066 Bijl06, bestemmingsplan Maasdal Velden ; Ebberstraat 40 Bijlagen toelichting, Bijlage 3 Archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Ebberstraat 40 te Velden (gemeente Venlo)
AM21614
RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Ebberstraat 40 te Velden (gemeente Venlo) Aeres Milieu Projectnummer Status rapport ISSN Nummer Datum
: AM21614 : Concept (versie 2) : 2214-5656 : 21 juni 2022
Opdrachtgever
: Lommen Zachtfruit BV Ebberstraat 40 5941 NN Velden
Opsteller rapport Paraaf
: L. Kruithof MSc. | drs. D. Hagens :
Redactie Paraaf
: drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Vrijgave Paraaf
: drs. ing. N.J.W. van der Feest :
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
4002 + 4003
Disclaimer Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform de geldende richtlijnen en protocollen). Aeres Milieu accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde onderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het bureau onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.
Pagina | 2
AM21614
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING ..................................................................................................................................................................................................................... 4 ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ......................................................................................................................................................................................... 6 1. INLEIDING ........................................................................................................................................................................................................................... 7 2.
3.
2.1 2.2
WERKWIJZE .............................................................................................................................................................................................................. 9 Inleiding ............................................................................................................................................................................................................... 9 Verkennend veldonderzoek door middel van boringen ..................................................................................................................... 9
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
BUREAU-ONDERZOEK ....................................................................................................................................................................................... 11 landschappelijke situatie - geomorfologie ........................................................................................................................................... 11 Landschappelijke situatie - bodem.......................................................................................................................................................... 13 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht .................................................................................................................................. 13 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden ........................................................................................................................ 14 Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal ....................................................................................................................... 17
4.
VERWACHTINGSMODEL .................................................................................................................................................................................... 20
5. 5.1 5.2 5.3 5.4
VELDWERKZAAMHEDEN ................................................................................................................................................................................... 22 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 22 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw .............................................................................................................. 23 Interpretatie ..................................................................................................................................................................................................... 24 Archeologische indicatoren ........................................................................................................................................................................ 25
6. CONCLUSIE ....................................................................................................................................................................................................................... 26 6.1 Algemeen .......................................................................................................................................................................................................... 26 6.2 Beantwoording onderzoeksvragen .......................................................................................................................................................... 26 7.
AANBEVELINGEN ................................................................................................................................................................................................. 28
Bijlagen: 1 2 3 4 5 5B 6 7 8
Topografische ligging onderzoeksgebied Boorpuntenkaart Archeologische gegevens cf. Archis 3 Archeologische Beleidskaart gemeente Venlo Overzicht geomorfologische kaart Stroomgordelkaart Limburg Overzicht bodemkaart Reliëfkaart Boorkernbeschrijvingen
Pagina | 3
AM21614
SAMENVATTING Op 6 april 2022 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Ebberstraat 40 te Velden (gemeente Venlo). De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling binnen een Ruimte-voorRuimte kavel ten behoeve van een nieuwbouwwoning. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte naar verwachting tot ten minste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venlo (2015) in een zone die staat aangegeven als “Begrenzing vindplaats”. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De oppervlaktenorm is nihil. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt. Door meerdere verleggingen van de Maas ontstond er een geaccidenteerd landschap, waarbij hoge oeverwallen en laaggelegen restgeulen (verlaten meanders van de Maas) zich op korte afstand afwisselen. Het plangebied ligt binnen het Lomm-Velden Maasterras dat is ontstaan in het Vroeg-Holoceen (vanaf circa 10.150 tot 8.000 jaar geleden) die ten tijde van het eind laatpaleolithicum B de actieve riviervlakte vormde.
De kans is groot dat sporen uit deze periode, indien toch aanwezig, in het plangebied zijn geërodeerd door latere rivieractiviteiten. Op basis van deze gegevens geldt een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum. Ten tijde van het mesolithicum vormde het plangebied niet meer de actieve riviervlakte. Van oudsher vestigde de mens zich op de overgang van nat naar droog (gradiëntzones). Direct ten oosten van het plangebied ligt een geul. Het is niet bekend wanneer de geul watervoerend was. Indien de geul watervoerend was ten tijde van het mesolithicum, dan is het plangebied aantrekkelijk voor bewoning. Om deze redenen geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor het mesolithicum. Indien de geul direct ten oosten van het plangebied watervoerend was ten tijde van de landbouwende samenlevingen, dan is het plangebied aantrekkelijk voor bewoning. Binnen een straal van 100 meter werd onder andere aardewerk uit de bronstijd en meerdere aardewerkresten uit de Romeinse periode aangetroffen. Om deze reden geldt er een hoge archeologische verwachting voor de periode neolithicum tot vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt aan de Ebberstraat. Deze straat vormde een secundaire uitvalsweg vanuit het buurtschap Hasselt naar Lomm.
Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds tenminste circa 1800 onbebouwd was en in gebruik is als bouwland en weiland. Het plangebied blijft onbebouwd totdat woonhuis en tuinbouwkas wordt gerealiseerd in eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de 20e eeuw. In de direct omgeving zijn echter aardewerkresten uit de late middeleeuwen bekend. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode volle middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat er hoge bruine enkeerdgronden niet (meer) voorkomen in plangebied. De bodemopbouw bestaat uit een AC-profiel waarbij de overgang van de humeuze toplaag naar de natuurlijke ondergrond scherp is. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagers-verzamelaars ter plaatse niet meer intact is. Echter kan voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. De (middel)hoge verwachtingen voor de periode neolithicum – nieuwe tijd blijft dan ook gehandhaafd. Pagina | 4
AM21614
De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen vanaf maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Hierbij is rekening gehouden met een bufferzone van circa 30 centimeter. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Venlo). De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Venlo), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt.
Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.
Pagina | 5
AM21614
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Projectnummer
: AM21614
OM-nummer
: 521574100
Soort onderzoek
: Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen
Adres onderzoekslocatie
: Ebberstraat 40 te Velden
Toponiem
: Ebberstraat 40
Gemeente
: Venlo
Provincie
: Limburg
Kadastrale registratie
: Arcen en Velden, sectie H, nummer, 159 (gedeeltelijk)
Coördinaten
: Centraal
209.000; 383.086
NW:
208.991; 383.102
NO:
209.017; 383.103
ZW:
208.977; 383.069
ZO:
209.019; 383.072
Oppervlakte
: Circa 4.300 m2
Huidig locatie gebruik
: Erf (verhard), bebouwd (tuinbouwkas en bedrijfsloods)
Aanleiding onderzoek
: Omgevingswetvergunning
Opdrachtgever
: Lommen Zachtfruit BV
Bevoegde overheid
: Gemeente Venlo
Archeologisch adviseur
: Dhr. J. Schotten
Opslag documentatie en materiaal
: Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te Heerlen/E-depot
Datum uitvoering
: 6 april 2022
Pagina | 6
AM21614
1. INLEIDING In opdracht van Lommen Zachtfruit BV heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie
: Ebberstraat 40 te Velden
Gemeente
: Venlo
Oppervlakte
: Circa 4.300 m2
Huidig gebruik van de locatie
: Erf (verhard, bebouwd (tuinbouwkas en bedrijfsloods)
Toekomstig gebruik
: Nieuwbouwwoning
Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000 (protocol 4002 en 4003), KNA 4.1. Het archeologische onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd onder leiding van een senior KNA-prospector.
Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is de voorgenomen (her)ontwikkeling binnen een Ruimte-voorRuimte kavel ten behoeve van een nieuwbouwwoning met bijgebouwen. De diepte van de toekomstige verstoring is ten tijde van dit onderzoek niet bekend, maar uitgaande van een standaard funderingsdiepte naar verwachting tot ten minste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venlo (2015) in een zone die staat aangegeven als “Begrenzing vindplaats”. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een verstoringsdiepte vanaf 40 centimeter onder maaiveld. De oppervlaktenorm is nihil. De gemeente heeft middels deze kaart aangegeven dat er een archeologische onderzoeksplicht geldt (Bijlage 4).1
Doel Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend booronderzoek is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel. Specifiek voor de onderzoekslocatie Ebberstraat 40 te Velden zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: •
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten?
•
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten?
•
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?
1 RAAP, 2015: Actualiseren Archeologische Basiskaart, Archeologische beleidskaart, kaartbijlage 6-A (RAAP-adviesdocument 529).
Pagina | 7
AM21614
Plangebied Het plangebied ligt aan de Ebberstraat, ten noorden van Velden. De ligging van het plangebied is weergegeven op Figuur 1. Momenteel is het plangebied in gebruik als (verhard) erf en is bebouwd (tuinbouwkas, bedrijfsloods en woning). In het noorden, oosten en zuiden wordt het plangebied begrensd door tuinkas en in het westen door de Ebberstraat.
Figuur 1. Topografische ligging van het plangebied. Het plangebied is rood omlijnd. (Bron: PDOK-viewer)
Pagina | 8
AM21614
2. WERKWIJZE 2.1
Inleiding
Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese.
Archeologische bronnen •
Archeologische Monumentenkaart (AMK)
•
Archeologisch Informatiesysteem (Archis3)
•
Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venlo
•
Specifieke lokale informatie (heemkundekring, amateurarcheologen)
Bodem- en geomorfologische kaarten •
Bodemkaart (Alterra)
•
Geomorfologische kaart (Alterra, uit Archis3)
•
Geomorfogenetische kaart (Ellenkamp, 2012)
•
Stroomgordelkaart Maas (Woolderink 2018)
•
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)
Historische kaarten •
Tranchotkaart (1805)
•
Historisch kadastraal minuutplan (1800-1832)
•
Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978)
•
Moderne topografische kaart (tot 2021)
De bovenstaande bronnen worden aangevuld door mogelijke informatie afkomstig van lokale archeologische verenigingen en werkgroepen. De overige aanvullende informatie is terug te vinden in de literatuurlijst. Stichting Heemkunde Arcen, is op 7 april 2022 per e-mail gecontacteerd met de vraag met de vraag om aanvullende informatie betreffende het plangebied. Tot op heden is hierop nog geen reactie ontvangen.
2.2
Verkennend veldonderzoek door middel van boringen
Aan de hand van het Plan van Aanpak (PvA) en de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek 2 wordt een verkennend booronderzoek met een boordichtheid van 6 boringen per hectare uitgevoerd. Het onderzoek is hiermee verkennend voor alle perioden. Het plangebied heeft een oppervlakte van 4.300 m2. Bij het verkennend veldonderzoek zal daarom uitgegaan worden van 6 boringen welke gelijkmatig over het plangebied worden verdeeld, zie Bijlage 2.
2 Tol et al. 2012.
Pagina | 9
AM21614
De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten en bebouwing. De hoogte zal worden bepaald met het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De boringen worden gezet met een Edelmanboor met een boorkop van 7 centimeter. De boorkernen worden conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. Gelet zal worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren als fragmenten keramiek, fosfaatvlekken en brokjes houtskool en verbrande leem. Daartoe worden de opgeboorde monsters verbrokkeld waar nodig.
Pagina | 10
AM21614
3. BUREAUONDERZOEK 3.1
Landschappelijke situatie - geomorfologie
De omgeving van het plangebied ligt in het Maasterrassengebied in de lage Maasterrassen3, ten oosten van de Peelhorst. De rivier de Maas bevindt zich ten oosten van het plangebied. In de ondergrond bevinden zich rivierafzettingen van de Maas die een dikte hebben van enkele tientallen meters. Dit pakket afzettingen bestaat uit grof zand en grind en maakt deel uit van de Formatie van Beegden.4 In het Kwartair (circa 1,81 miljoen jaar geleden) zijn de rivierterrassen van de Maas ontstaan. Door klimaatschommelingen en gestage opheffing ontstond er een getrapt terrassenlandschap (Figuur 2). Tijdens de ijstijden hadden de rivieren een onregelmatig debiet en grote sedimentaanvoer. Hierdoor ontstond er een vlechtend geulpatroon waarbij zand en grind werden afgezet over de gehele breedte van de actieve bedding. Gedurende interglaciale hadden de rivieren een meanderend karakter. De meanderende riviergeulen sneden zich in de oudere sedimenten die waren afgezet tijdens de ijstijden. Het actieve dal van de meanderende rivieren was minder breed. Hierdoor kwam de rest van de voormalige vlechtende rivierbedding tijdens het interglaciaal hoog en droog in het landschap te liggen. Door de afwisseling van warme en koudere perioden ontstond een steeds diepere gelegen riviervlakte en ontstonden er rivierterrassen.
In de omgeving van het plangebied hebben de Maas en Rijn vrij grove grindhoudende zanden afgezet op de midden-Pleistocene riviervlakte. Deze afzettingen behoren tot de Formaties van Urk en Kreftenheye. Onder invloed van tektonische opheffing verplaatste de Rijn zich. Door de opheffing in de omgeving heeft de Maas een vrij diep en stroomdal gevormd. Het terrassenlandschap van de Maas heeft een lange ontwikkelingsgeschiedenis, de oudste terrassen worden in het Saalien gedateerd (circa 130.000 jaar oud). Het eerstvolgende terras, gevormd onder de toenemende invloed van de Maas ligt circa 25 meter lager. Dit terras is gevormd in de periode van de laatste ijstijd, het Weichselien tot het Pleniglaciaal (circa 73.000 – 14.700 jaar geleden). De afzettingen uit deze periode behoren, zoals gezegd, tot de formatie van Beegden. Tijdens de korte warmere periode van het Allerød interstadiaal (circa 13.900 - 12.900 jaar geleden) ontwikkelde zich vegetatie waardoor de sedimentatie en watertoevoer veranderde. Als gevolg hiervan vormde zich een hoofdgeul die zich meanderend in het tweede terras sneed. Hieruit ontstond een volgend terras dat ook wel bekend is als Allerød-terras, circa vier meter lager gelegen dan het vorige terras. De laatste fase voor de opwarming van het Holoceen omvat de Jonge Dryas (circa 12.900 - 11.700 jaar geleden).
Tijdens de Jonge Dryas daalt de temperatuur weer waardoor de aanvoer van het sediment weer toenam. In deze periode neemt de rivier weer een vlechtend patroon aan. Dit vlechtende patroon stroomde met name aan de oostoever en erodeerde daar een groot deel van het Allerød-terras en zette hier matig fijne tot grove zanden af. De tweede helft van de Jonge Dryas was aanzienlijk droger; verstuivingen vanuit de rivierbedding zorgden voor afzettingen op het Allerød-terras en tweede terrasniveau. De verstuivingen vormden in de omgeving een dekzandpakket. Met de intrede van het Holoceen veranderde het klimaat sterk waardoor de aanvoer van sediment en water constanter werd. De Maas trok zich als meanderende rivier terug in het huidige holocene dal. Hier hebben zich ook zandverstuivingen voorgedaan, echter is hier niet met zekerheid te zeggen of het om een natuurlijk fenomeen gaat.
3 Rensink et al., 2019. 4 Stouthamer 2020, 155.
Pagina | 11
AM21614
Het plangebied ligt op het Lomm-Velden Maasterras dat is ontstaan in het Vroeg-Holoceen (vanaf circa 10.150 tot 8.000 jaar geleden) die ten tijde van het eind laat-paleolithicum B de actieve riviervlakte vormde. Ten westen van het plangebied ligt de huidige loop van de Maas. Volgens de geologische kaart komen ter plaatse van het plangebied in de bodem fluviatiele afzettingen (zandige tot grindige stroomgordelafzettingen (BE1)5 voor. De fluviatiele afzettingen behoren tot het Laagpakket van Oost-Maarland (Formatie van Beegden). Op de geomorfologische kaart (Bijlage 5) ligt het plangebied op een hoger gelegen dalvlakteterras (code 4E44h). Op circa 80 meter ten oosten van het plangebied ligt een oude Maasgeul (code 22R43). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, Bijlage 7) is duidelijk te zien dat het plangebied op een hoger gelegen Maasterras ligt tussen de huidige loop van de Maas en een restgeul ligt. Op het uitgezoomde kaartbeeld zijn verschillende oudere geulen van Maas zichtbaar. Deze liggen circa 1 – 3 meter lager dan de omringende gebieden. Verder is het westelijk hooggelegen Peelhorst goed te herkennen. De maaiveldhoogte binnen het plangebied varieert tussen de 16,55 en 17,50 meter +NAP. Het plangebied loopt globaal gezien in westelijke richting op.
Figuur 2. Schematische voorstelling van rivierterrassen in een opheffingsgebied (Bron: Stouthamer 2020, 152).
5 Geologische overzichtskaart van Nederland, 2021.
Pagina | 12
AM21614
3.2
Landschappelijke situatie - bodem
Volgens de bodemkaart (Bijlage 6) worden in het plangebied hoge bruine enkeerdgronden in grof zand (code bEZ30) verwacht. Bij enkeerdgronden is sprake van een eerdlaag of plaggendek. Dit (plaggen)dek is ontstaan doordat in sommige gevallen al vanaf de late middeleeuwen op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Om de grond vruchtbaarder te maken, werden plaggen met het mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid. In de loop der tijd is hierdoor een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. De totale dikte van het plaggendek is bij de enkeerdgronden meer dan 50 cm. De bouwvoor (Aap-horizont) is grijsbruin tot zwart van kleur. Hieronder liggen oudere niveaus/lagen van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur zijn. Dergelijke cultuurdekken kunnen een beschermende werking hebben voor de potentieel aanwezige archeologische lagen. De hoge enkeerdgronden betreffen de oudste opgehoogde gronden, die over het algemeen op de hogere dekzanden liggen. De lage enkeerdgronden werden pas later in gebruik genomen vanwege de lagere ligging in het beekdal. Door de hogere grondwaterstand was de sterke ophoging met plaggen niet alleen noodzakelijk voor de bemesting maar ook om de nattere gronden toegankelijk te maken.
De kans bestaat dat er onder het plaggendek nog een restant van het oorspronkelijke wordt bodemprofiel wordt aangetroffen. Dit hoeft echter niet zo te zijn zoals vaker blijkt bij archeologisch onderzoek in bijvoorbeeld het oosten van Brabant. Indien sprake is geweest van een snelle ophoging, dan zou men onder het plaggendek nog een intacte A-horizont kunnen vinden. Deze laag onderscheidt zich door een hoger humusgehalte en een meer donkere kleur. Echter, door verploeging zijn vaak de oorspronkelijke A- en E-horizont meestal reeds opgenomen in het plaggendek. Indien de oorspronkelijke bodem bestaat uit een podzolbodem kunnen op een dieper niveau nog (restanten van) een B- en/of BC- horizont voorkomen. Grondwatertrap De mogelijk aanwezige gronden worden gekenmerkt door een gemiddeld hoge grondwaterstand, te weten grondwatertrap VII. Dit zijn de gemiddelde grondwaterstanden die op de bodemkaart staan aangegeven. Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 80 en 140 centimeter beneden maaiveld ligt. De gemiddeld laagste grondwaterstand ligt dieper dan 160 centimeter beneden maaiveld. Deze lage grondwaterstand zorgt voor slechte bewaringsomstandigheden voor eventuele organische resten.
3.3
Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht
De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Velden. De eerste vermelding van de nederzetting Velden in de schriftelijke bronnen stamt uit circa 1144 als in een oorkonde sprake is van Velden.6 Omstreeks 1400 wordt de nederzetting Velden ecclesia genoemd. De naam heeft de betekenis van ‘nederzetting op het veld’.7 In het jaar 1334 is sprake van de parochie Velden.8 De nederzetting ontstond op de zandgronden direct langs de terrasrand bij de Maas. Rondom de dorpskern bevinden zich enkele buurtschappen zoals Schandelo, Hasselt, Hasselderheide, Villigerstraat en Vorst.
6 Van Berkel en Samplonius 2006, 461. 7 Geelen e.a. 2012, 33 (Stichting Veldens Boek). 8 Renes 1999, 244.
Pagina | 13
AM21614
Het plangebied ligt aan de Ebberstraat. De Ebberstraat vormde een verbindingsweg vanaf het buurtschap Hasselt en liep via het gehucht De Voort verder noordelijk richting het dorp Lomm. In de 11e of 12e eeuw zou al sprake zijn van Hasselt. In 1326 is in de schriftelijke bronnen sprake van ‘Dat dorp te Hasselt ende te Lumme, te Zutphenschen rechte, ende thuys te Stralen’ te manleene is bij Arnt, de voogd van Straelen’. 9 De naam Hasselt is waarschijnlijk afgeleid van hasala en het Germaanse woord hasaluth, dat te vertalen is als een ‘bosje met hazelaars’. Deze naam duikt veelvuldig op in de 14e eeuw.10 De naam van het noordelijk van het plangebied gelegen gehucht De Voort houdt verband met de ligging bij een voorde, een doorwaadbare plaats. Een grindeiland (‘Middel Weerd’) in de Maas, ter hoogte van de Voort en te zien op de Tranchotkaart uit circa 1805, geeft aan dat de Maas op die plek in bepaalde perioden doorwaadbaar was. In de bronnen is sprake van in gen Voert.11 Gedurende de middeleeuwen was Velden en het naburige Arcen onderdeel van het graafschap en latere hertogdom Gelre. Het was deel van het Overkwartier van Gelre of Spaans Opper-Gelre. In de 15e eeuw kwam Velden onder toezicht van de schouten van Arcen en van Grubbenvorst.12 Vanaf het begin van de 18e eeuw (tijdens de Spaanse Successieoorlog) tot 1814 was het deel van het Pruisische Opper-Gelre.
Vanaf 1814 werd het gebied betrokken bij het Koninkrijk der Nederlanden. Het grondgebied van Velden had regelmatig te kampen met overstromingen van de Maas, waarbij de lagere delen (geulen) onder water liepen en de hoge delen (terrassen) als eilanden boven het water uit staken. Aan het begin van de Ebberstraat, in de kern van Hasselt, ligt dan ook het Hoogwaterhuis. Het gebouw, oorspronkelijk een vakwerkhuisje, stamt oorspronkelijk uit de 16e eeuw. Op de Cultuurhistorische inventarisatie kaart van de gemeente Venlo ligt het plangebied in een droge kampontginning: velden (code Rkda).13 Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het dorp in mei 1940 door de Duitsers bezet. In het buurtschap Schandelo werd in 1942 een schijnvliegveld aangelegd en in juli van dat jaar stort in de buurtschap een vliegtuig neer. Ook in 1943 stort een vliegtuig neer ter plaatse van de Schoolstraat te Velden. Verder vinden veel verwoestingen plaats door Duitsers, maar ook door Engelsen in hun aanval op de aanwezige Duitse troepen.14
3.4
Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden
Op de leidende Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venlo ligt het plangebied in een begrenzingvindplaats (Bijlage 4).15 In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 1 kilometer) zijn volgens de gegevens uit Archis3 twee archeologische monumenten en (binnen een straal van 500 meter) meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend (Bijlage 3 en Tabel 1).
9 Geelen e.a. 2012, 33 (Stichting Veldens Boek). 10 Geelen e.a. 2012, 79 (Stichting Veldens Boek). 11 Geelen e.a. 2012, 80 (Stichting Veldens Boek). 12 Geelen e.a. 2012, 34 (Stichting Veldens Boek). 13 RAAP 2015: Cultuurhistorische inventarisatiekaart gemeente Venlo, kaartbijlage 1, blad 2 (RAAP-rapport 2926). 14 Geelen e.a. 2012, 40-41 (Stichting Veldens Boek). 15 RAAP, 2015: Actualiseren Archeologische Basiskaart, Archeologische beleidskaart, kaartbijlage 6-A (RAAP-adviesdocument 529). Pagina | 14
AM21614
Monumentnummer 16.555 Op circa 720 meter ten zuiden van het plangebied ligt een terrein met bewoningssporen. Het gaat om de oude dorpskern van Hasselt. Monumentnummer 16.554 Terrein met bewoningssporen uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd op 720 meter ten zuidoosten van het plangebied. Het gaat om de oude dorpskern van Schandelen.
Onderzoeken binnen het plangebied Zaakidentificatie 2245444100 In 2009 werd door RAAP Archeologisch Adviesbureau een verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de voormalig gemeente Arcen en Velden. Tijdens het onderzoek zijn meerdere vondsten vuursteen, keramiek, steen en complexen uit het laatpaleolithicum – nieuwe tijd aangetroffen.
Zaakidentificatie 2373635100 In 2012 werd door ADC ArcheoProjecten een bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor 18 deellocaties gelegen tussen Mook en Roermond. Het doel van het onderzoek was om een verbeterde reconstructie van het landschap van de laatste 150.000 jaar en de beschrijving van de potentie van het landschap in relatie tot het gebruik en bewoning door de mens. Tijdens het onderzoek zijn enkele vondsten gedaan op circa 80 meter ten oosten van het plangebied. Er werd handgevormd aardewerk uit de bronstijd aangetroffen, handgevormd aardewerk uit de periode neolithicum – nieuwe tijd, ruwwandig gedraaid aardewerk uit de Romeinse periode en laatmiddeleeuws aardewerk en steengoed (vondstlocatie 1112723).
Zaakidentificatie 4016339100 Proefsleuvenonderzoek binnen een omvangrijke onderzoekslocatie, uitgevoerd voor twee deellocaties door ADC ArcheoProjecten in 2016. Tijdens het onderzoek is aardewerk, bouwaardewerk (baksteen), natuursteen (daklei), hutteleem, paalgat/paalkuil en greppel/sloot aangetroffen uit de vroege middeleeuwen tot nieuwe tijd. In geen van beide deelgebieden zijn (eenduidige) resten aangetroffen van de vindplaatsen die er op basis van het vooronderzoek werden verwacht. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Onderzoeksmeldingen in de omgeving van het plangebied Zaakidentificatie 4016339100
Afstand Direct ten ZO van
Soort onderzoek IVO-p door ADC
Omschrijving Tijdens het onderzoek is aardewerk, bouwaardewerk (baksteen),
het plangebied
ArcheoProjecten in 2016
natuursteen (daklei), hutteleem, paalgat/paalkuil, greppel/sloot aangetroffen uit de late middeleeuwen tot nieuwe tijd. Het onderzoek betreft twee deelgebieden. In geen van beide deelgebieden zijn eenduidige resten aangetroffen van vindplaatsen. Er is geen vervolgonderzoek geadviseerd.
2471718100
Circa 80 m ten W
IVO-o door ADC
Tijdens het karterend booronderzoek is aardewerk aangetroffen uit
van het plangebied
ArcheoProjecten in 2015
de Romeinse tijd. Het onderzoeksgebied ligt op het Jonge Dryasterras. Voor het noordelijk deel is geen aanleiding gevonden voor een vervolgonderzoek. Voor het zuidelijk deel is wel een
Pagina | 15
AM21614
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving vervolgonderzoek geadviseerd. In dit deel zijn diverse indicatoren aangetroffen.
2037160100
2437203100
Circa 180 m ten W
IVO-p door ADC
Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
van het plangebied
ArcheoProjecten in 2003
Circa 30 m ten W
BO door Econsultancy BV
Voor het onderzoeksgebied geldt een (middel)hoge archeologische
van het plangebied
in 2014
verwachting voor de periode mesolithicum – nieuwe tijd. Er is geen verkennend booronderzoek geadviseerd.
2295340100
Circa 475 m ten W
BO door Sweco in 2010
Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
Circa 390 m ten NW
AB door ADC
Tijdens het onderzoek is steen, menselijk bot, keramiek, vuursteen,
van het plangebied
ArcheoProjecten in 2009
koper,
van het plangebied 2266731100
ijzer,
greppel/sloot,
kuil,
spieker/graanschuur,
huisplattegrond, paalgat, grafveld, bewoning (inclusief verdediging) en complexen aangetroffen uit het laat-paleolithicum – nieuwe tijd. 2365008100
Circa 500 m ten NW
AB door BAAC BV in 2012
van het plangebied
Tijdens het onderzoek is vuursteen (afslag, kling, brok), aardewerk, bouwaardewerk, metaal (draadfibula), tefriet, zandsteen, paalgat, kuil, greppel en bewoning (inclusief verdediging) aangetroffen uit het laat-paleolithicum – bronstijd. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
2030664100
Circa 450 m ten NW
IVO-o door RAAP
Dit onderzoek betreft een oppervlaktekartering en booronderzoek.
van het plangebied
Archeologisch
Tijdens dit onderzoek zijn veel vondsten vuursteen, keramiek en
Adviesbureau in 2000
complexen aangetroffen uit het laat-paleolithicum – nieuwe tijd. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
2078609100
Circa 450 m ten NW
IVO-p door Rijksdienst
Tijdens dit onderzoek is steen (brok), keramiek (aardewerk), kuil,
van het plangebied
voor het Cultureel
cultuurlaag en complexen aangetroffen uit het neolithicum –
Erfgoed in 2001
nieuwe tijd. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
2985761100
Circa 370 m ten NW
Registratie archeologische vondstmelding in 2015 van vuursteen
van het plangebied
(kern - afslagkern), keramiek (aardewerk) en complexen uit het laatpaleolithicum – vroege middeleeuwen. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
3243907100
Circa 150 m ten N
Registratie archeologische vondstmelding in 1997 van keramiek
van het plangebied
(aardewerk) en bewoning (inclusief verdediging) uit de Romeinse tijd. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
2094152100
Circa 380 m ten NW
Onderwaterarcheologie
Tijdens het onderzoek is hout (schip) en complexen (scheepvaart en
van het plangebied
door ADC
waterweg) aangetroffen uit de nieuwe tijd.
ArcheoProjecten in 2005 2985891100
Circa 360 m ten NW
Registratie archeologische vondstmelding in 2015 van meerdere
van het plangebied
vondsten keramiek (aardewerk, afval), vuursteen (kling, afslag), steen (brok) en complexen uit het neolithicum – nieuwe tijd laat. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
3039811100
Circa 270 m ten W
IVO-p door ADC
Tijdens het onderzoek is keramiek (aardewerk), vuursteen,
van het plangebied
ArcheoProjecten en
greppels/sloot en complexen aangetroffen uit het paleolithicum –
Alterra in 2000
nieuwe tijd. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
Pagina | 16
AM21614
Zaakidentificatie 2985778100
Afstand Circa 330 m ten ZW van het plangebied
Soort onderzoek
Omschrijving Registratie archeologische vondstmelding in 2015 van vuursteen (kling, afslag) en complexen uit het laat-paleolithicum – laat neolithicum. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
2985915100
Circa 350 m ten ZW
Registratie archeologische vondstmelding in 2000 van keramiek
van het plangebied
(aardewerk handgevormd) en complexen uit het vroeg neolithicum – middeleeuwen. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
2985931100/
Circa 440 m ten ZW
Registratie archeologische vondstmelding in 2000 van keramiek
3155682100
van het plangebied
(geverfd aardewerk, aardewerk handgevormd) en complexen uit het vroeg-neolithicum – middeleeuwen. Er zijn geen verdere gegevens bekend in Archis en DansEasy.
Tabel 1. Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van 500 meter rond het plangebied.
3.5
Bewoningsgeschiedenis – historisch kaartmateriaal
In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op de Tranchotkaart uit circa 180516 en op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 3)17, waar de situatie op kadastraal niveau is te zien, blijkt dat het plangebied aan De Voort-Weg (huidige Ebberstraat) ligt. Aan deze weg is geen bebouwing aanwezig. De bebouwing in de omgeving van het plangebied concentreert zich voornamelijk in het buurtschap Hasselt, ten zuiden van het plangebied. Het plangebied zelf is onbebouwd en maakt deel uit van een akkerveld dat op het minuutplan het Aan Weevers Straat wordt genoemd. Op de Tranchot is sprake van het Hasselderveld. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)18 behorende bij het minuutplan, zijn al de percelen binnen het plangebied als bouwland en weiland in gebruik. De situatie op de historische kaarten uit 1901, 1931 en 1950 (Figuur 4) is grotendeels gelijk. Het plangebied is geheel onbebouwd en als bouwland in gebruik. Op de kaart uit 1901 staan middels meerdere korte lijntjes de hoogten in het landschap aangegeven. Hierop is te zien dat het plangebied op de oostflank van het Maasterras ligt. De bebouwing in de omgeving van het plangebied concentreert zich nog steeds in de kern van het buurtschap Hasselt. Het plangebied blijft onbebouwd tot dat omstreeks 1979 de tuinbouwkas in het noordoostelijke deel van het plangebied wordt gebouwd.
Het woonhuis in het zuidelijk deel dateert uit 1981.
16 Landesvermessungsamt NRW, Kartenaufnahme der Rheinlande blad 26 Velden. 17 www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Gemeente Arcen en Velden, sectie C, blad 1. Minuutplans zijn de oorspronkelijke kadastrale kaarten die zijn vervaardigd vanaf 1811 en 1812 in navolging van de Fransen o.l.v. Napoleon Bonaparte. Het zijn grondbeschrijvingen (kadasters) van de gemeenten met hierop aangegeven de percelen, perceelnummers en gebouwen. 18 OAT = Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel. Dit is een register uit 1832 waarin diverse gegevens in vermeld staan die betrekking hebben op de betreffende percelen, zoals de eigenaar, beroep en woonplaats, alsmede het grondgebruik en de oppervlakte. Pagina | 17
AM21614
Figuur 3. Uitsnede van het kadastraal minuutplan uit 1811-1832, met in het rood bij benadering het plangebied aangegeven (Bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Pagina | 18
AM21614
Figuur 4. Uitsneden van historische kaarten uit de perioden 1901, 1930, 1950 en 1970. Het plangebied is aangegeven met het rode kader (Bron: www.topotijdreis.nl).
Pagina | 19
AM21614
4. VERWACHTINGSMODEL Jager-verzamelaars uit het paleolithicum en mesolithicum hebben als woon- en verblijfplaats vaak voor de flanken van hoger liggende terreingedeelten in het landschap gekozen. Bij voorkeur in de buurt van (open) water. Nabijgelegen watervoorzieningen waren belangrijk voor drinkwater en de aanwezige biodiversiteit. Dit vergemakkelijkt de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel. Door meerdere verleggingen van de Maas ontstond er een geaccidenteerd landschap, waarbij hoge oeverwallen en laaggelegen restgeulen (verlaten meanders van de Maas) zich op korte afstand afwisselen. Het plangebied ligt binnen het Lomm-Velden Maasterras dat is ontstaan in het Vroeg-Holoceen (vanaf circa 10.150 tot 8.000 jaar geleden) die ten tijde van het eind laatpaleolithicum B de actieve riviervlakte vormde. De kans is groot dat sporen uit deze periode, indien toch aanwezig, in het plangebied zijn geërodeerd door latere rivieractiviteiten. Op basis van deze gegevens geldt een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum. Ten tijde van het mesolithicum vormde het plangebied niet meer de actieve riviervlakte. Van oudsher vestigde de mens zich op de overgang van nat naar droog (gradiëntzones). Direct ten oosten van het plangebied ligt een geul. Het is niet bekend wanneer de geul watervoerend was.
Indien de geul watervoerend was ten tijde van het mesolithicum, dan is het plangebied aantrekkelijk voor bewoning. In de directe omgeving van het plangebied en met een vergelijkbare landschappelijke ligging, zijn tot op heden geen vondsten bekend uit deze periode. Om deze redenen geldt voor het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor het mesolithicum. Mogelijk aanwezige resten uit deze perioden worden onder de bouwvoor, in de top van de rivierafzettingen van Maas verwacht en kunnen bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen, artefacten van vuursteen.
Vanaf het (laat-)neolithicum ontstaan de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door meer sedentaire nederzettingen. De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die soms diep in de grond gefundeerd waren. Vanaf deze perioden heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. Indien de geul direct ten oosten van het plangebied watervoerend was ten tijde van de landbouwende samenlevingen, dan is het plangebied aantrekkelijk voor bewoning. In de directe omgeving van het plangebied, in een vergelijkbare landschappelijke ligging, zijn meerdere vondsten en nederzettingen bekend uit deze periode. Binnen een straal van 100 meter werd handgevormd aardewerk uit de bronstijd, uit de periode neolithicum – nieuwe tijd en meerdere aardewerkresten uit de Romeinse periode aangetroffen. Deze werden zowel op hetzelfde terras als waarop het plangebied ligt alsook in de geul aangetroffen. Om deze reden geldt er een hoge archeologische verwachting voor de periode neolithicum tot vroege middeleeuwen. Resten worden onder de verwachte eerdlaag of in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen onder andere bestaan uit cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, fragmenten aardewerk, natuursteen of gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Ebberstraat. Deze straat vormde een secundaire uitvalsweg vanuit het buurtschap Hasselt naar Lomm.
Uit bestudering van historische kaarten blijkt dat het plangebied sinds tenminste circa 1800 onbebouwd was en in gebruik is als bouwland en weiland. Het plangebied zelf is onbebouwd en maakt deel uit van een akkerveld. Het plangebied blijft onbebouwd totdat het huidige woonhuis en tuinbouwkas wordt gerealiseerd in eind jaren zeventig en begin jaren tachtig van de 20 e eeuw. Echter is in de directe omgeving laatmiddeleeuws aardewerk en steengoed aangetroffen. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode volle middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Archeologische resten worden vanaf het maaiveld verwacht en kunnen onder andere bestaan uit onder andere cultuurlagen, paalkuilen/-gaten, afvalkuilen, gebruiksvoorwerpen van bijvoorbeeld natuursteen, fragmenten aardewerk en sporen van agrarische activiteiten.
Pagina | 20
AM21614
Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van enkeerdgrond en daarmee een plaggendek zijn archeologische resten beschermd tegen latere invloeden. Over het algemeen kunnen (anorganische) vondsten en sporen onder zo’n dek in goede toestand worden aangetroffen. Mogelijke vuursteenvindplaatsen kunnen echter verstoord zijn geraakt bij de aanleg van het plaggendek en de eerste bewerking ervan. Hierdoor is vaak de top van de natuurlijk bodem opgenomen in het bovenliggende opgebrachte dek. Wat betreft eventueel aanwezige organische resten is het afhankelijk hoe diep het grondwater zit. Bij hoge enkeerdgronden zijn de omstandigheden voor het aantreffen van organische resten minder goed: door de lage grondwaterstand (GWT VII) kunnen organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Periode Midden-
Verwachting Laag
Verwachte kenmerken vindplaats
paleolithicum - laat-
Diepteligging sporen Geërodeerd door latere rivieractiviteiten van de Maas
paleolithicum
Resten van kampementen, fragmenten vuursteen, natuursteen,
Mesolithicum
Middelhoog
gebruiksvoorwerpen
In de top van de Maasafzettingen
(laat)-neolithicum –
Hoog
Nederzettingsresten, fragmenten aardewerk,
Vanaf de eerdlaag, in de top van de
natuursteen, gebruiksvoorwerpen
Maasafzettingen
Cultuurlaag, funderingsresten, natuursteen,
Vanaf het maaiveld
vroege middeleeuwen
Volle middeleeuwen – nieuwe tijd
Middelhoog
fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarische activiteiten, restanten wegen/paden
Tabel 2. Archeologische verwachting per periode.
Bodemverstoring Als gevolg van de huidige bebouwing zal het plangebied tot zekere diepte verstoord zijn geraakt. Waarschijnlijk is verstoring opgetreden als gevolg van de aanleg/aanbouw van de tuinbouwkas. Er zijn los hiervan geen gegevens bekend dat binnen het plangebied bodemverstorende activiteiten hebben plaatsgevonden. Op basis van de KLIC-melding (uitgevoerd op 4 april 2022) zijn binnen het westelijk deel van het plangebied kabels/leidingen gegraven die voor een verstoring van de bodem kunnen hebben gezorgd.
Pagina | 21
AM21614
5. VELDWERKZAAMHEDEN 5.1
Algemeen
Het doel van het verkennend veldonderzoek door middel van boringen is het toetsen van de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied (Hoofdstuk 4). Hiertoe zijn op 6 april 2022 in totaal 6 boringen gezet (zie Bijlage 2 en 8). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boordiepte varieerde van 80 tot 150 centimeter onder maaiveld. De boorkernen zijn conform ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie Bijlage 8. De hoogteligging van de boorpunten ten opzichte van NAP is afgeleid van het AHN3 (www.ahn.nl). De maaiveldhoogte binnen het plangebied varieert tussen de 16,55 en 17,50 meter +NAP. Het plangebied loopt globaal gezien in westelijke richting op. Er is geen oppervlakte kartering uitgevoerd in verband met de aanwezige begroeiing en verharding.
Figuur 5. Foto van het westelijk deel van het plangebied (Foto: 6 april 2022).
Pagina | 22
AM21614
Figuur 6. Foto van het oostelijk deel van het plangebied (Foto: 6 april 2022).
5.2
Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw
De top van de bodem wordt gevormd door een pakket matig humeus, matig siltig, matig fijn zand. De kleur van dit pakket is donker bruingrijs. De dikte van pakket is circa 25 tot 50 centimeter. In boring 5 is dit pakket beduidend dikker, circa 110 centimeter. In deze boringen bevat dit pakket spikkels baksteen. In boringen 3 en 6 heeft dit pakket een zwak tot sterk vlekkerig karakter. Hieronder volgt met een scherpe overgang de natuurlijke ondergrond. De top van de natuurlijke ondergrond bestaat, met uitzondering van boringen 5 en 6, uit een pakket beigeoranje tot oranjebeige zwak siltig, matig fijn zand. Het zand is matig tot slecht gesorteerd en matig tot slecht afgerond. In boring 2 bevindt dit pakket zich onder een circa 20 centimeter dikke laag grijsbeige zwak siltig, matig fijn zand. Onder het beigeoranje tot oranjebeige zandpakket is een overwegend neutraal grijs dan wel bruinoranje, waarbij een flinke variatie in grijstinten is waargenomen. Pagina | 23
AM21614
In boring 5 is bestaat de top van de natuurlijke ondergrond uit een geelbeige zandlaag. De top van de natuurlijke ondergrond is aangetroffen op circa 25 tot 120 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 15,83 tot 16,16 meter +NAP. In boring 6 bevindt zich tussen de natuurlijke ondergrond en het humeuze toppakket een 65 centimeter dik pakket zwak siltig matig fijn zand. Hierin zijn brokken baksteen aangetroffen en dit pakket heeft een sterk vlekkerig karakter. Onder dit pakket is een circa 25 centimeter dik pakket matig humeus, matig, matig siltig, matig fijn zandpakket aangetroffen.
Figuur 7. Foto van boring 1. De leesrichting is van linksboven naar rechtsonder (0 – 150 centimeter) (Foto: 6 april 2022).
5.3
Interpretatie
Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit stroomgordelafzettingen van de Maas. De afzettingen zijn onderdeel van het Laagpakket van Oost-Maarland (Formatie van Beegden). De stroomgordelafzettingen zijn slecht tot matig gesorteerd en matig tot slecht afgerond zand. Het zand is zwak grindrijk en is matig fijn. De natuurlijke ondergrond is geïnterpreteerd als beddingafzettingen van een vlechtend riviersysteem. De kleur van het beddingzand varieert van neutraal grijs tot bruinoranje. In deze afzettingen is (plaatselijk) een horizontale gelaagdheid zichtbaar. Dit duidt op afzettingen die zijn gevormd in een rivier met een wisselend milieu waarbij zowel hoge als lage stroomsnelheden voorkomen. In boring 5 is het sediment geelbeige. Mogelijk dat het hier gaat om oeverwalafzettingen. De top van de natuurlijke ondergrond is aangetroffen op circa 25 tot 120 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 15,83 tot 16,16 meter +NAP. Vervolgens is het plangebied opgehoogd met een antropogeen opgebracht pakket humusrijk matig fijn matig siltig zand. De dikte van het pakket varieert van circa 25 – 110 centimeter. Mogelijk hangt dit samen met de oorspronkelijke morfologie van het terrein.
Pagina | 24
AM21614
De humeuze top heeft in boring 3 en 6 een zwak tot sterk vlekkerig karakter en in boring 5 bevat dit pakket spikkels baksteen. Dit duidt op dat deze laag (sub)recentelijk is omgewerkt. Mogelijk is dit het gevolg van de huidige bebouwing en door (diep)ploegen.
5.4
Archeologische indicatoren
Alhoewel geen doel van een verkennend veldonderzoek met boringen, is gelet op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op archeologische waarden in de ondergrond. Tijdens het onderzoek zijn dergelijke indicatoren echter niet aangetroffen.
Pagina | 25
AM21614
6. CONCLUSIE 6.1
Algemeen
Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in een het plangebied de hoge bruine enkeerdgronden, zoals beschreven in het bureauonderzoek, niet (meer) aanwezig zijn. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit beddingafzettingen van de Maas van het Laagpakket van Oost-Maarland (Formatie van Beegden). De beddingafzettingen zijn slecht tot matig gesorteerd en matig tot slecht afgerond matig fijn zand en (plaatselijk) zwak grindrijk. De top van de natuurlijke ondergrond is aangetroffen op circa 25 tot 120 centimeter onder maaiveld. Dit komt overeen met circa 15,83 tot 16,16 meter +NAP.
Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. Binnen het plangebied is sprake van een AC-profiel. Er zijn geen sporen van een podzolbodem (E- en/of B-horizont) waargenomen. Aangenomen wordt dat een eventueel aanwezige podzolbodem door bewerking van het land geheel is opgenomen in de Ap-horizont of zich nooit voldoende heeft gevormd. De overgang van het toppakket naar de natuurlijke ondergrond is scherp. Dit betekent dat het potentieel archeologische niveau voor wat betreft de periode van de jager-verzamelaars niet meer intact aanwezig is. Als gevolg van de verstoring van het bodemprofiel zullen eventueel aanwezige resten uit de periode vanaf de jagers-verzamelaars niet langer in situ aanwezig zijn. Het gaat om zeer kwetsbare vindplaatsen en deze zullen verloren zijn gegaan bij de activiteiten die de aftopping van de bodem tot gevolg hebben gehad. Om deze redenen blijft de lage verwachting voor de periode middenpaleolithicum tot laat-paleolithicum gehandhaafd en wordt de middelhoge verwachting voor het mesolithicum bijgesteld naar laag. Voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden.
Om deze redenen blijft de hoge verwachting voor de periode neolithicum – vroege middeleeuwen en de middelhoge verwachting voor de periode volle middeleeuwen – nieuwe tijd gehandhaafd.
6.2
Beantwoording onderzoeksvragen •
Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? Ja. Vanaf de top van de zandige oever- en beddingafzettingen kunnen vanaf het mesolithicum archeologische resten voorkomen. Eventuele archeologische resten zouden aanwezig kunnen zijn onder de A-horizont. Het opgebrachte (plaggen)dek heeft een conserverende werking op de eventueel aanwezige archeologische resten.
•
In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? De overgang van de humeuze bovengrond naar de natuurlijke ondergrond scherp. De afwezigheid van een (A-), E- en Bhorizont in de overige boringen kan duiden op een recentere bewerking van de bodem (zoals egalisatie).
•
Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen? Pagina | 26
AM21614
Eventuele archeologische resten kunnen aangetroffen worden onder A-horizont (circa 25 – 110 centimeter onder maaiveld). Ten tijde van dit onderzoek is de precieze einddiepte en locatie van de toekomstige ingrepen niet bekend. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen plantontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben en kunnen resulteren in de aantasting van eventueel aanwezige archeologische resten.
Pagina | 27
AM21614
7. AANBEVELINGEN Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat er hoge bruine enkeerdgronden niet (meer) voorkomen in plangebied. De bodemopbouw bestaat uit een AC-profiel waarbij de overgang van de humeuze toplaag naar de natuurlijke ondergrond scherp is. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagers-verzamelaars ter plaatse niet meer intact is. Echter kan voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. De hoge verwachtingen voor de periode neolithicum – vroege middeleeuwen en de middelhoge verwachting voor de periode volle middeleeuwen – nieuwe tijd blijft dan ook gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen vanaf maaiveld archeologische resten aanwezig zijn. Hierbij is rekening gehouden met een bufferzone van circa 30 centimeter. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats.
Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Venlo). De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Venlo), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.
Pagina | 28
AM21614
LITERATUURLIJST Auwerda, F./ P. Grimm, 2008: Verliesregister 1939-1945, Alle militaire vliegtuigverliezen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, Den Haag. Baalbergen, J./ J.P.C.M./ T. de Kruijf e.a., 1998: Atlas van historische vestingwerken in Nederland, Limburg, Utrecht (Stichting Menno van Coehoorn). Bakker, de, H., 1966: ‘De subgroepen van het systeem van bodemclassificatie voor Nederland’, in Boor en spade: verspreide bijdragen tot de kennis van de bodem van Nederland, Wageningen. Bakker, de, H./ J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus. Staring Centrum, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 1997: Landschappelijk Nederland. Fysische geografie van Nederland, Assen. Berendsen, H.J.A., 1996 (herdruk 2008): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en Geomorfologie, Assen. Berendsen, H.J.A., 2005: Landschappelijk Nederland, Assen. Berkel, G. van/ K. Samplonius, 2006: Nederlandse plaatsnamen. Herkomst en Historie, Utrecht (Prisma). Blankenstein, van, E., 2006: Defensie- en oorlogsschade in kaart gebracht (1939 – 1945), Zeist. Cate, ten, J. A. M./ A. F. van Holst/ H. Kleijer/ J. Stolp, 1995: Handleiding bodemgeografisch onderzoek, richtlijnen en voorschriften. Deel A: Bodem, Wageningen, DLO-Staring Centrum. Technisch Document 19A. Geelen, J.
e.a., 2012: Velde tussen grens en Maas, wie’ste bis en wie’ste vruejer waas, Velden (Stichting Veldens Boek). Hiddink, H./ H. Renes, 2007: ‘De oude akkercomplexen in de oostelijke helft van Noord-Brabant en het noorden en midden van Limburg’, in: Van Doesburg e.a. (red.), 2007: Essen in zicht: Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid, Amersfoort (RCE). Mulder, de, E.J.F./ M.C. Geluk/ I. Ritsema/ W.E. Westerhoff/ T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Utrecht. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en MiddenLimburg, Leeuwarden (Maaslandse Monografieën 9). Rensink, E./ H.J.T. Smeets/ M. Kosian/ H. Feiken/ B.I. Smit, 2016: Archeologische Landschappenkaart van Nederland, versie 2.6, Amersfoort. SIKB, 2006: Leidraad inventariserend veldonderzoek, Deel: karterend booronderzoek, Gouda. Stiboka (Stichting voor Bodemkartering), 1985: Toelichting bij de kaartbladen 52 Oost Venlo, Wageningen.
Pagina | 29
AM21614
Stoel, J.G.M./ A. Verstraelen, 1979: Arcen. Historie, natuurschoon in woord en beeld, Venlo Stouthamer, E./ K.M. Cohen/ W.Z. Hoek, 2020: De vorming van het land. Geologie en Geomorfologie, Utrecht. TNO, 2021: Geologische overzichtskaart van Nederland, Den Haag (www.dinoloket.nl). Woolderink,
H.A.G./K.M.
Cohen,
(2018): Digital
Basemap
for
the
Lower
Meuse
Valley
Palaeogeography. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-xkk-f29b. Zonneveld, J.I.S., 1981: Vormen in het landschap, hoofdlijnen van de geomorfologie, Utrecht.
Digitale bronnen: www.archis.cultureelerfgoed.nl
RCE, Archis3, zoeken & vinden)
www.bagviewer.kadaster.nl
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG)
www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl
Kadastraal minuutplan
www.cultureelerfgoed.nl
Bronnen en kaarten
www.pdok.nl
Basisregistratie Grootschalige Topografie (2017), kadaster.
www.ruimtelijkeplannen.nl
Bestemmingsplan