieren. Indien een ontwikkeling gepaard gaat met de sloop van bebouwing en/of bomenkap, dient te worden gekeken of dit geen negatieve gevolgen heeft voor (beschermde) diersoorten. In dit geval kan het plangebied onderdeel uitmaken van het functioneel leefgebied van diersoorten, waaronder vleermuizen doordat er groene verbindende structuren aanwezig zijn. Om vast te kunnen stellen dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten, is er in juni 2022 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage IV bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven.
Op basis van de informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om een aanvullend onderzoek uit te voeren voorafgaand aan de geplande werkzaamheden. Dit veranderd wanneer er kap van bomen plaats gaat vinden op de kavels. Wanneer dit uitgevoerd zou gaan worden, dan dient voorafgaand aan de kap een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Ook zou het voor mogelijk aanwezige soorten in de directe omgeving goed zijn om het hoofdstuk aanbevelingen uit de quickscan flora en fauna mee te nemen in de ontwikkeling van de nieuwe woningen. Het is heel eenvoudig om soorten een kans te bieden zich te vestigen/ uit te breiden binnen een gebied zonder afbraak te doen aan het ontwerp/ isolatiewaarden welke gesteld worden. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze plantoelichting is
33
een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de archeologische beleidskaart is de planlocatie gelegen binnen een gebied met een zeer hoge archeologische verwachting (figuur 9). Voor gebieden met een zeer hoge archeologische verwachting geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 100 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.
Figuur 9. Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo. Plangebied zwart omcirkeld.
Gezien de toekomstige bodemingrepen de maximum verstoringsoppervlakte en – diepte zullen overschrijden, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als separate bijlage V. Conclusie Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld de bodemopbouw bestaat uit een AC-profiel. In het bureauonderzoek werden hoge bruine enkeerdgronden verwacht, deze zijn in het plangebied, met uitzondering van boring 5, aangetroffen. De natuurlijke ondergrond bestaat, met uitzondering van boring 5, uit dekzandafzettingen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). De natuurlijke ondergrond bestaat uit matig fijn goed gesorteerd zand en bevindt zich op een diepte van circa 35 tot 150 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte
34
van circa 15,18 tot 16,21 meter +NAP. De bodemopbouw binnen het plangebied is in meer of mindere mate verstoord. De scherpe overgang naar de C-horizont is mogelijk het gevolg van door opname in het bovenliggend dek middels ploegen van de akker. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagersverzamelaars niet meer intact is. Deze vindplaatsen zijn erg kwetsbaar en zullen, indien deze aanwezig zijn geweest, alleen nog ex-situ kunnen worden aangetroffen. Op basis hiervan wordt de verwachting voor deze periode bijgesteld van middelhoog naar laag. De archeologische verwachting ter hoogte van het Holocene beekdal (boring 5) was al laag. Voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze sporen naar verwachting nog in goede conditie aangetroffen kunnen worden. Echter is de top van de dekzandafzettingen in boring 1, 2 en 4 (sub)recentelijk omgezet. Dit heeft als gevolg dat eventueel aanwezige sporen afgetopt zijn. Hierdoor is de informatiewaarde van dergelijke sporen mogelijk beperkt.
Echter gezien de ligging van het plangebied direct bij de in 1511 verwoestte Aldt Huys en de mogelijke ligging van de watermolen en het Wijdtvelderhof, blijft de middelhoge verwachting voor de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen en specifiek de hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd gehandhaafd. Aanleiding hiervoor is de mogelijk dieper gefundeerde muren en watergangen behorende tot dergelijke complexen. Deze kunnen ondanks het aftoppen beter bewaard zijn gebleven dan ‘reguliere’ sporen. Een veldonderzoek middels boringen is derhalve geen geschikte methode voor het opsporen van deze dieper in gegraven heterogeen verdeelde sporen, zoals muren en funderingsresten. De lage archeologische verwachting ter hoogte van het Holocene beekdal (boring 5) blijft gehandhaafd. Beantwoording onderzoeksvragen - Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja, eventuele archeologische resten zouden aanwezig kunnen zijn op de overgang van het plaggendek naar de C-horizont. -
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? De afwezigheid van een oorspronkelijk (podzol)bodem in het plangebied kan duiden op bewerking van de bodem in het verleden. Een andere mogelijkheid is dat deze podzolbodem zich nooit heeft ontwikkeld door te natte omstandigheden. Eventuele archeologische resten van jagers-verzamelaars zullen daarom vermoedelijk niet meer in situ aanwezig zijn. Archeologische resten van latere perioden kunnen nog wel worden aangetroffen, mede gezien de ligging direct bij het terrein van het in 1511 verwoestte Aldt Huys en hieraan gerelateerde historische bebouwing.
-
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Eventuele archeologische resten kunnen aangetroffen worden onder het antropogeen opgebrachte pakket (de Aa-horizont). De C-horizont bevindt zich op een diepte tussen 35 en 150 centimeter onder maaiveld. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte naar verwachting tot 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. Uitgaande van een standaard funderingsdiepte zouden ondiepe 35
bodemingrepen een bedreiging archeologische resten.
vormen
voor
de
eventuele
aanwezige
Aanbevelingen Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de in het bureauonderzoek omschreven verwachte hoge bruine enkeerdgronden in het plangebied niet aangetroffen, met uitzondering van boring 5. De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een AC-profiel. Er zijn geen resten van een (voormalig) podzolprofiel waargenomen in de boringen. Dit is mogelijk het gevolg van een egalisatie en/of opname in het bovenliggend dek door ploegen. De overgang naar de natuurlijke ondergrond is scherp. De aanwezigheid van resten piepschuim in top van de C-horizont duidt op een (sub)recentelijke omzetting. Dit zal een aantasting van de mogelijk aanwezige archeologische resten tot gevolg hebben. Echter gezien de ligging van het plangebied direct bij de in 1511 verwoestte Aldt Huys en de mogelijke ligging van de hierbij gelegen watermolen en het Wijdtvelderhof, blijft de middelhoge verwachting voor de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen en specifiek de hoge verwachting voor de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd gehandhaafd. Een veldonderzoek middels boringen is geen geschikte methode voor het opsporen van dieper in gegraven heterogeen verdeelde sporen, zoals muren en funderingsresten. Om deze redenen wordt er een vervolgonderzoek geadviseerd.
Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Venlo). De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Venlo), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Advies gemeente Venlo In afwijking van bovenstaand advies heeft de bevoegde overheid (gemeente Venlo) aangegeven dat kan worden afgezien van een vervolgonderzoek: “De conclusie van de boringen moet dan ook zijn dat minimaal de ‘footprint’ van de gesloopte gymzaal ter grootte van ca. 750 m2 dermate verstoord is dat geen zinvol onderzoek meer mogelijk is. Van het ca. 970 m2 grote plangebied resteert derhalve een min of meer ongestoord gedeelte ter grootte van ruim 200 m 2. Het doen van nader onderzoek in die ‘randstroken’ wordt niet zinvol geacht, ook omdat een gedeelte aan de oostrand waarschijnlijk afvalt door de oorspronkelijk lage ligging.
Het plangebied kan kortom archeologisch worden vrijgegeven en het aspect archeologie speelt verder geen rol meer bij de planontwikkeling.” Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, 36
steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aanof afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit In de huidige situatie vindt er een minimaal aantal verkeersbewegingen plaats vanaf of naar de planlocatie. De realisatie van de woningen zal dan ook zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, is de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. In dit geval worden er twee vrijstaande woningen (scenario 1) of één vrijstaande woning en twee 2-onder-één-kapwoningen (scenario 2) gerealiseerd. Voor het bepalen van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van woningen in de koopsector binnen de bebouwde kom met een matig/weinig stedelijk karakter. In onderstaande tabel is per scenario de toename van het aantal verkeersbewegingen weergegeven. Scenario 1 Soort woning Vrijstaande woning
Scenario 2 Soort woning Vrijstaande woning 2-onder-éénkapwoning
Norm 8,2
Aantal woningen 2 Totaal
Toename verkeersbewegingen 16,4 16,4
Norm 8,2 7,8
Aantal woningen 1 2
Toename verkeersbewegingen 8,2 15,6
Totaal
23,8
37
In het worstcasescenario neemt het aantal verkeersbewegingen toe met 23,8 verkeersbewegingen per etmaal. Hierbij zullen de verkeersbewegingen zijn verdeeld over de Sijzenbroek en Aan ’t Erf. De toename van het aantal verkeersbewegingen per weg is dus slechts beperkt. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om deze minimale verkeerstoename te verwerken. Hierdoor is aanpassing van de Sijzenbroek en Aan ‘t Erf en de wegen die hiermee in verbinding staan niet aan de orde.
5.6.2
Parkeren Conform de parkeernormen gesteld door de gemeente Venlo, dient er te worden voorzien in minimaal 2,0 parkeerplaatsen per woning. In dit geval zijn de percelen voldoende groot om te kunnen voorzien in het benodigd aantal parkeerplaatsen op eigen terrein. Er zal kunnen worden voldaan aan het minimum aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein volgens gemeentelijk beleid. De exacte invulling van het terrein zal uitgewerkt worden in het kader van de omgevingsvergunning ‘Bouwen’. Het aspect ‘parkeren’ levert geen belemmering op.
38
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet (Grex-wet) is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. In dit geval zijn de gronden volledig in eigendom van de gemeente, waardoor een verplichting tot kostenverhaal niet aan de orde is.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zal aan de relevante besturen en diensten van de betrokken bevoegde gezagen worden gevraagd om een reactie te geven op het concept van het ontwerpbestemmingsplan. Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, de relatief beperkte impact op de omgeving en op basis van toetsing in voorgaande hoofdstukken van deze plantoelichting kan worden geconcludeerd dat er geen waarden of belangen (onevenredig) zullen worden geschaad. Het planvoornemen zal naar alle waarschijnlijkheid niet op overwegende planologische bezwaren uit de omgeving stuiten. Mocht iemand bedenkingen hebben ten aanzien van het plan dan kan men ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan een zienswijze kenbaar maken.
39
HOOFDSTUK 7.1
7 Procedure
Procedure Het bestemmingsplan doorloopt als (voor)ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk plan de volgende procedure, te weten: a. Voorbereiding: Vooroverleg met diensten van Rijk, provincie en waterschap. b. Ontwerp: 1e terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan betrokken partijen. Gedurende de terinzagelegging kunnen door een ieder (schriftelijk of mondeling) zienswijzen worden ingediend. c. Vaststelling: Vaststelling door burgemeester en wethouders 2e terinzagelegging (vastgesteld bestemmingsplan) binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend. d. Bekendmaking: Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling. e. Beroep: Mogelijkheid tot beroep bij Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden en eenieder die een zienswijze heeft ingediend. f.
Onherroepelijk: Inwerkingtreding van het bestemmingsplan op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
40