056 bijl1 Toelichting bestemmingsplan Maalbekerweg 26 Belfeld.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Maalbekerweg 26 Belfeld NL.IMRO.0983.BP202109MAALBKR-VA01 Gemeente Venlo
Colofon
1
Colofon Bestemmingsplan: Maalbekerweg 26 Belfeld Rapportnummer: 2021.1305 Status: Vastgesteld Datum: 23 augustus 2022 Projectlocatie Maalbekerweg 26 5951 NT Belfeld Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Drs. F.H.M. Janssen Senior Adviseur 06-39270181 frank@reland.nl
© augustus 2022 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ...................................................................................................................... 5
1.2
Doel ................................................................................................................................ 5
1.3
Plangebied ..................................................................................................................... 5
1.4
Leeswijzer ...................................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 2 Gebieds- en projectprofiel ............................................................................................. 7 2.1
Inleiding ......................................................................................................................... 7
2.2
Gebiedsprofiel ............................................................................................................... 7
2.3
Huidige situatie plangebied ........................................................................................... 7
2.4
Bestemmingsplan ......................................................................................................... 7
HOOFDSTUK 3 Beoogde situatie ........................................................................................................... 9 3.1
Inleiding ......................................................................................................................... 9
3.2
Ontwikkeling .................................................................................................................. 9
3.3
Toekomstige situatie plangebied .................................................................................. 9
HOOFDSTUK 4 Beleidskader ............................................................................................................... 10 4.1
Inleiding ....................................................................................................................... 10
4.2
Rijksbeleid ................................................................................................................... 10
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) .................................................................................... 10
4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 10
4.2.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 11
4.3
Provinciaal beleid ........................................................................................................ 11
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) ................................................................... 11
4.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014 en Ontwerp Omgevingsverordening Limburg ..... 12
4.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................................... 14
4.4.1
Ruimtelijke Structuurvisie Venlo ....................................................................................... 14
4.4.2
Beleidsregel bijzondere begraafplaatsen op eigen grond ................................................. 15
4.4.3
Wet op de Lijkbezorging (WLB) ......................................................................................... 17
HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten ................................................................................................... 19 5.1
Milieu ........................................................................................................................... 19
5.1.1
M.e.r. plicht ....................................................................................................................... 19
5.1.2
Bodem .............................................................................................................................. 19
5.1.3
Lucht ................................................................................................................................. 20
5.1.4
Geluid ............................................................................................................................... 20
5.1.5
Externe veiligheid ............................................................................................................. 20
5.1.6
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................................. 20 3
5.1.7
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen ....................................................................... 21
5.2
Water........................................................................................................................... 21
5.2.1
Beleidskader ..................................................................................................................... 21
5.2.2
Kenmerken huidige watersysteem ................................................................................... 22
5.3
Natuur ......................................................................................................................... 23
5.3.1
Gebiedsbescherming ........................................................................................................ 23
5.3.2
Soortenbescherming......................................................................................................... 24
5.4
Archeologie ................................................................................................................. 24
5.5
Landschap en cultuurhistorie ...................................................................................... 25
5.6
Verkeer en parkeren ................................................................................................... 26
5.6.1
Mobiliteit ............................................................................................................................ 26
5.6.2
Parkeren ........................................................................................................................... 26
HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid........................................................................................................... 27 6.1
Inleiding ....................................................................................................................... 27
6.2
Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 27
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 27
Bijlage I
Omgevingsdialoog
4
HOOFDSTUK
1.1
1 Inleiding
Aanleiding De initiatiefnemer is woonachtig aan de Maalbekerweg 26 en is voornemens om op het eigen perceel (sectienummer BFD00B674) een bijzondere particuliere begraafplaats voor 2 graven te realiseren. De Wet op de lijkbezorging (Wlb) bevat het formele juridische kader voor de lijkbezorging. De Wlb kent echter nauwelijks criteria waaraan een verzoek tot begraven op eigen terrein kan worden getoetst. De wet laat het bevoegd gezag in deze de ruimte om hieraan beleidsmatig eigen randvoorwaarden te stellen. De gemeenteraad van de gemeente Venlo heeft in dit kader op 25 maart 2020 de beleidsregel ‘Bijzondere begraafplaatsen op eigen grond’ vastgesteld. Daarnaast is een raadsbesluit noodzakelijk waarin de gemeenteraad, overeenkomstig artikel 40, lid 1 Wlb, de beoogde locatie als 'bijzondere begraafplaats' aanwijst. De initiatiefnemer heeft op 16 april 2020 een verzoek voor het oprichten van een bijzondere particuliere begraafplaats ten behoeve van het aanleggen van twee graven op een gedeelte van het perceel gelegen aan de Maalbekerweg 26 te Belfeld ingediend. Op 23 juni 2020 heeft de gemeenteraad op basis van de ‘Beleidsregel bijzondere begraafplaatsen op eigen grond’ besloten het verzoek in te willigen en het betreffende perceelgedeelte aan te wijzen als bijzondere begraafplaats.
Een van de voorwaarden voor de aanwijzing tot bijzondere begraafplaats is dat de bijzondere begraafplaats op de daartoe aangewezen gronden planologisch-juridisch wordt verankerd. Middels een herziening van het bestemmingsplan wordt een nieuw planologisch-juridisch kader vastgelegd voor deze locatie. Onderhavig document betreft de toelichting bij dit bestemmingsplan.
1.2
Doel Het doel van dit bestemmingsplan is een bijzondere begraafplaats op een gedeelte van het perceel aan de Maalbekerweg 26 te Belfeld planologisch-juridisch te borgen. Hierbij wordt de aanduiding ‘specifieke vorm van bos – bijzondere begraafplaats’ in het bestemmingsplan opgenomen zodat de oprichting van twee graven ter plaatse is toegestaan.
1.3
Plangebied De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Belfeld, sectie B, nummer 674 (figuur 1).
5
Figuur 1. Luchtfoto met plangebied blauw gearceerd.
1.4
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 het projectprofiel waarin de huidige situatie en de omgeving van de planlocatie wordt beschreven. Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de beoogde situatie. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks, - provinciaal en gemeentelijk niveau. In dit hoofdstuk is de ontwikkeling getoetst aan het beleid en de regelgeving. Hoofdstuk 5 toetst het plan aan de milieutechnische uitvoerbaarheid. Vanuit verschillende omgevingsaspecten wordt bekeken of het plan effect heeft op deze aspecten en/of deze aspecten invloed hebben op de ontwikkeling. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst.
6
HOOFDSTUK 2.1
2 Gebieds- en projectprofiel
Inleiding In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de huidige situatie van het plangebied en de omgeving waarin het zich bevindt.
2.2
Gebiedsprofiel Het plangebied is gelegen nabij de Maalbekerweg 26 te Belfeld en maakt onderdeel uit van het buitengebied van de gemeente Venlo. De planlocatie is op een afstand van 2 kilometer ten oosten van de kern van Belfeld gelegen en grenst aan de westzijde aan de landsgrens met Duitsland. Aangrenzend aan het plangebied is het Café ‘Maalbeekerhöhe’ gelegen. Deze woning annex boscafé staat als sinds 1931 op deze plek. De initiatiefnemer is op deze plek geboren en getogen en exploiteert tot op de dag van vandaag het café ter plaatse waardoor zij een sterke binding met de locatie heeft. De planlocatie is in een bosrijke omgeving gelegen. De meest nabijgelegen functie betreft het vakantiepark ‘Droompark Maasduinen’ dat op een afstand van ca. 220 meter ten westen van de planlocatie is gelegen.
Figuur 2. Gebiedsprofiel. Beoogde locatie bijzondere begraafplaats rood omcirkeld.
2.3
Huidige situatie plangebied Het plangebied is in de bossen gelegen. Ter plaatse van de beoogde graven zijn geen bomen aanwezig en is de grond begroeid met gras.
2.4
Bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’ (vastgesteld 30-032011) vigerend. Conform dit bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming ‘Bos’ en zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – 7
grondwaterbescherming venlo schol’, ‘bufferzone verdroging’ en ‘ecologische hoofdstructuur’ van toepassing. (figuur 3).
Figuur 3. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Venlo'.
Binnen de huidige regels van het bestemmingsplan is het niet rechtstreeks om ter plaatse een bijzondere particuliere begraafplaats op te richten ten behoeve van het aanleggen van twee graven. Om de wens van de initiatiefnemer te kunnen realiseren wordt het bestemmingsplan herzien. Middels deze procedure zal een nieuw bestemmingsplan opgesteld worden voor de locatie.
8
HOOFDSTUK 3.1
3 Beoogde situatie
Inleiding In dit hoofdstuk wordt het initiatief toegelicht. In zowel functionele als ruimtelijke zin wordt beschreven wat de ontwikkeling inhoudt, hoe deze gevormd is en zich verhoudt tot de omgeving.
3.2
Ontwikkeling De initiatiefnemer heeft de wens om op de planlocatie een bijzondere particuliere begraafplaats op te richten ten behoeve van het aanleggen van twee graven. Conform de huidige situatie in het bestemmingsplan is dit echter niet toegestaan. Om de oprichting van de bijzondere particuliere begraafplaats mogelijk te maken zal er een herziening van het bestemmingsplan plaatsvinden.
3.3
Toekomstige situatie plangebied Het voornemen bestaat om in de toekomst twee graven binnen het plangebied op te kunnen aanleggen. De exacte locatie van de graven is weergegeven middels een aanduiding in figuur 4. De graven zijn niet aan een pad een gelegen en zijn niet zichtbaar vanuit woningen of andere functies in de omgeving. De afwerking van de graven blijft beperkt tot een rododendron, die bovenop de twee graven wordt geplant. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van stenen en/of andere niet natuurlijke ornamenten/bouwwerken.
Figuur 4. Locatie beoogde bijzondere particuliere begraafplaats
9
HOOFDSTUK 4.1
4 Beleidskader
Inleiding In dit hoofdstuk wordt onderhavige ontwikkeling getoetst aan het algemene Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en de wet- en regelgeving. Aan het eind van iedere paragraaf is een conclusie dan wel doorwerking opgenomen van het specifieke beleid en wet- en regelgeving voor het plangebied. Het sectorale beleid is in hoofdstuk 5 per aspect beschreven.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief.
4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn
10
geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.
4.2.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en in sommige gevallen zelfs kwantitatief is. Het mogelijk maken van twee graven wordt niet als stedelijk ontwikkeling gezien. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor dit plan.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) Op 1 november 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld en vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014). Deze visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes en op andere onderdelen zijn er nieuwe keuzes gemaakt. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. Conform de kaart ‘Limburgse principes’ is het plangebied gelegen binnen de zone ‘Natuurnetwerk’ (figuur 5). Het Natuurnetwerk Limburg is gelegen in delen van beekdalen, op hellingen en op veen- en stuifzandgebieden van de hoger gelegen gebieden. Binnen het Natuurnetwerk Limburg wordt ingezet op een goede kwaliteit en bescherming van de natuur met een bijzonder accent op bedreigde Limburgse dier- en plantensoorten. Daarnaast is het bieden van mogelijkheden voor natuurbeleving belangrijk.
11
Figuur 5. Uitsnede kaart 'Limburgse principes' Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Planlocatie rood omcirkeld.
Voorgenomen ontwikkeling is kleinschalig van aard doordat er slechts twee graven worden opgericht. Daarnaast heeft de oprichting van de bijzondere begraafplaats geen negatief effect op het natuurnetwerk doordat er geen verhardingen, bebouwing of andere niet natuurlijke materialen binnen het plangebied worden aangebracht. Daarnaast blijkt uit paragraaf 4.3.2 dat het planvoornemen aan de aanvullende eisen uit de Omgevingsverordening Limburg voldoet. De ontwikkeling is dan ook niet in strijd met het beleid conform de Omgevingsvisie Limburg (POVI).
4.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014 en Ontwerp Omgevingsverordening Limburg Op 12 december 2014 heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld en op 25 mei 2021 is de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg in ontwerp gegaan. In deze verordeningen zijn regels opgenomen die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit de Omgevingsvisie juridische binding te geven. Ondanks dat de Ontwerp Omgevingsverordening nog niet is vastgesteld, is het initiatief vooruitlopend op deze vaststelling getoetst aan deze verordening. Tevens vindt de toetsing aan de Omgevingsverordening 2014 plaats in deze paragraaf. Uit de kaarten van de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied binnen het ‘Natuurnetwerk’ is gelegen waardoor artikel 8.2 van toepassing is. Artikel 8.2 Instructieregels voor omgevingsplannen Natuurnetwerk Limburg Lid 1 Een omgevingsplan dat van toepassing is op locaties binnen het Natuurnetwerk Limburg laat geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten toe als deze:
12
a. nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg; of b. kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. Lid 2 De motivering bij een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden uit lid 1 is voldaan. Voorgenomen ontwikkeling is kleinschalig van aard doordat er slechts twee graven worden opgericht. Daarnaast heeft de oprichting van de bijzondere begraafplaats geen negatief effect op het natuurnetwerk doordat er geen verhardingen, bebouwing of andere niet natuurlijke materialen binnen het plangebied worden aangebracht. In de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg is echter geen concreet beleid ten aanzien van de aanleg van graven in het natuurnetwerk opgenomen waarin wordt bepaald onder welke voorwaarden de aanleg mogelijk kan worden gemaakt. In de Omgevingsverordening Limburg 2014 (zoals deze op dit moment nog formeel geldend is) is dit wel het geval en is in artikel 2.6.2 aangegeven onder welke voorwaarden graven binnen het natuurnetwerk aangelegd kunnen worden. Hierbij is in het kader van onderstaande onderbouwing aansluiting gezocht. Wanneer aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan, leidt de aanleg van de graven niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk.
Onderstaand vindt een toetsing aan deze voorwaarden plaats: Toetsing aan Artikel 2.6.2 Bescherming Goudgroene natuurzone (Omgevingsverordening Limburg 2014) Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. a. Er is geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden bij begraven in goudgroen indien er: - Max 2 graven per ha per 50 jaar worden aangelegd en; De ontwikkeling voorziet in het mogelijk maken van 2 graven. In de directe omgeving zijn in het verleden geen andere graven gerealiseerd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. - als de kist of een ander omhulsel en de kleding van de overledene gemaakt is van natuurlijk afbreekbaar materiaal. Aan deze voorwaarde zal worden voldaan. b. Onder de voorwaarde dat: - er minimaal 1 meter grond op de kist of ander omhulsel komt te liggen om opgraven door wilde dieren te voorkomen; - het graf buiten de kroonprojectie van een boom ligt, begraven onder een boom is niet toegestaan i.v.m. wortel beschadiging; - het graf wordt met de hand gegraven; - bij het graven van het graf de vegetatiezode en de verschillende lagen in de bodem apart worden gezet en weer in dezelfde volgorde worden terug gezet na het begraven;
13
-
de plek van het graf na het begraven weer wordt opgeleverd als natuur en onderdeel blijft uit maken van de goudgroene natuurzone. Het graf wordt met de hand op minimaal 1 meter diepte gegraven. Bij het terugzetten van de verschillende bodemlagen na plaatsing van het graf wordt dezelfde volgorde gehanteerd zodat het effect op de bodemkundige- en natuurwaarden tot een minimum wordt beperkt. In de directe nabijheid van de beoogde graven zijn geen bomen aanwezig waardoor deze wortels niet beschadigd zullen raken. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
c. -
Niet toegestaan zijn: grafkelders en hekwerken; niet natuurlijke of stenen herdenkingstekens als knuffels, bloemen, foto's e.d. Enkel een klein en onbehandeld houten gedenkteken liggend op de grond is toegestaan. Ook een inheemse, streekeigen boom of struik kan als gedenkteken op het graf worden geplant. Het perceel waarop het eigen graf is gesitueerd is groot genoeg om de andere functies van het perceel en omliggende percelen niet in gevaar te brengen. Met de realisatie van het graf word niet voorzien in de oprichting van grafkelders en hekwerken of het plaatsen van niet natuurlijke of stenen herdenkingstekens. Daarnaast brengt voorgenomen ontwikkeling de omliggende functies en percelen niet in gevaar. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
-
Tot slot blijkt uit de kaarten van de Omgevingsverordening dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Aangezien er met onderhavige ontwikkeling niet wordt voorzien in diepe grondboringen, zijn er geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van de boringsvrije zone Venloschol. Het planvoornemen is niet in strijd met het beleid conform de Omgevingsverordening Limburg.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Ruimtelijke Structuurvisie Venlo Op 25 juni 2014 is de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo. Hierin is de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente beschreven. Zo is opgenomen wat er op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is voor de komende jaren. In deze structuurvisie zijn de ambities en opgaven voor de gemeente Venlo het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema’s: 1. Drukte in het ommeland; 2. Ruimte in de stad; 3. Leven aan de Maas; 4. Voorzieningen op maat;
14
5. Robuuste structuren. Naast de vijf thema’s zijn er drie aandachtspunten welke betrekking hebben op elk ruimtelijk initiatief. Hiermee wordt bedoeld dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als: - de uitgangspunten van Cradle to Cradle als vertrekpunt worden gehanteerd; - de vraag wordt gesteld wat het initiatief met betrekking tot de (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; - het zelf georganiseerd draagvlak geniet. Het plangebied is gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur (bestaande natuur- en bosgebieden). In de structuurvisie is het beleid er op gericht dat bestaande natuurlijke kwaliteiten behouden dienen te worden. Binnen deze structuurvisie is geen specifiek beleid opgenomen t.a.v. de oprichting van een particuliere begraafplaats. De plek van het graf wordt na het begraven weer opgeleverd als natuur en er worden geen niet natuurlijke of stenen herdenkingstekens op het graf gelegd. Op de plek van het graf wordt een Rododendron struik aangeplant. Hierdoor zal de ontwikkeling de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet aantasten en ligt het planvoornemen in lijn met de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo.
4.4.2
Beleidsregel bijzondere begraafplaatsen op eigen grond Op 25 maart 2020 is de beleidsregel bijzondere begraafsplaatsen op eigen grond vastgesteld. Naar aanleiding van een aanvraag tot het aanleggen van een begraafplaats op eigen grond heeft de gemeenteraad van Venlo het wenselijk geacht om beleid vast te stellen dan kan dienen als toetsingskader voor verzoeken van particulieren om een bijzondere begraafplaats op eigen grond aan te leggen. Daarmee is voor een ieder duidelijk onder welke voorwaarden een dergelijk bijzondere begraafplaats kan worden aangewezen. Onderstaand vindt een beknopte toetsing aan deze gemeentelijke voorwaarden plaats. 1. Eigenaar van de grond. De aanvrager moet eigenaar van de grond zijn en de grond moet vrij zijn van alle rechten. Dit is nodig zodat een ononderbroken gebruik van de grond mogelijk is zonder dat een andere partij aanspraak kan maken op de grond. De aanvrager van de bijzondere begraafplaats is eigenaar van het perceel waarop de twee graven worden gerealiseerd (Belfeld B674). Daarnaast is aanvrager eigenaar van enkele naastgelegen en omliggende percelen (Belfeld B305, B306, B308 en B819) en de horecafunctie aan de Maalbekerweg 26. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 2. Binding met de grond. De aanvrager heeft een aantoonbare binding met de grond en een toekomstige binding.
De aanvrager zal moeten aantonen op welke wijze hij binding heeft met de grond. Toekomstige binding is van belang voor de grafrust. Binnen 10 jaar na de begrafenis mag een graf niet worden geruimd. Voor deze wettelijke grafrusttermijn is van belang dat de aanvrager of zijn nabestaanden binding in de toekomst heeft met de aan te wijzen grond. Daarom moet ingeschat worden in hoeverre de grond in bezit van de aanvrager of zijn nabestaanden blijft om op deze manier de grafrust van 10 jaar te waarborgen. Bij de toewijzing van een verzoek of aanvraag moet daarom worden aangegeven dat bij
15
een eventuele verkoop van de grond binnen 10 jaar na de begrafenis de bijzondere begraafplaats wordt opgeheven en een herbegrafenis noodzakelijk is. De verzoeker is in 1946 geboren en getogen op de locatie aan de Maalbekerweg 26 en exploiteert tot op de dag van vandaag het boscafé op deze locatie. De initiatiefnemer heeft derhalve een sterke binding met de locatie en de omgeving. Daarnaast hebben de erfgenamen van de initiatiefnemer aangegeven de gronden over te willen nemen waardoor de grafrust gewaarborgd blijft. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 3. Bestemming grond Het als bijzondere particuliere begraafplaats aan te wijzen deel van het perceel is niet gelegen binnen het bebouwingsoppervlak, zoals aangewezen in het bestemmingsplan, en overigens moet op voorhand duidelijk zijn dat planologische medewerking aan de gebruikswijziging tot de mogelijkheden behoort. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een bebouwingsoppervlak en de gemeente Venlo heeft in raadsbesluit d.d. 23-09-2020 besloten planologische medewerking te verlenen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 4. Minimale grootte perceel. het perceel waarop het eigen graf is gesitueerd moet groot genoeg zijn om de andere functies van het perceel en omliggende percelen niet in gevaar te brengen. In ieder geval dient voldaan te kunnen worden aan de voorwaarde ‘visuele afscherming en afstand’.
Het perceel is voldoende groot om andere functies van het perceel en omliggende percelen niet in gevaar te brengen. Het bouwvlak van de dichtstbijzijnde functie, de horecafunctie aan de Maalbekerweg 26, is gelegen in een bosrijk gebied op een afstand van ca. 60 meter gelegen waardoor aan deze voorwaarde kan worden voldaan. 5. Maximaal aantal graven. Bijzondere begraafplaats voor maximaal twee graven. De ruimtelijke relevantie van een beperkt aantal graven is kleiner en maakt het mogelijk het bestemmingsplan op een later tijdstip te herzien. Het bestemmingsplan voorziet in de oprichting van maximaal 2 graven. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 6. Buiten de bebouwde kom. De locatie mag niet binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet gelegen zijn. Het plangebied is buiten de bebouwde kom gelegen. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 7. Maatschappelijk draagvlak. De aanvraag kan ondersteund worden door een verklaring van geen bezwaar van direct aanliggende eigenaren. De enige aanliggende functie betreft de horecafunctie aan de Maalbekerweg 26. Deze functie en bijbehorende gronden zijn in de huidige situatie in bezit van de initiatiefnemer en zullen in de toekomst overgenomen worden door de erfgenamen. De erfgenamen hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de aanvraag. Deze omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage I.
Aan deze voorwaarde wordt voldaan. 8. Visuele afscherming en afstand. 16
Vanaf een openbare weg of openbaar toegankelijk perceel mogen omwonenden geen hinder ondervinden van een graf op eigen grond. De minimale afstand tot openbare weg, erfgrens met derden, woning, gebouw met woonbestemming of een als woonruimte in gebruik zijnde gebouw moet minimaal 30 meter bedragen. De locatie dient voor het zicht vanaf een openbare weg of een openbaar toegankelijk perceel, visueel afgeschermd te worden met behulp van een natuurlijke, fysieke afscheiding van een geadviseerde hoogte van minimaal 1,80 die in het landschap inpasbaar is. De afstand van de voorgenomen graven tot aan iedere openbare weg (Maalbekerweg, Belfeld en een bospad) is meer dan 30 meter. De voorgenomen bijzondere begraafplaats is niet of nauwelijks zichtbaar vanuit de openbare weg. Daarnaast krijgen de graven geen niet-natuurlijke ornamenten of gedenktekens. Ook worden geen bouwwerken opgericht. Daardoor zijn de graven, mede door het aanwezige groen op het perceel, niet zichtbaar. 9. Technische eisen. a. Er mogen geen ondergrondse leidingen en kabels binnen een straal van 20 meter van de graven liggen. Leidingen en kabels kunnen mogelijk in verband met de grafrust niet hersteld of vervangen worden. Binnen een straal van 20 meter liggen geen kabels en leidingen. Zie hiertoe ook paragraaf 5.1.7. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. b.
Bodemgesteldheid moet geschikt zijn of geschikt worden gemaakt voor het gebruik als begraafplaats (bij voorkeur zand- of zwavelgrond). Het bodemmateriaal mag het proces van lijkvertering niet in ongunstige zin beïnvloeden. Bij het begraven in een grafkelder is de bodemgesteldheid niet van belang. De bodem ter plaatse is geschikt voor het gebruik als begraafplaats. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c.
Grondwaterpeil voldoet aan de voorgeschreven eis. De graven moeten zich ten minste dertig centimeter boven het niveau van de gemiddeld hoogste grondwaterstand bevingen. Dit is niet van toepassing indien in een grafkelder wordt begraven. Het grondwaterniveau ligt op ca. 5 meter onder maaiveldniveau. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. d. Geohydrologische scheiding is gewaarborgd. Ter voorkoming van eventuele verontreiniging van het oppervlaktewater of het grondwater moet drainage of een sloot rondom de begraafplaats worden aangelegd. De genoemde drainage wordt gerealiseerd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. e. Begraafplaats mag niet in een grondwaterbeschermingsgebied liggen. De begraafplaats ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
4.4.3
Wet op de Lijkbezorging (WLB) In deze wet van 7 maart 1991, houdende nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging, kan de gemeenteraad op grond van artikel 40, eerste lid van de Wet op de lijkbezorging grond aanwijzen voor het aanleggen of uitbreiden van een bijzondere begraafplaats. Hierin wordt ook aangegeven dat de gemeente maatregelen kan voorschrijven, welke
17
nodig zijn teneinde de grond geschikt te maken om als begraafplaats te dienen. Hieraan zal in casu ook zonder meer worden voldaan. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit de gemeentelijke beleidsregel en er worden geen elementen toegevoegd die afweging ten opzichte van deze wet nodig hebben.
18
HOOFDSTUK 5.1
5 Omgevingsaspecten
Milieu In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan.
5.1.1
M.e.r. plicht Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied worden twee tot maximaal drie woningbouwmogelijkheden toegevoegd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Volgens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om “bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan”. Aangezien in dit geval geen nieuwe (bouw)activiteiten plaatsvinden, is de ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Aanvullend op het voorgaande is op 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Aangezien er hier geen sprake is van nieuwe (bouw)activiteiten hoeft er geen vormvrije M.e.r-beoordeling plaats te vinden.
5.1.2
Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Het planvoornemen heeft geen wijziging van de bestemming tot gevolg en het biedt ook geen mogelijkheden tot het oprichten van gevoelige functies. Er vinden echter geen nieuwe (bouw)activiteiten plaats, behoudens het feit dat er twee graven worden opgericht. Het graf wordt met de hand op minimaal 1 meter diepte gegraven. Bij het terugzetten van de verschillende bodemlagen na plaatsing van het graf wordt dezelfde volgorde gehanteerd zodat het effect op de bodemkundige- en natuurwaarden tot een minimum wordt beperkt. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 19
5.1.3
Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder sub c van voornoemde voorwaarden en de daarbij behorende ‘Regeling NIBM’. Er vindt immers geen toename van (bouw)activiteiten plaats. De ontwikkeling is kleinschalig en draagt per definitie niet bij aan de verandering / verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis hiervan vormen luchtkwaliteitseisen dus geen belemmering om het onderhavige bestemmingsplan door de gemeenteraad te laten vaststellen.
5.1.4
Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer/onderzoekszones van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan of afwijking van het bestemmingsplan. Voor wat betreft wegverkeerslawaai geldt dit voor alle wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt Met de oprichting van een bijzondere particuliere begraafplaats voor 2 graven worden geen geluidsgevoelige objecten toegevoegd. Het aspect ‘geluid’ in het kader van de Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.1.5
Externe veiligheid Er vinden geen nieuwe (bouw)activiteiten plaats, behoudens het feit dat er twee graven worden opgericht. Het aspect externe veiligheid zal dan ook geen belemmering opleveren voor de ontwikkeling.
5.1.6
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand 20
tot een gevoelige functie dient te zijn (zogenaamde richtafstanden). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. De beoogde bijzondere particuliere begraafplaats betreft een functie die moet worden getoetst aan een minimumafstand tot omliggende milieugevoelige objecten. De particuliere begraafplaats kan onderverdeeld worden in de categorie ‘begraafplaatsen’. Dat houdt in dat er een minimum afstand van 10 meter tot omliggende milieugevoelige objecten aangehouden dient te worden. De meest dichtstbijzijnde functie betreft de horecafunctie en woning aan de Maalbekerweg 26 in Belfeld. De afstand van het plangebied tot deze functie bedraagt 60 meter waardoor ruim aan de minimum richtafstand kan worden voldaan. Gezien het bovenstaande vormt de oprichting van de bijzondere particuliere begraafplaats dan ook geen belemmering voor de omliggende aanwezige milieugevoelige objecten in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering.
5.1.7
Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Kabels en leidingen Uit het bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 5.1.5) komt naar voren dat er geen kabels in het plangebied aanwezig zijn die een beschermingszone in het kader van de te voeren planologische procedure hebben. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven. Voor onderhavige ontwikkeling is verder onderzoek niet noodzakelijk.
5.2
Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.
5.2.1
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016 – 2021 van de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
21
De opgave in het POL2014 inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel. Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer.
Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.
5.2.2
Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het diepe grondwaterpakket mag enkel worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen ten behoeve van beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een standstill beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol geldt voor gebieden welke minder dan 5 meter boven NAP zijn gelegen regels voor het hebben van een boorput, het roeren van grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. In het plangebied wordt niet voorzien in dergelijke onttrekkingen, waardoor er met betrekking tot de boringsvrije zone geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. De Maas is op een afstand van circa 3 kilometer van het plangebied gelegen.
22
Afvalwater Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in het lozen van afvalwater waardoor er geen belemmeringen worden verwacht. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de beoogde situatie wordt er geen verharding toegevoegd en wordt de huidige manier van infiltreren in stand gehouden. Dit aspect levert geen belemmering op.
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.
Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebieden betreffen ‘Swalmdal’ en ‘Maasduinen’ die op een afstand van respectievelijk 10,2 en 14 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Daarnaast is direct grenzend aan de landsgrens, op een afstand van ca. 40 meter het Duitse Natura 2000-gebied ‘Vogelschutzgebiet Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’ gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling zijn significante negatieve effecten uit te sluiten.
23
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt onderdeel van de ‘Goudgroene zone’ en is in het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en het feit dat bij het terugzetten van de verschillende bodemlagen na plaatsing van het graf dezelfde volgorde wordt gehanteerd zal het effect op de bodemkundige- en natuurwaarden tot een minimum wordt beperkt. Daarnaast wordt de plek van het graf na het begraven weer opgeleverd als natuur en worden er geen niet-natuurlijke of stenen herdenkingstekens op het graf gelegd. Door deze maatregelen zijn significante negatieve effecten uit te sluiten.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het komt voor dat bebouwing en groenelementen zoals bomen fungeren als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor dieren. Het verwijderen hiervan kan een negatieve gevolgen hebben voor dieren. In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden bepaald of er al dan niet nader onderzoek dient te worden gedaan naar voorkomende diersoorten. In dit geval worden voor de realisatie van de graven geen groenelementen verwijderd die als verblijfplaatsen voor diersoorten zouden kunnen dienen. Daarnaast wordt het graf minimaal 1 meter diep gegraven. Bij het terugzetten van de verschillende bodemlagen na plaatsing van het graf wordt dezelfde volgorde gehanteerd zodat het effect op de bodemkundige- en natuurwaarden tot een minimum wordt beperkt. In de directe nabijheid van de beoogde graven zijn geen bomen aanwezig waardoor deze wortels niet beschadigd zullen raken.
Het aspect ‘Natuur’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’.
24
Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart (2015) van de gemeente Venlo is de planlocatie gelegen binnen een gebied met een lage archeologische verwachting (figuur 6).
Figuur 6. Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Venlo. Plangebied rood omcirkeld.
Beleidslijn in de zone met een hoge of middelhoge archeologische verwachting is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren. Als dit niet mogelijk is, dient vroegtijdig in de planvorming een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek zal informatie worden verzameld op basis waarvan belangenafweging en verdere besluitvorming kan plaatsvinden. De ondergrens van 5000 m² geldt alleen bij ontwikkelingen die afwijken van het bestemmingsplan. Gezien de bodemverstoring de ondergrens van 5000 m2 niet overschrijdt, vormt het aspect ‘Archeologie’ geen belemmering voor het planvoornemen
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
25
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit De realisatie van de bijzondere particuliere begraafplaats leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Dit aspect levert geen belemmering op.
5.6.2
Parkeren De realisatie van de bijzondere particuliere begraafplaats leidt niet tot een toename van de parkeerbehoefte. Dit aspect levert geen belemmering op.
26
HOOFDSTUK
6.1
6 Uitvoerbaarheid
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn.
6.2
Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Er is in dit kader echter geen sprake van een bouwplan overeenkomstig artikel 6.2.1 Bro, waardoor kostenverhaal niet aan de orde is.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemers hebben hun plannen kenbaar gemaakt aan de direct omwonenden en belanghebbenden. In het kader van de omgevingsdialoog is hiervan een verslag/weergave opgemaakt. Deze is toegevoegd als bijlage I van deze toelichting. Daarnaast zal, voor zover er sprake is van hun belangen, overleg plaatsvinden met het Waterschap en de Provincie Limburg. Onderhavig ontwerpbestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.
27