061Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Herungerstraat ong. te Venlo.pdf
Tekst van het document
normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel. Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.
5.2.2
Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het diepe grondwaterpakket mag enkel worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen ten behoeve van beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een standstill beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol geldt voor gebieden welke minder dan 5 meter boven NAP zijn gelegen regels voor het hebben van een boorput, het roeren van grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. In het plangebied wordt niet voorzien in dergelijke onttrekkingen, waardoor er met betrekking tot de boringsvrije zone geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. De Maas is op een afstand van circa 770 meter van het plangebied gelegen.
Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie worden slechts drie extra woningen gerealiseerd welke worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Gezien de
28
beperkte omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de huidige situatie is er binnen het plangebied geen sprake van verhard oppervlak. In de nieuwe situatie zal een oppervlakte van maximaal 883 m2 verhard worden. De oppervlakte aan verharding zal in de beoogde situatie dus toenemen. Om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater zal de ‘afkoppel beslisboom’ van de gemeente Venlo doorlopen worden.
5.2.3
Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. In dit geval is er sprake van een toename van de oppervlakte aan verharding. Gezien de oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie maximaal 883 m2 bedraagt en er in de nabijheid een gemeentelijk stelsel is, geldt ‘bergingseis 3’. Dat wil zeggen dat er een waterbergings-/infiltratievoorziening op het eigen terrein dient te worden gerealiseerd van T=10 (50 liter per m2 in 24 uur), oftewel een waterberging van 0,05 m3 per m2 aan verhard oppervlak. Dit komt neer op een te realiseren waterbergingsvoorziening van ten minste (0,05 x 883 m2 =) 44,15 m3. Het voorgaande betekent dan ook dat in de tuinen/achtererfgebied van de nieuwewoningbouwkavels voorzieningen ten behoeve van waterberging gerealiseerd dienen te worden met een totale capaciteit van 44,15 m3. Hiermee wordt dan voldaan aan de bergingseis conform de afkoppel beslisboom van de gemeente Venlo, waardoor het aspect water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.
De wijze waarop de voorziening(en) voor de waterberging worden gedimensioneerd, zal nader worden uitgewerkt in de uiteindelijke aan te vragen omgevingsvergunning Bouwen.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. 29
Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’. Dit gebied is op een afstand van circa 6,3 kilometer ten noorden van de planlocatie gelegen. Daarnaast zijn er op een afstand van respectievelijk 2,75 en 4,55 kilometer de Duitse Natura 2000-gebieden ‘Vogelschutzgebiet Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’ en ‘Krickenbecker Seen – Kl. De Witt-See’ gelegen.
Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet binnen het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Het dichtstbijzijnde gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland is op 1,12 kilometer ten oosten van het plangebied gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het komt voor dat bebouwing en groenelementen zoals bomen fungeren als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor dieren. Het verwijderen hiervan kan een negatieve gevolgen hebben voor dieren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden bepaald of er al dan niet nader onderzoek dient te worden gedaan naar voorkomende diersoorten. In dit geval kunnen de te verwijderen groenelementen als verblijfplaatsen voor diersoorten dienen. Er dient voor de bestemmingswijziging vastgesteld te worden of de ontwikkeling een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom op 14 juni 2021 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige
30
onderzoeksrapport is als seperate bijlage III bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Op basis van de informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er aanleiding om een aanvullend onderzoek uit te voeren naar het functioneel leefgebied van de huismus binnen de te ontwikkelen kavels en in de directe omgeving. Bekeken en beoordeeld moet worden welke effecten het verwijderen van het groen en de bouw van de nieuwe woningen hebben op het functioneel leefgebied van de huismus, en welke maatregelen eventueel genomen moeten worden om effecten weg te nemen en/ of te verzachten. Om te bepalen welke functie het plangebied voor de huismuis daadwerkelijk heeft, is aanvullend onderzoek uitgevoerd op vrijdag 8 oktober 2021. Voor de rapportage van dit aanvullende onderzoek wordt verwezen naar bijlage IV. Onderstaand zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Er zijn tijdens dit nader onderzoek waarnemingen gedaan van de huismus op de te ontwikkelen kavels en de directe omgeving van het plangebied. Ook zijn er van sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van deze soort onder de daken en tuinen aan de Herungerstraat 194-212 en de Deken van Oppensingel 281-283 (kavels 2276 en 3775). Deze locaties behoren bij het essentieel leefgebied van de huismus.
De te ontwikkelen kavels (1764 en 2582) zijn in gebruik als foerageerplaats. Hierbij gaat het vooral om de voerplank, waar dagelijks de huismussen gevoerd worden. De verwachting is dat wanneer het voeren stopt, de huismussen hier minder aanwezig zijn en de omliggende groenstructuren/ tuinen/ voerplaatsen gaan gebruiken (dus geen essentieel leefgebied). De vijver dient als drinkplaats voor o.a. de huismus. Het is niet duidelijk of er in de aangrenzende omgeving meer drinkplaatsen aanwezig zijn. Mogelijk kan men op de locatie Herungerstraat 194-212 een watervoorziening / drinkplaats creëren en eventueel de voerplaats verplaatsen naar deze tuinen. Verder wordt de vijver niet beoordeeld als essentiële watervoorziening. Eventueel zouden de huismussen, op +220 meter afstand, kunnen gaan drinken in de vijvers aan de Eugeniasingel te Venlo. De groenstructuren aanwezig binnen het plangebied (kavel 1764 en 2582) worden niet aangeduid als vaste rust- en schuilplaats. Dit zijn daarentegen de taxus, hederahagen en beplantingen nabij Herungerstraat 194-212 wel (behorend bij essentieel leefgebied). Door het nader onderzoek huismus, gebaseerd op het Kennisdocument Huismus van BIJ12, uitgevoerd op 8-9-2021, kan worden uitgesloten dat vaste rust-, en verblijfplaatsen of essentieel foerageer-/ leefgebied van de huismus verloren gaat door de geplande ontwikkeling.
Er treedt geen overtreding van de Wnb op en er is dan ook geen ontheffing Wnb nodig ten aanzien van de huismus. Wel zou het goed zijn voor de aanwezige soorten in het gebied om de beukenhaag op de noord- en oostgrens van het plangebied, de kersenboom, hoogstamfruitbomen en haagbeuk (in de noord-westhoek van het plangebied) aan te duiden als belangrijke groenelementen in de wijk / een beschermde status te geven. 31
Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart (2015) van de gemeente Venlo is de planlocatie gelegen binnen een gebied met een hoge of middelhoge archeologische verwachting (figuur 8).
Figuur 8. Archeologische beleidskaart met planlocatie rood omcirkeld.
Beleidslijn in de zone met een hoge of middelhoge archeologische verwachting is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren. Als dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd 32
om vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te laten uitvoeren. Tijdens dit onderzoek zal informatie worden verzameld op basis waarvan belangenafweging en verdere besluitvorming kan plaatsvinden. Daarnaast heeft de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 500 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Aangezien het plangebied een oppervlakte van 883 m2 heeft dient een archeologisch (voor)onderzoek plaats te vinden. Vanuit gemeentezijde is aangegeven dat een bureauonderzoek in combinatie met verkennende boringen uitgevoerd dient te worden. Er is derhalve een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de conclusies en de adviezen uit dit onderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage V. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek bestaat een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met de Vroege Middeleeuwen.
Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied ter plaatse van relatief hooggelegen terrasafzettingen, die tot aan de Romeinse tijd zijn afgedekt met ofwel lemige rivierafzettingen of een jonger rivierduin of dekzand. Op basis van historische kaarten bestaat wel een lage verwachting op de aanwezigheid van bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. De historische kern van Venlo bevindt zich op circa 300 m ten zuiden van het plangebied, voor het plangebied bestaan geen aanwijzingen voor bebouwing of bewoning. Op basis van het AHN in combinatie met historisch-topografische kaarten is het plangebied mogelijk afgegraven ten behoeve van de baksteenindustrie. Uit het veldonderzoek blijkt dat de ondergrond in elk geval tot een diepte van 90-140 cm -Mv (19,8-20,5 m +NAP) bestaat uit moderne lagen. Dit is gebaseerd op de aanwezigheid van baksteenpuin, stampbeton en cementbrokken in de lagen. Door de hoeveelheid puin zijn deze lagen echter ondoordringbaar gebleken en is het niet mogelijk geweest de verwachting uit het bureauonderzoek aanvullend te toetsen. Het is aannemelijk dat de ondergrond verstoord is geraakt als gevolg van afgravingen voor de baksteenindustrie, waarbij ook eventuele archeologisch relevante niveaus niet meer intact zullen zijn.
Advies In het plangebied bestaat het voornemen nieuwe woningen te bouwen, waarvoor de ondergrond tot een diepte van circa 70 cm -Mv geroerd zal worden. In het plangebied is aangetoond dat in elk geval tot een diepte van 90-140 cm -Mv (19,8-20,5 m +NAP) geen sprake is van een archeologisch relevant niveau. Het is daarom onwaarschijnlijk dat de voorgenomen ingrepen zullen zorgen voor aantasting van eventuele archeologische resten, aangezien een buffer van minimaal 20 cm zal blijven bestaan tussen de onderzijde van de voorgenomen verstoringen en bovenzijde van vastgestelde verstoringen. Daarom adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ingrepen. Het is aannemelijk dat eventuele dieper gelegen niveaus als gevolg van kleiwinning niet meer intact zijn. Geadviseerd wordt om de archeologische dubbelbestemming te laten vervallen. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport zal de bevoegde overheid (de gemeente Venlo) een 33
besluit nemen over de daadwerkelijke omgang archeologische waarden binnen het plangebied.
5.5
met
eventueel
aanwezige
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit De realisatie van drie woningen zal zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. De toename van het aantal verkeersbewegingen zal echter minimaal zijn. Conform de kencijfers van het CROW (publicatie 381) kan bij de toevoeging van drie tussen/hoek koopwoningen in matig stedelijk gebied uitgegaan worden van maximaal (3*7=) 21 motorvoertuigbewegingen per dag. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om deze verkeerstoename te verwerken. Hierdoor is aanpassing van de Herungerstraat en de wegen die met de Herungerstraat in verbinding staan niet aan de orde.
5.6.2
Parkeren Conform de parkeernormen gesteld door de gemeente Venlo, dient er bij een middenklasse woning in het centrum van Venlo te worden voorzien in minimaal 1,2 tot maximaal 1,4 parkeerplaatsen op het eigen terrein. Dat betekent dat in onderhavige ontwikkeling dient te worden voorzien in maximaal 4 parkeerplaatsen. Daarnaast verdwijnt er, als gevolg van de aanleg van de inritten, 1 parkeerplaats in het openbaar gebied. Dat betekent dat ter compensatie 5 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. In dit geval worden 4 parkeerplaatsen bij de beoogde woningen op eigen terrein gerealiseerd en wordt 1 parkeerplaats op een stuk van het perceel gerealiseerd dat aan de eigenaar van de naastgelegen woning (Herungerstraat 111) wordt verkocht. Dat houdt in dat er in totaal 5 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden. In de huidige situatie parkeert de eigenaar van de woning aan de Herungerstraat 111 in de openbare ruimte waardoor de parkeerdruk in de openbare ruimte als gevolg van voorgenomen ontwikkeling niet zal toenemen. Om de inritten van de openbare weg naar de benodigde parkeerplaatsen te realiseren dient de buitenruimte aangepast te worden. Hierbij heeft de gemeente in het advies op de conceptaanvraag ingestemd met de verandering van de buitenruimte om de 34
benodigde inritten naar het plangebied aan te kunnen leggen voor het parkeren van voertuigen op eigen terrein. Hierdoor blijft er voldoende ruimte beschikbaar om te parkeren in de openbare ruimte en wordt er extra ruimte op eigen terrein gecreëerd om de parkeerdruk op te vangen. Het aspect ‘parkeren’ levert geen belemmering op.
35
HOOFDSTUK
6.1
6 Uitvoerbaarheid
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.
6.2
Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.1.6 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Voor het planvoornemen is een herinrichting van de openbare ruimte benodigd en dient er een herschikking van de bestaande parkeerplaatsen plaats te vinden. Voor de benodigde aanpassingen is een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn enkele zienswijzen binnen gekomen op basis waarvan de planstukken zijn aangepast.
36