CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

060 Bijl01 Toelichting bestemmingsplan 'Vilgert ong. Velden'.pdf

Raadsvergadering 22 mei 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.8: RV060 Bestemmingsplan ‘Vilgert ong. Velden’10.033 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie zal worden geloosd op het bestaande en aanwezige rioleringsstelsel. In de beoogde situatie worden slechts twee wooneenheden toegevoegd welke zijn/worden aangesloten op het rioleringsstelsel. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de huidige situatie wordt het hemelwater dat valt op de daken en erfverharding direct geïnfiltreerd in de grond.

5.2.3

Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. Gezien er nog geen sprake is van een concreet bouwplan, is het ook nog onbekend hoe groot het nieuwe oppervlakte aan verharding zal zijn. Uitgaande dat het verhard oppervlakte (bebouwing én verharding) tussen 100 m2 en 2.000 m2 bedraagt, geldt ‘bergingseis 3’. Dat wil zeggen dat er een waterbergings-/infiltratievoorziening op het eigen terrein dient te worden gerealiseerd van T=10 (50 liter per m2), oftewel een waterberging van 0,05 m3 per m2 aan verhard oppervlak. Stel dat het nieuwe

27

oppervlakte aan verharding maximaal 500 m2 bedraagt, dient te worden voorzien in een waterberging met een capaciteit van 25 m3. Gelet op de grootte van het plangebied zal het realiseren van een waterbergingsvoorziening met voldoende capaciteit geen probleem zijn. In het kader van de vergunning voor het onderdeel ‘Bouwen’ dient te worden berekening hoe groot de oppervlakte aan verharding is, zodat kan worden bepaald in de capaciteit van de waterbergingsvoorziening waarin dient te worden voorzien. Het plangebied is voldoende groot om te voorzien in een waterbergingsvoorziening. In het kader van het planologische aspect vormt dit geen belemmering.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.

Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’. Dit gebied is op een afstand van circa 1,8 kilometer van het plangebied gelegen. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling (realisatie één gasloze woning), en de beperkte bijbehorende verkeersbewegingen (zie paragraaf 5.6.2) worden er geen significant negatieve effecten op omliggende natuurgebieden verwacht. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering ten aanzien van de gewenste ontwikkeling.

28

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Binnen het plangebied worden de verouderde opstallen gesloopt en worden een aantal groenelementen verwijderd. Om te bepalen of de ontwikkeling een negatief effect kan hebben om mogelijk aanwezige (beschermde) dier- en plantsoorten, is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit de Quickscan weergegeven. De rapportage van het onderzoek is als separate bijlage bijgevoegd. Om te bepalen of de ontwikkeling een belemmering vormt ten aanzien van beschermde flora en fauna, is een Quickscan uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit de Quickscan weergegeven. De volledige rapportage is bijgevoegd als separate bijlage. Tijdens het veldbezoek is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten.

Er is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vogelnesten in de te slopen kippenschuur. Uit de Quickscan blijkt dat er geen bijzondere flora in het plangebied is aangetroffen, waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten. Het onderzoeksgebied vormt een geschikt habitat voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren. Echter zijn er ter plaatse geen verblijfsplaatsen aangetroffen, waardoor deze ook niet worden aangetast. Daarnaast zijn er geen sporen van vleermuizen, jaarrond beschermde nesten van vogels of een geschikte biotoop voor overige beschermde soorten aangetroffen. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’.

29

Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Venlo ligt het plangebied grotendeels binnen een gebied met een hoge of middelhoge archeologische verwachting en deels binnen een gebied met een zeer hoge verwachting (figuur 8). Voor deze gebieden geldt dat bij bodemingrepen met een grotere oppervlakte van respectievelijk 500 m2 en 100 m2 een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Figuur 8 Archeologische Beleidskaart (ABK) met plangebied zwart omkaderd

In een direct zuidelijk aangrenzend plangebied (‘Villigerveld’) is in 2006 een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd (RAAP-Notitie 1564, definitieve versie, maart 2006). Tijdens het onderzoek zijn aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van (een) veldbrandoven(s) voor baksteenproductie uit de Nieuwe tijd. De nabijheid van een voormalige Maasgeul direct ten noorden van het plangebied (blauw gebied in figuur 8) ondersteunt deze gedachte; hier zal immers de benodigde klei zijn gewonnen. Op basis van de resultaten is het desbetreffende onderzoeksgebied vrijgegeven. Onderhavig plangebied is op de rand van de oude Maasgeul of mogelijk vrijwel geheel daarin gesitueerd. Daarnaast ligt het plangebied circa 40-50 cm lager dan de directe omgeving (bron: Actueel Hoogtebestand Nederland AHN). In combinatie met het grillige oppervlaktereliëf binnen het plangebied kan worden aangenomen dat het (sub)recent is vergraven of afgegraven. Gezien de (lage/natte) landschappelijke situering en de genoemde verstoring wordt de mogelijkheid tot het doen van zinvol archeologisch onderzoek als gering of nihil beschouwd. In het kader van dit plan is dan ook geen archeologisch onderzoek vereist. Dit aspect vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

30

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen de planlocatie. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit In de huidige situatie vinden er geen verkeersbewegingen plaats afkomstig van de locatie waar de nieuwe woning is beoogd. In de toekomstige situatie vinden er verkeersbewegingen plaats ten behoeve van de nieuw te realiseren woning, waardoor het totaal aantal verkeersbewegingen zal toenemen. Om te bepalen of het aantal extra verkeersbewegingen een belemmering vormt ten aanzien van het aspect mobiliteit, wordt de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Conform de CROWpublicatie dient voor de woningen binnen de bebouwde kom in een gebied met een matig stedelijk karakter te worden uitgegaan van 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Het plangebied wordt ontsloten via de Vilgert. Aan en in de omgeving van de Vilgert zijn reeds veel woningen gevestigd, waardoor de weg is ingericht om de verkeersbewegingen van en naar deze woningen zonder problemen te kunnen verwerken. Gelet op de minimale toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van één extra woning, kan worden aangenomen dat de Vilgert deze toename zonder problemen kan verwerken. De huidige infrastructuur behoeft dan ook geen aanpassingen. Het aspect mobiliteit levert geen belemmeringen op.

5.6.2

Parkeren Conform de parkeernormen zoals opgenomen in de CROW-publicatie dient er voor de nieuwe vrijstaande koopwoning te worden voorzien in 1,8 parkeerplaatsen per woning. Zoals weergegeven in figuur 9 is het plangebied voldoende groot om in ten minste 2 parkeerplaatsen te voorzien. Indien er meer parkeerplaatsen zijn gewenst, zal dit gezien

31

de grootte van het perceel tevens geen probleem zijn. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de herbestemming.

Figuur 9 Indicatie situering twee parkeerplaatsen

32

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het ruimtelijk plan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Conform artikel 6.2.1 a onder c van Bro kan hiervan worden afgeweken indien sprake is van verhaalbare kosten welke uitsluitend betrekking hebben op de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Voor het planvoornemen zijn enkel vergunningen benodigd die op basis van legesheffing worden geïnd en de kosten derhalve anderszins zijn verzekerd. Het is dan ook niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan is ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegd, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Er is gebruik gemaakt van deze mogelijkheid, hiervoor wordt verwezen naar de Nota van Zienswijzen, welke onderdeel uitmaakt van het vaststellingsbesluit.

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/752/documents/19319