059 Bijlage VI woonvisie Venlo 2021-2026 - woonzorganalyse.pdf
Tekst van het document
woonomgeving. Ouderen in contact brengen met jongere generaties wordt vaak als zeer prettig ervaren en zorgt voor een groter sociaal netwerk. Zorg en ondersteuning De zorgvraag neemt toe naarmate mensen ouder worden. Hoe ouder iemand wordt, hoe meer vraag naar zorg en ondersteuning er komt. 75-plussers met een lichamelijke beperking vragen daarbij naar hulp in het huishouden, helpen met boodschappen, persoonlijke verzorging en verpleging. De mate van de beperking is bepalend voor welke zorg precies nodig is. Ook mensen die dementerend zijn, wonen steeds vaker langer thuis. Dit betekent dat de druk op mantelzorgers de afgelopen jaren is toegenomen en een grote impact heeft op familieleden en verplegers. Ouderen met dementie vragen naar hulp in het huishouden, hulp met boodschappen en ook persoonlijk verzorging. Technologische oplossingen kunnen in een deel van de ondersteuningsvraag voorzien. Voor de huidige generatie ouderen zijn technologische oplossingen in de zorg en ondersteuning echter veelal te ingewikkeld en te duur. Zij geven aan hier moeilijk mee om te kunnen gaan en dementerenden kunnen het veelal niet meer aanleren. De veelvoud aan keuzes creëert onvoldoende zicht op wat goed is en wat werkt. Een uitleenservice kan hier een oplossing voor zijn. Ergotherapie kan een grote positieve invloed hebben op het dagelijks (be)handelen van een persoon met dementie.
Het kan gaan om dagelijkse activiteiten als koffie zetten, boodschappen doen, maar ook het bijbrengen van technologische kennis. Ergotherapie richt zich op de problemen die een oudere ervaart, maar ook op de problemen die de mantelzorger ervaart. Tijdens de therapie worden de problemen zo praktisch mogelijk aangepakt en samen met de oudere en de mantelzorger gezocht naar mogelijke oplossingen.
De huisvestingsopgave: match vraag en aanbod Een vergelijking van de vraagprognose met het aanbod aan woonvormen voor ouderen, laat zien dat het totale woningaanbod voor ouderen op dit moment voldoende is om aan de vraag te voldoen. In onderstaande tabel is te zien wat de balans is van vraag en aanbod, uitgaande van het huidige aanbod en een bandbreedte in de vraagprognose. Tabel 3.14: Vraag-aanbodbalans geclusterde woonvormen voor ouderen in de twee varianten
VraagAanbod 2021 24-uurszorg
70
Geclusterd wonen
530
Totaal vraag-aanbod
600
VraagAanbod 2025 -20 tot 60 40 tot 270 20 tot 210
VraagAanbod 2030 -110 tot -200 -80 tot 610 -280 tot -720
VraagAanbod 2035 -290 tot -450 -400 tot – 1.270 -850 tot -1.560
VraagAanbod 2040 -400 tot 640 -580 tot 1.790 -1.220 tot 2.190
Bron: CBS-Microdata, aanbodinventarisatie, prognosemodel Companen.
Uit het overzicht blijkt dat er op korte termijn een aantal knelpunten zal ontstaan: • De capaciteit aan 24-uurszorg is momenteel redelijk in balans met de vraag. Geleidelijk ontstaat er een groeiend tekort aan plekken, waarbij we een versnelling zien ontstaan na 2030 door een oplopend aantal 85plussers. Het tekort zal in 2040 zijn opgelopen tot minimaal 400 en maximaal 640 plekken (afhankelijk van het vraagscenario). • In de huidige situatie is het aanbod aan geclusterde woningen vrij ruim: de tabel toont een ‘overschot’ van 530 woningen. Een deel van deze woningen wordt echter bewoond door mensen die jonger zijn dan 65 jaar; in praktijk is dus niet al het aanbod ‘beschikbaar’ voor ouderen. Al vóór 2030 zal er - ook wanneer we alle geclusterde woningen meetellen een tekort ontstaan aan geclusterd wonen voor ouderen. 27
Tabel 3.15: Vraag-aanbodbalans geclusterde woonvormen voor ouderen naar marktsegment in de twee varianten
Sociale huur Particuliere huur Koopsector Totaal vraag-aanbod
Vraag-Aanbod 2021 670 -110 -30 530
Vraag-Aanbod 2030 120 tot 390 -230 tot -320 -240 tot -400 -80 tot -610
Vraag-Aanbod 2040 -490 tot 140 -320 tot -530 -400 tot -570 -580 tot -1.790
Bron: CBS-Microdata, aanbodinventarisatie, prognosemodel Companen.
Kijkend naar de marktsegmentatie van de geclusterde woonvormen van ouderen, dan valt het volgende op: • Op het sociale huuraanbod zit ontspanning. Het aanbod is ruim vergeleken bij de vraag, en dit zal naar verwachting tot 2030 zo blijven. • In de koopsector ontstaan op de (middel)lange termijn grote tekorten aan geclusterde woonvormen. • In de particuliere huursector bestaat nu al een tekort aan geclusterde woonvormen, dat in de toekomst verder zal oplopen. Niet al het aanbod dat is meegeteld onder de noemer ‘geclusterd wonen voor ouderen’ zal perse voldoen aan de woonwensen van mensen met een (oplopende) zorgvraag: niet alle complexen zullen een ontmoetingsruimte of gezamenlijke tuin in het complex hebben of in de directe nabijheid, en we zien landelijk dat een beperkt deel van de complexen beschikt over een scootmobielberging. Met het oog op de toenemende vraag naar geclusterd wonen voor ouderen ligt hier een opgave om het bestaande aanbod aan te passen zodat het wel in alle gevallen voldoet aan de gewenste kwaliteit.
trend van vergrijzing, gaan oplopen tot ca. 3.710 woningen. Deze vraag komt grotendeels vanuit 65-plushuishoudens, maar bestaat ook deels uit ‘jonge’ mindervaliden of mensen met een meervoudige beperking. Het huidige aanbod van geschikte woningen in Venlo bedraagt ca. 11.500 geschikte woningen. Bij het vergelijken van vraag en aanbod leidt dit voorlopig tot niet tot een tekort aan geschikte woningen. Het blijft natuurlijk wel de kunst om vrijkomende geschikte woningen goed te blijven matchen aan de behoefte van mensen in rolstoel of een rollator. Tabel 3.16: Toename in vraag naar geschikt wonen (2021 - 2040; huishoudens; afgerond op 10-tal)
Geschikte woningvraag Rolstoelgeschikte woning Rollatorgeschikte woning Totaal
2021
2030
2040
630 2.340 2.970
670 2.700 3.370
710 3.000 3.710
Toename 2020-2040 +80 +660 +740
Bron: Woonzorgweter, Companen
Het is belangrijk om te benadrukken dat, net als voor het geclusterde aanbod, ook voor het ‘geschikte’ aanbod geldt dat deze woningen ook door andere doelgroepen worden bewoond: de helft van het ‘geschikte’ aanbod wordt momenteel bewoond door mensen onder de 65. Dit houdt in dat een vergelijking van vraag en aanbod al snel een vertekend beeld geeft. Omdat veel geschikte woningen niet door ouderen bewoond worden is een overschot aan geschikte woningen broodnodig om alle ouderen die hier behoefte aan hebben ook juist te kunnen huisvesten. Hoeveel geschikte woningen uiteindelijk benodigd zijn om in de behoefte van ouderen te voorzien zal altijd een samenspel zijn van voldoende aanbod en voldoende beschikbaar aanbod.
Huisvestingsopgave geschikt wonen De huidige vraag naar geschikte woningen voor mensen met een mobiliteitsbeperking bedraagt ca. 2.970 woningen. In 2040 zal deze behoefte, conform de 28
Opgave op stadsdeelniveau De huisvestingsopgave (trendvariant) is ook op lager schaalniveau doorgerekend. Hierin is rekening gehouden met de wisselende bevolkingsopbouw binnen de stadsdelen, wijken en kernen. Uitgangspunt van de berekening is de veronderstelling dat de meeste ouderen het liefst in de eigen wijk of kern willen blijven wonen als zij verhuizen naar geclusterd wonen met of zonder 24-uurszorg. Omdat veel van het huidige aanbod aan ouderenhuisvesting in bepaalde wijken of kernen geclusterd is, zien we veel uitschieters naar boven (overschotten voor de wijk of kern) of naar beneden (tekorten voor de wijk of kern). In bijlage 5 geven inzichten weer per wijk of kern. Hieronder staat een uitsplitsing op stadsdeelniveau. In Venlo en Blerick is veel aanbod aan geclusterd wonen aanwezig, waar we juist aanzienlijke tekorten zien in Arcen en Velden. Voor de 24-uurszorg zien we veel aanbod in Venlo en Arcen en Velden, en tekorten in met name Blerick en Tegelen. De ongelijke spreiding van ouderenhuisvesting onderstreept de noodzaak voor een wijkgerichte benadering bij het oppakken van de huisvestingsopgave. Tabel 3.17: Huisvestingsopgave woonvormen per stadsdeel, trendvariant (2021 - 2040; afgerond op tientallen)
Wijken Stadsdeel Venlo Stadsdeel Blerick Stadsdeel Tegelen Stadsdeel Arcen en Velden Totaal
Geclusterd wonen voor ouderen 2020 2025 475 295 250 100 5 -125 -195 -255 515 25
2030 35 -50 -275 -315 -625
2040 -455 -370 -575 -415 -1.805
24-uurszorg 2020 275 -125 -55 55 150
2025 245 -135 -65 45 90
2030 195 -165 -105 25 -50
2040 85 -235 -175 5 -320
Bron: Woonzorgweter, Companen.
29
Beleidsopgaven ouderen Programmatische aanpak en visievorming in brede samenwerking De lokale opgave voor ouderenhuisvesting is groot én prangend. Rond 2030 ontstaan er tekorten in absolute zin, zowel op het gebied van geclusterd wonen voor ouderen als van plekken voor 24-uurszorg. Maar ook in huidige situatie is er een kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod. Om deze opgave goed op te kunnen pakken is een brede en structurele samenwerking nodig tussen gemeente, projectontwikkelaars, corporaties, zorgaanbieders en welzijnspartijen. Eén van de eerste punten om in gezamenlijkheid op te pakken, is het uitwerken van een visie op wonen met zorg voor ouderen. In die visie moet een antwoord worden gegeven op vragen als; Aan welke minimale eisen moet een woning in ‘geclusterd wonen voor ouderen’ voldoen (denk aan toegankelijkheid, aanwezigheid ontmoetingsruimte, aanwezigheid scootmobielberging en ligging t.o.v. voorzieningen)? Wat betekent dit voor de beoordeling van nieuwe woonintiatieven en voor gewenste aanpassingen in bestaande complexen? Gaat de voorkeur uit naar het faciliteren van zo-lang-mogelijk-blijvenwonen in de eigen woning (incl. woningaanpassingen en het bieden van zorg en ondersteuning in die thuissituatie), naar het bevorderen van doorstroming of naar beide tegelijk? Wat betekent dit voor het gemeentelijk beleid t.a.v.
woningaanpassingen en voor de inzet van instrumenten om de doorstroming te bevorderen? In hoeverre zien de partijen het voorsorteren op een prettige oude dag als een eigen verantwoordelijkheid van de inwoners, en waar als een gezamenlijke verantwoordelijkheid? Wat betekent dit voor de mate waarin en de manier waarop de gemeentelijke overheid en ketenpartners ouderen willen faciliteren?
Wijkgerichte samenwerking wonen, zorg en welzijn De ketenpartners in wonen, welzijn en zorg zien potentie in gezamenlijke gebiedsontwikkeling en wijkgerichte zorg. De vraag onder ouderen is hoog en er is veel arbeid te verrichten; aanbieders bijten elkaar niet in de samenwerking. Deze samenwerking speelt op diverse facetten: • Gemeente en aanbieders kunnen samen uitstippelen in welke werkgebieden zij zitten, en hoe zij aansluiten op de zorgbehoefte die daar is. De woonzorgcentra in Venlo kunnen een brede maatschappelijke functie hebben voor de buurt. Vanuit deze locaties kan men wijkverpleging, respijtzorg of thuiszorg verlenen aan de buurt. Op sociaal vlak kan een toegankelijke ontmoetingsruimte de sociale binding in complex en buurt versterken. Hier kunnen ook activiteiten voor buurtbewoners en andere zorgvragers worden georganiseerd. Dagbesteding of verenigingen kunnen hier een plek krijgen. Hierin werkt een gezamenlijke publiek-private aanpak (en financiering) met aanjagers bevorderlijk: een samenhang van stenen en mensen. • Een wijkgerichte benadering vraagt ook om aansluiting met woningbouw: mantelzorgwoningen, tussenvormen en ook woningaanpassingen. • Samen staan partijen in de wijk aan de lat om doorstroming op gang te brengen. In gezamenlijkheid kunnen zij ouderen benaderen met aanlokkelijk aanbod, zodat zij minder vaak noodgedwongen verhuizen.
Senioren moeten aangesproken worden op hun verantwoordelijkheid om huisvesting te zoeken dat geschikt is voor de langere termijn. Het opstellen van een gezamenlijke communicatiecampagne is hierin een wenselijk voorstel: verzamel en trechter informatie voor de ouderen. Ouderen die graag zo lang mogelijk willen blijven wonen in hun huidige woning, kunnen baat hebben bij kennis over de mogelijkheden voor (het financieren van) particuliere woningaanpassingen, de inzet van kleine technologische oplossingen en het beschikbare welzijnsaanbod. Om de doorstroming naar geclusterd wonen te bevorderen, kan gedacht worden aan een 30
seniorenmakelaar of wooncoach en financiële instrumenten zoals een huurgewenningsbijdrage.
Meer diversiteit in woningaanbod ouderen De nieuwe generatie ouderen vraagt om meer én ander aanbod. Dat de vraag groeit, staat vast. Maar het beeld van de ‘nieuwe oudere’ is ook meer diffuus. Over het algemeen is de nieuwe generatie ouderen vitaler, vermogender en hoger opgeleid dan voorgaande generaties. Ze beslissen steeds vaker zelf over hun toekomst en komen vaker met eigen wooninitiatieven bij de gemeente. In de werksessie met ketenpartners werd benadrukt dat het met name voor ouderen met een hogere inkomens- en vermogenspositie nu al lastig is om een passende woning te vinden in de gemeente Venlo, en deze groep zal in de komende jaren groeien. Uit de aanbodinventarisatie blijkt dat het aanbod aan sociale huurwoningen voor ouderen relatief ruim is, maar in het hogere segment is weinig te vinden voor de groep met meer financiële mogelijkheden. Een aandachtspunt hierbij is dat sommige ouderen het niet prettig vinden als woningen in de markt gezet worden als ‘ouderenwoningen’, omdat het daarmee de lading krijgt van ‘eindstation’. Zij zouden echter wel willen wel verhuizen naar een appartementencomplex dat niet specifiek gelabeld is als ‘seniorencomplex’, als dat op een aantrekkelijke locatie (dicht bij winkels) gelegen is. Er blijft echter ook een grote groep ouderen in Venlo met een kwetsbare inkomenspositie. Zij blijven aangewezen op de sociale huursector.
Slotsom is dan ook dat, om aan te sluiten bij de toekomstige vraag, meer diversiteit nodig in geclusterde woonvormen (bijvoorbeeld in woningtype, leefstijlen, leeftijden, aanwezigheid van welzijnsvoorzieningen en mate van collectiviteit). Om dit te
4
bereiken is co-creatie een goede mogelijkheid. Sinds de nieuwe Woningwet richten corporaties zich primair op huisvesting voor de sociale doelgroep. De mogelijkheden voor het bouwen van woningen in het middensegment zijn beperkt. Om desondanks tot realisatie van seniorencomplexen te komen, helpt het om een goede relatie met een ontwikkelende partij te hebben. Zo kunnen combinaties worden gezocht van complexen met middenhuur, koop en sociale huur, waarin een (natuurlijke) menging kan ontstaan van zorgvragers en zorgdragers. Vanwege de Daeb-regelgeving4 kunnen corporaties de ontwikkeling van een dergelijk concept niet ter hand nemen. Wel kunnen zij het sociale huurdeel van een dergelijk concept ‘turnkey’ afnemen van een ontwikkelaar. Hiervan zijn diverse geslaagde voorbeelden in Nederland aan te wijzen.
Stimuleren van het hofjeswonen De opkomst van ‘hofjeswonen’ wordt gezien als een kansrijke ontwikkeling, zowel voor mensen zonder zorgvraag als voor mensen mét zorgvraag. De nieuwe hofjes kunnen grondgebonden woningen zijn rondom een binnenplaats, maar ook kleinschalige appartementencomplexen die door hun vorm uitnodigen tot gemeenschapsleven en zorg voor elkaar kunnen gezien worden als ‘hofjeswonen’. Het strekt tot aanbeveling om in deze woonvormen woningen te realiseren in elk prijssegment, ook in de sociale huur. Wij adviseren de gemeente een stimulerende en faciliterende rol te vervullen in het mogelijk maken van nieuwe wooninitiatieven, en zich in te zetten voor het verbinden van het welzijnsnetwerk aan woonvormen. Hierbij kan men de stimuleringsregeling van het ministerie van VWS betrekken.
Deze regelgeving schrijft voor dat corporaties niet meer dan 10% van hun bezit mogen inzetten voor huurders die buiten hun primaire doelgroep (lagere inkomens) vallen.
31
Woonzorgcarrière in de eigen woonkern maken Veel ouderen willen het liefste blijven wonen in de huidige woonplaats of wijk. Dit vraagt om een bijpassend aanbod aan ouderenhuisvesting. Geclusterd wonen zal niet voor elke wijk of kern een haalbare optie zijn, ook omdat verschillende doelgroepen concurreren om schaarse (woon)ruimte. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging van welke woonvormen waar kansrijk zijn. Wij moedigen corporaties en zorgaanbieders aan om hier samen in op te trekken, en samen geclusterde woonconcepten te realiseren (met of zonder 24uurszorg). De gemeente kan hierin een verbindende rol pakken, en hier het maatschappelijk perspectief aan toevoegen, bijvoorbeeld door leegstaand maatschappelijk vastgoed in dorpen onder de aandacht te brengen. Waar mogelijk, doen de partijen er goed aan om in te spelen op lokale initiatieven vanuit dorpsraden en ondernemers. Draagvlak uit het dorp maakt het gemakkelijker om tot realisatie en exploitatie te komen.
Goede ondersteuning voor de mantelzorger
hun boodschappen bestellen, maar ook videobellen met een zorgverlener. En GPS-trackers maken het mogelijk om mensen met dementie een deel van hun vrijheid te laten behouden. Hoewel technologie soms als ‘koud’ wordt ervaren, kunnen goede toepassingen een grote bijdrage leveren aan de kwaliteit van leven van ouderen. In tijden van arbeidsmarktkrapte is de inzet van technologie daarnaast een bittere noodzaak om de zorg behapbaar te houden.
Voorkomen eenzaamheid Ouderdom is geen ‘medisch probleem’, dat vraagt om ‘oplossingen’ die enkel vanuit zorg worden aangevlogen. Er is gerichte zorg nodig voor de groep die dat echt nodig heeft, maar voor een veel grotere groep ouderen is het vooral belangrijk om oog te hebben voor het welzijn, zingevingsvraagstukken en het voorkomen van eenzaamheid. Waar het gaat om de behoefte aan ontmoeting, wordt vaak gesproken over het belang van ontmoetingsruimtes. Dit kan ook heel kleinschalig worden georganiseerd, bijvoorbeeld door in een wooncomplex één appartement in te richten als gezamenlijke huiskamer.
In Nederland wordt een fors beroep gedaan op de mantelzorg. Demografische ontwikkelingen en een stijgende arbeidsparticipatie maken het vinden van nieuwe mantelzorgers echter steeds lastiger. Als een mantelzorger wegvalt door overbelasting, ontstaat er een acute woonvraag voor de zorgbehoevende. Dat willen wij voorkomen. Door het sociaal (en digitaal) netwerk rondom de mantelzorger te verstevigen en respijtzorg aan huis te bieden, heeft de mantelzorger straks meer opties om op terug te vallen. Mantelzorgers geven aan deze ondersteuning nodig te hebben om langdurig in hun rol te voorzien. De mogelijkheden voor respijtzorg moeten breder bekend worden.
Inzet van technologie Technologie kan er niet alleen voor zorgen dat ouderen een verhuizing kunnen uitstellen, maar vooral dat zij comfortabeler en veiliger kunnen wonen – of dit nu in een instelling is of in een reguliere woning. Via een tablet kunnen ouderen 32
4 Mensen met een verstandelijke beperking De groep mensen met een verstandelijke beperking kent een diverse samenstelling. Zij kunnen onder andere behoefte hebben aan verpleging of verzorging, huishoudelijke hulp of begeleiding bij gedragsproblematiek. Wonen met andere verstandelijk beperkten in een geclusterd woonconcept is doorgaans prettig voor deze groep. Een deel van de verstandelijk beperkten is ook zelfredzamer en woont in toenemende mate zelfstandig in de wijk. In dit hoofdstuk brengen wij de behoefte aan geclusterde en gespikkelde plekken voor zorg met verblijf voor de VG-groep in beeld, en zetten we deze vraagontwikkeling af tegen het bestaande aanbod. In dit onderzoek richten wij ons primair op de groep die gebruik maakt van Wlzzorg. Dit houdt in dat we het hebben over mensen die ‘levenslang en levensbreed’ ondersteuning nodig hebben, thuis of in een zorginstelling. Deze mensen staan onder permanent toezicht of ontvangen 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Omdat we ingaan op de groep mensen die levenslang behoefte hebben aan zorg met verblijf, spreken we niet over een groep die uitstroomt. In de afgelopen jaren is de toegang tot de Wlz voor mensen met een verstandelijke beperking iets beperkter geworden. Nieuwe cliënten met een lichte zorgvraag (Wlz-indicaties VG 1 en 2) kunnen tegenwoordig geen beroep meer doen op een woonplek in een instelling.
In plaats daarvan krijgen zij ondersteuning vanuit de Wmo. Bestaande cliënten met een lichte zorgvraag die in een instelling wonen, mogen hier wel blijven. Ondanks de beperkte toegang tot Wlz-indicaties, zien wij een landelijke trend waarin er steeds meer mensen een indicatie voor VG hebben. Deze groei stijgt sneller dan de algehele bevolkingsgroei. Deels wordt dit verklaard door het ouder worden van de doelgroep. Andere mogelijke verklaringen zijn herindicering of betere diagnostiek.
De VG-doelgroep gaat daarnaast steeds vaker extramuraal wonen. Door technologische ontwikkeling in de zorg is het steeds vaker (beter) mogelijk om buiten een instelling te wonen. Daarnaast is er een toenemende vraag zichtbaar vanuit cliënten (en verwanten) om het zorgpakket zelf samen te stellen. Wanneer iemand een Wlz-indicatie heeft, kunnen woningaanpassingen die ervoor moeten zorgen thuis te kunnen blijven wonen, hier ook (deels) uit betaald worden. Ook hebben verstandelijk beperkten, met een Wlz-indicatie en een leeftijd tot 23 jaar, recht op huurtoeslag op huurwoningen met een prijs tot de liberalisatiegrens (in 2020: € 737,14). Voor jongere VG-cliënten in de Wmo geldt echter de kwaliteitskortingsgrens, ook wel de jongerengrens genoemd (€ 424,44).
Woonvraag van verstandelijk beperkten Het aantal Wlz-indicaties in Venlo voor zorg aan mensen met een verstandelijke beperking (VG) is over de jaren 2015 tot en met 2021 gestegen van 325 naar 440. Tussen de jaren 2016 en 2017 neemt het aantal indicaties een grote sprong van 70 indicaties. Landelijk zien wij dat een deel van de doelgroep VG in 2015 is overgegaan naar de Wmo, maar dat een deel van deze groep later alsnog een VG-indicatie heeft gekregen. Hiermee lijkt de toename in indicaties tussen 2016 en 2017 vooral een ‘reparatie’. Na 2017 zien we een langdurige (landelijke) trend waarin het aantal Wlzindicaties voor deze groep met ca. 2% tot 2,5% per jaar stijgt. In de werksessie met ketenpartners wordt de toegenomen levensverwachting en vitaliteit van de groep als een belangrijke drijfveer gezien voor deze toename. Dit blijft ook naar de toekomst relevant. Aan de hand van de Wlz-indicatiegegevens en de bevolkingsprognose van de gemeente Venlo hebben wij een inschatting opgesteld van de zorgvraag van verstandelijk beperkten voor de periode tot en met 2040. In deze prognose is inzichtelijk gemaakt hoe de totale zorgvraag van 33
verstandelijk beperkten zich zal ontwikkelen. Hierin hebben wij rekening gehouden met een stijging van het zorggebruik van 2% per jaar. De onderstaande grafiek toont de verwachte vraag naar zorg-met-verblijfplekken volgens de prognose: een basisprognose op basis van het toekomstig zorggebruik. De totale vraag aan woonplekken zal tamelijk stabiel blijven. De verwachte bevolkingsgroei in Venlo heeft een verhogend effect op de vraag. Figuur 4.1: Gemeente Venlo. Basisprognose VG (2021 - 2040)
500 400 200
450
460
480
490
510
2021
2025
2030
2035
2040
100 0 Demografische doorrekening Bron: VGZ, bevolkingsprognose gemeente Venlo, bewerking Companen. Figuur 4.2: Gemeente Venlo. Leveringsvorm wonen en zorg VG
Wlz-indicaties
42%
31%
3%
450 205 30 215
460 220 40 230
480 245 50 245
490 270 70 250
510 285 90 255
* Onder overige woonvormen vallen veel VG-cliënten met een MPT of PGB. Zij wonen veelal thuis, bij kleine zorgaanbieders of ouderinitiatieven. Deze woonvormen zijn lastig in beeld te brengen en zodoende in een restcategorie ondergebracht. Bron: VGZ, Monitor Langdurige Zorg, bevolkingsprognose gemeente Venlo, bewerking Companen.
De basisprognose wordt kwalitatief verdeeld over geclusterd wonen, gespikkeld wonen en overige woonvormen (thuiswonend, bij kleine aanbieders of ouderinitatieven). De mate waarin cliënten in overige woonvormen (willen) wonen baseren wij op de verdeling naar leveringsvormen. Het hoge gebruik van PGB/MPT wijst op een hoog aandeel cliënten dat zelf zorg inkoopt, hetgeen vaak gepaard gaat met het wonen in overige woonvormen. In onze vraagberekeningen gaan wij daarnaast uit van een beperkte verdere extramuralisering. De mate waarin cliënten gespikkeld zullen wonen stellen wij afhankelijk van het type VG-indicatie5. De vraag naar gespikkelde woonvormen zal in de basisprognose oplopen van ca. 30 woningen nu naar 70 woningen in 2040. Het aandeel gespikkeld wonen groeit daarmee van 7% naar 14%. Het aandeel van 14% oogt als een ‘plafond’ voor de vraag naar gespikkeld wonen. In gesprekken met aanbieders horen wij terug dat de interactie tussen sommige zelfstandig wonende VG-cliënten en hun buren beperkt kan zijn. Daarnaast wil een groot deel van de verstandelijk beperkten ook liever samen blijven wonen, vanwege de onderlinge sociale interactie in een geclusterde woonvorm. Zelfstandig wonen blijft daarmee een persoonsgebonden keuze, waarbij de randvoorwaarden per individu moeten kloppen.
600
300
Basisprognose Geclusterd wonen Gespikkeld wonen Overige woonvormen*
24%
Bron: VGZ, bevolkingsprognose gemeente Venlo, bewerking Companen. Tabel 4.1: Gemeente Venlo. Basisprognose woonvormen VG (2021 - 2040)
2021
2025
2030
2035
2040
5 Zij bijlage 2 voor het overzicht van dit aannamestelsel.
34
Trends en ontwikkelingen In de werksessie is eveneens besproken welke trends van invloed zullen zijn op de toekomstige vraag naar wonen met zorg in de gemeente Venlo. Daaruit kwam het volgende naar voren: • Klanten kunnen door de inzet van sociale robots zelfstandiger leven. Ze helpen de klant bij de dagindeling en ondersteuning van activiteiten. De robot stuurt herinneringen voor dagtaken en kan bijvoorbeeld aangeven of het verstandig is om een jas aan te trekken als de klant naar buiten gaat. Ook stimuleren robots de communicatieve en sociale vaardigheden door zelf gesprekken te voeren én berichten af te spelen van verzorgers en naasten. • Er zijn tal van apps en e-learning modules voor de GZ ontwikkeld. Apps kunnen bijvoorbeeld helpen bij het herkennen en reguleren van emoties. Apps zijn op alle momenten van de dag beschikbaar, zo kunnen ze ondersteuning bieden wanneer de klant dat nodig heeft. Daarnaast zijn elearning modules die helpen bij het behouden van de ‘eigen regie’. De klant kan dan in eigen tijd blijven werken aan zelfstandigheid. • Er zijn medische hulpmiddelen die helpen het vergroten van de leefomgeving. Er zijn helmen die als kraag onder kleding gedragen kunnen worden en bij een valbeweging omhoog schieten als een helm. Doordat de helm onzichtbaar is, kunnen klanten met val-gevaar met meer vertrouwens op pad.
Ook zijn er apps in ontwikkeling die als virtuele geleidelijn dienen. Die helpen klanten om in onbekende gebouwen eenvoudig te navigeren. • Tezamen met de deelnemers aan de werksessie nemen wij de trend van het ‘lokaal wonen’ waar: wij zien een toenemende behoefte van cliënten om te wonen in de omgeving waar zij opgegroeid zijn of vertrouwd mee zijn. In veel kleinere gemeenten worden daardoor in de laatste jaren meer kleinschalige woonlocaties aangeboden.
De groep mensen met een verstandelijke beperking die in Venlo beschikt over een Wlz-indicatie, is relatief beperkt in vergelijking tot de rest van het land of de regio. Hieronder drukken we de verschillen uit in aandelen: • In Venlo wonen 4,3 VG-cliënten met een Wlz-indicatie per 1.000 inwoners • In Noord en Midden-Limburg wonen 7,6 VG-cliënten met een Wlzindicatie per 1.000 inwoners • In Nederland wonen 6,5 VG-cliënten met een Wlz-indicatie per 1.000 inwoners Tabel 4.2: Scenario ‘Lokaal wonen’ naar woonvormen (2021 - 2040)
Scenario ‘Lokaal wonen’ Geclusterd wonen Gespikkeld wonen Overige woonvormen
2021 450 205 30 215
2025 490 210 40 240
2030 540 220 50 270
2035 590 220 70 300
2040 630 230 90 310
Bron: VGZ, bevolkingsprognose gemeente Venlo, bewerking Companen.
Nu het zorglandschap in toenemende mate gedecentraliseerd wordt, verwachten wij dat mensen met een beperking vaker ‘lokaal gaan wonen’. Als een gevolg van de ‘lokaal wonen’-trend verwachten wij dat deze vraag zich in de toekomst geleidelijk meer evenwichtig zal spreiden over het land. Als scenario nemen wij mee dat de vraag naar VG-plekken in de verschillende gemeenten in de regio meer verdeeld gaat worden naar rato van het aantal inwoners; het gat tussen het landelijk (ca 6,5 VG-cliënten per 1.000 inwoners) en gemeentelijk gemiddeld aantal VG-cliënten (ca 4,3 VG-cliënten per 1.000 inwoners) wordt gedicht. Meer spreiding houdt in dat er meer plekken nodig zijn in de gemeente Venlo en juist minder binnen de regio. De spreiding van woonzorgplekken voor VG is echter niet een doel op zich. Met dit scenario spiegelen we voor hoe gemeenten vaker kunnen inspelen op de lokale behoefte, zodat cliënten dichterbij hun familie kunnen wonen. Onderstaande 35
tabel geeft weer hoe de vraag zich in dit scenario naar de toekomst toe zal ontwikkelen.
Aanbodanalyse
Eisen aan de woning
Aan alle zorgaanbieders in de gemeente Venlo die zich richten op zorg voor verstandelijk beperkten is gevraagd hoeveel woonzorgplekken zij hebben voor deze doelgroep. In de onderstaande tabel wordt het geïnventariseerde aanbod weergegeven. Tabel 4.3: Aanbod naar woonvorm (2021)
Zorgaanbieder Dichterbij PSW Daelzicht Thomashuis Maatwerk Zorggroep Totaal
land om een beeld te schetsen van de kwalitatieve woonbehoefte van deze doelgroep.
Geclusterd wonen 84 21 36 16 0 157
Gespikkeld wonen 19 0 0 0 7 26
Bron: Aanbodinventarisatie zorgaanbieders gemeente Venlo.
Zorgaanbieders PSW, Daelzicht, en Maatwerk Zorggroep hebben aangegeven hoeveel cliënten zij begeleiding aan huis geven (ca. 75). De meeste van deze cliënten wonen zelfstandig; een klein deel (ca. 10) woont thuis bij de ouders. Het geclusterde woningaanbod dat in beeld is gebracht ligt in aantallen lager dan onze verwachting voor de behoefte aan geclusterd wonen. Mogelijk is niet al het aanbod goed in beeld. Ook is niet in zicht aan hoeveel mensen een grotere aanbieder zoals Dichterbij zorg aan huis levert.
Kwalitatieve behoefte Voor dit onderzoek hebben begeleiders van mensen met een verstandelijke beperkingen interviews afgenomen over hun woonbehoefte. Deze informatie hebben wij aangevuld met informatie uit klantenpanels in andere delen van het
Soort woning Een groot deel van de mensen met een (licht) verstandelijke beperking woont in een sociale huurwoning, en doet dat soms via een contract bij een zorgorganisatie. Een deel van de doelgroep geeft aan het liefst een woning te willen met drie kamers. Echter niet iedereen heeft concrete wensen ten aanzien van de woning. Woonvormen De diversiteit aan woonvormen is groot onder de doelgroep, aansluitend op de uiteenlopende verstandelijke vermogens en de zorgvraag. Waar de één zelfstandig wilt wonen met ambulante begeleiding, woont de ander liever in een begeleid wonen complex (of groepswonen) met een eigen kamer. Daarmee is variatie in woonaanbod gewenst. Betaalbaarheid Het inkomen van deze groep ligt tussen het bijstandsniveau en de minimuminkomensgrens. Hierdoor zijn ze vaak aangewezen op woningen tot de kwaliteitskortingsgrens (€ 442) of de eerste aftoppingsgrens (€ 633).
Woonomgeving Fysieke woonomgeving In de fysieke woonomgeving is nabijheid en bereikbaarheid van de voorzieningen gewenst op fietsafstand. Een deel van de verstandelijk beperkten gaat lastig om met prikkels in de woonomgeving. Locaties in en rondom een winkelcentrum worden daarom afgeraden. Verstandelijk beperkten zijn
36
gevoeliger voor de leefbaarheid van een buurt en voelen zich in het algemeen onveiliger. Een gevoel van veiligheid op straat is daarom belangrijk. Sociale woonomgeving In de sociale omgeving zoeken de mensen met een (licht) verstandelijke beperking vooral contact met gelijkgestemden. Een bereikbaar aanspreekpunt of een vertrouwenspersoon is belangrijk.
Zorg en ondersteuning Mensen met een (licht) verstandelijke beperking hebben vaak behoefte aan begeleiding en structuur. Voor de mensen die gespikkeld of zelfstandig wonen is het belangrijk dat de hulp op afroep aanwezig is. Ook hulp bij het huishoudens en structuur in het dagelijks leven is wenselijk. Voor mensen met een (lichte) verstandelijke beperking in Venlo is het wenselijk dat familie dichtbij is en dat zorg verleend wordt door mensen waarmee de cliënt een goede vertrouwensband heeft opgebouwd.
•
woonvormen zoals ouderinitiatieven of woningaanbod van PGBaanbieders. De huidige vergelijking van vraag en aanbod leidt tot een tekort aan 50 plekken. Door demografische ontwikkelingen loopt dit tekort op naar 60 plekken. Het is echter mogelijk dat niet al het geclusterd woningaanbod in de gemeente in beeld is gebracht. Wij zien een evenwichtige situatie in vraag en aanbod aan gespikkeld wonen. Richting de toekomst ontstaat een tekort dat zal oplopen naar 40 plekken. Meer cliënten willen en kunnen zelfstandig wonen. Hierover moeten afspraken worden gemaakt met zorgaanbieders en corporaties.
Tabel 4.4: Balans tussen vraag en aanbod aan woonvormen voor VG
Geclusterd wonen Gespikkeld wonen Totaal
Vraagaanbod 2021 -50 0 -50
Vraagaanbod 2025 -50 -10 -60
Vraagaanbod 2030 -50 -20 -70
Vraagaanbod 2035 -50 -30 -80
Vraagaanbod 2040 -60 -40 -100
Bron: prognosemodel Companen.
De huisvestingsopgave: match tussen vraag en aanbod
Beleidsopgaven VG
Bij het opstellen van de huisvestingsopgave gaan wij uit van de basisprognose. Het scenario ‘lokaal wonen’ geldt als een alternatief; op de verdeling van Wlzplekken heeft de gemeente immers weinig sturingsmogelijkheden. De beweging van het ‘lokaal wonen’ staat of valt met de wil van zorgaanbieders om aanbod te spreiden en de wil van cliënten om elders te gaan wonen. De basisprognose geeft een ‘neutraal’ toekomstbeeld, waarin er rekening wordt gehouden met demografische ontwikkelingen (zoals bevolkingsgroei of een stijgende levensverwachting). Een vergelijking van de vraagprognose met het huidige woonzorgaanbod voor de doelgroep verstandelijk beperkten, laat het volgende zien: • Het aanbod dat in beeld is voorziet niet volledig in de verwacht vraag naar geclusterd aanbod, zelfs als wij rekening houden met het wonen in overige
Nieuwbouwmogelijkheden zoeken De gemeente voorziet in beperkte mate in de woonbehoefte van mensen met een verstandelijke beperking. De komende jaren zal deze behoefte (landelijk) licht blijven toenemen, en zullen meer inwoners in Venlo huisvesting zoeken. Om meer ruimte te bieden aan het lokaal wonen, adviseren wij de gemeente om mogelijkheden voor nieuwbouwlocaties te verkennen. Beperkte uitbreiding zal benodigd zijn om in de behoefte van eigen (jongvolwassen) inwoners te voorzien. Bij uitbreiding zou het streven moeten zijn om meer variatie in het aanbod te krijgen: bijvoorbeeld in woningtype, geschiktheid, zelfstandigheid, locatie en ontmoetingsplekken.
37
Mogelijkheden bieden voor gespikkeld of gemengd wonen Wij voorzien een toenemende behoefte aan gespikkeld wonen onder mensen met een lichtere verstandelijke beperking. Voor deze groep mensen is goedkoop huuraanbod benodigd. Hierover kunnen afspraken gemaakt worden met de corporaties, waarvoor het belangrijk is dat zorgaanbieders weten hoe zij snel en makkelijk met de corporaties in contact kunnen komen. De corporaties hebben echter weinig beschikbare goedkope woningen voorhanden. Wij adviseren om ook in de particuliere markt voor oplossingen te kijken. Hier kan naar bestaande geschikte complexen en/of woningen gekeken worden, maar ook valt te denken aan het (faciliteren van het) opkopen van particuliere woningen. Gemengde woonvormen kunnen uitkomst bieden om zorgvragers gezamenlijk te huisvesten. Bewoning door ‘normale’ zorgdragers (jongeren, studenten of ook gezinnen) zorgt voor een dynamische mix. In deze samenleefconcepten kunnen zij elkaar aanvullen en ondersteunen. Een vereiste is wel de intrinsieke motivatie van de ‘dragers’ om een rol te spelen bij het ondersteunen van de ‘vragers’. Dit kan worden aangejaagd door huurverlagingen te bieden of ruimte beschikbaar te stellen voor activiteiten. Het is wenselijk om bij de realisatie van gemengd wonen aansluiting te zoeken bij het bestaande welzijnsnetwerk en de inclusieve woonzorgcentra.
38
5 Beschermd wonen Beschermd Wonen (BW) is bedoeld voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen vanwege psychische en/of psychosociale problematiek en waarbij behandeling niet (meer) op de voorgrond staat. Beschermd Wonen wordt gefinancierd uit de Wmo. Daarbij zijn twee varianten mogelijk, bekostiging door de gemeente met wooncomponent of zonder wooncomponent. Bij de bekostiging zonder wooncomponent, ook wel scheiden van wonen en zorg genoemd, betaald de cliënt zelf huur. Na een verblijf in Beschermd Wonen kan de cliënt uitstromen richting zelfstandig wonen. In dit hoofdstuk maken we een analyse van de ontwikkeling van de vraag naar plekken voor zorg met verblijf voor mensen met een indicatie voor BW en zetten we deze af tegen het bestaande aanbod. Venlo maakt onderdeel uit van de Beschermd Wonen regio Noord en MiddenLimburg. Centrumgemeente Venlo is verantwoordelijk voor deze zorg in alle gemeenten in deze regio en is budgethouder. De regio valt uiteen in twee subregio’s: Noord-Limburg (met Venlo als centraal punt) en Midden-Limburg (met Roermond en Weert als centrale punten).centrale punten). Binnen dit hoofdstuk zoeken we met name verbinding op met de sub-regio NoordLimburg. Noord-Limburg Beesel Bergen Horst aan de Maas Peel en Maas Venlo Venray
Midden-Limburg Echt-Susteren Leudal Maasgouw Nederweert Roerdalen Roermond Weert
Veranderingen in het BW-stelsel Vanaf 1 januari 2022 vindt geleidelijk een verdere decentralisatie van BW plaats, met een zichttermijn tot 1 januari 2033. De centrumgemeentefunctie die Venlo nu vervult komt dan te vervallen. De financiële middelen voor BW worden vanaf 2023 gedecentraliseerd en aan elke individuele gemeente beschikbaar gesteld op basis van een ingroeipad. De gemeente in Noord- en Midden-Limburg zijn momenteel aan het uitwerken hoe zij met elkaar willen samenwerken na de decentralisatie van BW. Hierover is op het moment van schrijven nog geen besluit genomen. Op dit moment is de rijksbijdrage gebaseerd op het historisch volume (aantal regionale cliënten in 2015), vanaf 1 januari 2023 verloopt de verdeling van de financiële middelen via een objectief verdeelmodel. Van 1 januari 2023 tot 1 januari 2033 zal de herverdeling plaatsvinden met een groeipad van 10 jaar. Het objectieve verdeelmodel gebruikt voorspellende factoren voor de lokale vraag van cliënten naar BW. Doordat het grote aanbod zorg in Venlo in een bovenregionale vraag van cliënten voorziet, zal de regionale financiering onder het objectief verdeelmodel vermoedelijk lager worden. Dit heeft gevolgen voor het aantal cliënten dat de regio in de toekomst kan financieren.
Daarnaast ontvangt een deel van de huidige Beschermd Wonen-cliënten vanaf 1 januari 2021 financiering vanuit de Wlz, omdat zij ‘levenslang’ ondersteuning nodig hebben. Zorg en verblijf worden dan niet meer betaald vanuit de Wmo, maar vanuit de Wlz. Het CIZ is nog bezig om de aanvragen voor een Wlzindicatie te behandelen. Zij zijn hier naar verwachting pas eind 2021 mee klaar. Landelijk wordt verwacht dat ongeveer 35% van het cliëntenbestand in 2020 straks financiering uit de Wlz krijgt. De woon- en zorgvraag van deze doelgroep zal onder dit nieuwe financieringsregime niet wezenlijk veranderen. De cliënten hebben immers nog steeds behoefte aan een beschermde woonplek. Vanwege de soortgelijke woonvraag, nemen wij in dit hoofdstuk de gehele groep BW mee; zijnde alle mensen die financiering vanuit Wmo en Wlz zullen 39
ontvangen. Wij geven daarbij ook inzichten mee op het verwachte aantal Wlzcliënten zoals aanbieders dit hebben doorgegeven aan ons.
Tabel 5.1: Leeftijdsopbouw van de huidige BW-cliënten in Venlo (peilmoment maart 2021)
70
Beschermd Thuis krijgt andere insteek
50
De regio Noord-Limburg heeft besloten om Beschermd Thuis per 2022 niet langer onder de noemer van Beschermd Wonen te laten vallen. Beschermd Thuis wordt dan betaald vanuit de middelen voor (lokale) Wmo-begeleiding. Alleen de cliënten met een zwaardere zorgvraag, die 24-uurs toezicht en nabijheid nodig hebben, krijgen vanaf 2022 een BW-indicatie. De groep cliënten die Beschermd Thuis kunnen wonen betreft mensen die in principe niet in een 24-uursvoorziening hoeft te wonen. Zij zullen geen gebruik maken van groepswonen, maar met name in gespikkelde of zelfstandige woningen wonen. Voor sommige cliënten zal het wonen in geclusterde ‘tussenvormen’ wenselijk zijn.
40
Vraaganalyses BW In Venlo hebben begin 2021 ca. 185 mensen een indicatie voor Beschermd Wonen (zowel PGB als ZIN), volgens de registratiegegevens. In januari 2020, voor de openstelling van de Wlz voor ggz-cliënten, had Venlo nog ca. 235 cliënten. Van de huidige ca. 185 mensen die in zorg zijn, maken ca. 70 cliënten gebruik van het product ‘Beschermd Thuis’ en ca. 115 mensen gebruik van het product ‘Beschermd Wonen’. De meeste cliënten zijn van jonge leeftijd (t/m 27 jr). Landelijk zien we dit beeld ook terug, maar in Venlo is dit aandeel (veel) groter dan elders.
62
60 38
30
22
19
16
20
13
11 4
10
1
0 17-22 jr
23-27 jr
28-34 jr
35-44 jr
55-64 jr
65-74 jr
75-84 jr
85+ jr
45-54 jr
Bron: Indicaties BW, Woonzorgweter Companen.
De huidige cliënten komen (volgens zorgaanbieders) voor 77% vanuit Venlo zelf, voor 22% uit de sub-regiogemeenten (Noord-Limburg) en de overige 1% komt van buiten de sub-regio. In de sub-regio ligt het totaal aantal cliënten op ca. 350 (begin 2021); in januari 2020 lag dit aantal op 430 cliënten. Venlo heeft ca. 45% van het aantal regionale plekken en cliënten. In de gemeente Venlo doen 2,3 mensen per 1.000 inwoners een beroep doen op BW. Venlo scoort hiermee boven het landelijke beeld (2,05 per 1.000 inwoners). De sub-regio scoort met 1,7 mensen per 1.000 inwoners juist lager. Volgens aanbieders staan er 47 mensen op de wachtlijst voor een plek in Beschermd Wonen. Mensen kunnen echter bij verschillende organisaties op de wachtlijst zijn; het is de vraag is of er ook 47 unieke wachtende mensen zijn. Daarnaast kan het ook zijn dat mensen al wel gehuisvest zijn bij een aanbieder voor BW, maar dat ze naar een andere aanbieder willen die nog geen plek vrij heeft. Deze wachtlijst is vrij gemiddeld vergeleken bij het aantal cliënten dat in zorg is en andere regio’s in het land. Deze groep wachtenden heeft op dit moment ook al vraag naar Beschermd Wonen, en daarom tellen wij deze 40
wachtenden mee in het berekenen van de vraag6. We rekenen hiervoor 75% van de wachtenden mee, om te corrigeren voor dubbeltellingen. Companen heeft aan aanbieders gevraagd of hun cliënten aanspraak maken op de Wlz, nu de aanvragen nog in behandeling zijn. Uit deze ronde maken wij op dat naar verwachting ca. 85 cliënten straks aanspraak maken op Wlz-zorg. Nu de aanvragen voor de Wlz-zorg nog lopen, is het momenteel lastig om de vraag naar GGZ-Wonen en Beschermd Wonen (Wmo) exact te bepalen. Voor het berekenen van de behoefte gaan wij uit van de toekomstige situatie, waarin alle aanvragen zijn behandeld. Als vertrekpunt nemen wij het aantal cliënten dat in zorg is ten tijde van begin 2020, waarin we rekening houden met de wachtlijst en het aantal cliënten dat richting de Wlz schuift. Het verwachte aantal Wmo-cliënten, inclusief wachtenden voor een woonplek, nemen wij als vertrekpunt voor de vraag: 195 cliënten. De overgebleven cliënten zullen vaker een ‘licht’ profiel hebben en gebruik maken van Beschermd Thuis. We zien dat met name mensen met het product Beschermd Wonen overstappen naar de Wlz. Tabel 5.2: Vraag van cliënten na openstelling van de Wlz
Aantal BW-cliënten Verwachte aantal Wlz-cliënten Verwachte aantal Wmo-cliënten, exclusief wachtlijst Verwachte aantal Wmo-cliënten, inclusief wachtlijst Waarvan Beschermd Thuis Waarvan Beschermd Wonen
Aantal cliënten 225 85 140 185 80 105
Bron: Indicaties BW, inventarisatie aanbieders BW
6
We rekenen alleen de wachtenden in Venlo mee. Om tot een inschatting hiervan te komen, nemen we de verhouding van het aanbod in Venlo tot de regio als maatstaf: 12% van alle wachtenden.
Deze vraag verdeelt zich in de toekomst naar verwachting in eenzelfde mate als nu (na openstelling Wlz) over de producttypes ‘Beschermd Thuis’ en ‘Beschermd Wonen’. De huidige productstructuur is sinds 2018 in plaats; in het gebruik van beide productcategorieën wordt onder nieuw instromende cliënten geen (grote) wisseling verwacht door de gemeente en partners. Wel zal Beschermd Thuis vanaf 2022 worden betaald vanuit de middelen voor Wmo-begeleiding. Bij het schetsen van de vraagontwikkeling houden wij wél rekening met de ontwikkeling dat cliënten in toenemende mate liever wonen in de vertrouwde en bekende woonomgeving: het ‘lokaal wonen’. De wens om lokaal te wonen kan aanzet geven tot het spreiden van de vraag van cliënten, zodat inwoners uit de eigen gemeente vaker terecht kunnen in lokale voorzieningen. Het huidige rijksbeleid moedigt dit aan. Hoeveel inwoners van een gemeente een beroep willen doen op BW, valt op verschillende wijze te berekenen. In het scenario ‘Sub-regionale spreiding’ gaan wij uit van een gelijke spreiding van het BW-aanbod over de sub-regio, als een alternatief voor de huidige verdeling waarbij een groot deel van de BW-vraag landt in Venlo. De sub-regio als geheel behoudt dan 1,7 plekken per 1.000 inwoners, ook in Venlo zijn er dan 1,7 plekken per 1.000 inwoners nodig.
De spreiding van voorzieningen voltrekt zich tussen de 2023 en 2033; de zichttermijn voor de huidige decentralisatie van BW. In het scenario ‘Landelijke spreiding’ daalt de vraag tot de landelijke spreiding vraag aan BW. Het aantal benodigde plekken in Venlo daalt dan naar 2,05 plekken per 1.000 inwoners. Hier gaan wij uit van een gelijke spreiding van Beschermd Wonen door heel het land 7.
7
Bij het gelijk spreiden van de vraag gaan we uit van het gemiddelde aantal BW-cliënten per 1.000 inwoners voor de regio en het land.
41
Aan de hand van de bovenstaande ontwikkelingen, indicatiegegevens en de bevolkingsprognose van de gemeente Venlo hebben wij een inschatting opgesteld van de woonvraag van cliënten in Beschermd Wonen binnen de gemeente Venlo voor de periode tot en met 2040.
Figuur 5.2: Scenario’s voor de lokale vraag naar BW (2021 - 2040)
250
200 150
Tabel 5.3: Vraag van cliënten per scenario (2021 - 2040; afgerond op vijftallen)
Vraag Demografische doorrekening Scenario "Landelijke spreiding" Scenario "Sub-regionale spreiding"
2021 195 195 195
2025 205 195 185
2030 205 185 160
2035 200 175 145
2040 195 175 140
Bron: Indicaties BW, Woonzorgweter Companen.
De huidige Venlose vraag naar Beschermd Wonen - bestaande uit beschikkingen en wachtlijst - bestaat uit 195 mensen. De vraag naar GGZWonen komt uit op 85 mensen. De volgende grafiek toont de gevolgen van lokaal wonen. Deze cijfers geven daarmee een inschatting van de lokale (toekomstige) vraag van cliënten. Wij verwachten dat de Venlose vraag naar Beschermd Wonen (Wmo) uit ongeveer 140 tot 175 cliënten bestaat, grofweg verdeeld over 45% Beschermd Thuis en 55% Beschermd Wonen. De laatste groep zal per 2022 resteren als de groep met een indicatie voor Beschermd Wonen (75 tot 95 cliënten).
100
195 205 205 200 195
195 195 185 175 175
Demografische doorrekening
Scenario 'landelijke spreiding'
195 185
50
160 145 140
0
2021
2025
2030
2035
Scenario 'sub-regionale spreiding' 2040
Bron: Indicaties BW, Woonzorgweter Companen.
Aanbodanalyse Companen heeft onder aanbieders een inventarisatie gedaan naar het aanbod aan Beschermd Wonen. In totaal zijn er ca. 155 plekken in beeld gebracht voor cliënten in Beschermd Wonen in Venlo en ca. 45 plekken voor GGZ-Wonen. Het aantal plekken dat voor beide zorgwetten wordt ingezet loopt in de cijfers door elkaar heen; gezien de transitiefase is dat geen gek beeld. Ook is het hierdoor mogelijk dat niet al het aanbod in beeld is gebracht: welke woonplek waar meetelt is niet altijd voor iedere organisatie duidelijk.
42
Tabel 5.4: Aantal plekken per zorgaanbieder in gemeente Venlo (peilmoment 2021)
Zorgaanbieders GGZ-W Leger des Heils Stichting Twende Maatwerk Zorggroep BW Leger des Heils Stichting Twende MET ggz Cooperatie Limburgse Zorgboeren UA Redos bv Stichting Incluzio Uitvoering Koraal Stichting Bijzonder Jeugdwerk Moveoo Care-Plus Totaal
Gespikkeld wonen
Geclusterd wonen 15 27
2 6* 0 0 1 0 0 0 0 0 0 9
8 4 59 0 17 28 3 18 7 7 191
* Het Leger des Heils biedt nog 64 overige gespikkelde woningen aan. Deze plekken worden bewoond door cliënten met indicaties voor Wmo-begeleiding, onder andere als onderdeel van Housing First. Bron: Aanbodinventarisatie onder zorgaanbieders (1e kwartaal 2021).
Kwalitatieve behoefte Voor dit onderzoek hebben wij mensen in Beschermd Wonen gesproken over hun woonbehoefte. Deze informatie hebben wij aangevuld met informatie uit klantenpanels in andere delen van het land om een beeld te schetsen van de kwalitatieve woonbehoefte van deze doelgroep.
Eisen aan de woning Soort woning De BW-doelgroep is doorgaans aangewezen op een sociale huurwoning of een woning via de zorgorganisatie. De mensen uit BW in Venlo hebben het liefst
een zelfstandige woning nabij een woonzorgcentrum, met 2 à 3 kamers en een kleine onderhoudsvriendelijke tuin of balkon. Betaalbaarheid Voor mensen in Beschermd Wonen zit de bekostiging van het wonen inbegrepen in de beschikking. Deze doelgroep doet een beroep op een zelfstandige woning op het moment dat zij uitstromen uit Beschermd Wonen of zorg ontvangen vanuit een thuissituatie. Zelfstandig wonende BW-cliënten hebben, zeker in het begin, doorgaans een beperkt inkomen. Zij doen veelal een beroep op woningen tot de kwaliteitskortingsgrens (tot € 442).
Woonomgeving Fysieke woonomgeving In de fysieke woonomgeving is loopafstand tot de voorzieningen gewenst, waarbij een supermarkt de primaire basisvoorziening is. Voor BW-cliënten met een verslavingsachtergrond in Venlo is het belangrijk dat verkeerde prikkels zo min mogelijk aanwezig zijn in de woonomgeving. Voor andere BW-cliënten in Venlo blijkt uit de klantenpanels dat zij ook liever in een rustige en vertrouwde omgeving wonen. Zij vermijden liever verleidingen en negatieve prikkels in de omgeving, hetgeen er ook voor pleit om concentraties van kwetsbare groepen zoveel mogelijk te vermijden. Sociale woonomgeving BW-cliënten hebben door de kwetsbare eigen positie doorgaans minder binding met de buren of de buurt. De sociaal aangelegde cliënt zoekt dit wél meer uit zichzelf op. In de sociale omgeving is het gevoel van veiligheid en acceptatie belangrijk, zodat sociale contacten zich kunnen gaan ontplooien. Het hebben van een ontmoetingsruimte in wooncomplexen in Venlo kan hierbij heel waardevol zijn.
43
Zorg en ondersteuning De mensen uit Beschermd Wonen hebben behoefte aan structuur, die rondom werk en/of dagbesteding kan worden vormgegeven. Persoonlijke en ambulante begeleiding thuis bevordert het zelfstandig wonen van deze doelgroep. De begeleiding wordt gesplitst over verschillende taken. Zo kan een cliënt persoonlijke begeleiding ontvangen voor de problematiek, en begeleiding bij administratieve en/of huishoudelijke zaken. Deelnemers aan het klantengesprek geven aan dat zij dit liever minder verdeeld zien worden en dat zij zelf de regie houden over de verdeling hiervan. Voor BW-cliënten in Venlo is het ook wenselijk om te bepalen wanneer hulp gewenst is en op welke wijze dit afgebouwd kan worden om zelfstandiger te worden.
Huisvestingsopgave Volgens de aanbodinventarisatie zijn er ca. 155 plekken voor Beschermd Wonen en ca. 45 plekken voor GGZ-Wonen in de gemeente Venlo. De vraag, bestaande uit BW-beschikkingen en de wachtlijst, komt uit op ca. 185 BWcliënten en 85 GGZ-W-cliënten. De vraag van cliënten ligt daarmee iets boven aanbod. Voor BW geldt dat dit in lijn ligt met de ca. 35 mensen die momenteel op een wachtlijst staan. Enige mate van wachtende mensen kan goed zijn. Niet iedereen op de wachtlijst zoekt immers actief. De wachtlijst garandeert daarnaast een hoge bezettingsgraad bij de zorgaanbieders; het is normaal dat nieuwe cliënten een beperkte tijd moeten wachten op een woonplek. Voor GGZ-Wonen geldt dat waarschijnlijk niet al het aanbod in beeld is gebracht dat voor deze groep wordt ingezet. In de komende jaren verwachten wij op basis van de trend ‘lokaal wonen’ lichte veranderingen ten aanzien van de huidige situatie, waarbij er minder behoefte zal ontstaan naar Beschermd Wonen in Venlo. Om mensen vaker lokaal te kunnen laten wonen, zullen er sub-regionale samenwerkingsafspraken moeten worden gemaakt over een regionaal passend woonaanbod voor cliënten.
Afhankelijk van de gekozen inzet op spreiding van woonvoorzieningen, kan er in 2033 een (licht) overschot ontstaan aan BW-plekken als het huidige aanbod gehandhaafd blijft. Tabel 5.5 geeft dit overschot tussen vraag en aanbod weer, waarbij een negatief getal inhoudt dat de vraag het aanbod overstijgt. De vraag overstijgt het aanbod in de huidige situatie omdat wij wachtenden meetellen als behoefte. Tabel 5.5: Balans tussen vraag naar en aanbod in aantal plekken BW (afgerond op 5-tallen)
Vraag-aanbodbalans Demografische doorrekening Scenario "Sub-regionaal gemiddelde" Scenario "Landelijk gemiddelde"
2021 -30 -30 -30
2025 -40 -30 -20
2030 -40 -20 5
2035 -35 -10 20
2040 -30 -10 25
Bron: Indicaties BW, Woonzorgweter Companen.
De huisvestingsopgave geeft zicht op de kwantitatieve opgave. Deze opgave valt te overzien; de uitdaging voor de gemeente ligt meer in de kwaliteit van de voorraad en de uitstroom die met deze huisvesting gepaard gaat. In de beleidsopgaven (H5 & H6) geven wij weer welke kwalitatieve opgaven wij zien voor de Venlose woningvoorraad betreffende deze doelgroep.
Beleidsopgaven Spreiding van voorzieningen over de wijken In de werksessie met zorgaanbieders en corporaties is uitgebreid aandacht besteed aan de huisvesting van kwetsbare groepen in de wijk. Zij signaleren dat de leefbaarheid in sommige wijken onder druk staat. In het hoofdstuk over uitstroom (6) besteden wij hier nadrukkelijk aandacht aan. Voor Beschermd Wonen geldt dat er ook oog zal moeten zijn voor spreiding van cliënten over de gemeente. Wij adviseren om nieuwe huisvesting (bijvoorbeeld tussenvormen) juist te realiseren in wijken zonder BW-locaties, om zo verdere concentraties van kwetsbare groepen te voorkomen en bewoners van wijken met een kwetsbare leefbaarheid tegemoet te komen. De gemeente kan met particuliere verhuurders en projectontwikkelaars de mogelijkheden verkennen om 44
bestaand particulier woningbezit in gewilde woonwijken op te kopen, en in te zetten voor deze doelgroep.
Tussenvormen realiseren met flexibele op- en afschaalbare zorg Vanuit een beschermde woonvorm is de stap naar (begeleid) zelfstandig wonen vaak groot. Niet iedereen weet deze stap goed te maken. Een wenselijke oplossing is om een deel van het huidige woonzorgvastgoed (in de wijk) in te zetten als tussenvormen; tussen Beschermd Wonen en regulier wonen in. Een ander goed voorbeeld betreft een pilot van gemeente Ede, waarin een ‘gewone’ particuliere koopwoning is getransformeerd tot 8 studio’s. In deze doorstroomconcepten kan de begeleiding flexibel op- en afgeschaald worden, waarbij ook Beschermd Thuis (intensieve ambulante begeleiding) kan worden ingezet. Huisvesting in ‘tussenvormen’ kan ook instroom bij instellingszorg (BW en MO) voorkomen. Uitstromers uit Jeugdzorg met verblijf kunnen bijvoorbeeld in tussenvormen werken aan zelfstandigheid en de-escalatie van problematiek, waardoor zij minder vaak een beroep op BW en MO zullen doen. Denk hierbij aan kamertrainingcentra en fasehuizen, maar ook gemengd wonen projecten met andere jongeren (zoals Place2BU in Utrecht). Daarbij geldt dat de organisatie (begeleiding, toezicht, etc.) rondom deze woonvormen stevig moet zijn om draagvlak in de wijk te krijgen en te behouden.
Decentralisering vraagt om afspraken over spreiding De gemeente voorziet momenteel in een groot deel van het regionale aanbod aan BW-voorzieningen. Nu Beschermd Wonen een taak van alle gemeenten wordt, en de cliënt vaker lokaal wilt (blijven) wonen, verdient een goede spreiding van voorzieningen over de regio aandacht. Daarbij is het geen noodzaak om tot egale spreiding te komen, maar is het een noodzaak om tot een regionaal aanbod dat past bij de (lokale) behoefte van cliënten. Wij adviseren om hierover afspraken te maken met regiogemeenten, corporaties en zorgaanbieders.
Langdurige zorg vraagt om positionering van vastgoed We zien dat sommige BW-aanbieders in de gemeente zich nadrukkelijk richten op langdurige zorg. Een groot deel van hun cliënten ontvangt Wlz-zorg of zal hier in de toekomst naar verwachting aanspraak op maken. Wij adviseren de gemeente om te onderzoeken of een vast onderscheid tussen ‘doorstroomgerichte’ en ‘langdurige’ locaties wenselijk is. Langdurige zorgvragers zullen immers ook andere behoeftes hebben ten aanzien van het woonmilieu, de woonruimte en de nabijheid van begeleiding dan kortdurende zorgvragers. Door duidelijk focus aan te brengen in de woonladder, kan zorg efficiënt geleverd worden en zijn de verwachtingen duidelijker voor de cliënt.
Intensivering samenwerking tussen ketenpartners De werkvelden van Beschermd Wonen, Maatschappelijke Opvang en Jeugdzorg raken meer met elkaar verbonden door een toenemende focus op doorstroming. De inzet van tussenvormen met flexibel op- en afschaalbare zorg onderstreept deze samenwerking alleen maar verder. De nieuwe aanpak vereist een omschakeling in denkwijze: meer focus op preventie van instroom en uitstroom, een soepele aaneenschakeling van zorg voor de cliënt en daarvoor een intensievere samenwerking tussen (verschillende) zorgpartijen, gemeenten en corporaties. BW-aanbieders zullen ook meer dan voorheen samenwerking moeten zoeken met aanbieders van ouderenzorg: ook de BWdoelgroep wordt immers ouder, en zeker de groep cliënten die al zeer lang in BW verblijft (en straks zal overgaan naar de Wlz) zal in toenemende mate behoefte krijgen aan lichamelijke zorg. De gemeente kan hierin de rol van regisseur pakken, om partijen te verbinden en samenwerking aan te jagen.
45
6 Uitstroom uit instellingszorg In dit hoofdstuk gaan we in op de jaarlijkse vraag naar woonruimte die voortkomt uit de uitstroom uit zorgvoorzieningen. Het gaat daarbij om uitstroom vanuit Beschermd Wonen (GGZ), de Maatschappelijke Opvang, en Jeugdhulp-met-verblijf. We gaan in dit hoofdstuk niet in op de doelgroepen ouderen, verstandelijk gehandicapten en lichamelijk gehandicapten, aangezien er bij die doelgroepen geen of in zeer beperkte mate sprake is van uitstroom vanuit instellingen naar zelfstandige woonruimte.
Doelgroepen en context Maatschappelijke opvang Mensen die (tijdelijk) geen vorm van onderdak hebben, kunnen terecht bij de maatschappelijke opvang. In Nederland geldt dat iedereen hier terecht moet kunnen voor een slaapplek; er is geen maximum aantal plekken in de nachtopvang. De maatschappelijke opvang kent een grote verscheidenheid aan vormen, en ook een grote diversiteit aan ‘gebruikers’. Gezinnen kunnen op diverse locaties terecht in gezinsopvang, terwijl de nachtopvang dient voor korter verblijf voor met name alleenstaanden. Het gaat om mensen met uiteenlopende problematiek: huiselijk geweld, psychische problemen, schulden of verslaving. Maar steeds vaker gaat het ook om mensen die als gevolg van een scheiding, al dan niet in combinatie met werkloosheid, op straat komen te staan. Maatschappelijke opvang is per definitie tijdelijk: het is altijd de bedoeling dat mensen die hier verblijven, op enig moment weer zelfstandig gaan wonen. Mensen voor wie dit niet haalbaar blijkt, stromen soms door naar Beschermd Wonen.
8
Maatschappelijke opvang wordt bekostigd vanuit de Wmo. De verantwoordelijkheid voor het bieden van opvangplaatsen is belegd bij centrumgemeenten, net als bij Beschermd Wonen. Venlo vervult deze functie voor de regio Noord en Midden-Limburg.
Kwetsbare jongeren De groep ‘kwetsbare jongeren’ (18 tot 23 jaar) die een specifieke vraag heeft op de woningmarkt is eveneens een diverse groep. Het grootste deel stroomt uit vanuit een pleeggezin of jeugdhulpinstelling. Er bestaat een variëteit aan woonvormen voor jeugdhulp met verblijf, waaronder pleeggezinnen, gezinshuizen of in een ‘residentiële setting’ zoals een behandelgroep. Rond hun 18e levensjaar8 stromen kwetsbare jongeren uit. Een deel van hen gaat vervolgens wonen in een zelfstandige woning of kamer, maar er zijn ook jongeren die doorstromen naar instellingszorg of een vorm van begeleid wonen. Een deel van de jongeren loopt bij het vinden van woonruimte tegen financiële problemen aan. Het inkomen van deze jongvolwassen is te laag voor de huurprijzen die gevraagd worden voor een kamer of woning. Tot hun 23e kunnen jongeren bovendien beperkt aanspraak maken op huurtoeslag. Daarnaast is het woningaanbod voor jongeren beperkt. De wachtlijsten voor sociale huurwoningen zijn lang en de inschrijftijd van jongeren is per definitie erg kort, aangezien zij zich pas vanaf 18 jaar kunnen inschrijven bij een corporatie. Hierdoor ontstaat er onbedoeld een perverse prikkel voor sommige jongeren om verblijf te zoeken in het (dure) beschermd wonen. Een goedkopere oplossing zou zijn om met tijdelijke woonoplossingen te voorzien in basale