048 bijl07 Kwiz Onderzoek effecten armoedebeleid op (arbeids)participatie gemeente Venlo 2017.pdf
Tekst van het document
ONDERZOEK EFFECTEN ARMOEDEBELEID OP (ARBEIDS)PARTICIPATIE GEMEENTE VENLO 2017
Onderzoek effecten armoedebeleid op (arbeids)participatie gemeente Venlo 2017
Colofon Opdrachtgever Gemeente Venlo Datum Januari 2018 Auteurs Tessa Schoot Uiterkamp Anne-Wil Hak KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en / of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en / of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ 1
Inhoudsopgave Inleiding .......................................................................................................................................... 2 1. Onderzoeksmethodiek ............................................................................................................... 4 1.1. Lokale minimaregelingen ..................................................................................................... 4 1.2. Huishoudens en inkomensgrenzen ..................................................................................... 5 2. De inkomenseffecten.................................................................................................................. 8 2.1. Vrije bestedingen ................................................................................................................. 8 2.2. Maximale bijdrages Rijk en gemeente ................................................................................. 9 2.3. Effect inkomensverhoging ................................................................................................. 10 3. Bevindingen inkomenseffecten ................................................................................................ 12 4. Enquête: Minimaregelingen...................................................................................................... 14 5.
Enquête: Kinderen .................................................................................................................... 19 6. Enquête: Wensen minimabeleid .............................................................................................. 21 7. Enquête: Financiële situatie ..................................................................................................... 23 8. Enquête: Zorgkosten ................................................................................................................ 25 9. Enquête: Werk .......................................................................................................................... 28 10. Enquête: Tips voor gemeente ................................................................................................ 31 11. Samenvattende conclusies .................................................................................................... 32 Bijlage 1. Inkomenseffect tabellen................................................................................................ 35 Bijlage 2. Tabel effect inkomensverhoging .................................................................................. 41 Bijlage 3. Vragenlijst ..................................................................................................................... 42
1
Inleiding De gemeente Venlo is bezig met een plan van aanpak ter voorbereiding op een nieuw beleidsplan voor de periode 2019-2022. Een van de vragen die het college zich ter evaluatie van het huidige beleid stelt is: geven we met de huidige aanpak en voorzieningen de juiste prikkels voor de minima om te participeren in de samenleving? Een speciaal punt van aandacht gaat hierbij uit naar de armoedeval: in hoeverre worden minima middels de huidige voorzieningen gestimuleerd of juist gehinderd om betaald werk te zoeken (de zogenaamde armoedeval)?1 Om de effecten van het armoedebeleid te onderzoeken heeft de gemeente besloten om een vragenlijst aan de doelgroep te sturen om antwoord te krijgen op bovenstaande vragen. Daarnaast wordt er een inkomenseffect rapportage opgesteld die inzicht biedt in de financiële positie van minima en in de mate waarin het huidige (lokale) beleid een bijdrage daaraan levert. Opzet inkomenseffect rapportage Met behulp van landelijke inkomensnormen, landelijke toeslagen en informatie over gemeentelijke regelingen is per huishoudtype het inkomen bepaald. Voor de vaste uitgaven is uitgegaan van cijfers en normen van het Nibud2. Voor de andere uitgaven is waar mogelijk gebruikgemaakt van lokale tarieven (zoals waterschapsbelasting). Dit leidt tot een begroting per maand. De begrotingen zijn opgesteld voor zes verschillende huishoudtypen.
De bedragen gaan over het jaar 2017. Opzet enquête De doelgroep voor het onderzoek bestaat uit inwoners die in 2017 een bijstandsuitkering ontvingen en/of gebruik hebben gemaakt van een minimaregeling en/of in de schuldhulpverlening zaten. Dit zijn ongeveer 5.000 huishoudens. Onder deze huishoudens is een aselecte steekproef getrokken van 2.000 huishoudens. De vragenlijsten zijn verstuurd in november 2017 en mensen hadden de mogelijkheid om deze online of op papier in te vullen. De onderwerpen in de vragenlijst zijn achtereenvolgens de minimaregelingen, kinderen, financiële situatie, zorgkosten en werk. Respons enquête 366 respondenten hebben de vragenlijst ingevuld. Oftewel 18 procent van alle 2.000 huishoudens die zijn aangeschreven. Dit is voldoende om betrouwbare uitspraken over de gehele doelgroep van 5.000 huishoudens te kunnen doen. Leeswijzer In hoofdstuk 1 wordt de onderzoeksmethodiek van de inkomenseffect rapportage nader toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 2 de inkomenseffecten van zowel de landelijke als de lokale inkomensondersteunende regelingen beschreven. In hoofdstuk 3 benoemen we de belangrijkste bevindingen. In bijlage 1 en 2 staat een aantal ondersteunende tabellen voor de inkomenseffect rapportage. In hoofdstuk 4 tot en met 10 worden de uitkomsten van de enquête weergegeven. Per hoofdstuk geven we de antwoorden van een thema uit de vragenlijst weer.
In hoofdstuk 11 worden de resultaten samengevat. In bijlage 3 is de vragenlijst opgenomen. Omdat niet iedere vraag door elke respondent is ingevuld geven we bij veel vragen het aandeel per antwoordcategorie weer. Dit is het aantal respondenten dat het antwoord gaf, afgezet tegen alle respondenten die de vraag hebben ingevuld. Daarvoor laten we iedereen die de vraag niet van toepassing vond of geen mening had ook buiten beschouwing. Dit komt de leesbaarheid en 1 Armoedeval: door een hoger inkomen, niet meer in aanmerking komen voor bepaalde regelingen en
toeslagen, en daardoor uiteindelijk minder geld overhouden dan bij een lager inkomen. 2 Het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is een onafhankelijke stichting die informeert en adviseert over financiën van huishoudens.
2
inhoudelijke analyse ten goede. Wel geven we per vraag het aantal respondenten weer dat de vraag heeft ingevuld (N=..). Daarbij tellen de respondenten die de vraag niet van toepassing vonden of geen mening hadden dus niet mee.
3
1. Onderzoeksmethodiek In dit hoofdstuk beschrijven we de methodiek om de effecten van lokale en landelijke voorzieningen te meten op het inkomen van huishoudens in de gemeente Venlo. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen zes huishoudenstypen en vijf inkomensgroepen. We starten met een overzicht en een korte toelichting op de verschillende inkomensondersteunende regelingen die de gemeente Venlo kent.
1.1. Lokale minimaregelingen Het minimabeleid bestaat uit landelijke en gemeentelijke regelingen. Landelijke regelingen zijn bijvoorbeeld de kinderbijslag en de huur- en zorgtoeslag. Daarnaast is er lokaal beleid mogelijk op drie onderdelen: 1. Individuele inkomenstoeslag; 2. Individuele bijzondere bijstand; 3. Minimaregelingen: verschillende bijdrageregelingen, participatie bevorderende regelingen, collectieve zorgverzekering, kwijtschelding lokale heffingen. Onderstaand beschrijven we de regelingen waar mensen met een laag inkomen in Venlo gebruik van kunnen maken. Daarbij wordt de inkomensgrens ten opzichte van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm) per regeling aangegeven evenals het maximale bedrag dat huishoudens kunnen ontvangen. We beginnen met de wettelijk verplichte regelingen. Tabel 1.1.1 Beschrijving wettelijke regelingen minimabeleid gemeente Venlo 2017 Omschrijving Kwijtschelding lokale heffingen Kwijtschelding van gemeentelijke afvalstoffenheffing, rioolafvoerrechten en waterschapsbelasting. Bijzondere bijstand Vergoeding van bijzondere en noodzakelijke extra kosten. Individuele inkomenstoeslag Extra inkomensondersteuning voor mensen die langdurig minima zijn en geen uitzicht hebben op werk. Bedoeld voor mensen tussen de 21 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd.
Inkomensgrens t.o.v. Wsm
(maximaal) bedrag
Tot 100 % Wsm.
-
Tot 110 % Wsm geen draagkracht.
-
Minimaal 3 jaar tot 100 % Wsm
Alleenstaande: € 400 per kalenderjaar. Alleenstaande ouder: € 510 per kalenderjaar. Meerpersoonshuishouden: € 565 per kalenderjaar.
Naast deze verplichte regelingen kunnen minima in de gemeente Venlo van de volgende lokale regelingen gebruikmaken.
4
Tabel 1.1.2 Beschrijving lokale regelingen minimabeleid gemeente Venlo 2017 Omschrijving Collectieve zorgverzekering Minima kunnen gebruikmaken van de aanvullende collectieve zorgverzekering die de gemeente in samenwerking met VGZ aanbiedt. De gemeente biedt drie pakketten aan. Deze bestaan uit een basisverzekering met een aanvullend pakket.
Inkomensgrens t.o.v. Wsm
(maximaal) bedrag
Tot 120 % Wsm.
Pakket 1 Compact: € 126,12 i.p.v. € 132,90. Pakket 2 Compleet3: € 146,32 i.p.v. € 153,10. Pakket 3 Compleet+: € 155,73 i.p.v. € 182,51.
Geld Terug Regeling Via de Geld Terug Regeling kunnen Tot 120 % Wsm. minima een bijdrage krijgen voor onder andere contributie van verenigingen, kosten voor diverse activiteiten of abonnementen. Daarnaast kunnen minima een vergoeding krijgen voor een ID-kaart of verblijfsvergunning voor hun kind(eren). Jeugdsportfonds & Jeugdcultuurfonds Via het Jeugdsportfonds en Tot 130 % Wsm. Jeugdcultuurfonds kunnen minima een bijdrage krijgen voor bijvoorbeeld de contributie van een sportclub of muziekschool. De fondsen zijn bedoeld voor kinderen van 4 tot en met 18 jaar. Stichting Leergeld Stichting Leergeld Venlo probeert te Tot 120 % Wsm. voorkomen dat kinderen van 4 tot 18 jaar niet aan verplichte binnen schoolse of buitenschoolse activiteiten kunnen deelnemen vanwege het inkomen van de ouders.
Per gezinslid: € 100.
Jeugdsportfonds: € 225 per kind. Jeugdcultuurfonds: € 450 per kind.
€ 300 per kind.
1.2. Huishoudens en inkomensgrenzen In deze rapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de inkomenseffecten berekend. Het gaat om de volgende huishoudens:
alleenstaande, niet AOW-gerechtigd; alleenstaande ouder, niet AOW-gerechtigd, met twee kinderen (8 en 13 jaar); meerpersoonshuishoudens, niet AOW-gerechtigd, zonder kinderen (twee volwassenen); meerpersoonshuishoudens, niet AOW-gerechtigd, met twee kinderen (8 en 13 jaar); alleenstaande, AOW-gerechtigd; meerpersoonshuishoudens, AOW-gerechtigd (twee volwassenen).
3 De meeste minima hebben Pakket Compleet gekozen. Daarom rekenen we in de rapportage met de
bedragen van dit pakket. Voor huishoudens met een inkomen hoger dan 120 procent Wsm gaan we ook uit van gebruik van dit pakket maar dan zonder de korting die de gemeente minima tot 120 procent Wsm biedt.
5
We brengen de inkomenseffecten van de regelingen in beeld voor huishoudens met inkomens tot 100, 110, 120 en 130 procent Wsm. Daarvoor wordt uitgegaan van gegevens van 2017. We maken onderscheid tussen kortdurende en langdurige minimahuishoudens. Bij de langdurige minima gaan we er vanuit dat deze drie jaar of langer een inkomen hebben tot 100 procent Wsm.
1.2.1. Inkomsten Voor de inkomsten wordt onderscheid gemaakt in landelijke regelingen en gemeentelijke ondersteuning. We maken onderscheid in:
netto-inkomen, vakantietoeslag; landelijke regelingen: huur- en zorgtoeslag, kinderbijslag en het kindgebonden budget; gemeentelijke regelingen: o kwijtschelding van de afvalstoffenheffing, rioolheffing en waterschapsbelasting; o korting op de collectieve zorgverzekering, pakket Compleet (€ 6,78); o de individuele inkomenstoeslag; o Geld Terug Regeling; o Jeugdsportfonds & Jeugdcultuurfonds. We gaan er vanuit dat één kind gebruikmaakt van het Jeugdsportfonds en het andere kind gebruikmaakt van het Jeugdcultuurfonds; o Stichting Leergeld.
Bijzondere bijstand is niet opgenomen omdat deze vorm van bijstand wordt verstrekt voor noodzakelijke onvermijdbare individuele uitgaven. Bij de berekening van de inkomenseffecten wordt er vanuit gegaan dat een huishouden gebruik maakt van alle regelingen en de maximale bedragen per regeling ontvangt.
1.2.2. Uitgaven Inhoudelijk gezien worden er drie soorten uitgaven onderscheiden: vaste lasten. Dit zijn uitgaven die regelmatig terugkomen. Er ligt meestal een contract aan ten grondslag. Voorbeelden zijn huur 4, energiekosten5; en verzekeringen; reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet regelmatig voorkomen en waarvan de hoogte vooraf niet bekend is. Er moet in principe een bedrag voor gereserveerd worden. Voorbeelden zijn kosten voor inventaris, kleding en het eigen risico voor de zorgverzekering; huishoudelijke uitgaven. Dit zijn terugkerende uitgaven aan voeding, persoonlijke verzorging en dergelijke. Voor de uitgaven is, waar mogelijk, uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de huur, energiekosten, water en de lokale heffingen. De andere bedragen zijn gebaseerd op landelijke berekeningen van het Nibud. De normbedragen voor de kosten per type huishouden staan in het tabellenoverzicht in de bijlage van dit rapport vermeld. We willen benadrukken dat het bij alle posten gaat om de basale uitgaven en dat de normbedragen gemiddelden betreffen. Het is mogelijk dat een huishouden maandelijks minder uitgeeft dan de normbedragen waarmee in deze rapportage wordt gerekend, bijvoorbeeld omdat het huishouden minder geld per maand reserveert voor onregelmatige uitgaven.
Het bedrag dat overblijft is vrij besteedbaar en kan worden uitgeven aan bijvoorbeeld een lidmaatschap voor een (sport)vereniging of de bibliotheek, sociale en recreatieve activiteiten of
4 We gaan uit van € 510 kale huur per maand voor een alleenstaande en € 555 kale huur per maand voor
een meerpersoonshuishouden. Deze bedragen zijn gebaseerd op huurtoeslaggegevens van de Rijksoverheid over de gemeente Venlo. 5 Kosten gas en elektriciteit zijn gebaseerd op tarieven van Essent (stroom en gas 3 jaar zeker), de kosten voor water op de tarieven van Vitens. Heffingskortingen zijn in de maandprijs verrekend. Gegevens over het gemiddelde gebruik per huishoudtype zijn afkomstig van het Nibud.
6
aan zakgeld voor kinderen. Voor deze vrije bestedingen hanteert het Nibud per huishoudtype eveneens een normbedrag. Deze zijn als extra rij in de tabellen in de bijlage opgenomen.
1.2.3. Aannames Voor de inkomsten en uitgaven van de huishoudens doen we de volgende aannames:
voor alleenstaande ouders nemen we aan dat iemand met een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm niet werkt of in een traject zit waarbij de kinderopvang wordt vergoed. Voor alleenstaande ouders met een hoger inkomen gaan we uit van 40 uur buitenschoolse opvang per maand voor het jongste kind tegen een tarief van € 7,00; in een meerpersoonshuishouden met twee kinderen en een inkomen tussen de 100 en 130 procent Wsm werkt slechts één van beide partners. Anders is het huishoudinkomen hoger. Daarom gaan we er vanuit dat deze huishoudens geen kinderopvang nodig hebben omdat één van beide partners thuis is voor de kinderen.
7
2. De inkomenseffecten In dit hoofdstuk worden de effecten van het lokale armoedebeleid op de bestedingsruimte van huishoudens met inkomen tot maximaal 130 procent Wsm beschreven. In bijlage 1 staan de hierbij behorende tabellen.
2.1. Vrije bestedingen Deze paragraaf geeft inzicht in het vrij te besteden bedrag dat maandelijks overblijft na het betalen van alle vaste lasten en vaste maandelijkse uitgaven. De volgende tabel laat het vrij te besteden bedrag per huishoudtype zien. Daarbij maken we onderscheid in het bedrag dat overblijft zonder het gebruik van gemeentelijke regelingen (‘exclusief gemeente’) en het bedrag dat overblijft met het gebruik van alle regelingen (‘inclusief gemeente’). Tabel 2.1.1 Vrij besteedbaar bedrag per maand per huishoudtype Huishoudtype Alleenstaande Exclusief gemeente Inclusief gemeente Alleenstaande ouder, 2 kinderen Exclusief gemeente Inclusief gemeente Meerpersoons zonder kinderen Exclusief gemeente Inclusief gemeente Meerpersoons, 2 kinderen Exclusief gemeente Inclusief gemeente Alleenstaande (AOW-leeftijd) Exclusief gemeente Inclusief gemeente Meerpersoons (AOW-leeftijd) Exclusief gemeente Inclusief gemeente
100% Wsm
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
> 3 jaar 100% Wsm
9 56
108 123
206 222
273 273
9 90
152 336
271 409
372 510
473 529
152 379
-42 35
92 123
164 194
205 205
-42 82
-8 192
156 309
217 370
239 295
-8 239
123 170
233 249
344 359
450 450
123 170
55 132
206 237
340 370
450 450
55 132
Alle huishoudens houden, mits ze gebruikmaken van de gemeentelijke regelingen, maandelijks geld over dat ze vrij kunnen besteden. Huishoudens met kinderen houden maandelijks het meeste geld over voor vrije bestedingen. De gemeentelijke minimaregelingen zorgen voor meer vrije bestedingsruimte, met name bij huishoudens met kinderen. Het bedrag dat maandelijks overblijft verschilt aanzienlijk tussen de minimahuishoudens. Bij een inkomen van 110 procent Wsm heeft een alleenstaande ouder met twee kinderen bijvoorbeeld € 409 per maand om vrij te besteden en een alleenstaande € 123. Langdurige minima tot 100 procent Wsm die niet AOW-gerechtigd zijn (de meest rechtse kolom in de tabel), houden maandelijks meer geld over dan huishoudens die korter dan één jaar een inkomen tot 100 procent Wsm hebben. Dit heeft te maken met het feit dat zij recht hebben op de individuele inkomenstoeslag. Het bedrag dat huishoudens nodig hebben voor, of zullen uitgeven aan vrije bestedingen verschilt per huishoudtype. Een gezin met kinderen zal daar meer aan (willen) uitgeven dan een alleenstaande. In bijlage 1 staat per huishoudtype het
8
normbedrag voor vrije bestedingen. Uiteraard zal iemand die nauwelijks geld meer over heeft, dat niet per se daaraan besteden.
2.2. Maximale bijdrages Rijk en gemeente Mensen met een laag inkomen hebben naast gemeentelijke regelingen ook recht op diverse toeslagen van het Rijk. De hoogte van de toeslagen hangt af van het huishoudtype en het huishoudinkomen. De volgende figuur brengt de maximale bijdrages waar men maandelijks recht op heeft in beeld. We maken onderscheid tussen de bijdrage vanuit de gemeentelijke regelingen en de bijdrage vanuit het Rijk67. Figuur 2.2.1. Vergelijking maandelijkse bijdrages Rijk en gemeente Bijdrage gemeente Alleenstaande 100% Wsm 110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm Alleenstaande ouder met twee kinderen
Bijdrage Rijk
€ 47
€ 341 € 341
€ 15 € 15
€ 341 € 309
€0
100% Wsm 110% Wsm
€ 185 € 138
120% Wsm 130% Wsm
€ 138 € 56
Meerpersoons zonder kinderen 100% Wsm
€ 77
110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm Meerpersoons met twee kinderen
€ 815 € 865 € 867 € 869 € 452 € 445
€ 30 € 30
€ 377
€0
€ 276
100% Wsm 110% Wsm
€ 200 € 153
120% Wsm 130% Wsm
€ 153
Alleenstaande AOW-leeftijd 100% Wsm 110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm Meerpersoons AOW-leeftijd 100% Wsm 110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm
€ 641 € 664 € 584
€ 56
€ 465
€ 47
€ 343 € 343
€ 15 € 15
€ 343 € 338
€0 € 77 € 30 €0 €0
€ 456 € 456 € 438 € 397
6 De bijdrage van het Rijk bestaat uit de huurtoeslag, zorgtoeslag, het kindgebonden budget en eventuele
heffingskortingen. 7 De bijdrage van de gemeente bestaat uit de kwijtschelding van lokale belastingen, de totale korting op de collectieve zorgverzekering, de Geld Terug Regeling, Jeugdsportfonds & Jeugdcultuurfonds en Stichting Leergeld.
9
Het bedrag dat huishoudens aan landelijke toeslagen kunnen ontvangen is veel hoger dan het bedrag van de gemeentelijke minimaregelingen. Per huishoudtype verschilt het in welke mate de toeslagen teruglopen wanneer het inkomen stijgt. Bij meerpersoonshuishoudens loopt dit bedrag sneller terug dan bij andere huishoudens. Alleenstaande ouders houden juist langer dan andere huishoudens recht op eenzelfde bedrag aan toeslagen vanuit het Rijk. Een alleenstaande ouder met een inkomen tot 130 procent Wsm ontvangt net zoveel aan huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget als een alleenstaande ouder met een inkomen tot 100 procent Wsm (beide € 815). Daarnaast heeft een alleenstaande ouder die werkt recht op heffingskortingen.
2.3. Effect inkomensverhoging Zoals in de vorige paragraaf in beeld is gebracht, kan een hoger inkomen ten koste gaan van bijvoorbeeld de hoogte van de huur- en zorgtoeslag. Daarnaast kan een huishouden het recht op gemeentelijke minimaregelingen verliezen. Hierdoor gaat een huishouden er bij een inkomensstijging per saldo niet of slechts in beperkte mate op vooruit. Dit wordt ook wel de armoedeval genoemd. Figuur 2.3.1 geeft per huishoudtype weer in hoeverre het maandelijks besteedbare inkomen stijgt na werkaanvaarding vanuit een uitkeringssituatie. Dit doen we wederom op basis van de (maximale) bijdrage van het Rijk en van de gemeente. In bijlage 2 staat de tabel met de achterliggende bedragen. Omdat AOW-gerechtigden niet meer zullen gaan werken laten we deze groep hier buiten beschouwing. Onderstaande figuur laat het effect van werkaanvaarding zien voor minima die korter dan drie jaar een minimuminkomen hebben. Figuur 2.3.1. Inkomensvooruitgang na werkaanvaarding per huishoudtype en inkomensgrens 8 110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
5% Alleenstaande
12% 16% 5%
Alleenstaande ouder
10% 11% 5%
Meerpersoons zonder kinderen
8% 9% 5%
Meerpersoons met kinderen
8% 5%
Elk huishouden dat vanuit een bijstandssituatie gaat werken voor een salaris tussen 110 en 130 procent Wsm gaat er in inkomen op vooruit. Echter, geen van deze huishoudens gaat er op dat moment evenredig op vooruit in totaal inkomen. Dit komt omdat de toename van netto-inkomen leidt tot een afname van de bijdrage van het Rijk en de gemeente.
8 De percentages in de grafiek zijn (voor de leesbaarheid) afgerond op hele getallen. Daarom zijn niet alle
staven met dezelfde percentages even groot.
10
Hieronder lichten we per huishoudtype de inkomensposities nader toe. Alleenstaanden Alleenstaanden gaan er het meest op vooruit wanneer zij gaan werken. Een alleenstaande die vanuit een bijstandssituatie een baan krijgt waarbij hij 130 procent van het Wsm verdient, heeft maandelijks 16 procent meer te besteden. Dat is een toename van € 217 per maand. Deze totale inkomensgroei is wel lager dan de groei van 30 procent aan netto-inkomen van 100 procent Wsm naar 130 procent Wsm. Alleenstaande ouder, 2 kinderen Een alleenstaande ouder gaat er in totaal 11 procent op vooruit wanneer hij/ zij gaat werken tegen een loon gelijk aan 130 procent Wsm. Hij/ zij krijgt nog wel net zoveel aan toeslagen van het Rijk maar verliest het recht op een aantal minimaregelingen. Daardoor is het verschil ten opzichte van een alleenstaande ouder met een inkomen van 120 procent Wsm ook maar € 19. Meerpersoons zonder kinderen Het totale inkomen van een meerpersoonshuishouden zonder kinderen stijgt met 9 procent (€ 170) als een van beide partners gaat werken tegen een loon gelijk aan 130 procent Wsm. Het verschil in totaal inkomen tussen 120 procent Wsm en 130 procent Wsm is relatief klein: € 10. Bij meerpersoonshuishoudens daalt de bijdrage vanuit het Rijk een stuk sneller dan bij andere huishoudtypen, wanneer ze meer gaan verdienen.
Een meerpersoonshuishouden met een bijstandsuitkering ontvangt maandelijks € 452 aan landelijke toeslagen en dit daalt naar € 276 bij een huishoudinkomen gelijk aan 130 procent Wsm. Dit heeft tot gevolg dat de stijging in het totale inkomen minder groot is. Meerpersoons met twee kinderen Als een van beide partners gaat werken met een salaris gelijk aan 130 procent Wsm gaat het huishouden er minder op vooruit dan wanneer een van beide partners gaat werken met een salaris gelijk aan 120 procent Wsm. Ze hebben zelf minder totaal inkomen dan 110 procent Wsm. Dit komt omdat een hoger inkomen leidt tot een lager bedrag aan landelijke toeslagen en omdat het recht op een aantal gemeentelijke minimaregelingen dan vervalt. Meerpersoonshuishoudens met twee kinderen gaan er netto € 103 (oftewel 5 procent) op vooruit wanneer een van beide partners vanuit een bijstandssituatie gaat werken tegen een loon van 130 procent Wsm. Het huishouden ontvangt dan maandelijks € 176 minder aan landelijke toeslagen en € 144 aan gemeentelijke regelingen. Het totaal inkomen is nagenoeg gelijk aan dat bij een inkomen tot 110 procent Wsm.
11
3. Bevindingen inkomenseffecten In dit hoofdstuk zetten we de belangrijkste inkomenseffecten op een rij. Het bedrag dat maandelijks overblijft voor vrije bestedingen verschilt per huishoudtype In de volgende figuur wordt het bedrag weergegeven dat minima maandelijks na betaling van vaste uitgaven overhouden om vrije bestedingen van te doen (bestedingen op het gebied van sport, recreatieve en sociale activiteiten). Voorwaarde is dat ze van alle toeslagen en minimaregelingen gebruikmaken. Figuur 3.1.1. Maandelijks vrij te besteden bedrag per huishoudtype
Beschikbaar voor vrije bestedingen 100% Wsm
110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
510529 370 309 295
336 273 222 123
170
123
237 132
35
Alleenstaande
192
370
359 249
194205
56
450
450
409
Alleenstaande ouder
Meerpersoons zonder kinderen
Meerpersoons met kinderen
Alleenstaande AOW-leeftijd
Meerpersoons AOW-leeftijd
Alleenstaande ouders kunnen meer geld vrij besteden dan meerpersoonshuishoudens met kinderen; Minima met de AOW-leeftijd houden maandelijks meer geld over om vrij te besteden dan niet-AOW gerechtigde minima; Een alleenstaande heeft meer geld beschikbaar voor vrije bestedingen dan een meerpersoonshuishouden zonder kinderen. Dat komt omdat het bedrag aan landelijke toeslagen voor meerpersoonshuishoudens sneller terugloopt bij een hoger inkomen; Meerpersoonshuishoudens met kinderen hebben bij een inkomen van 130 procent Wsm minder geld over voor vrije bestedingen dan bij een inkomen van 110 of 120 procent Wsm.
Financiële ondersteuning Rijk groter dan van gemeente Het bedrag dat minima aan het Rijk aan ondersteuning kunnen krijgen (in de vorm van diverse toeslagen) is hoger dan het bedrag dat ze via de gemeentelijke regelingen kunnen krijgen. De gemeente kan maar in beperkte mate bijdragen aan het inkomen van minima. Voor minima zelf is het belangrijk dat ze naast de gemeentelijke regelingen ook gebruikmaken van huur- en zorgtoeslag. Overigens is het maandelijks vrij te besteden bedrag gebaseerd op het maximale gebruik van de minimaregelingen. In de praktijk is het meestal zo dat niet iedereen van alle regelingen gebruik maakt. Het daadwerkelijke bedrag dat de meeste minima te besteden hebben zal daarom lager liggen dan de hier genoemde bedragen.
12
Werken loont meer voor alleenstaanden en alleenstaande ouders dan voor meerpersoonshuishoudens Werken loont: wanneer huishoudens vanuit een bijstandssituatie gaan werken tegen een loon gelijk aan 110 tot 130 procent Wsm, gaan zij er in totaal inkomen op vooruit. Echter: huishoudens gaan er niet evenredig op vooruit. Dit komt omdat het verwerven van meer inkomen invloed heeft op de hoogte van de huur- en zorgtoeslag en op het (verliezen van het) recht op gemeentelijke minimaregelingen. Vooral bij meerpersoonshuishoudens daalt het bedrag dat zij aan landelijke toeslagen kunnen ontvangen dan snel. Meer specifiek heeft inkomensstijging tot gevolg dat meerpersoonshuishoudens met kinderen die gaan werken tegen een loon gelijk aan 120 procent Wsm meer totaal inkomen (loon, toeslagen, minimaregelingen) hebben dan wanneer zij gaan werken tegen een loon gelijk aan 130 procent Wsm. Voor meerpersoonshuishoudens zonder kinderen is het verschil in totaal inkomen tussen 120 en 130 procent Wsm weliswaar positief (hun totaal inkomen stijgt) maar deze stijging is minimaal.
13
4. Enquête: Minimaregelingen In dit hoofdstuk gaan we in op de vragen over de minimaregelingen; kennen respondenten de regelingen en zo ja, wat is het effect van de regelingen? Bekendheid Aan de respondenten is gevraagd of ze de minimaregelingen gebruiken of kennen. De volgende figuur geeft dit weer. Voor het kindpakket kijken we alleen naar de bekendheid onder respondenten met thuiswonende kinderen. Figuur 4.1.1. Bekendheid en gebruik minimaregelingen (N=384 & 94)
Gebruik en bekendheid regelingen Gebruik
Bekend
Onbekend
Kwijtschelding gemeentelijke heffingen
70%
18%
12%
Geld Terug Regeling
69%
19%
12%
Collectieve zorgverzekering (VGZ)
53%
Kindpakket
46%
Bijzondere bijstand
42%
Individuele inkomenstoeslag
56%
32% 39% 37% 17%
15% 15% 21% 27%
Een groot deel van de respondenten (88 procent) kent de kwijtschelding gemeentelijke heffingen en de Geld Terug Regeling. Ook de andere regelingen zijn onder het grootste deel van de respondenten bekend. Als we alleen naar het gebruik van de regelingen kijken dan zien we dat de kwijtschelding (70 procent), de Geld Terug Regeling (69 procent) en de individuele inkomenstoeslag (56 procent) de meest gebruikte regelingen onder de respondenten zijn. Minima met een bijstandsuitkering maken vaker gebruik en zijn vaker bekend met de regelingen dan minima met een andere inkomensbron. Maar van de Geld Terug Regeling maken ze juist wat minder gebruik van minima zonder bijstandsuitkering. Respondenten zonder bijstandsuitkering kennen de regelingen dus minder vaak. Bekend met regelingen via Vervolgens hebben de respondenten aangegeven hoe ze de regelingen kennen. Ze konden daarbij meerdere antwoorden geven. De grafiek geeft de antwoordverdeling weer van de respondenten die ook daadwerkelijk een of meerdere regelingen kennen en/of gebruiken (356 respondenten).
14
Figuur 4.1.2. Bekend met de regelingen via… (N=356)
Bekend door: Familie / vrienden / bekenden
36%
Contactpersoon gemeente
25%
Website gemeente of werkplein
24%
Contactpersoon Werkplein
14%
Sociaal wijkteam
9%
Huis van de Wijk
8%
Stichting Leergeld
5%
School of kinderdagverblijf
4%
Plangroep Website: www.jeugdfondsenvenlo.nl
3% 3%
Jeugdsportfonds of Jeugdcultuurfonds
3%
Folders die mijn kinderen hebben gekregen
2%
Vereniging (bijv. sport of cultuur)
2%
Voedselbank
1%
Anders, namelijk
13%
Respondenten kennen de regelingen met name via familie/vrienden/bekenden, via hun gemeentelijke contactpersoon en/of via de website van de gemeente of het Werkplein. Het sociaal wijkteam is minder vaak een bron van informatie; 9 procent van de respondenten kent de regelingen via het sociaal wijkteam. Bij de categorie ‘anders’ zijn antwoorden gegeven zoals via de bewindvoerder, vluchtelingenwerk, (ambulante) begeleider of mensen hebben het zelf uitgezocht. Effect regelingen Om het effect van de regelingen te onderzoeken, is aan de respondenten gevraagd of ze met behulp van de regelingen bepaalde activiteiten kunnen ondernemen. De grafiek geeft de antwoordverdeling weer van de respondenten die van een of meerdere regelingen gebruikmaken.
15
Figuur 4.1.3. Effect regelingen op gebruikers (N=333)
De regelingen helpen mij om... Mee te doen aan sportieve of culturele activiteiten
36%
Andere mensen te ontmoeten
29%
Vrijwilligerswerk te doen
27%
Gezonder te leven
27%
Te kunnen gaan werken
11%
Een opleiding te volgen
10%
Ruim een op de drie respondenten kan door het gebruik van de regelingen meedoen aan sportieve of culturele activiteiten. Een kleiner deel van 29 procent geeft aan dat de regelingen hun (ook) helpen om andere mensen te ontmoeten. De regelingen helpen een op de tien respondenten (ook) om te kunnen gaan werken. Twee derde van die respondenten werkt op dit moment (nog) niet. Overigens zijn de genoemde effecten niet op alle respondenten van toepassing, niet iedereen zal bijvoorbeeld willen werken of een opleiding volgen of lid worden van een sportvereniging. Aanvragen regelingen Voor bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag en de Geld Terug Regeling moeten minima een aanvraag doen bij de gemeente. De respondenten hebben de aanvraagprocedure van deze regelingen beoordeeld aan de hand van vijf stellingen. In de volgende figuur de antwoordverdeling van de respondenten die van een of meer van deze regelingen gebruikmaken.
16
Figuur 4.1.4. Oordeel aanvraagprocedure regelingen bij gemeente (N= 296)
Aanvraagprocedure gemeente Mee eens
Niet mee eens
Weet ik niet/geen mening
Ik weet waar ik moet zijn voor de aanvraag van een regeling
83%
9% 7%
Het taalgebruik is begrijpelijk
76%
17%
8%
Ik kan zelf alle gegevens verzamelen die ik moet aanleveren voor het aanvragen
72%
19%
9%
De uitleg op papieren formulieren is duidelijk
72%
17%
11%
Het aanvragen van een regeling is makkelijk
De uitleg op de website van de gemeente is duidelijk
59%
48%
30%
18%
10%
33%
De respondenten zijn over de meeste aspecten van de aanvraagprocedure tevreden. Ze weten waar ze moeten zijn en driekwart vindt het taalgebruik begrijpelijk. Tegelijkertijd vindt 30 procent het aanvragen van een regeling niet gemakkelijk en 19 procent kan niet zelf alle gegevens verzamelen die ze moeten aanleveren voor het aanvragen. 17 procent vindt het taalgebruik niet begrijpelijk. De gemeentelijke website wordt minder vaak gebruikt voor het aanvragen; een op de drie heeft daar geen mening over. Respondenten die zowel van de bijzondere bijstand, de individuele inkomenstoeslag en de Geld Terug Regeling gebruikmaken zijn het vaker eens met de stellingen dan respondenten die van één of twee van die regelingen gebruikmaken. De collectieve zorgverzekering, de kwijtschelding gemeentelijke belastingen en het Kindpakket moeten bij een andere organisatie dan de gemeente worden aangevraagd. In de volgende figuur de beoordeling van deze aanvraagprocedure. Het gaat ook hier alleen om respondenten die van een of meer van deze regelingen gebruikmaken.
17
Figuur 4.1.5. Oordeel aanvraagprocedure regelingen bij andere organisatie (N= 284)
Aanvraagprocedure andere organisaties Mee eens
Niet mee eens
Weet ik niet/geen mening
Ik weet waar ik moet zijn voor de aanvraag van een regeling
72%
13%
15%
Het taalgebruik is begrijpelijk
66%
17%
17%
Ik kan zelf alle gegevens verzamelen die ik moet aanleveren voor het aanvragen
63%
18%
19%
De uitleg op papieren formulieren is duidelijk
62%
15%
23%
Het aanvragen van een regeling is makkelijk De uitleg op de website is duidelijk
51%
27%
43%
20%
22% 37%
Respondenten zijn iets minder tevreden over de aanvraagprocedure bij andere organisaties dan bij de gemeente, al is de meerderheid nog steeds tevreden. Een punt van verbetering is de uitleg op de website. Redenen niet-gebruik Er zijn 25 respondenten die van geen enkele regeling gebruikmaken. In de volgende figuur de reden(en) daarvoor. Figuur 4.1.6. Redenen niet-gebruik (N=25)
Reden niet-gebruik Ik ken deze regelingen niet Ik weet niet hoe ik deze regelingen moet aanvragen Ik vind het aanvragen te moeilijk Ik ben bang dat ik achteraf toch nog iets terug moet… Ik vind het aanvragen te veel moeite Ik wil mijn hand niet ophouden Ik schaam me voor mijn financiële situatie Het bedrag per regeling is te laag Ik wil mijn financiële situatie privé houden Ik heb de regelingen niet nodig Ik heb moeite met lezen en schrijven Mijn inkomen is te hoog Anders, namelijk
44% 24% 24% 16% 12% 12% 8% 8% 8% 4% 4% 4% 16%
De voornaamste reden om van geen enkele regeling gebruik te maken is de onbekendheid met de regelingen. Gevolgd door onbekendheid met de aanvraagprocedure en moeite hebben met het aanvragen.
18
5. Enquête: Kinderen Van de respondenten heeft 28 procent thuiswonende kinderen; in totaal 102 respondenten. In de volgende tabel de leeftijden van de kinderen. Tabel 5.1.1 Kinderen in de leeftijd van… (N=102) Aantal respondenten
Leeftijd 0 tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar 18 jaar en ouder
17 39 35 39
Aandeel respondenten met kinderen 17% 38% 34% 38%
Kinderen in de leeftijdscategorie 0 tot 4 jaar zijn het minst vertegenwoordigd. De overige categorieën zijn gelijker verdeeld. Te hoge kosten voor activiteiten Aan de respondenten met thuiswonende kinderen hebben we gevraagd of het wel eens voorkomt dat hun kinderen bepaalde dingen niet kunnen doen omdat de kosten daarvoor te hoog zijn. Figuur 5.1.1. Mate waarin hoge kosten bepaalde activiteiten belemmeren (N=85) Komt vaak voor
Komt soms voor
Komt niet voor
Niet lid kunnen worden van een vereniging
22%
38%
40%
Niet kunnen meedoen met hun vrienden (bijv. iets leuks doen)
19%
41%
40%
Niet kunnen meedoen met activiteiten op school
16%
Niet gezond kunnen eten
15%
Niet de juiste medicijnen krijgen 7% 12% Niet naar de dokter/ziekenhuis kunnen
11% 7%
35% 18%
49% 67% 81% 82%
Bij 60 procent van de respondenten met thuiswonende kinderen komt het wel eens (vaak of soms) voor dat hun kinderen geen lid kunnen worden van een vereniging omdat de kosten daarvoor te hoog zijn. Bij eveneens 60 procent komt het om die reden wel eens voor dat hun kinderen niet kunnen meedoen met hun vrienden. Bij 19 procent komt dat zelfs vaak voor. Ongeveer de helft geeft daarnaast aan dat hun kinderen niet altijd mee kunnen doen aan activiteiten op school. Verder geven sommige respondenten nog aan dat hun kinderen door te hoge kosten niet mee kunnen met de schoolreis, geen dagje uit kunnen of niet op muziekles of zwemles kunnen. (Kinderen van) respondenten met een bijstandsuitkering worden iets vaker belemmerd door hoge kosten.
19
Kindpakket De gemeente heeft in 2016 het Kindpakket samengesteld, zodat alle kinderen de kans kunnen krijgen om mee te doen in de samenleving. Respondenten met thuiswonende kinderen hebben aangegeven of ze die regelingen kennen en/of gebruiken. Figuur 5.1.2. Gebruik en bekendheid regelingen Kindpakket (N= 92)
Gebruik en bekendheid Kindpakket Gebruik
Bekend
Geld Terug Regeling
Onbekend
72%
Jeugdsportfonds en Jeugdcultuurfonds
43%
Stichting Leergeld
39%
Vergoeding MBO-studenten 5%
20% 37%
20%
35%
27%
8%
26% 68%
Nationaal Fonds Kinderhulp 1% 20%
79%
De Sinterklaasbank 6% 15%
79%
Jarige Job
82%
3% 15%
De Geld Terug Regeling, het Jeugdsportfonds & Jeugdcultuurfonds en Stichting Leergeld zijn bij de meeste respondenten met thuiswonenden kinderen bekend en een deel maakt daar ook gebruik van. De andere regelingen zijn minder bekend, zo kent slechts 18 procent de stichting Jarige Job. Aan de respondenten die van een of meer van de bovenstaande regelingen gebruikmaken is gevraagd wat het effect van de regelingen is. Figuur 5.1.3. De regelingen van de gemeente helpen om mijn kinderen…
Effect Kindpakket Mee te laten doen aan sportieve of culturele activiteiten
65%
Mee te laten doen op school
53%
Zwemlessen te laten volgen
47%
Gezonder te laten opgroeien
42%
Sinterklaas te laten vieren
23%
De verjaardag te laten vieren
16%
De regelingen zorgen er bij 65 procent van de respondenten voor dat hun kinderen mee kunnen doen aan sportieve of culturele activiteiten. Daarnaast kan 42 procent van de respondenten die gebruikmaken van een of meerdere kindregelingen hun kinderen daardoor gezonder laten opgroeien.
20
6. Enquête: Wensen minimabeleid Aan de respondenten is gevraagd naar de wensen voor het minimabeleid. Als eerste vroegen we of ze bepaalde regelingen missen. Figuur 6.1.1. Zijn er regelingen die u mist? (N=366)
Mist u regelingen? Nee
19%
Weet ik niet/ geen mening
23%
Ja, voor zorgkosten
29%
Ja, voor vrijetijdsactiviteiten voor mijzelf
19%
Ja, voor reiskosten
18%
Anders
11%
Ja, voor schoolkosten voor mijn kind(eren)
8%
Ja, voor vrijetijdsactiviteiten voor mijn kind(eren)
6%
Ja, voor kosten naar (het zoeken naar) werk
6%
19 procent zegt geen regelingen te missen en 23 procent weet niet of ze regelingen missen. Respondenten die wel regelingen missen, zouden met name een regeling voor zorgkosten erbij willen en/of een regeling voor vrijetijdsactiviteiten voor hunzelf (dus voor volwassenen). Een klein deel mist een regeling voor schoolkosten of vrijetijdsactiviteiten voor hun kind(eren). Ongeveer de helft daarvan maakt (nog) geen gebruik van het Kindpakket. Onder ‘anders’ zijn antwoorden gegeven zoals een regeling voor huishoudelijke apparaten (bijv. een wasmachine), een regeling voor het eigen risico van de zorgverzekering of een vergoeding voor een dagje uit. Respondenten van verschillende leeftijdscategorieën missen ongeveer even vaak regelingen. Ook is er geen verschil tussen respondenten met thuiswonende kinderen en respondenten zonder thuiswonende kinderen in het feit of ze regelingen missen. Vervolgens hebben sommige respondenten een toelichting op bovenstaande antwoorden gegeven. Hieronder een opsomming daarvan:
de reiskosten die mensen vergoed zouden willen krijgen zijn het vaakst kosten voor reizen naar het ziekenhuis, een arts of specialist; ook reiskosten naar (vrijwilligers)werk, een sollicitatiegesprek of naar school/opleiding kunnen sommige respondenten nauwelijks betalen; zorgkosten in het algemeen zijn hoog volgens een aantal respondenten; specifiek geeft een aantal respondenten aan dat ze het eigen risico voor de zorgverzekering niet of nauwelijks kan betalen of dit ervaart als een drempel om naar een arts te gaan; sommige respondenten geven aan geen geld te hebben voor een nieuwe wasmachine indien nodig; sporten is voor een aantal respondenten te duur terwijl ze dit wel graag willen doen.
21
“De zorgkosten zijn bizar hoog dat we al snel in het rood komen te staan. Voor sportactiviteiten moet ik nog zelf veel bij betalen en ik zou graag eens naar een film of museum willen.” “De gemeente wil dat je vrijwilligerswerk gaat doen, maar er is niemand die je een reiskostenof onkostenvergoeding biedt. Heel jammer!” “Bijvoorbeeld een tegemoetkoming in de kosten voor een sportclub. Dit zou goed zijn voor de sociale contacten en inburgering!” “Mijn zorgkosten zijn hoog-hiervoor is geen hulp voor. Ook reiskosten die ik maak naar ziekenhuis en zorginstellingen zijn jaarlijks hoog. Ook hier is geen hulp voor mij is verteld.”
Tips Aan de respondenten is gevraagd of ze nog tips hebben voor de gemeente voor het minimabeleid. Onderstaand een opsomming:
beter informeren over de regelingen, de bijbehorende regels en het beleid; ondersteuning bij het invullen van formulieren; (beter) rekening houden met de geletterdheid van de doelgroep. Begrijpelijke taal gebruiken; sommige mensen hebben een inkomen net boven de grens voor regelingen of voor de Voedselbank. Ze zouden daarom graag meer maatwerk krijgen; openbaar vervoer betaalbaar maken.
“Betere informatie voor iedereen. Je moet het altijd van anderen horen.” “De regels meer duidelijk maken. Zodat juist mensen met een minimum inkomen het ook zullen begrijpen of erom durven te vragen.” “Het makkelijker maken, alles moet ieder jaar opnieuw aangevraagd worden. Doe je dat niet krijg je ook niets.”
22
7. Enquête: Financiële situatie De volgende figuur geeft weer hoe goed of slecht de respondenten maandelijks rond kunnen komen. Figuur 7.1.1. Hoe kunt u elke maand rondkomen? (N=348)
Financiële situatie Slecht
Niet slecht/niet goed
Goed
10% 35%
55%
Ruim een op de drie respondenten (35 procent) kan slecht rondkomen. Nog eens 55 procent kan niet slecht maar ook niet goed rondkomen van hun geld. Respondenten van 66 jaar of ouder kunnen iets vaker goed van hun geld rondkomen dan jongere respondenten. Respondenten met thuiswonende kinderen kunnen gemiddeld gezien juist iets slechter van hun geld rondkomen en dat geldt ook voor mensen met een bijstandsuitkering. Redenen niet goed rondkomen Respondenten die niet goed kunnen rondkomen hebben aangegeven waarom dat zo is. Ze konden meerdere redenen aankruisen.
23
Figuur 7.1.2. Redenen niet goed kunnen rondkomen (N=314)
Reden niet goed kunnen rondkomen Alles is duurder geworden
68%
Weinig inkomsten
49%
Hoge vaste lasten
43%
Door een gebeurtenis (bijv. ziekte, scheiding of werkloos raken)
21%
Ik heb schulden
18%
Ik kan niet goed lezen en schrijven
5%
Ik weet niet hoeveel ik elke maand binnen krijg en hoeveel ik uitgeef
2%
Anders
11%
De voornaamste reden dat respondenten niet goed kunnen rondkomen is dat alles duurder is geworden, gevolgd door weinig inkomsten. Daarnaast geeft 43 procent (ook) aan dat ze door hoge vaste lasten niet goed kunnen rondkomen en voor 5 procent is moeite hebben met lezen en schrijven een reden. Onder ‘anders’ zijn antwoorden gegeven zoals (hoge) zorgkosten en een hoge(re) huur.
24
8. Enquête: Zorgkosten Aan de respondenten is gevraagd of ze zorgkosten hebben die ze zelf moeten betalen (en die niet door hun zorgverzekering worden vergoed). Figuur 8.1.1. Heeft u zorgkosten die u zelf moet betalen? (N=366)
Extra zorgkosten Nee
Ja
34%
66%
66 procent van de respondenten heeft zorgkosten die hij/zij zelf moet betalen en die niet door de zorgverzekering worden vergoed. Daarin is er nauwelijks verschil tussen jongere en oudere respondenten, niet tussen respondenten met en zonder thuiswonende kinderen en ook niet tussen gebruikers en niet-gebruikers van de collectieve zorgverzekering. Soort extra zorgkosten Het gaat binnen de groep van 241 respondenten met extra zorgkosten om de volgende extra kostensoorten. Figuur 8.1.2. Soort zorgkosten zelf te betalen (N=241)
Zorgkosten die niet worden vergoed Eigen bijdrage voor medicijnen
64%
Kosten voor de tandarts
61%
Eigen bijdrage voor het ziekenhuis
29%
Kosten voor hulpmiddelen
24%
Eigen bijdrage voor de Wmo Eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wet Langdurige Zorg (WLZ) Anders, namelijk
17% 5% 18%
De meest voorkomende zorgkosten die mensen zelf moeten betalen zijn de eigen bijdrage voor medicijnen en kosten voor de tandarts. Onder ‘anders’ worden met name het eigen risico en
25
diverse eigen bijdrages en reiskosten genoemd. Het gaat dan bijvoorbeeld om reiskosten naar het ziekenhuis. De meeste respondenten (77 procent) betalen maandelijks maximaal € 100 aan extra zorgkosten. Betalingsachterstand zorgverzekering De volgende figuur geeft weer hoeveel respondenten een betalingsachterstand bij hun zorgverzekering hebben. Figuur 8.1.3. Betalingsachterstand zorgverzekering (N=337)
Betalingsachterstand zorgverzekering 4% 8% Nee Ja, achterstand van 1 tot 6 maanden Ja, achterstand van meer dan 6 maanden 88%
12 procent heeft een betalingsachterstand bij hun zorgverzekeraar, waarvan de meesten een achterstand hebben van 1 tot 6 maanden. Respondenten ouder dan 45 jaar hebben iets vaker een achterstand dan respondenten die jonger dan 45 jaar zijn. Zorgmijding We vroegen de respondenten of ze door te hoge kosten wel eens hebben afgezien van zorg. Figuur 8.1.4. Is het wel eens gebeurd dat u door te hoge kosten…(N=322)
Zorgmijding door hoge kosten Ondanks klachten niet naar de tandarts bent geweest?
39%
Ondanks klachten niet naar de fysio bent geweest?
36%
Niet naar de huisarts bent geweest terwijl u wel klachten had?
30%
Na doorverwijzing van de huisarts niet naar een medisch specialist bent geweest?
26%
Wel een recept van de huisarts heeft gekregen, maar de medicijnen niet heeft opgehaald?
23%
26
Ruim een op de drie respondenten is wel eens niet naar de tandarts en/of fysiotherapeut ondanks klachten omdat de kosten daarvoor hoog waren. En 30 procent is om die reden wel eens niet naar de huisarts gegaan. Tussen gebruikers en niet-gebruikers van de collectieve zorgverzekering is weinig verschil in zorgmijding maar tussen respondenten van verschillende leeftijdscategorieën zien we dat met name 27- tot 45-jarigen vaker zorg mijden. Vervolgens is gevraagd wat het gevolg van het afzien van zorg was. De volgende antwoorden werden vaak gegeven:
Verergerde klachten; Langer pijn; Gezondheid gaat achteruit; Slecht(er) gebit.
27
9. Enquête: Werk In dit hoofdstuk gaan we in op de redenen die respondenten hebben om wel of niet te werken. (Op zoek naar) werk Figuur 9.1.1. Werkt u? (N=342)
Werkzaam Ja, fulltime
Ja, parttime
Nee
1% 13%
86%
Een klein deel van 14 procent van de respondenten werkt. Respondenten jonger dan 45 jaar, respondenten met thuiswonende kinderen en respondenten zonder bijstandsuitkering werken wat vaker dan gemiddeld. Kijken we alleen naar respondenten jonger dan 66 jaar, dan werkt op dit moment 15 procent. Aan degenen die op dit moment niet werken én die jonger dan zijn 66 jaar vroegen we of ze op zoek zijn naar werk. Figuur 9.1.2. Bent u op zoek naar werk? (N=251)
Op zoek naar werk? Ja
Nee
32%
68%
Bijna een derde van de respondenten die niet werkt, is wel op zoek naar werk. Onder respondenten met thuiswonende kinderen is dat aandeel hoger (45 procent) maar onder respondenten met een bijstandsuitkering is het aandeel werkzoekenden ook 32 procent.
28
Motivatie aan het werk gaan Aan degenen die op zoek zijn naar werk vroegen we waarom ze graag willen werken. Ze konden meerdere antwoorden aankruisen. Figuur 9.1.3. Waarom wilt u werken? (N=79)
Reden om te willen werken Dan heb ik meer inkomsten
71%
Dan ben ik financieel zelfstandig
56%
Dan doe ik mee in de samenleving
49%
Dan heb ik (meer) contact met andere mensen
47%
Dan voel ik mij nuttig
43%
Dan heb ik wat te doen
32%
Om een voorbeeld te zijn voor mijn kinderen
28%
Dan kan ik mijn schulden aflossen
23%
Anders, namelijk
6%
De voornaamste reden om aan het werk te gaan is het verwerven van meer inkomsten. Daarnaast is het voor meer dan de helft belangrijk om financieel zelfstandig te zijn en ook meedoen in de samenleving wordt door een groot deel als motivatie om te willen werken genoemd. Redenen niet aan het werk Aan de respondenten die nu niet werken, ook niet op zoek zijn naar werk en jonger zijn dan 66 jaar hebben we gevraagd of ze specifieke redenen hebben waarom ze niet werken (er waren meerdere antwoorden mogelijk).
29
Figuur 9.1.4. Waarom werkt u niet? (N=172)
Redenen geen werk Slechte gezondheid
74%
Ik heb teveel aan mijn hoofd (zorgen)
20%
Ik heb moeite met Nederlands
9%
Als ik ga werken heb ik minder inkomen (huur/zorgtoeslag)
7%
Mijn opleiding sluit niet aan bij het werk
6%
Ik wil thuis zijn voor mijn kinderen
5%
Als ik ga werken heb ik minder inkomen, omdat ik dan…
3%
Ik volg een opleiding
2%
Schulden
2%
Ik heb geen specifieke redenen
1%
Anders
26%
De voornaamste reden waarom mensen niet werken is een slechte gezondheid. Gevolgd door teveel aan het hoofd hebben (20 procent). Voor 9 procent is moeite hebben met Nederlands een reden om niet te werken. Onder ‘anders’ worden het doen van vrijwilligerswerk, arbeidsongeschiktheid en psychische problemen genoemd. Vervolgens vroegen we respondenten die niet werken of ze wel zouden willen werken als het beleid daarop aangepast zou worden. Figuur 9.1.5. Zou u wel willen werken als… (N=150)
Zou u wel willen werken als... Ja
Nee
Weet ik niet
U nog de helft van het bedrag per regeling voor uw 2% kinderen zou kunnen krijgen?
41%
54%
U nog de helft van het bedrag per regeling voor 2% volwassenen zou kunnen krijgen?
47%
51%
U op dat moment eenmalig een geldbedrag van de gemeente krijgt omdat u gaat werken 1% (uitstroompremie)?
47%
52%
Respondenten zouden bij de voorgestelde (financiële) prikkels alsnog niet gaan werken. Bijna de helft weet dat zeker en de andere helft weet het niet.
30
10. Enquête: Tips voor gemeente Aan het einde van de vragenlijst hadden respondenten de mogelijkheid om tips voor de gemeente achter te laten. Onderstaand een opsomming hiervan:
geef mensen meer informatie over (het aanvragen van en het recht op) minimaregelingen; één contactpersoon voor allerlei zaken; formulieren gemakkelijker maken; meer maatwerk, minder vasthouden aan dezelfde regels voor iedereen; zo doorgaan; de wachttijd op de aanvragen verkorten; andere eisen stellen aan 50-plussers; meer ondersteuning voor chronisch zieken en gehandicapten.
“Als je een aanvraag hebt gedaan, duurt het best lang voordat je een beslissing krijgt.” “Automatisch formulieren toesturen van: individuele inkomenstoeslag, geld terug regeling en eventuele andere formulieren.” “De chronische zieken meer tegemoetkomen, ik wil wel werken maar kan helaas niet.” “Heb meer begrip voor personen en leef met de mens mee i.p.v. jullie je zo vast te houden aan de regels. Niet ieder mens is hetzelfde en heeft hetzelfde nodig.” “Het zijn hele mooie regelingen, alleen het papierwerk zou minder mogen, want ze hebben alles in de PC staan en het is niet fijn als je het geld 6 tot 8 weken voor moet schieten want dat kunnen de mensen niet in de minima. Dat zouden ze sneller moeten verwerken.” “Ik persoonlijk vind het heel goed geregeld ze helpen je met wat nodig is je kunt ervan leven op een normale manier en mocht je hulp nodig hebben, kun je die ook krijgen.” “Kijk eens naar de ouderen die nog wel zelfstandig wonen, maar niet meer alles kunnen. En ook zij zouden nog wel eens iets nieuws willen aanschaffen maar dat kan met alleen AOW niet.”
31
11. Samenvattende conclusies In dit hoofdstuk geven we de belangrijkste conclusies weer. Armoedeval De inkomenseffect rapportage laat zien dat, met name, voor meerpersoonshuishoudens (met kinderen) werken, na een uitkering niet volledig loont. Alleenstaanden en alleenstaande ouders gaan er meer op vooruit wanneer ze gaan werken. Eventuele financiële prikkels, zoals een uitstroompremie of een (gedeeltelijke) aanpassing van het minimabeleid, hebben niet altijd effect, omdat veel respondenten door hun gezondheid niet in staat zijn om te werken. Respondenten met thuiswonende kinderen worden minder vaak belemmerd en zouden ook vaker aan het werk willen. Voor meerpersoonshuishoudens met kinderen loont werken pas echt bij een loon boven 130 procent van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm). Dat komt vooral door teruglopende toeslagen van het Rijk, daardoor gaan zij er financieel gezien niet echt op vooruit als zij aan het werk gaan. Voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is werken (financieel gezien) eerder aantrekkelijk. Dit komt omdat de gemeentelijke regelingen verschillende inkomensgrenzen hebben valt niet ineens het recht op alle regelingen weg. Zo kunnen minima met kinderen met een inkomen tot 130 procent nog gebruikmaken van het Jeugdsportfonds & Jeugdcultuurfonds.
Als de grens daarvan ook op 120 procent Wsm zou liggen zouden minima met kinderen tot 130 procent Wsm minder te besteden hebben, waardoor alleenstaande ouders ook minder aan totaal inkomen hebben bij 130 procent Wsm in vergelijking met 120 procent Wsm. Voor meerpersoonshuishoudens met kinderen zou het verschil in totaal inkomen dan nog groter worden, zij hebben nu al minder totaal inkomen bij 130 procent Wsm ten opzichte van 120 procent Wsm. Geld overhouden voor vrije bestedingen Uit de inkomenseffect rapportage blijkt dat AOW-gerechtigde minima maandelijks meer geld over houden om vrij te besteden dan niet-AOW gerechtigde minima. De uitkomsten van de enquête bevestigen dit beeld: respondenten van 66 jaar of ouder kunnen iets vaker goed van hun geld rondkomen dan jongere respondenten. Daarnaast komen respondenten zonder bijstandsuitkering wat beter rond dan respondenten met een bijstandsuitkering. Ook dit komt overeen met de inkomenseffect rapportage waar we zagen dat minima met een inkomen tot 100 procent Wsm minder geld over houden dan minima met een hoger inkomen. Gebruik regelingen Voor het berekenen van de inkomenseffecten is uitgegaan van volledig gebruik van de minimaregelingen. Uit de enquête blijkt dat, hoewel de bekendheid met de regelingen goed is, niet iedereen van alle regelingen gebruikmaakt.
Financieel gezien kunnen met name minima met kinderen voordeel hebben van het gebruik van regelingen zoals het Jeugdsport- en cultuurfonds en stichting Leergeld. En voor bijstandsgerechtigden levert de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen maandelijks de grootste besparing op. Bekendheid regelingen is goed Het grootste deel, ruim 80 procent is met de meeste regelingen bekend. Minima die geen bijstandsuitkering krijgen zijn wat minder bekend met de regelingen (en maken ook minder gebruik) dan minima met een bijstandsuitkering. De gemeente kan dus nog meer inzetten op deze overige minima als het gaat om gebruik en bekendheid regelingen. Tegelijkertijd kennen de meeste respondenten de regelingen vaker via familie en vrienden dan via de gemeente. Een eventueel verbeterpunt is de (uitleg op de) website. Minder dan de helft van de respondenten is positief over de website en ook maar een kwart kent de regelingen via de website.
32
Effect regelingen financieel én niet-financieel De minimaregelingen zorgen maandelijks voor een hoger besteedbaar bedrag voor alle huishoudens. Daarnaast is er ook een niet-financieel effect. Ruim een op de drie respondenten die van een of meerdere regelingen gebruikmaakt, kan daardoor meedoen aan sportieve of culturele activiteiten. Iets minder dan een op de drie kan (ook) andere mensen ontmoeten door de regelingen en 27 procent kan gezonder leven. De regelingen hebben dus niet alleen een financieel effect zoals uit eerdere hoofstukken al duidelijk werd. Aanvraagprocedure voor regelingen bij gemeente overwegend positief beoordeeld De meeste respondenten (83 procent) weten waar ze moeten zijn voor de aanvraag van een regeling en vinden het taalgebruik begrijpelijk (76 procent). Tegelijkertijd vindt 30 procent het aanvragen van een regeling niet gemakkelijk en 19 procent kan niet zelf alle gegevens verzamelen die ze moeten aanleveren voor het aanvragen. Respondenten die meer regelingen gebruiken zijn gemiddeld gezien positiever dan respondenten die van één regeling gebruiken. Aanvraagprocedure voor regelingen bij externe organisaties iets minder goed beoordeeld Respondenten zijn iets minder tevreden over de aanvraagprocedure bij andere organisaties dan bij de gemeente, al is de meerderheid nog steeds tevreden.
Tegelijkertijd heeft ongeveer één op de vijf respondenten geen mening over de verschillende aspecten. Dat kan betekenen dat ze minder vaak zelf de aanvraag voor deze regelingen doen. Onbekendheid voornaamste reden voor niet-gebruik De voornaamste reden om van geen enkele regeling gebruik te maken is de onbekendheid met de regelingen. Gevolgd door niet weten hoe men de regelingen moet aanvragen en door een te moeilijke aanvraagprocedure. Uit de inkomenseffect rapportage blijkt dat de regelingen zeker financieel bijdragen. Het kennen van de regelingen en het makkelijk kunnen aanvragen is daarvoor essentieel. Merendeel minimakinderen kan niet altijd meedoen Bij 60 procent van de respondenten met thuiswonende kinderen komt het wel eens (vaak of soms) voor dat hun kinderen geen lid kunnen worden van een vereniging omdat de kosten daarvoor te hoog zijn. Bij eveneens 60 procent komt het om die reden wel eens voor dat hun kinderen niet kunnen meedoen met hun vrienden. Bij 19 procent komt dat vaak voor. Ongeveer de helft geeft daarnaast aan dat hun kinderen niet altijd kunnen meedoen met activiteiten op school. Kindpakket draagt bij aan mee kunnen doen De regelingen uit het Kindpakket zorgen er bij 65 procent van de respondenten voor dat hun kinderen mee kunnen doen aan sportieve of culturele activiteiten.
Daarnaast kan 42 procent van de respondenten die gebruikmaken van een of meerdere kindregelingen hun kinderen daardoor gezonder laten opgroeien. Wens: regeling voor zorgkosten, reiskosten en voor volwassenen en betere informatie over de regelingen Respondenten die zeggen een regeling te missen zouden het liefst een regeling voor zorgkosten, voor reiskosten en/of voor vrijetijdsactiviteiten willen. Specifiek gaat het om een regeling voor reiskosten naar het ziekenhuis of naar werk/school. En ondanks dat de meerderheid van de respondenten de meeste regelingen kent, geven respondenten ook aan dat de gemeente de doelgroep nog beter kan informeren over de regelingen en alles wat daarbij hoort (aanvragen, formulieren, inkomensgrenzen). Respondenten met kinderen en bijstandsgerechtigden komen slechter rond van hun geld Van alle respondenten kan 35 procent maandelijks slecht rondkomen en nog eens 55 procent kan niet slecht maar ook niet goed rondkomen. Dat komt met name omdat alles duurder is 33
geworden, mensen weinig inkomsten hebben en tegelijkertijd hoge vaste lasten hebben. Bijna 5 procent kan niet goed lezen en schrijven. Respondenten met thuiswonende kinderen kunnen gemiddeld gezien juist iets slechter van hun geld rondkomen en dat geldt ook voor mensen met een bijstandsuitkering. Bijna een vijfde van de respondenten die niet goed rond kunnen komen heeft schulden Voor 18 procent van de respondenten die niet goed rond kunnen komen is het hebben van schulden daar een reden voor. Bijna 30 procent van die groep heeft betalingsachterstanden bij hun zorgverzekeraar en dat is meer dan onder alle respondenten (12 procent). Een deel van de respondenten met schulden is op de hoogte gesteld over de minimaregelingen door hun bewindvoerder of door Plangroep. Respondenten die schulden hebben zijn net zo vaak op zoek naar werk als respondenten die geen schulden hebben: een derde is op zoek naar werk. Respondenten die gebruikmaken van de collectieve zorgverzekering hebben net zo vaak extra zorgkosten als respondenten die daar geen gebruik van maken 66 procent van de respondenten heeft zorgkosten die hij/zij zelf moet betalen en die niet door de zorgverzekering worden vergoed.