062Bijlage 2 Regels bestemmingsplan Woonzorghuis Manresa.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Woonzorghuis Manresa Venlo
DATUM IMRO IDN
2022-10-11 NL.IMRO.0983.BP202203LEUTHER103-VA01
PROJECT PROJECTLEIDER
Bestemmingsplan
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Venterra BV 20211095
AUTEUR STATUS
Rho adviseurs vastgesteld
Inhoudsopgave
Regels Hoofdstuk 1
Inleidende regels
5
Artikel 1
Begrippen
5
Artikel 2
Wijze van meten c.q. berekenen
10
Bestemmingsregels
11
Artikel 3
Bos
11
Artikel 4
Maatschappelijk
13
Artikel 5
Verkeer - Verblijfsgebied
16
Algemene regels
18
Artikel 6
Anti-dubbeltelbepaling
18
Artikel 7
Algemene aanduidingsregels
19
Artikel 8
Algemene bouwregels
20
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
22
Artikel 10
Algemene procedureregels
23
Artikel 11
Overige regels
24
Overgangs- en slotregels
25
Artikel 12
Overgangsrecht
25
Artikel 13
Slotregel
26
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
3/26
4
Regels
4/26
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.2 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.3 aardwarmte In de ondergrond aanwezige warmte die aldaar langs natuurlijke weg is ontstaan. 1.4 aardwarmtesysteem Systeem voor het opsporen van aardwarmte of het winnen van aardwarmte als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, waarbij de aardwarmte op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig is. 1.5 bebouwingsgrens De op de verbeelding als zodanig aangegeven lijn, welke niet door gebouwen mag worden overschreden behoudens krachtens de regels duidelijk toegelaten afwijkingen. 1.6 bebouwingsoppervlak Het oppervlak van het bouwperceel, bestemmingsoppervlak dan wel van het bouwvlak, dat ten hoogste met gebouwen (kassen en warenhuizen daaronder niet begrepen) mag worden bebouwd. 1.7 bebouwingspercentage Het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.
1.8 bestaand Ten aanzien van de bebouwing: De als zodanig op de verbeelding aangegeven bebouwing, welke bestaat op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, dan wel op dat tijdstip op basis van een afgegeven bouwvergunning/omgevingsvergunning mag worden gebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald. Ten aanzien van het gebruik: Het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van dit plan.
5/26
1.9 bestemmingsplan De geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.10 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11 bedrijfswoning: Eén woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) één of meerdere persoon/personen, wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of terrein in overeenstemming met de bestemming. 1.12 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.13 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.14 bouwperceel Een aangesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.15 bouwperceelsgrens De grens van een bouwperceel. 1.16 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.17 bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.18 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
1.19 detailhandel Het bedrijfsmatig te koop of te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
6/26
1.20 gebouw Een bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.21 gebruik Gebruik van gronden en bouwwerken, zoals dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van dit plan. 1.22 hoofdgebouw Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.23 horeca Het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies. 1.24 ondergeschikt In aard en omvang of functioneel, ruimtelijk en/of architectonisch opzicht ten dienste van een hoofdfunctie/gebouw. 1.25 overig bouwwerk Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.26 overkapping Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, daaronder begrepen een carport. 1.27 parkeervoorziening Een al of niet overdekte, op straat aanwezige dan wel met een straat in open verbinding staande ruimte, die gelet op de ligging en de ontsluiting geschikt is om te worden gebruikt voor het parkeren van motorvoertuigen. 1.28 peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b.
voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil of de hoogte van het terrein ter plaatse van de meest nabij gelegen locatie waar het water grenst aan het vaste land. 1.29 perceelsgrens Een grenslijn tussen bouwpercelen onderling. 1.30 plan Het bestemmingsplan 'Woonzorghuis Manresa' met identificatienummer BP202203LEUTHER103-VA01 van de gemeente Venlo.
7/26
1.31 prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding, daaronder begrepen straatprostitutie. 1.32 recreatief medegebruik Een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan. 1.33 seksinrichting De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.34 straatpeil a. Voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. Voor een bouwwerk waarvan die hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. 1.35 verbeelding De verbeelding van het bestemmingsplan 'Woonzorghuis Manresa' bestaande uit de verbeelding NL.IMRO.0983.BP2018xxMANRESA-VO01 en legenda.
1.36 verkeer Wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, railverkeer, luchtverkeer, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting en/of straatmeubilair. 1.37 voorgevel Een of meer gevel(s) van een gebouw die is/zijn gelegen aan de zijde van de weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant(en) van een gebouw vorm(t)(en). 1.38 voorzieningen van algemeen nut Voorzieningen ten behoeve van het op het openbaar net telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
aangesloten
nutsvoorziening,
het
1.39 waterhuishoudkundig Het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem. 1.40 weg Een voor het rij- en nader verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.
8/26
1.41 wet/wettelijke regelingen Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald. 1.42 woning Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.43 zijgevel Een gevel van een hoofdgebouw, niet zijnde de voor- of achtergevel. 1.44 zorgappartement Een appartement die gekoppeld is aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een geïndiceerde zorgbehoefte.
9/26
Artikel 2
Wijze van meten c.q. berekenen
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand tot de bouwperceelsgrens Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, zonnepanelen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, zonnepanelen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5 horizontale diepte van een gebouw Tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel. 2.6 inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.7 ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, uitbouwen, balkons en overstekende daken en dergelijke buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 3 meter bedraagt. 2.8 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.9 oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10 verticale diepte van een gebouw De diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer.
10/26
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Bos
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bos en bebossing; b. groenvoorzieningen; c. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden van de gronden; e. observatieposten; met daaraan ondergeschikt: f. recreatief medegebruik; met de daarbij behorende: g. paden en wegen. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling: a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 1 meter bedragen, b. met uitzondering van: 1. vlaggenmasten, waarvan de hoogte niet meer dan 5 meter mag bedragen; 2. speeltoestellen, waarvan de hoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen; 3. erfafscheidingen, waarvan de hoogte niet meer dan 2 meter mag bedragen; 4. observatieposten, waarvan de hoogte niet meer dan 8 meter mag bedragen. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurwetenschappelijke waarden van de gronden; b.
de verkeersveiligheid; c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; d. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van
11/26
hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. 3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.4.1 Verbod Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Bos' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. bodemverlagen of afgraven, ophogen, egaliseren dan wel anderszins aanbrengen van wijzigingen in het maaiveld; b. aanbrengen van oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen van verharde en halfverharde wegen en paden; d. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik; e. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen; f. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; g. het vellen en rooien van houtgewas. 3.4.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 3.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
3.4.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.4.1 zijn slechts toelaatbaar, mits door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van het landschappelijke waarden van de gronden ontstaan of kunnen ontstaan.
12/26
Artikel 4
Maatschappelijk
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijk dienstverlening in de vorm van een woonzorg complex met maximaal zorgappartementen ten behoeve van ten hoogste 25 bewoners; b. een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; c. groenvoorzieningen; d. parkeervoorzieningen; e. voorzieningen van algemeen nut; f. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterbergings- en infiltratievoorzieningen.
20
met de daarbij behorende: g. gebouwen; h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; i. tuinen; j. erven en terreinen; k. in- en uitritten. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het aangeduide bouwvlak; b. het maximaal aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal bouwlagen' is aangegeven.; c. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven; 4.2.2 Bedrijfswoning Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende regels: a. een bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; b. het maximaal aantal bedrijfswoningen bedraagt ten hoogste 1; c. de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 3 meter; d. de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 9 meter. 4.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen dienen tenminste 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan - te worden gebouwd; b.
in hoeksituaties dienen aan- en uitbouwen en bijgebouwen, aan de perceelszijde van het hoofdgebouw die direct grenst aan de weg, op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan - te worden gebouwd;
13/26
c. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag maximaal 3,3 meter bedragen en de bouwhoogte mag maximaal 6 meter bedragen; d. de bouwhoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een plat dak mag niet meer dan 3,3 meter bedragen; e. in afwijking van het bepaalde in sub a. t/m d. van dit lid, mogen aan een hoofdgebouw erkers, luifels en dergelijke worden aangebouwd, met een diepte van maximaal 1,5 meter, een oppervlakte van maximaal 6 m² en een hoogte van maximaal 0,25 meter boven de vloer van de eerste verdieping. 4.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. erf en terreinafscheidingen hoger dan 1 meter, maar maximaal 2 meter, alsmede overkappingen dienen tenminste 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw -of in het verlengde daarvan- te worden gebouwd; b. in hoeksituaties dienen erf - en terreinafscheidingen hoger dan 1 meter alsmede overkappingen, aan de perceelszijde van het hoofdgebouw die direct grenst aan de weg, op een afstand van tenminste 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw -of het verlengde daarvan- te worden gebouwd; c. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 3 meter bedragen, met uitzondering van: 1. vlaggenmasten, waarvan de hoogte maximaal 5 meter mag bedragen; 2. speeltoestellen, waarvan de hoogte maximaal 3,5 meter mag bedragen; 3.
erf- en terreinafscheidingen, waarvan de hoogte maximaal 2 meter mag bedragen. 4.4 Nadere eisen 4.4.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen stellen ten aanzien van: 1. de situering en/of afmetingen van bouwwerken; 2. de aanleg en omvang van parkeergelegenheid op eigen terrein; 3. de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. 4.4.2 Nadere eisen uit oogpunt van externe veiligheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen uit een oogpunt van beheersing en bestrijding van externe veiligheidrisico's, gehoord de Veiligheidsregio Noord-Limburg, ten aanzien van: de toepassing van mechanische ventilatie bij de bouw van woningen; de situering en/of omvang van collectieve energievoorzieningen. 4.4.3 Afwegingskader De toepassing van nadere eisen als bedoeld in artikel 4.4.1 door burgemeester en wethouders zal gericht zijn op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie (wooncomfort kwaliteit woongenot van de directe omgeving); c. de gebruiksmogelijkheden (op eigen terrein en op aangrenzende gronden); d. de milieusituatie; e. de verkeersveiligheid;
14/26
f. de parkeerruimte op eigen terrein; g. de sociale veiligheid; h. de brandveiligheid. 4.5 Specifieke gebruiksregels 4.5.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in elk geval gerekend het gebruik van/voor: a. detailhandel; b. horeca; c. seksinrichtingen; d. opslag van goederen en materialen voor de gevellijn; e. permanente of tijdelijke bewoning in een bijbehorend bouwwerk; f. zelfstandige woningen.
15/26
Artikel 5
Verkeer - Verblijfsgebied
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonstraten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; b. parkeervoorzieningen; c. groenvoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: f. bermen en beplanting; g. straatmeubilair; h. hondenuitlaatplaatsen; i. waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen, voorzieningen ten behoeve van veerdiensten en dergelijke); j. voorzieningen van algemeen nut; k. terrassen. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Gebouwen a. Voor het bouwen van voorzieningen van algemeen nut gelden de volgende bepalingen: 1. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen; 2. de oppervlakte mag niet meer dan 15 m² bedragen. 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. er zijn geen bouwwerken ten behoeve van de terrassen toegestaan; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 meter bedragen; c. overkappingen zijn niet toegestaan; d. in afwijking van het bepaalde in sub b. mag de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 12 meter bedragen.
5.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; f. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van
16/26
hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.
17/26
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling
Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
18/26
Artikel 7
Algemene aanduidingsregels
7.1 Milieuzone - grondwaterbescherming venlo schol 7.1.1 Ter plaatse van de aanduiding Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbescherming venlo schol' is het niet toegestaan om dieper dan 5 meter onder NAP: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; b. de grond te roeren; c. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten; d. een bodemenergiesysteem op te richten. 7.1.2 Uitzonderingen De in artikel 7.1.1 gestelde verboden gelden niet voor: a. werkzaamheden ten behoeve van grondwateronttrekking met het oog op openbare drinkwaterproductie; b. andere onttrekkingen, mits bestemd voor uitsluitend menselijke consumptie; c. boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer overeenkomstig de Wet bodembescherming en de Waterwet; d. het saneren van de bodem en het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, indien dat gebeurt overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet bodembescherming; e. bodemonderzoeken die door de wet zijn voorgeschreven; f. werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning door het daartoe bevoegde gezag.
19/26
Artikel 8
Algemene bouwregels
8.1 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten 8.1.1 Bestaande maatvoering - meer Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 8.1.2 Heroprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 8.1.1 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats. 8.1.3 Ondergeschikte bouwdelen, ondergrondse gebouwen In afwijking, dan wel aanvulling van het bepaalde in hoofdstuk 2 geldt dat: a. maximale oppervlaktematen en bebouwingspercentages mogen worden overschreden door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, zonnepanelen en -collectoren, gevel- en kroonlijsten, luifels, aan-/uitbouwen zoals erkers/serres, balkons en overstekende daken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 3 meter vanuit de gevel van het gebouw. 8.2 Algemene bepaling m.b.t.
ondergronds bouwen 8.2.1 Ondergrondse werken Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 8.2.2 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan onder een gebouw; b. een ondergronds bouwdeel mag uitsluitend uit één bouwlaag van maximaal 4 meter bestaan.. 8.2.3 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 8.2.1 is niet van toepassing voor nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van energieopslag, koude- en warmte-opslag en warmtepompen. 8.2.4 Afwijken van ondergronds bouwen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.2.2, sub b. voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarden dat: de waterhuishouding niet wordt verstoord;
20/26
geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
21/26
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
9.1 Algemene afwijkingsbepalingen Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige breuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden, het woonen leefklimaat, de stedenbouwkundige kwaliteit, de beeldkwaliteit, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de brandveiligheid en rampenbestrijding van de aangrenzende gronden en bouwwerken, afwijken van de bestemmingsbepalingen voor: a. Het afwijken van de voorgeschreven maximum maten, afmetingen, percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. Toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geven. c. Toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft. d. Toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter. e. Toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers en lichtkappen, mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2. de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen. f.
Het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, (glas)containers, monumenten, kapellen, wegkruisen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, mits: 1. de oppervlakte niet meer dan 15 m2 bedraagt; 2. de goothoogte niet meer dan 3 meter bedraagt; 3. de bouwwerken naar aard en afmetingen passen in het plan, met dien verstande, dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 10 meter mag bedragen; 4. uit een bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.
22/26
Artikel 10 Algemene procedureregels 10.1 Toepassen nadere eisen regeling Bij toepassing van de nadere eisen regeling, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
23/26
Artikel 11 Overige regels 11.1 Wettelijke regelingen Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 11.2 Parkeren Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor gelden de volgende regels: a. in het geval van de oprichting, uitbreiding of wijziging van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hierbij dient te worden voldaan aan de parkeerkencijfers van het CROW, zoals opgenomen in de ASVV of een andere CROW-publicatie zoals geldend ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning. Hierbij wordt de norm berekend over het nieuw te bouwen of te wijzigen gedeelte; b. de parkeervoorzieningen als bedoeld in sub a dienen in stand te worden gehouden. c. het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub a en toestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
24/26
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht 12.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder artikel 12.1, sub a. is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 12.3 Hardheidsclausule Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen bij een omgevingsvergunning afwijken van dat overgangsrecht.
25/26
Artikel 13 Slotregel De regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Woonzorghuis Manresa'.
26/26