055bijl 3 Bp Tiendstraat te Blerick - bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Tiendstraat te Blerick Gemeente Venlo Bijlagenboek
Bestemmingsplan Tiendstraat te Blerick Gemeente Venlo Bijlagenboek
Rapportnummer:
P05054_bijlagen
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0983.BP202113TIENDSTR-VA01
Datum:
19 oktober 2022
Projectteam BRO:
SSh en JEr
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Tiendstraat te Blerick
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Stikstofonderzoek
4
Bijlage 2
Proefsleuvenonderzoek
15
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
61
Bijlage 4
Quickscan flora en fauna
205
Bijlage 5
Verkennend en nader bodemonderzoek
225
2
Bestemmingsplan "Tiendstraat te Blerick" (vastgesteld)
Bijlagen bij toelichting
Bestemmingsplan "Tiendstraat te Blerick" (vastgesteld)
3
Bijlage 1 Stikstofonderzoek
4
Bestemmingsplan "Tiendstraat te Blerick" (vastgesteld)
Notitie
notitie
AERIUS-berekening Tiendstraat Blerick
project AERIUS-berekening Tiendstraat Blerick datum 26 januari 2022 opdrachtgever Gemeente Venlo projectnummer P05054 opgesteld door RGr i.a.a. SSh
1. Inleiding De ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van een braakliggend terrein ten behoeve van de realisatie nieuwbouwwoningen. In verband met de te volgen juridisch planologische procedure is het van belang om inzicht te hebben of met onderhavige ontwikkeling sprake is van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. In juli 2021 de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden waarbij een vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waardoor het makkelijker is een vergunning te krijgen voor de bouw van initiatieven waarbij in de gebruiksfase weinig stikstofuitstoot plaatsvindt. Op basis van voorgaande gaat voorliggende notitie uitsluitend in op de gebruiksfase van de nieuwe woningen.
2. Wettelijk kader Natura 2000-gebieden Wettelijk kader
BRO Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl www.bro.nl
Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in com-
binatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Doorwerking plangebied Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Vogelschutzgebiet 'SchwalmNette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’, is gelegen op circa 4,3 kilometer ten oosten van het projectgebied.
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van circa 4 grondgebonden woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd.
1
Notitie AERIUS-berekening Tiendstraat Blerick
Figuur 2 Toekomstige situatie plangebied Figuur 1: Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 gebieden (Bron: Natura 2000 Network Viewer)
3. Het planvoornemen Het plangebied is gelegen aan de Tiendstraat te Blerick. Het centrum van Blerick bevindt zich op een afstand van enkele honderden meters van het plangebied. Aan alle zijden wordt het plangebied omgeven door grondgebonden woningen. Ter plaatse van de Tiendstraat bevindt zich op dit moment braakliggend terrein. Initiatiefnemer is voornemens om het plangebied te herontwikkelen ten behoeve van de realisatie van vier grondgebonden woningen waarbij het binnenterrein wordt ingericht met een speelvoorziening en eventuele andere groenvoorzieningen.
woensdag 26 januari 2022
Het plangebied staat kadastraal bekend onder gemeente Venlo, sectie M, perceelnummer 8417. Figuur 2 geeft een indruk van het toekomstige plangebied weer.
2
Notitie AERIUS-berekening Tiendstraat Blerick
4. AERIUS-berekening Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUSberekening uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. In de bijlagen is de door AERIUS gegenereerde rapportage voor de gebruiksfase opgenomen. In het voorliggende document worden de ingevoerde gegevens kort toegelicht.
Gebruiksfase Het planvoornemen met maximaal 4 grondgebonden woningen wordt gasloos opgeleverd en zorgt dan ook niet voor stikstofemissie. De verkeersbewegingen die met de gebruiksfase samenhangen zorgen hier echter wel voor. Voor de toekomstige situatie is uitgegaan van de gegevens zoals deze in de toelichting van het bestemmingsplan zijn opgenomen. In totaal worden met het planvoornemen maximaal 33 motorvoertuigbewegingen per etmaal gegenereerd. Dit betreft het totale aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal in beide richtingen. Voor de volledigheid zijn eveneens 16 zware vrachtbewegingen (bewegingen voor bijvoorbeeld een ophaaldiensten en vuilniswagens) meegenomen in de berekening. De bewegingen zijn over de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen in twee richtingen zijn ingevoerd. Hierbij zijn dus meer bewegingen gemodelleerd dan daadwerkelijk plaats gaan vinden, waardoor onzekerheid over de richting van de bewegingen wordt opgevangen. Voor meer informatie verwijzen we u naar de bijgevoegde AERIUS-rapportage.
woensdag 26 januari 2022
Extra rekenpunt Omdat het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied (‘Vogelschutzgebiet 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg') gelegen is op Duits grondgebied, hebben de ingevoerde lijnbronnen geen effect op de stikstofgevoelige habitattypen in het Natura-2000 gebied. Zodoende is er een extra puntbron ingevoerd op een locatie binnen het Duitse Natura 2000-gebied om zo de stikstofdepositie op het gebied te berekenen. Conclusie Het rekenresultaat met de ingevoerde verkeersbewegingen is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j, ook niet op het Duitse Natura 2000-gebied. Zodoende kan geconcludeerd worden dat er ook geen overschrijding zal plaatsvinden om de stikstofgevoelige habitattypen van de omliggende Natura-2000 gebieden.
5. Resultaat en conclusie Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j, ook niet op het Duitse Natura 2000-gebied. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.
Bijlagen Bijlage 1: Stikstofdepositieberekening Gebruiksfase
3
Bijlage 1
AERIUS-berekening Gebruiksfase
Projectberekening
Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron
Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
BRO Tiendstraat, - Blerick P05054 Gebruiksfase 3 grondgebonden woningen Tiendstraat Blerick
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RyE4WpPq1BE7 31 januari 2022, 16:23 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar 2023
Resultaten
Hoogste depositie Hexagon 0,00 ha 0,00 ha 0,00 mol/ha/j 0,00 mol/ha/j
Gebruiksfase Tiendstraat - Beoogd Gebruiksfase Tiendstraat - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename van depositie Grootste afname van depositie
RyE4WpPq1BE7 (31 januari 2022)
Emissie NH3 < 0,1 ton/j
Emissie NOx < 0,1 ton/j Gebied
2/6
Projectberekening
Gebruiksfase Tiendstraat (Beoogd), rekenjaar 2023 Emissiebronnen 1 Wonen en Werken | Woningen | Gebruiksfase woningen
Emissie NH3 Emissie NOx -
Verkeersnetwerk
< 0,1 ton/j < 0,1 ton/j
RyE4WpPq1BE7 (31 januari 2022)
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn
Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RyE4WpPq1BE7 (31 januari 2022)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Gebruiksfase Tiendstraat" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal
RyE4WpPq1BE7 (31 januari 2022)
Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)
0,00
0,00
0,00
0,00
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)
0,00
0,00
5/6
Projectberekening
Gebruiksfase Tiendstraat, Rekenjaar 2023 1 Wonen en Werken | Woningen Naam Gebruiksfase Uittreedhoogte Warmteinhoud woningen Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie
1,0 m 0,000 MW
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.0.2_20220128_2eee9c6138 Database versie 2021_2eee9c6138 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RyE4WpPq1BE7 (31 januari 2022)
6/6
Bijlage 2 Proefsleuvenonderzoek
Bestemmingsplan "Tiendstraat te Blerick" (vastgesteld)
15
Archeologisch onderzoek IVO-P Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick, gemeente Venlo AA190019.002.R01.v0.1.ARG259 Archeologische Rapporten Geonius 259 16 december 2020
Bron: fotoarchief Geonius
Archeologisch onderzoek IVO-P Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick, gemeente Venlo Documentnummer AA190019.002.R01.v0.1.ARG259 Archeologische Rapporten Geonius 259 16 december 2020 IVO‐P Archeologische Rapporten Geonius 259 ISSN 2405‐5506 Opdrachtgever Gemeente Venlo
Auteurs N. Vlieks J.J.G. Geraeds
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Functie
Naam
Senior KNA‐archeoloog
J.J.G. Geraeds
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
Paraaf
2 van 30
Administratieve gegevens Opdrachtgever:
Uitvoerder:
Bevoegde overheid: Beheer en plaats van documentatie: Landelijk registratienummer: Locatie:
Eigenaar van de grond/contactpersoon: NOaA archeoregio: Onderzoekskader: Onderzoeksteam:
Type onderzoek: Tijdstip onderzoek:
Gemeente Venlo Afdeling Grondbedrijf en Vastgoed Postbus 3434 5902 RK Venlo Geonius Archeologie De Asselen Kuil 10 6161 RD Geleen Contactpersoon: N. Vlieks E: n.vlieks@geonius.nl T: 088‐1300600 Gemeente Venlo Archief Geonius & Provinciaal depot te Heerlen 4906798100 Gemeente: Venlo Plaats: Blerick Toponiem: Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) Centrum coördinaat: X207996/5; Y375441.0 Kaartblad: 52G Omvang plangebied: 3.070 m2 Kadastrale gegevens: gemeente VLO00, sectie M, perceelnr. 8417, 3059, 4728, 4674, 5294 Limburgs zandgebied Omgevingsvergunning J.J.G. Geraeds (senior KNA‐archeoloog) M. Gast (veldmedewerker) N. Vlieks (archeoloog) Inventariserend Veldonderzoek door Proefsleuven oktober 2020
middel
van
Geonius Archeologie is een onderdeel van Geonius Milieu B.V. Geonius is gecertificeerd voor de protocollen 4001 (Programma van Eisen), 4002 (Bureauonderzoek), 4003 (Inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven landbodem) van de SIKB BRL 4000 Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN‐EN‐ISO 9001:2015, NEN‐EN‐ ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
3 van 30
Samenvatting In opdracht van de gemeente Venlo heeft Geonius Archeologie in oktober 2020 een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick, gemeente Venlo. Aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de herontwikkeling van het perceel Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick. De werkzaamheden bestonden uit de aanleg van drie proefsleuven met een oppervlakte van totaal 245 m2. De werkzaamheden hebben plaatsgevonden op 27 en 28 oktober 2020. Het vlak is aangelegd in de top van de C‐ horizont, direct onder de binnen het plangebied aanwezige ophogingslagen, verstoringen of restant van de oude bouwvoor. In het vlak werden geen archeologische waarden en enkel recente verstoringen waargenomen. Deze verstoringen houden hoofdzakelijk verband met de realisatie en sloop van de voormalige bebouwing binnen het plangebied. Er zijn in totaal negen profielopnamen gedocumenteerd, hieruit bleek de bodem plaatselijk verstoord te zijn tot in de C‐horizont. Plaatselijk werd de C‐horizont onder recente en subrecente ophogingslagen of een oude bouwvoor waargenomen. Er werd echter geen BC‐horizont waargenomen binnen het onderzoeksgebied.
Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt aanbevolen het plangebied vrij te geven voor de geplande ingrepen.
4 van 27 AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
Inhoud 1
Inleiding ......................................................................... 7
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding en doelstelling Onderzoeksgebied Beleidskader Onderzoeksopzet en richtlijnen Onderzoeksvragen
2
Vooronderzoek ............................................................ 10
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Situering plangebied Aardkundig kader Historisch kader Archeologisch kader IVO-O Gespecificeerde archeologische verwachting en aanbevelingen
3
Veldonderzoek ............................................................ 16
3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4
Algemeen 16 Methodiek 16 Resultaten 17 Algemeen.................................................................................................................................................. 17 Bodemopbouw ........................................................................................................................................ 17 Sporen....................................................................................................................................................... 20 Vondsten.................................................................................................................................................. 24
4
Conclusies en aanbevelingen ............................... 25
7 7 8 8 8
4.1 Conclusies 4.2 Aanbevelingen Literatuurlijst Gebruikte bronnen Verklarende woordenlijst Gebruikte afkortingen
10 11 11 12 13 14
25 26 27 27 28 29
Bijlagen Bijlage 1 Allesporenkaart Bijlage 2 Sporenlijst Bijlage 3 Vondstenlijst Bijlage 4 Tijdtabel
Lijst met afbeeldingen Afbeelding 1: Situering onderzoeksgebied Afbeelding 2: Situering bureauonderzoeks- en plangebied vooronderzoek
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
5 van 30
8 10
Afbeelding 3: Uitsnede Geomorfologische kaart van Nederland. Afbeelding 4: Overzicht AMK-terreinen, ARCHIS-waarnemingen en onderzoeksmeldingen Afbeelding 5: Boorpuntenkaart. Afbeelding 6: Overzicht aangelegde proefsleuven Afbeelding 7: Profielopname 3.1 Afbeelding 8: Profielopname 3.2 Afbeelding 9: Overzicht vlak werkput 2 (8-16 m) Afbeelding 10: profielopname 2.2 Afbeelding 11: overzicht vlak werkput 2 (18-25 m) Afbeelding 12: overzicht vlak 1, werkput 3 Afbeelding 13: Detail waterput S999.8 (vlak 2, werkput 1) Afbeelding 14: Overzicht vlak 2, werkput 1 (12-18 m) Afbeelding 15: Foto's vondstnummer 1.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
6 van 30
11 13 14 17 19 20 21 21 22 22 23 24 24
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Op 24‐9‐2020 is door de gemeente Venlo aan Geonius Archeologie te Geleen opdracht verleend voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor de locatie Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick in de gemeente Venlo. Aanleiding tot uitvoering van het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de herinrichting van het perceel Tiendstraat ongenummerd, voorheen 17. Voorafgaand aan het IVO‐P is een bureauonderzoek en IVO‐O verkennende fase door middel van boringen op bovengenoemde locatie uitgevoerd. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat de bodem in het plangebied grotendeels intact is. Het archeologisch niveau ligt in de top van de BC‐C‐ horizont of direct onder de Aan‐ horizont. In het merendeel van de boringen ligt dit niveau dieper dan 50 cm, met uitzondering van boring 6, waar de top van de BC‐horizont zich al op 10 cm ‐mv bevindt. Aangezien de exacte omvang en diepte van de geplande ingrepen nog onbekend zijn, adviseerde Geonius geen archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren indien de geplande ingrepen niet dieper dan 50 cm ‐mv zullen reiken. Indien bij toekomstige ingrepen wel dieper dan het archeologisch niveau wordt gegraven, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd, mits de ingrepen de oppervlaktegrens van 100 m2, zoals vermeld in het bestemmingsplan, overschrijden.
De gemeente Venlo heeft bovenstaand advies overgenomen en heeft aangegeven dat in het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven plaats dient te vinden. Het doel van het IVO‐P met doorstart naar opgraving is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek, het waarderen van aanwezige archeologische waarden en tevens het opgraven (behoud ex situ) van deze waarden. Op basis van de inzichten en waardering van het onderzochte terrein dienen aanbevelingen te worden gedaan ten aanzien van de rest van het onderzoeksgebied en het omliggende plangebied (al dan niet bijstellen archeologische verwachting in relatie tot de dubbelbestemming archeologie).
1.2 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied ligt aan de Tiendstraat (voorheen 17) te Blerick, in de gemeente Venlo (afb. 1). Het plangebied is omsloten door bebouwing aan de Tiendstraat, Ruijsstraat (ten westen van het onderzoeksgebied), de Averbodestraat (ten oosten van het onderzoeksgebied) en de Maasbreesestraat (ten zuiden van het onderzoeksgebied).
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
7 van 30
Afbeelding 1: Situering onderzoeksgebied. Inzet: situering onderzoeksgebied in Nederland. Bron: PDOK.
1.3 Beleidskader Volgens het vigerende bestemmingsplan “Stadsdeel Blerick”, onherroepelijk vastgesteld op 25‐09‐2013, heeft het onderzoeksgebied gedeeltelijk een dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie vindplaats’ en gedeeltelijk een dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie zeer hoog’. Derhalve diende archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden indien de geplande bodemingrepen dieper dan 40 cm reiken en/of een oppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan. De geplande werkzaamheden overschrijden deze waarden en derhalve diende archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
1.4 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het archeologisch onderzoek bestaat uit een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO‐ P) conform protocol 4003 alsmede protocol 4004 van de SIKB BRL4000 en is uitgevoerd conform het voor dit onderzoek opgestelde Programma van Eisen1 en de vigerende versie van de KNA.2
1.5 Onderzoeksvragen Onderstaande onderzoeksvragen dienen beargumenteerd te worden beantwoord. 1. Zijn er archeologische waarden aanwezig binnen het plangebied? Zo ja: waaruit bestaan de archeologische waarden en wat is de ouderdom hiervan? 2. Wat is de ruimtelijke spreiding van de archeologische waarden, zowel in het horizontale als verticale vlak? Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig? Wat is de vondstdichtheid? 3. Welk type vindplaats vertegenwoordigen de archeologische waarden? 1 2
Geraeds, 2020. KNA versie 4.1
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
8 van 30
4. 5.
6. 7. 8.
9. 10.
Indien grondsporen worden aangetroffen: op welk niveau zijn deze leesbaar? In welke geologische en bodemkundige eenheden dan wel lagen bevinden zich de archeologische waarden? Wat is de relatie tussen de ligging van de archeologische waarden en geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het gebied? In welke mate hebben agrarisch gebruik of andere antropogene ingrepen geleid tot aantasting of verstoring van de vindplaats? Is er een ensemblewaarde met vindplaatsen in de omgeving van het plangebied? Indien het onderzoek geen archeologische waarden of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, is er dan mogelijk wel sprake van een of meerdere vondstconcentraties? Is er (bijvoorbeeld) sprake van aantoonbare afwezigheid van bewoning en/of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk‐ of weersomstandigheden? Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio aanscherpen? Hoe sluiten de resultaten van het IVO‐P aan op de archeologische verwachting zoals die in het vooronderzoek is vastgesteld.
Hoe is een eventuele afwijking ten opzichte van het vooronderzoek te verklaren? Is het mogelijk op basis hiervan een beleidsaanbeveling te doen voor het plangebied en/of het omliggende gebied (t.a.v. beleid, inrichting en beheer)?
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
9 van 30
2 Vooronderzoek Voorafgaand aan het Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven is een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek Overig, verkennende vorm door middel van boringen uitgevoerd.3
2.1 Situering plangebied Het plangebied ligt aan de Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) en wordt omsloten door bebouwing aan de Tiendstraat, Ruijsstraat, Averbodestraat en de Maasbreesestraat (afb. 2). Het terrein was ten tijde van het vooronderzoek onbebouwd, het plangebied bestond uit braakliggend terrein (verharding en struwelen) dat middels een hekwerk in tweeën was opgedeeld. Het noordelijke deel betrof een grotendeels met puingranulaat verharde parkeerplaats voor omwonenden en in het zuidelijke deel waren de contouren van het voormalige bedrijfspand nog aanwezig. De betonvloeren en tegelverharding van het gebouw zijn nog aanwezig. In het midden van het plangebied was enige beplanting in de vorm van bomen aanwezig.
Afbeelding 2: Situering bureauonderzoeks‐ en plangebied vooronderzoek. Inzet: Situering plangebied in Nederland. Bron: PDOK.
Binnen het plangebied zijn geen concrete bouwplannen bekend, het doel van het onderzoek is het bepalen van de verkoopbaarheid van de percelen. De gemeente Venlo is in gesprek met buurtbewoners om een deel van het plangebied te herinrichten als speelterrein, het is echter onzeker of deze ontwikkelingen daadwerkelijk doorgevoerd zullen worden en derhalve zijn nog geen specifieke ingrepen bekend.
3
Geraeds & Vlieks, 2020.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
10 van 30
2.2 Aardkundig kader De ondergrond van het onderzoeksgebied wordt gevormd door Maasafzettingen welke worden gerekend tot de Formatie van Beegden. Door de kruising van de Maas met de Peelhorst tussen Roermond en Venlo, is het Maasdal bij het onderzoeksgebied relatief smal. Recente rivierafzettingen komen hier nauwelijks voor. De Maasafzettingen in dit gebied dateren uit het Weichselien (114.000‐9.700 voor Chr.). Het onderzoeksgebied ligt op een Maasterras daterend uit het Preboreaal (9.799‐8.700 voor Chr.) gelegen aan een terrasrand van het hoger gelegen terras uit het Allerød (11.500‐11.050 voor Chr.). Deze terrasafzettingen bestaan uit zand en klei. Op de geomorfologische kaart staat het onderzoeksgebied als niet geclassificeerd afgebeeld (afb. 3). Uit extrapolatie van het omliggende gebied kan worden aangenomen dat het onderzoeksgebied ligt op een dalvlakteterras (kaartcode 4E44).4 Daarnaast bevindt zich op ca. 400 m ten zuidoosten van het plangebied een rivierdalbodem (kaartcode 32R41L) en in het zuiden zijn delen als dalvlakteterras gekarteerd. Het dalvlakteterras is hoofdzakelijk ontstaan door fluviatiele processen in een geologisch tijdperk waarin geen (peri)glaciale omstandigheden heersten. Het begin van het vormingsproces ligt in het Laat‐Pleistoceen en het einde in het Holoceen. In het onderzoeksgebied komen hoge bruine enkeerdgronden voor, rustend op rivierzand.
Afbeelding 3: Uitsnede Geomorfologische kaart van Nederland. Bron: PDOK.
2.3 Historisch kader Blerick lig op een dalvlakteterras aan de oever van de Maas. De toponiem Blerick is afgeleid van de plaatsnaam Blariacum, een Romeinse plaats die benoemd wordt op de Peutingerkaart als Blariaco, een plaats die op de weg tussen Tongeren en Nijmegen gelegen is. Er wordt aangenomen dat Blerick op de locatie van het Romeinse Blariacum ligt, maar er zijn ook theorieën dat het huidige Boekend ligt ter plaatse van het Romeinse Blariacum. 4
Van Benthem & Stiekema, 2004.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
11 van 30
De kern van Blerick is een terrein van hoge archeologische waarde, waar bewoningssporen daterend uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd voor kunnen komen. Sinds de stadswording van Venlo op 1 september 1343, maar vermoedelijk nog veel eerder, was Venlo omgeven door een omwalling. Op de Blerickse maasoever lag tegenover de stads al sinds 1461 een militair gebouw. Voor Blerick leverden de vele belegeringen van de vestingstad Venlo telkens problemen op met veel materiële schade aan onroerende goederen. De veelvuldige verwoesting van gebouwen is vermoedelijk de oorzaak dat zo weinig oude gebouwen bewaard zijn gebleven in Blerick. Het kerspel Blerick bestond al zeer vroeg uit drie woonkernen, rotten genaamd. Op de eerste plaats was er het huidige centrum van Blerick en enige bebouwing aan het Nieuwborg en de Horsterweg. Dit gedeelte heette het Dorp, Blerick of Maes‐Blerick. Daarnaast was er het Hout‐Blericker rot en het Boekender rot. De Ruijsstraat (ten westen van het onderzoeksgebied gelegen) en de Averbodestraat (ten oosten van het onderzoeksgebied gelegen) betreffen wegen die ouder zijn dan 1806. Daarnaast is het onderzoeksgebied volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Limburg in het verleden in gebruik geweest als bouwland.
Op de historische kaart van 1823‐1829 ligt het onderzoeksgebied ten zuidwesten van Blerick en stroomt ‘De Blerick’ circa 50 m ten zuiden van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is op deze kaart nog onbebouwd en vermoedelijk in gebruik als bouwland. Deze situatie verandert niet, aangezien het onderzoeksgebied op de kadastrale minuutplan van 1845 als onbebouwd gekarteerd is en het onderzoeksgebied volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafel behorende tot het minuutplan in gebruik was als bouwland. Ten noorden en oosten van het onderzoeksgebied wordt bebouwing ontwikkeld, het onderzoeksgebied zelf blijft echter onbebouwd tot op de historische kaart van omstreeks 1925 twee gebouwen in het noordelijke deel van het onderzoeksgebied aan de Tiendstraat gekarteerd staan. Volgens historisch kaartmateriaal verandert deze situatie pas in 1962, wanneer voor het eerst een groot, langwerpig gebouw aan de noordoostelijke zijde van het onderzoeksgebied gekarteerd is. Het betreft de fietsenfabriek Cové, deze rijwielfabriek heeft van 1947 tot 1988 op de locatie gelegen. In 1948 is de oprichtingsvergunning aan Rijwielfabriek Cové verleend. De fabriek bestond uit een aantal afdelingen namelijk een framebouwerij, een lakspuiterij, 8 galvanische baden, een kantoor en een opslagruimte. Verder lag aan de noordzijde van de locatie een ondergrondse HBO‐tank (van 3.000 liter).
In 1988 is het bedrijf gesloten wegens klachten van omwonenden over stankoverlast afkomstig van de lakspuiterij. Gedurende de periode 1947‐1988 is het bedrijf verschillende malen uitgebreid. Rond 1980 vindt een uitbreiding plaats waarbij het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied en het versmalde stuk in het midden van het onderzoeksgebied volledig bebouwd werden. Deze situatie blijft onveranderd tot de twee losse gebouwen in het noordelijke deel van het onderzoeksgebied in de periode 1997‐1999 gesloopt worden. Vervolgens wordt in de periode 2006‐2010 het zuidoostelijke deel van de bebouwing binnen het onderzoeksgebied gesloopt. In de periode 2011‐2015 wordt het restant van de bebouwing binnen het onderzoeksgebied gesloopt en wordt nieuwe bebouwing direct buiten de begrenzing van het onderzoeksgebied gerealiseerd lands de zuidwestelijke hoek van het onderzoeksgebied.
2.4 Archeologisch kader Het onderzoeksgebied maakt deel uit van een AMK‐terrein (monumentnummer 16558; afb. 4) van hoge archeologische waarde met bewoningssporen daterend uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd (oude dorpskern van Blerick). In ARCHIS staat geen waarneming geregistreerd binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied. Uit de directe nabijheid van het onderzoeksgebied (binnen een straal van 500 m) zijn 18 vondstlocaties bekend uit het mesolithicum, neolithicum, bronstijd, ijzertijd, Romeinse tijd, middeleeuwen en nieuwe tijd.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
12 van 30
Afbeelding 4: Overzicht AMK‐terreinen, ARCHIS‐waarnemingen en onderzoeksmeldingen. Bron: ARCHIS3.
Op de gemeentelijke verwachtingskaart staat het onderzoeksgebied gekarteerd binnen een AMK‐terrein, voor deze zones geldt dat behoud van archeologische waarden in‐situ de voorkeur heeft. Rondom het AMK‐terrein, waarbinnen het onderzoeksgebied ligt, komen zones met een hoge archeologische verwachting voor. Daarnaast wordt de Romeinse weg op een afstand van ca. 90 m ten oosten en ca. 250 m ten westen van het onderzoeksgebied verwacht.
2.5 IVO-O Uit het veldonderzoek is gebleken dat in het grootste deel van het plangebied een (deels) intacte bodem (hoge bruine enkeerdgrond) aanwezig is. In tien van de in totaal dertien uitgevoerde boringen is een (deels) intact bodemprofiel aangetroffen (afb. 5).
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
13 van 30
Afbeelding 5: Boorpuntenkaart.
Ter plaatse van boringen 6, 9 en 13 is een restant van de BC‐horizont aangetroffen, waardoor hier nog intacte archeologische waarden verwacht worden. Ter plaatse van boringen 2, 4, 5, 8, 10, 11 en 12 is onder de Aan‐ horizont of A‐horizont geen (restant van) de BC‐horizont aangetroffen, hier werd meteen de C‐horizont waargenomen. Dit betekent dat in deze boringen een deel van de oorspronkelijke bodemopbouw opgenomen is in de Aan‐horizont, ook hier zouden nog archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. Ter plaatse van boringen 1, 3 en 7 is de bodem tot in de C‐horizont verstoord en worden geen archeologische waarden meer verwacht, behoudens dieper ingegraven sporen. Het archeologisch niveau ligt in de top van de BC‐C‐horizont of direct onder de Aan‐horizont, in het merendeel van de boringen ligt dit niveau dieper dan 50 cm, met uitzondering van boring 6, waar de top van de BC‐horizont zich al op 10 cm ‐mv bevindt.
2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting en aanbevelingen Voor het onderzoeksgebied werd op basis van het bureauonderzoek een middelhoge archeologische verwachting op het voorkomen van vindplaatsen van jager‐verzamelaars opgesteld, aan de hand van de geomorfologie, bodemtype en bekende archeologische waarden in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Voor landbouwers geldt een middelhoge verwachting voor de perioden ijzertijd tot en met nieuwe tijd en een lage verwachting voor het neolithicum en de bronstijd. Het IVO‐O wees uit dat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied (deels) intact was. Aangezien de exacte omvang en diepte van eventuele toekomstige ingrepen onbekend zijn, adviseerde Geonius geen archeologisch
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
14 van 30
vervolgonderzoek uit te laten voeren indien de ingrepen niet dieper dan 50 cm ‐mv zouden reiken. Indien bij toekomstige ingrepen wel dieper dan het archeologisch niveau wordt gegraven dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, mits de ingrepen de oppervlakteondergrens van 100 m2, zoals vermeld in het bestemmingsplan, overschrijden. De gemeente Venlo heeft dit advies onderschreven en heeft aangegeven dat in het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats dient te vinden.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
15 van 30
3 Veldonderzoek 3.1 Algemeen Voorafgaand aan het IVO‐P is een Programma van Eisen opgesteld: Programma van Eisen IVO‐P Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick. In dit PvE is opgenomen dat mocht tijdens het proefsleuvenonderzoek een behoudenswaardige vindplaats worden aangetroffen, de archeologisch uitvoerder en het bevoegd gezag / adviseur van het bevoegd gezag in overleg zullen bepalen of er gelijk kan worden doorgestart naar een eventuele (beperkte) opgraving, of dat er eerst een rapportage opgesteld moet worden waarin eventueel behoud in situ wordt onderbouwd. Doel is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en het waarderen van aanwezige archeologische waarden. Op basis van deze inzichten en waardering van het onderzochte terrein dienen aanbevelingen te worden gedaan ten aanzien van de rest van het onderzoeksgebied en het omliggende plangebied (al dan niet bijstellen van archeologische verwachting in relatie tot de dubbelbestemming archeologie).
3.2 Methodiek Het onderzoeksgebied besloeg een oppervlak van 3.070 m2. Tijdens de graafwerkzaamheden is gebruik gemaakt van een graafmachine en ‐machinist van de firma J.C.H. Hecker en zoon BV. Het IVO‐P is uitgevoerd op 27 en 28 oktober 2020. Het veldteam bestond uit senior KNA archeoloog J.J.G. Geraeds, veldtechnicus M. Gast en archeoloog N. Vlieks. In totaal zijn er drie werkputten aangelegd. Er is gestart met de aanleg van werkput 2 en 3, omdat het terrein waarop werkput 1 moest komen te liggen nog in gebruik was als parkeerplaats door omwonenden, die niet op de hoogte bleken te zijn van de uitvoering van het archeologisch onderzoek. Alle werkputten zijn verplaatst ten opzichte van het oorspronkelijke puttenplan. In het oostelijke deel van werkput 2 bleken kelders aanwezig te zijn, om zoveel mogelijk te voorkomen dat deze verstoringen in het vlak van werkput 2 zouden komen te liggen, is de werkput circa 1 m richting het westen verschoven. Werkput 3 is verplaatst om de garageboxen, die ten westen van de werkput liggen, toegankelijk te houden. Derhalve is werkput 3 in zuidelijke richting verplaatst, daarnaast is werkput 3 slechts tot 18 m lengte aangelegd, omdat hier een recente (betonnen) waterput aanwezig was, waardoor het vlak niet verder aangelegd kon worden. Op 28 oktober is werkput 1 uitgegraven, ook deze werkput is verplaatst (in noordelijke richting) en verkort (ca.
18 m lang) in verband met het toegankelijk houden van een deel van de parkeerplaats waarop de werkput gelegen is. Per werkput is eerst een kijkgat aangelegd om vast te stellen op welk niveau het vlak ontgraven diende te worden. Per werkput zijn drie profielopnamen gedocumenteerd (gefotografeerd, ingemeten en beschreven) en minimaal één profiel getekend. In overleg met de stadsarcheoloog van de gemeente Venlo dhr. J. Schotten, zijn in werkput 1 en 2 extra kijkgaten dwars op de werkput aangelegd om vast te kunnen stellen hoe diep de verstoringen die in het vlak zichtbaar werden reikten. De profielen van deze kijkgaten zijn gefotografeerd en beschreven, maar niet getekend. Het vlak is volledig gedocumenteerd, dit houdt in dat het vlak is gefotografeerd, onderzocht met een metaaldetector, beschreven en ingemeten. De vlakken zijn geïnspecteerd op de aanwezigheid van aardewerkscherven, stenen artefacten, metaalresten, organische resten en grondsporen. In werkput 2 en 3 is
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
16 van 30
één vlak aangelegd, in werkput 1 zijn twee vlakken aangelegd, omdat het merendeel van de werkput verstoord bleek te zijn in vlak 1. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn enkel recente verstoringen waargenomen. Er zijn geen archeologische grondsporen aangetroffen. Er is enkel vondstmateriaal in recente verstoringen aangetroffen.
3.3 Resultaten 3.3.1 Algemeen Er zijn in totaal drie werkputten aangelegd met een oppervlakte van 100 m2 (WP 2) en 72 m2 (WP 1 en 3; zie afb. 6). Het eerste vlak in werkput 1 is aangelegd op een diepte van ca. 18.30 m + NAP, het tweede vlak werd op een diepte van ca. 17/86 m + NAP aangelegd. In werkput 2 werd het vlak tussen 18.03 en 18.20 m + NAP aangelegd, de hoogte van het vlak liep naar het zuiden toe iets omhoog, vanwege de ligging van een PVC‐leiding in het vlak. Ter plaatse van werkput 3 werd het vlak op een diepte van ca. 17.36 m + NAP aangelegd.
Afbeelding 6: Overzicht aangelegde proefsleuven.
3.3.2 Bodemopbouw Er zijn in totaal negen profielopnamen gedocumenteerd tijdens het veldonderzoek. De oorspronkelijke bodem bleek te zijn afgetopt of verstoord en aangevuld met recente en subrecente ophogingslagen. De bodemopbouw binnen het plangebied varieert licht, zo varieerde het aantal aanwezige ophogingslagen binnen het plangebied en werd plaatselijk nog een restant van een oude bouwvoor waargenomen.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
17 van 30
In het oostelijke deel van werkput 1 bleek de bodem verstoord te zijn tot in de C‐horizont. Hier werd onder een verhardingslaag een recente verstoring (S999.9) waargenomen en vervolgens de C‐horizont. In het westelijke deel van werkput 1 werden onder de verhardingslaag een recent opgebracht pakket (S1000), subrecent opgebracht pakket (S2000) en een oude bouwvoor (S2500) boven de C‐horizont (S5000) waargenomen. De recente ophogingslaag (S1000) bestond uit zwak humeus, grof, zwak siltig, donker bruingrijs zand met grind‐, steenkool‐, baksteen‐ en houtskool inclusies. Uit de subrecente ophogingslaag is één vondst verzameld, het betrof een scherf roodbakkend geglazuurd aardewerk, ringeloor versierd, van een schotel of bord. Dit fragment dateert uit de Nieuwe Tijd A of B. Deze laag (S2000) werd gekenmerkt door donkerbruin, matig fijn, sterk siltig zand met sporen houtskool, baksteen en steenkool. De C‐horizont (S5000) bestond uit licht grijsbruin, fijn, zwak siltig zand met roestinclusies en werd naar beneden toe (S5500) grijzer en sterker roest‐ en mangaanhoudend. De oude bouwvoor (S2500) bestond uit bruin, fijn, sterk siltig zand met houtskool‐, baksteen‐ en grindinclusies.
In het noordelijke deel van werkput 2 bleek het oostelijke deel van het profiel verstoord te zijn als gevolg van de realisatie van kelders binnen het plangebied (S3000), in het westelijke deel van het profiel werden boven de C‐ horizont zowel recente, als subrecente ophogingslagen waargenomen. In werkput 3 werden in het oostelijke deel van de werkput twee recente (S1000 en S1500) en één subrecente ophogingslaag (S2000) waargenomen, S1500 werd gekenmerkt door afwisselend laagjes donkergrijsbruin matig grof, sterk siltig zand en laagjes licht grijsbruin zeer grof, zwak siltig zand met grind‐, roest‐, baksteen‐ en steenkoolinclusies. Onder deze ophogingslagen werd direct de C‐horizont waargenomen (afb. 7).
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
18 van 30
S1000
S1500
S2000
S5000
S5500
Afbeelding 7: Profielopname 3.1. Bron: Fotoarchief Geonius.
In het westelijke deel van werkput 3 ontbrak S1000, maar werd onder een tweetal ophogingslagen (S1500 en S2000) een restant van de oude bouwvoor (S2500) en vervolgens de C‐horizont (S5000) waargenomen (afb. 8).
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
19 van 30
S1500
S2000
S2500
S5000
Afbeelding 8: Profielopname 3.2. Bron: fotoarchief Geonius.
3.3.3 Sporen Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen archeologische grondsporen aangetroffen. Er zijn enkel recente verstoringen (S999.1‐999.11; bijlage 1 en 2) en restanten van de oude bouwvoor of subrecente ophogingslaag (S1) in het vlak waargenomen. De recente verstoringen zijn het directe gevolg van de realisatie en sloop van bebouwing en de aanwezigheid van een fietsenfabriek binnen het plangebied of houden hier verband mee (kabels, leidingen). In werkput 2 werden in totaal zeven sporen waargenomen (S999.1‐999.3, S3000 en drie sporen die het restant van de bovenliggende ophogingslaag vormden (S2000). Het betroffen recente verstoringen en restanten van een subrecente ophogingslaag in het vlak. Spoor 999.1 betrof een recente leidingssleuf (PVC waterleiding). Het spoor bestond uit grijsbruin, beige en donkerbruin gevlekt grof, zwak siltig zand met sporen baksteen. Het spoor liep over de gehele lengte van werkput 2. Direct grenzend aan spoor 999.1 aan westelijke zijde, lag spoor 999.3, dit betrof een rechthoekige kuil van ca. 65 cm lang en 30 cm breed. Het spoor werd gekenmerkt door lichtbruin, bruin, donker bruingrijs gevlekt, grof, matig siltig zand (afb. 9). Op onderstaande afbeelding 9 zijn daarnaast drie sporen, die het restant van de bovenliggende ophogingslaag (S2000) vormen, te herkennen.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
20 van 30
S2000 S2000 S999.3
S2000 S3000 S999.1 S5000
Afbeelding 9: Overzicht vlak werkput 2 (8‐16 m). Bron: fotoarchief Geonius.
Op afbeelding 9 is daarnaast ook een grote, recente verstoring zichtbaar in het vlak (S3000), die verband houdt met de fundering van de voormalige bebouwing binnen het plangebied. Het spoor bestond uit donkerbruin, beige gevlekt, grof, matig siltig zand met sporen baksteen en houtskool en was in de gehele oostelijke zijde van werkput 2 zichtbaar. Over dit spoor zijn twee dwarsprofielen aangelegd, om vast te stellen tot hoe diep de verstoring reikte (afb. 10).
S3000
S5000
S5500
Afbeelding 10: profielopname 2.2. Bron: fotoarchief Geonius.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
21 van 30
Spoor 999.2 (afb. 11) betrof een ingegraven kelder, die niet bij de sloop van de voormalige bebouwing binnen het plangebied is meegenomen. Het spoor bestond uit oranje, geel en lichtbruin gevlekt, zeer grof, zwak siltig zand.
S999.2
S999.1 S3000
Afbeelding 11: overzicht vlak werkput 2 (18‐25 m). Bron: fotoarchief Geonius.
In werkput 3 zijn in totaal vier recente verstoringen waargenomen (S999.4‐999.7; zie afb. 12). S999.4 betreft een verstoorde zone in de zuidoostelijke hoek van werkput 3, bestaande uit geelbruin, donkerbruin gevlekt matig fijn, matig siltig zand. S999.5 betreft vermoedelijk de afdruk van de bak van een graafmachine, dit spoor bestaat uit donkerbruin, grijsbruin gevlekt matig fijn, matig siltig zand met grindinclusies. S999.6 en S999.7 betreffen recente (afval)kuilen en werden gekenmerkt door respectievelijk donkerbruin, matig fijn, matig siltig zand met verbrand textiel en donkerbruin, grijsbruin gevlekt. Matig fijn, matig siltig zand met glas‐, grind‐ en baksteeninclusies.
S999.7 S999.6
S5000
S999.5
S999.4 Afbeelding 12: overzicht vlak 1, werkput 3. Bron: fotoarchief Geonius.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
22 van 30
Tot slot zijn in werkput 1 (vlak 1) één recente verstoring waargenomen (S999.8), die bijna het gehele vlak besloeg. Derhalve is een tweede vlak aangelegd, hierin werden vier recente verstoringen (S999.8‐999.11) en één antropogeen spoor (S1) aangetroffen. Over bijna het gehele vlak (vlak 1, werkput 3) is een recente verstoring waargenomen, waartoe ook een waterput behoorde, wat bleek tijdens de aanleg van het tweede vlak. De verstoring bestond uit donkerbruin, grijsbruin, geelbruin gevlekt, matig fijn, matig siltig zand met glas‐ en steeninclusies en enkele grote fragmenten baksteen. Het muurwerk van de waterput was opgetrokken uit hard gebakken, roodpaarse bakstenen en cementmortel (afb. 13‐14). Deze waterput en verstoorde zone houden vermoedelijk verband met de voormalige bebouwing in het noordelijke deel van het plangebied. Volgens aanwonenden heeft ter plaatse van de parkeerplaats in het noordelijke deel van het plangebied vroeger een boerderij gestaan.
Afbeelding 13: Detail waterput S999.8 (vlak 2, werkput 1).Bron: fotoarchief Geonius.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
23 van 30
S999.9 S999.11
S5000 S999.8
Afbeelding 14: Overzicht vlak 2, werkput 1 (12‐18 m). Bron: fotoarchief Geonius.
Spoor 2500 betrof een restant van de oude bouwvoor, bestaande uit bruin, grof, sterk siltig zand met baksteen‐ , houtskool en grindinclusies. Op bovenstaande afbeelding (afb. 14) zijn de overige verstoringen in werkput 3 afgebeeld. Het betreft een leidingsleuf van een waterleiding aan de zuidelijke putrand ligt(S999.9) en uitkomt in de waterput van S999.8, een boorgat dat het gevolg is van het vooronderzoek dat door Geonius is uitgevoerd binnen het plangebied (S999.10) en een kleine, vierkante verstoring in het oostelijke deel van de werkput (S999.11). De leidingsleuf (S999.9) bestond uit lichtbruin, beigebruin en oranjebruin gevlekt, grof, zwak siltig zand. Spoor 999.11 bestond uit geelbruin, grof, zwak siltig zand met grind‐ en steenkoolinclusies.
3.3.4 Vondsten Tijdens het proefsleuvenonderzoek is één vondst verzameld (afb. 15; bijlage 3). Het betreft een fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk dat onderdeel heeft uitgemaakt van een bord of schotel met ringeloor versiering. Het fragment dateert uit de Nieuwe Tijd A tot en met B (1500‐1795). Het fragment is afkomstig uit een subrecente ophogingslaag (S2000) en is verzameld tijdens het machinaal verdiepen bij de aanleg van kijkgat 1, werkput 2.
Afbeelding 15: Foto's vondstnummer 1.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
24 van 30
4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies De conclusies worden gegeven in de vorm van de antwoorden op de onderzoeksvragen. 1. Zijn er archeologische waarden aanwezig binnen het plangebied? Zo ja: waaruit bestaan de archeologische waarden en wat is de ouderdom hiervan? Er zijn geen archeologische waarden aangetroffen binnen het plangebied. Er zijn enkel recente verstoringen waargenomen en er is slechts één vondst gedaan, het betrof een fragment aardewerk daterend uit de Nieuwe Tijd A‐B, afkomstig uit een subrecente ophogingslaag (S2000). 2. Wat is de ruimtelijke spreiding van de archeologische waarden, zowel in het horizontale als verticale vlak? Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig? Wat is de vondstdichtheid? Deze vraag is niet van toepassing, omdat er geen archeologische waarden aangetroffen zijn binnen het onderzoeksgebied. 3. Welk type vindplaats vertegenwoordigen de archeologische waarden? Deze vraag is niet van toepassing, omdat er geen archeologische waarden aangetroffen zijn binnen het onderzoeksgebied. 4. Indien grondsporen worden aangetroffen: op welk niveau zijn deze leesbaar? Er zijn alleen recente verstoringen aangetroffen en geen archeologische grondsporen.
Het vlak in de werkputten is aangelegd op een diepte van 18.24‐18.42 m + NAP (vlak 1, werkput 1), 17.84‐17.98 (vlak 2, werkput 1), 18.03‐ 18.20 m + NAP (vlak 1, werkput 2) en 17.32‐17.42 m + NAP (vlak 1, werkput 3). 5. In welke geologische en bodemkundige eenheden dan wel lagen bevinden zich de archeologische waarden? Wat is de relatie tussen de ligging van de archeologische waarden en geomorfologische en bodemkundige kenmerken van het gebied? Er zijn geen archeologische waarden aangetroffen, maar de recente verstoringen werden in het vlak zichtbaar in de top van het restant van de C‐horizont, direct onder de plaatselijk aanwezige ophogingslagen (S1000; 1500 en 2000) of oude bouwvoor (S2500). 6. In welke mate hebben agrarisch gebruik of andere antropogene ingrepen geleid tot aantasting of verstoring van de vindplaats? Er zijn in totaal 12 recente verstoringen in de werkputten aangetroffen, deze verstoringen houden hoofdzakelijk verband met de voormalige bebouwing binnen het plangebied. De realisatie en sloop van deze bebouwing heeft geleid tot deze verstoringen binnen het plangebied, wat de afwezigheid van archeologische waarden verklaart. 7. Is er een ensemblewaarde met vindplaatsen in de omgeving van het plangebied? Deze vraag is niet van toepassing, omdat er geen archeologische waarden aangetroffen zijn binnen het onderzoeksgebied. 8.
Indien het onderzoek geen archeologische waarden of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, is er dan mogelijk wel sprake van een of meerdere vondstconcentraties? Is er (bijvoorbeeld) sprake van aantoonbare afwezigheid van bewoning en/of actief landgebruik, verstoring van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk‐ of weersomstandigheden? Op basis van het hoge aantal recente verstoringen dat in het onderzoeksgebied is aangetroffen, kan gesteld worden dat de afwezigheid van archeologische waarden in het onderzoeksgebied veroorzaakt is door
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
25 van 30
verstoringen als gevolg van de realisatie en sloop van voormalige bebouwing binnen het onderzoeks‐ en plangebied. 9. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio aanscherpen? Deze vraag is niet van toepassing, omdat er geen archeologische waarden aangetroffen zijn binnen het onderzoeksgebied. 10. Hoe sluiten de resultaten van het IVO‐P aan op de archeologische verwachting zoals die in het vooronderzoek is vastgesteld. Hoe is een eventuele afwijking ten opzichte van het vooronderzoek te verklaren? Is het mogelijk op basis hiervan een beleidsaanbeveling te doen voor het plangebied en/of het omliggende gebied (t.a.v. beleid, inrichting en beheer)? Op basis van het vooronderzoek werden binnen het plangebied grotendeels intacte bodems verwacht, vanwege de aanwezigheid van een Aan‐horizont, met daar onder de C‐horizont en plaatselijk een BC‐ en C‐horizont. Tijdens het proefsleuvenonderzoek bleek slechts plaatselijk een restant van de oude bouwvoor te resteren en bleek het onderzoeksgebied grotendeels tot in de C‐horizont verstoord te zijn. Een BC‐horizont is tijdens het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek niet waargenomen. Derhalve zijn geen archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied aangetroffen.
Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan gesteld worden dat er geen archeologische waarden meer verwacht worden binnen het plangebied. Er wordt dan ook aanbevolen het plangebied vrij te geven voor toekomstige ingrepen en geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.
4.2 Aanbevelingen Het proefsleuvenonderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied slechts plaatselijk een (deels) intacte bodemopbouw aanwezig is en dat in een groot deel van het onderzoeksgebied de bodem tot in de C‐horizont verstoord was. Er zijn enkel recente verstoringen en geen archeologische waarden waargenomen gedurende het onderzoek. Derhalve kan gesteld worden dat binnen het plangebied geen archeologische waarden meer verwacht worden en wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor toekomstige ingrepen. Ten alle tijden geldt dat mochten tijdens de voorgenomen graafwerkzaamheden alsnog archeologische waarden worden aangetroffen, hiervan echter melding dient te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de erfgoedwet.5
5 Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2. De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, is gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Opmerking auteur: met monument wordt bedoeld: 1. vervaardigde zaken welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde; 2. Terreinen welke van algemeen belang zijn wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder 1.Melding kan plaats vinden bij de gemeente (niet bij de minister).
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
26 van 30
Literatuurlijst en gebruikte bronnen Literatuurlijst Benthem, A. van & M. Stiekema, 2004. Blerick, gemeente Venlo – Averbodestraat 54. Bureauonderzoek en booronderzoek. ADC Rapport 267. Amersfoor: ADC. CCvD, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie Landbodems versie 4.1, 2018. Vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie, ondergebracht bij de SIKB te Gouda. Geraeds, J.J.G., 2020. Programma van Eisen IVO‐P Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick. Geonius Programma van Eisen 69. Geleen: Geonius. Geraeds, J.J.G. & N. Vlieks, 2020. Archeologisch onderzoek Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick. Archeologische Rapporten Geonius 200. Geleen: Geonius. Koomen, A.J.M. & G.J. Maas, 2004: Geomorfologische kaart van Nederland (GKN). Achtergronddocument bij het landsdekkende digitale bestand. Alterra‐rapport 1039, Wageningen.
Gebruikte bronnen http://zoekencultureelerfgoed.nl www.atlasleefomgeving.nl www.topotijdreis.nl www.kademo.nl www.arcgis.com http://portal.prvlimburg.nl http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl https://easy.dans.knaw.nl http://www.sikb.nl
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
27 van 30
Verklarende woordenlijst en gebruikte afkortingen Verklarende woordenlijst ARCHIS
het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Dit bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe Tijd. AMK Een digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de RCE in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit ARCHIS. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde). IKAW de zogenaamde archeologische verwachtingskaart. Deze geeft een gebiedsindeling in drie categorieën weer op basis van de verwachting van archeologische vondsten (gebieden met een lage, midden, dan wel hoge –archeologische verwachting). De kaart is voornamelijk gebaseerd op het bodemtype. A0‐horizont een moerige horizont, bestaande uit onverteerbare en weinig verteerde plantenresten opgehoopt in een aëroob milieu op het onderlinge materiaal (strooisellaag). A1‐horizont een minerale of moerige, donker gekleurde horizont, ontstaan aan of nabij het oppervlak, waarin de organische stof geheel of gedeeltelijk is omgezet (humushoudende bovengrond).
Aan‐horizont horizont door de mens opgebracht zoals het mestdek van de enkeerdgronden. AC‐horizont een geleidelijke overgang van een A1‐ naar een C‐horizont. AB‐horizont een geleidelijke overgang naar een B‐horizont. Ap‐horizont de bouwvoor, de A‐horizont die door de mens is bewerkt. B‐horizont een minerale of moerige horizont waaraan door inspoeling bestanddelen zijn toegevoegd, zoals humus of lutum (inspoelingshorizont). C‐horizont een minerale of moerige horizont, die weinig of nauwelijks door bodemvorming is veranderd. Aangenomen wordt dat de bovenliggende horizonten uit soortgelijk materiaal zijn ontstaan (moedermateriaal). E‐horizont een minerale, licht gekleurde horizont die door uitspoeling verarmd is aan kleimineralen, ijzer, aluminium of aan alle drie (uitspoelingshorizont of loodzandlaag). G‐horizont een minerale of moerige, niet‐geaëreerde horizont, bij mineraal materiaal meestal donkergrijs of donker blauwgrijs van kleur (“gereduceerde” ondergrond); bij moerig materiaal meestal donkerbruin, na oxidatie verandert in grijs, resp. zwart tot donkergrijs. CIS‐Code (=ARCHIS‐nummer). Het landelijk registratienummer ten behoeve van archeologisch onderzoek, uitgegeven door het Centraal Informatiesysteem. Dit nummer dient op alle vondsten en documentatiemateriaal vermeld te worden. De RCE noemt dit het “onderzoeksmeldingsnummer”, en geeft het af na een Artikel 41‐melding.
Archeologische Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een Indicatie aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid, ter plaatse of in de nabijheid, van een archeologische vindplaats. Colluvium tijdens het Holoceen van de hellingen geërodeerde en in de dalen afgezette lössleem.
AA190019.002.R01.v0.1.ARG259
28 van 30
Enkeerdgrond Esdek
Holoceen
Kwartair Löss Pleistoceen Potstal Potstalmest
Prehistorie Schepenbank Site Tertiair Vindplaats Vondst Weichselien
dikke eerdgrond (=laag met donkere, min of meer rulle grond, met organische en anorganische bestanddelen) ontwikkeld op zandgrond onder invloed van de mens, ook wel essen genoemd. oud verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten behoeve van bemesting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht. In geval van een es is de opgebrachte laag ten minste 50 cm dik. De term es is gangbaar in Noord‐ en Oost‐ Nederland. In Midden‐Nederland wordt gesproken van een enk of eng. geologisch tijdvak, vroeger Alluvium genoemd, binnen het Quartair, van ongeveer 10.000 jaar geleden tot nu, met daarin o.a. het Mesolithicum, Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de historische tijd. geologische periode van 2 miljoen jaar geleden tot nu, de tijd van het menselijk leven op aarde, omvattend het Pleistoceen en het Holoceen. eolische (wind) afzetting van zeer fijnkorrelig materiaal waarvan het overgrote deel van de korrels (60‐85%) kleiner is dan 63 μm. geologisch tijdvak binnen het Quartair, van ongeveer 2 miljoen jaar geleden tot 10.000 jaar geleden, met daarin o.a. de eerste mensensoorten en het Paleolithicum (oude steentijd). uitgediepte veestal. potstalmest of aardmest werd bereid in een zgn.
potstal en bestond uit stalmest, huisafval, bos‐ en heidestrooisel en meestal zand uit sloten of uit humusarme ondergrond van het bouwland zelf en ook werden in plaats van zand heideplaggen gebruikt. dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. vroegere rechtbank van schepenen (vroegere stadsbestuurders en rechters). een plaats waar in het verleden menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden. geologische periode van 65‐2 miljoen jaar geleden, waarin zich de belangrijkste ontwikkelingen van de zoogdieren voordeden. Een ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt (monument, type monument, aard archeologische waarde, archeologische indicatie). Alle soorten mobilia: roerende of roerend geraakte onderdelen van onroerende goederen afkomstig van archeologisch veldwerk of uit bestaande collecties. geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte) ca. 120.000‐ 10.000 jaar geleden.