067 Bijl05 Nota van zienswijze BP herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek.pdf
Tekst van het document
Nota van zienswijze bestemmingsplan Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek Het ontwerp bestemmingsplan “Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek” heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang van 14 december 2023 gedurende zes weken tot en met 24 januari 2024 ter inzage gelegen in het Stadskantoor Venlo en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Eenieder heeft gedurende deze termijn ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen kunnen indienen bij de gemeenteraad. Reacties Van de gelegenheid tot het indienen van schriftelijke reacties ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan werd gebruik gemaakt door:
Reclamant 1
Hieronder wordt de zienswijze samengevat weergegeven en vervolgens van ons commentaar voorzien. Het bovenstaande betekent niet, dat die onderdelen van de zienswijze die niet expliciet zijn benoemd in de samenvatting, niet bij de beoordeling zijn betrokken. De zienswijze is in zijn geheel beoordeeld. De zienswijze is binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend en kan ontvankelijk worden verklaard. Zienswijze 1. Reclamant stelt dat de naamgeving ‘correctieve herziening’ zou duiden op een onbetekenende aanpassing, daar is volgens reclamant geen sprake van. De plandelen zijn vernietigd en het is volgens reclamant een nieuw plan. 2. Reclamant stelt dat de gemeente opnieuw voornemens is twee gebieden te salderen. Waarbij het beeld wordt opgeroepen dat per saldo de totale omvang wordt verkleind. Reclamant vraagt zich af welk doel dit dient. Uitgaande van de veronderstelling dat de nieuwe Omgevingsverordening Limburg de beoogde legalisatie reeds mogelijk maakt, valt niet in te zien waarom planologische ruimte op de percelen van reclamant dient te verdwijnen en dus gesaldeerd wordt. 3. Reclamant stelt dat hij ten tijde van het collegebesluit mocht vertrouwen op het POL2014 en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’ dat op 30 maart 2011 door de gemeenteraad van Venlo werd vastgesteld. 4.
Reclamant stelt dat de stelling in de toelichting van het bestemmingsplan, dat het niet waarschijnlijk is dat op de percelen waar geen glastuinbouw (meer) plaatsvindt in de toekomst ook geen glastuinbouw meer zal plaatsvinden, een aanname is die niet gestoeld is op een onderzoek en/of op overleg. Reclamant stelt dat de gebiedsaanduiding ‘glastuinbouw’ behouden dient te blijven. In ieder geval op de percelen van reclamant. Reclamant stelt dat het opmerkelijk is dat het college zelf heeft gesteld dat op de datum waarop het ontwerpbesluit is genomen het plan niet mogelijk is, maar dat bij de vaststelling door de raad dat wel zo is.
Hoewel Provinciale Staten op 17 december 2021 de nieuwe Omgevingsverordening hebben vastgesteld, is niet opgenomen welke achtergrond daaraan ten grondslag heeft gelegen. Het argument dat volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening het plangebied (nu wel) binnen het 'Ontwikkelingsgebied glastuinbouw’ zou liggen, is volgens reclamant als gevolg van de gehanteerde uitgangspunten van de provinciale Omgevingsverordening Limburg niet juist en ook niet handhaafbaar. 5. Reclamant stelt dat het gebruik in deelgebied 2 illegaal is. Het gestelde over de onherroepelijke omgevingsvergunningen is niet conform de juridische werkelijkheid. Er is weliswaar sprake van twee onherroepelijke omgevingsvergunningen bouwen, maar wel met een voorschrift waaraan geen volledige uitvoering is of meer kan worden gegeven. Bovendien zijn de overige door het college genoemde “inrichtingen” niet in de onherroepelijke omgevingsvergunning opgenomen. Uit een vergelijking tussen het landschappelijk inpassingsplan “oud” en “nieuw” blijkt volgens reclamant dat het robuuste van het landschappelijk inpassingsplan volledig verdwenen is. Bovendien is de aangepaste landschappelijke inpassing mede geprojecteerd op de bestemming water in het vigerende bestemmingsplan. Reclamant stelt dat het van belang is dat de bestemming water gehandhaafd blijft. 6.
Reclamant twijfelt aan de economische uitvoerbaarheid gezien hij geen zicht heeft op de anterieure overeenkomst. Daarnaast vraagt hij zich af of de gronden in eigendom zijn.
Reactie gemeente 1. Ten behoeve van voorliggend planvoornemen is eerder in 2020 het bestemmingsplan ‘Herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’ opgesteld. Dit plan is als gevolg van een gerechtelijke uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 mei 20231 gedeeltelijk vernietigd. Op basis van het vernietigde bestemmingsplan ‘Herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’ is het voorziene glastuinbouwbedrijf met twee onherroepelijke omgevingsvergunningen inmiddels gerealiseerd. Met onderhavig bestemmingsplan wordt alsnog het juridisch kader gesteld voor de ontwikkelingen in deelgebied 1 en 2. In die zin is er sprake van een correctieve herziening (het corrigeren van het eerdere door de Raad van State vernietigde deel van het bestemmingsplan uit 2020). De zienswijze wordt niet overgenomen. 2.
1
Voorliggend bestemmingsplan voorziet, zoals in het voorgaande punt omschreven, in het verwerken van de onherroepelijke omgevingsvergunningen voor het glastuinbouwbedrijf. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in een vertaling van de door het college van Gedeputeerde Staten verleende ontheffing van de Omgevingsverordening Limburg 2014, waarbij op 2 juli 2024 ontheffing is verleend voor de nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf buiten het bij deze verordening als ‘ontwikkelingsgebied glastuinbouw’ aangewezen gebied. Dit is in lijn met de reeds per 1 januari 2024, tegelijkertijd met de Omgevingswet, in werking getreden Omgevingsverordening Limburg. In de thans geldende Omgevingsverordening is de begrenzing van het glastuinbouwconcentratiegebied
ECLI:NL:RVS:2023:1930.
aangepast. In het kader van de herbegrenzing is een deel van het bestaande glastuinbouwconcentratiegebied vervallen. Tegelijkertijd is een gebied aan de zuidzijde van het glastuinbouwconcentratiegebied hieraan toegevoegd. Per saldo is de oppervlakte van het glastuinbouwconcentratiegebied verkleind. Hiermee heeft de saldering feitelijk plaatsgevonden. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg vanaf 7 juni 2021 gedurende 6 weken ter inzage heeft gelegen. Reclamant heeft gedurende de terinzagelegging van het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg ten aanzien van het glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek geen zienswijze ingediend. De Omgevingsverordening Limburg is op dit punt ongewijzigd op 17 december 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en op 1 januari 2024 gelijktijdig met de Omgevingswet in werking getreden. De zienswijze wordt niet overgenomen. 3.
Ten tijde van het collegebesluit (5 december 2023) over het ontwerpbestemmingsplan was de Omgevingsverordening Limburg reeds vastgesteld en stond vast dat de deze met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking zou treden. Zoals aangegeven in de reactie onder punt 2 heeft het college van Gedeputeerde Staten in lijn met dit nieuwe beleid op 2 juli 2024 ontheffing verleend van de Omgevingsverordening 2014. Daarnaast had reclamant ten tijde van het collegebesluit al kennis van de beoogde planontwikkeling en de reeds in 2021 verleende omgevingsvergunningen voor de kassen. In dit kader wordt nog opgemerkt dat het POL2014 al op 25 oktober 2021 is vervangen door de Omgevingsvisie Limburg. Conform de Omgevingsvisie Limburg kan bezien worden of inperking, herbegrenzing of vergroting van bestaande ontwikkelingsgebieden glastuinbouw mogelijk is. Dit om te komen tot toekomstvaste, vitale ontwikkelingsgebieden glastuinbouw. Het glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek wordt deels vergroot, maar op een andere locatie verkleind, waardoor er per saldo een verkleining van het ‘ontwikkelingsgebied glastuinbouw’ (glastuinbouwconcentratiegebied) Meelderbroek plaatsvindt. Deze aanpak past binnen de Omgevingsvisie Limburg. Reclamant was/kon terdege op de hoogte (zijn) dat een aanpassing van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’ in de lijn der verwachtingen lag.
Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de rechtstreekse bouwmogelijkheden voor reclamant uit het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Venlo’ in het voorliggende bestemmingsplan worden gerespecteerd. De zienswijze wordt niet overgenomen.
4.
Ter hoogte van de hoofdvestiging van reclamant zijn op basis van het nog geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’ de volgende bestemmingen van toepassing: Agrarisch, Agrarisch bedrijf met bouwvlak, de aanduidingen grondgebonden bedrijf, Glastuinbouwconcentratiegebied, Milieuzone – grondwaterbescherming Venlo schol, vrijwaringszone weg 2 en 3 en een gasleiding met vrijwaringszone. Binnen deze bestemmingen is onder andere bepaald dat alleen binnen een bouwvlak gebouwd mag worden ten behoeve van een agrarisch grondgebonden bedrijf. Glastuinbouw valt daar niet onder. Nieuwbouw van kassen (glastuinbouw) is derhalve op de percelen van
reclamant niet rechtstreeks toegestaan. Glastuinbouw is uitsluitend mogelijk nadat een planologische procedure is gevolgd. De realisatie van tijdelijke kassen is onder voorwaarden wel toegestaan. Gelet op de op het perceel van reclamant aanwezige bestemmingen en daaruit voortvloeiende beperkingen zijn de ontwikkelmogelijkheden voor glastuinbouw in deelgebied 1 beperkt om tot een toekomstbestendige ontwikkeling voor glastuinbouw te komen. In het voorliggende ontwerpbestemmingsplan wordt voor de betreffende locatie uitsluitend de aanduiding glastuinbouwconcentratiegebied verwijderd, waardoor enkel de mogelijkheid om kassen (glastuinbouw) te realiseren na het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid vervalt. De directe bouwrechten uit het vigerende bestemmingsplan zijn gerespecteerd. Van directe planologische rechten ten aanzien van de realisatie van kassen was voor de percelen van reclamant dan ook geen sprake. Reclamant heeft gedurende de planperiode ook geen concrete (bouw)aanvraag ingediend voor het realiseren van glastuinbouw in het gebied. Ten aanzien van het onder voorwaarden realiseren van tijdelijke kassen voorziet het plan niet in een wijziging. Voor het overige wordt verwezen naar de reactie onder 2. De zienswijze wordt niet overgenomen. 5.
In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin bepaald is dat de gronden uitsluitend in gebruik mogen worden genomen indien de landschappelijke inpassing conform Bijlage 2 van de regels, is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden en beheerd. Er zijn in het verleden 2 omgevingsvergunningen verleend. Deze vergunningen zijn onherroepelijk. In de 2e omgevingsvergunning is voor wat betreft de landschappelijke inpassing als voorwaarde opgenomen, dat ‘Indien niet binnen 3 jaar na het verlenen van de vergunning de landschappelijke inpassing, zoals beoogd in het landschappelijk inpassingsplan, gerealiseerd is een overeenkomstige houtwal, met voetpad aan de westzijde van fase 2 en de noordzijde van fase 1 aangelegd dient te worden’. Doordat het initiatiefnemer niet is gelukt alle beoogde gronden te verwerven kan de eerder voorgenomen totale uitbreiding van de kassen niet gerealiseerd worden. De inmiddels gerealiseerde kassen betreffen daardoor in feite de eindfase/eindtoestand. Aangezien het plan nu anderszins is ingevuld is ook de landschappelijke inpassing daarop aangepast. Het aangepast landschappelijk inpassingsplan voorziet ter hoogte van de nieuwe plangrens in hoge smalle beplanting. Dit gelet op de beperkte breedte tussen kas en plangrens op bepaalde plekken. Hiermee kan de groene aankleding van de kas alsnog gerealiseerd worden.
In de groene inpassing is tevens een wandelpad opgenomen. De voorliggende invulling voldoet aan het doel van een goede landschappelijke inpassing. Ook wordt met de huidige invulling voldaan aan de voorwaarde uit de omgevingsvergunning. Daarbij ligt de kas ter hoogte van de nieuwe plangrens ook op grote afstand (ruim 160 meter) van de Elshoutweg, waardoor die kas vanaf die weg ook minder direct wordt beleefd. Daarmee is rekening gehouden bij de uitwerking van de landschappelijk inpassing.
De vervallen waterloop is niet meer op de legger van het Waterschap opgenomen en derhalve als zodanig bestemmingsplantechnisch komen te vervallen. Dit betrof een tertiaire watergang welke voor het Waterschap en daarmee voor de waterhuishouding in het gebied niet noodzakelijk was. Binnen de bestemming ‘Agrarisch – agrarisch bedrijf’ zijn daarbij behorende waterhuishoudkundige voorzieningen direct mogelijk. Het (alsnog) specifiek bestemmen van water is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van de waterhuishouding wordt opgemerkt dat het inrichtingsplan voorziet in een infiltratiesloot ten noord-westen van de parkeerplaats. Daarnaast wordt de bestaande waterloop ter hoogte van de struweelzone aan de noord-westzijde behouden en ingepast in de landschappelijke inpassing. Het plan voorziet ook in een groot waterbassin aan de zuidzijde. Op basis van de dakoppervlakte is een berging nodig van 10.300 m3 water. Het bassin heeft een inhoud van 25.000 m3 en dit is ruim voldoende om te voorzien in de benodigde berging. Ten noorden van het bassin wordt tenslotte nog voorzien in een wadi, die tijdelijk hemelwater kan opvangen en langzaam laat infiltreren in de bodem. Uit het voorgaande blijkt dat door de ontwikkeling juist veel water geborgen wordt en dus niet direct op het perceel / in het grondwater terecht komt, waarmee wateroverlast in natte jaargetijden wordt tegengegaan.
Het Waterschap Limburg heeft ingestemd met voorliggend bestemmingsplan. Verder is uit een terreinhoogtemeting, welke in het kader van de vorige planherziening is uitgevoerd in oktober 2020, gebleken dat het zuidelijke deel van het perceel van reclamant geen afschot heeft in zuidelijke richting (richting het deel van de voormalige Gansbeek dat is opgeheven), maar dat dat deel van het perceel van reclamant afschot heeft in noordelijke richting, richting de Elshoutweg. De oppervlaktewaterhuishouding op de percelen van reclamant is met het plan dan ook niet gewijzigd/verstoord. Ook om die reden is er geen noodzaak om aan de zuidzijde van het perceel van reclamant een strook met de bestemming ‘water’ op te nemen. De zienswijze wordt niet overgenomen. 6.
Voor wat betreft de economische uitvoerbaarheid wordt opgemerkt dat er met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst is gesloten. In dat kader wordt nog opgemerkt dat alle gronden binnen het ontwikkelgebied in eigendom zijn bij initiatiefnemer. De zienswijze wordt niet overgenomen.