CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

061 Bijl01 Toelichting bestemmingsplan 'De Beeretweg ong. Venlo'.pdf

Raadsvergadering 22 mei 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.9: RV061 Bestemmingsplan De Beeretweg ong. Venlo10.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2.3

Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. In dit geval is er sprake van een toename van de oppervlakte aan verharding. Gezien de oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie maximaal 1.200 m2 bedraagt en er in de nabijheid een gemeentelijk stelsel is, geldt ‘bergingseis 3’. Dat wil zeggen dat er een waterbergings-/infiltratievoorziening op het eigen terrein dient te worden gerealiseerd van T=10 (50 liter per m2 in 24 uur), oftewel een waterberging van 0,05 m3 per m2 aan verhard oppervlak. Dit komt neer op een te realiseren waterbergingsvoorziening van ten minste (0,05 x 1.200 m2 =) 60 m3. Het voorgaande betekent dan ook dat in de tuinen/achtererfgebied van de nieuwewoningbouwkavels voorzieningen ten behoeve van waterberging gerealiseerd dienen te worden met een totale capaciteit van 60 m3. Hiermee wordt dan voldaan aan de bergingseis conform de afkoppel beslisboom van de gemeente Venlo, waardoor het

aspect water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. De wijze waarop de voorziening(en) voor de waterberging worden gedimensioneerd, zal nader worden uitgewerkt in de uiteindelijke aan te vragen omgevingsvergunning Bouwen.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.

Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het besluitgebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald und Meinweg’. Dit gebied is op een afstand van circa 3,94 kilometer van het besluitgebied gelegen. Doordat de Wet stikstofreductie en natuurverbetering door een uitspraak van de Raad van State vernietigd is, is de bouwvrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten niet meer van toepassing. Hierdoor is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening voor de aanlegfase van voorgenomen ontwikkeling noodzakelijk. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage V van deze toelichting. Natura 2000-gebieden in Duitsland Stikstofdepositie vormt net als in Nederland op Europees niveau een bedreiging voor habitattypen en doelsoorten in Natura 2000-gebieden. Tussen Nederland en de buurlanden België en Duitsland zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop de verschillende bevoegde gezagen de gevolgen toetsen van projecten met een relevante stikstofemissie.

Met Duitsland is afgesproken dat activiteiten binnen Nederland die stikstofdepositie veroorzaken op Duitse Natura 2000-gebieden het toetsingskader hanteren van dat land. Dit toetsingskader is opgebouwd uit meerdere stappen:

1. Een project of handeling op Nederlandse grondgebied die op geen enkel Natura 2000-gebied in Duitsland een stikstofdepositietoename veroorzaakt van <7,14 mol/ha/jr. kan toestemming krijgen voor het uitvoeren daarvan. Deze procedure staat vergunningverlening door de Nederlandse overheid dan niet in de weg; 2. Voor een project of handeling op Nederlandse grondgebied die op een Natura 2000-gebied in Duitsland een stikstofdepositietoename veroorzaakt van >7,14 mol/ha/jr., maar <3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype, leef- of zoekgebied waar de totale achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde zijn vervolgstappen nodig. De Nederlandse overheid verzoekt in deze situatie het relevante Duitse bevoegd gezag om vast te stellen of in cumulatie sprake kan zijn van significante gevolgen. Als Duitsland oordeelt dat hiervan geen sprake is, staat deze procedure vergunningverlening door de Nederlandse overheid niet in de weg; 3. Voor een project of handeling op Nederlandse grondgebied die op een Natura 2000-gebied in Duitsland een stikstofdepositietoename veroorzaakt van >3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype, leef- of zoekgebied waar de totale achtergronddepositie hoger is dan de kritische depositiewaarde zal overleg tussen de Nederlandse en Duitse overheid plaatsvinden.

Gezamenlijk zal dan worden beoordeeld of en zo ja, onder welke voorwaarden toestemming mag worden verleend. Bij mogelijk significante gevolgen zal conform artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn een passende beoordeling voor het project moeten worden opgesteld. Bouwfase Op de locatie wordt een vrijstaande woning gebouwd. Op basis van de Handreiking woningbouw en AERIUS van de rijksoverheid bedraagt de emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transportbewegingen) 3 kg NOx per woning. Voor de te realiseren vrijstaande woning wordt dan ook een NOx emissie van 3 kg per jaar aangehouden. Gebruiksfase Er wordt uitgegaan dat het project gasloos zal worden uitgevoerd. In de gebruiksfase is derhalve alleen sprake van een verkeersgeneratie. De realisatie van de vrijstaande woning zal zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Om te bepalen of deze toename een belemmering vormt voor de huidige infrastructuur is de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. ‘Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018) gehanteerd. Conform de CROW-publicatie wordt voor een vrijstaande woning in de bebouwde kom met een matig stedelijk karakter maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Conclusie Bovenstaande gegevens zijn ingevoerd in AERIUS calculator.

Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat er geen toename (> 0,00 mol/ha/jaar) van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden wordt berekend als gevolg van het plan. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de realisatie en het gebruik van de beoogde ontwikkeling aan De Beeretweg in Belfeld. Natuur Netwerk Nederland

De planlocatie is tevens niet binnen een gebied gelegen behorend tot het Natuur Netwerk Nederland. Het meest dichtbijgelegen gebied behorende tot het Natuur Netwerk Nederland is op een afstand van circa 400 meter. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde gebied vormt dit naar verwachting, voor wat betreft de gebruiksfase, geen belemmering ten aanzien van het Natuur Netwerk Nederland.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het komt voor dat bebouwing en groenelementen zoals bomen fungeren als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor dieren. Het verwijderen hiervan kan een negatieve gevolgen hebben voor dieren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden bepaald of er al dan niet nader onderzoek dient te worden gedaan naar voorkomende diersoorten. In dit geval kunnen de te verwijderen groenelementen als verblijfplaatsen voor diersoorten dienen. Er dient voor de bestemmingswijziging vastgesteld te worden of de ontwikkeling een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom op 2 juni 2022 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als bijlage III bijgevoegd. Onderstaand zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven.

Op basis de informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om een aanvullend onderzoek uit te voeren voorafgaand aan de geplande werkzaamheden. Wel dient de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Zo zal het bouwrijp maken van de gronden buiten het broedseizoen moeten plaatsvinden. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient de instructie uit de quickscan flora en fauna nageleefd te worden. Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een

splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart (2015) van de gemeente Venlo is de planlocatie gelegen binnen een gebied met een zeer hoge archeologische verwachting (figuur 9).

Figuur 9. Archeologische beleidskaart met planlocatie zwart omkaderd.

Beleidslijn in de zone met een zeer hoge archeologische verwachting is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren. Daarnaast heeft de planlocatie de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie’. Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter en een minimale verstoringsoppervlakte van 100 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Gezien de toekomstige bodemingrepen de maximum verstoringsoppervlakte en –diepte zullen overschrijden, is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. De volledige onderzoeksrapportage is bijgevoegd als separate bijlage IV. Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied zich op een Maasterras uit het Jonge Dryas bevindt. De afzettingen van dit Maasterras zijn vermoedelijk afgedekt met dekzand. Dergelijke terrassen waren gunstige locaties voor bewoning en/of landgebruik. Dit wordt bevestigd door de aanwezigheid van verschillende resten uit het Mesolithicum, Neolithicum en de IJzertijd tot en met Late Middeleeuwen. Uit de IJzertijd zijn specifiek resten gevonden die wijzen op begraving

(grafveld) en bewoning. Deze bewoning heeft verder tot in de Late Middeleeuwen in het gebied plaatsgevonden. Vanwege de geschikte ligging in het landschap en de aanwezigheid van archeologische resten is de verwachting op resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Late Middeleeuwen hoog. Het plangebied bevindt zich tevens direct ten noorden van de historische kern van HoutBlerick, dat zijn oorsprong kent in de Late Middeleeuwen (AMK-terrein 16559). Op basis van historische kaarten is het plangebied onbebouwd geweest en in ieder geval vanaf de 19e eeuw in gebruik als bouwland. Bewoning kan echter niet volledig uitgesloten in de Nieuwe tijd, omdat er in het verleden in Hout-Blerick veel verwoestingen hebben plaatsgevonden bij belegeringen van de stad Venlo. Resten van bebouwing uit de Vroege en Midden Nieuwe tijd zijn daarom ook niet volledig uit te sluiten, vanwaar er ook voor deze periode een hoge archeologische verwachting geldt. De resultaten van het veldonderzoek hebben de hoge archeologische verwachting uit de periode Laat- Paleolithicum – Nieuwe Tijd vanuit het bureauonderzoek bevestigd. In het plangebied is dekzand aanwezig. In de top is sprake van een Bw-horizont, die als intact is te beschouwen. Zodoende is het goed mogelijk dat er een intact sporen- en vondstniveau aanwezig is in het plangebied.

Het archeologisch relevante niveau, de top van het dekzand, ligt op een diepte van 35 á 40 cm -Mv (22,25 – 22,45 m +NAP) en wordt afgedekt met een bouwlanddek. Eventuele resten kunnen zodoende een hoge mate van intactheid kennen, hoewel er wel met de effecten van verbruining rekening gehouden moet worden (waardoor grondsporen kunnen zijn vervaagd). Advies In het plangebied bestaat het voornemen om een nieuwe woning te realiseren (geschat oppervlak van 100 m2). Daarbij zullen naar verwachting graafwerkzaamheden plaatsvinden tot een diepte van circa 70 cm -Mv. In het plangebied is sprake van een hoge archeologische verwachting vanaf 35 cm -Mv. Gezien de diepte van de voorgenomen werkzaamheden zal dit niveau verstoord worden. Daarom adviseren wij een vervolgonderzoek, waarbij de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van een vindplaats kan worden vastgesteld. Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, op de het bouwvak van de te realiseren woning. Dit vervolgonderzoek kan eventueel met mogelijkheid tot doorstart na het voltooien van de graafwerkzaamheden worden uitgevoerd. Voor een dergelijk onderzoek is een Programma van Eisen noodzakelijk, die op voorhand door de gemeente Venlo moet worden goedgekeurd. Bovenstaande vormt een advies.

Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Venlo) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Het proefsleuvenonderzoek is onderdeel binnen de vaststelling van deze bestemmingsplanregeling. Het proesleuvenonderzoek wordt nog uitgevoerd en ten tijde van de ter ontwerp ter inzagelegging van dit bestemmingsplan, en zal voorts nog opgenomen worden in de planstukken.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Uit het register waardevolle bomen blijkt dat er binnen het plangebied een Tamme Kastanje is gelegen. Hoewel de boom geen monumentale status heeft, is de toekomstige eigenaar van de woningbouwkavel voornemens de boom te willen behouden. Hierdoor komen de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit De realisatie van maximaal twee woningen zal zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. De toename van het aantal verkeersbewegingen zal echter minimaal zijn. Conform de kencijfers van het CROW (publicatie 381) kan bij de toevoeging van twee tussen/hoek koopwoningen in matig stedelijk gebied uitgegaan worden van maximaal (2*7=) 14 motorvoertuigbewegingen per dag. De huidige infrastructuur heeft voldoende capaciteit om deze verkeerstoename te verwerken. Hierdoor is aanpassing van De Beeretweg en de wegen die met de Beeretweg in verbinding staan niet aan de orde.

5.6.2

Parkeren Conform de parkeernormen gesteld door de gemeente Venlo, dient er bij een vrijstaande woning in rest bebouwde kom, matig stedelijk gebied gemiddeld 2,2 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Bij een twee-onder-een-kap woning is de parkeernorm 2,1 parkeerplaatsen per woning. Dat betekent dat er afgerond 3 parkeerplaatsen per woning in de beoogde situatie aanwezig dienen te zijn. In dit geval is het perceel voldoende groot om te kunnen voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Er kan dus worden voldaan aan het minimum aantal benodigde parkeerplaatsen volgens gemeentelijk beleid. Om de inritten van de openbare weg naar de benodigde parkeerplaatsen te realiseren dient de buitenruimte aangepast te worden. Het aspect ‘parkeren’ levert geen belemmering op.

HOOFDSTUK

6.1

6 Uitvoerbaarheid

Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.

6.2

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Conform artikel 6.2.1 a onder c van Bro kan hiervan worden afgeweken indien sprake is van verhaalbare kosten welke uitsluitend betrekking hebben op de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Voor het planvoornemen zijn enkel vergunningen (zoals rioolaansluiting) benodigd welke via de legesverordening worden geïnd. Het is dan ook niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De woning past ruimtelijk-functioneel bij de aanwezige woningen aan De Beeretweg en omgeving. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het plangebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is. Onderhavig bestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/752/documents/19324