048 Bij01 Toelichting Bestemmingsplan 'Spechtstraat - Brachterweg Tegelen'.pdf
Tekst van het document
42
Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: a. b. c. d.
inrichtingen infrastructuur kantoorlocaties woningbouwlocaties
Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg, en 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Bij kantoorlocaties ligt de grens op 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg en 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Voor de kleinere plannen heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld waarmee op een eenvoudige en snelle manier kan worden bepaald of er sprake is van een NIBM bijdrage. Bij onderstaande berekening is gebruik gemaakt van de meest recente versie van 2022. Met behulp van de NIBM-tool is berekend of de realisatie van de woningen wel of niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Om te komen tot het aantal verkeersbewegingen die met deze ontwikkeling worden gegenereerd is op basis van een aantal aannames een inschatting hiervan gemaakt. Hierbij is, overeenkomstig het uitgevoerd stikstofonderzoek, uitgegaan van 7,5 verkeersbewegingen per dag per grondgebonden woning en 6 verkeersbewegingen per dag per appartement.
43
Afweging Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat er geen sprake is van een toename van een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.1.4
Bedrijven en Milieuzonering Momenteel worden richtlijnen gehanteerd waardoor er sprake is van een zekere noodzakelijke afstand tussen (agrarische) bedrijven en woonbebouwing. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving. De richtafstanden zijn niet wettelijk voorgeschreven en gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven en zijn geschreven voor nieuwe situaties. Indien bekend is welke activiteiten concreet beoogd worden, dan kan gemotiveerd worden afgeweken van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Voor bestaande bedrijven geldt allereerst de geldende omgevingsvergunning of de richtlijnen uit de geldende AMvB.
44
In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. Alle bedrijven die in de buurt van de planlocatie liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand. In het akoestisch onderzoek onder paragraaf 4.1.2 is onder meer gekeken naar de hinder als gevolg van de nabij gelegen supermarkt en buurthuis. Beiden leveren geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor een andere onderbouwing wordt verwezen naar betreffende paragraaf. Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen.
4.1.5
M.e.r.-beoordeling Toets m.e.r.-plicht In het plangebied vindt woningbouw plaats in de vorm van 34 woningen met bijbehorende voorzieningen. Het betreft de realisatie van 18 sociale huurappartementen en 16 grondgebonden levensloopbestendige woningen. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd.
45
De voorgenomen ontwikkeling van 34 woningen valt onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. in de categorie D11.2: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Deze activiteit is m.e.r.beoordelingsplichtig indien sprake is van een oppervlakte van 100 hectare of meer, de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Dit heeft gevolgen voor het uitvoeren van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Indien een bestemmingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt die in de D-lijst van het Besluit m.e.r. is opgenomen, maar onder de daarin genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. Tot 7 juli 2017 kon in de toelichting van een bestemmingsplan volstaan worden met een korte beschrijving van de milieu-effecten en de conclusie of het doorlopen van een plan-m.e.r. nodig werd geacht. In de praktijk kwam dit vaak neer op een verwijzing naar de beschrijving van de milieu-aspecten en de conclusie dat een plan-m.e.r. niet nodig was.
Sinds 7 juli 2017 dient hier anders mee te worden omgegaan voor bestemmingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken die onder de drempelwaarde van de activiteiten in de D-lijst vallen en waarvan het bestemmingsplan als besluit in kolom 4 is genoemd (zoals bij D11.2 stedelijk ontwikkelingsproject).
46
Dit heeft tot gevolg dat voor een vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig plan een apart besluit noodzakelijk is. Dit houdt in dat de afweging om een MER te maken niet alleen een conclusie kan zijn van de voorgaande paragrafen, maar expliciet als besluit gemotiveerd moet worden. Dit besluit moet genomen worden door het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Venlo). Het uitgangspunt hierbij is dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij het bevoegd gezag bepaald dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. Uit de toelichting op het Besluit m.e.r. en jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r. afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang, locatie en de milieugevolgen van de voorziene ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt nader ingegaan op deze aspecten. e achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is overigens niet zo vormvrij als de naam doet vermoeden.
Er dient getoetst te worden aan de criteria uit bijlage III bij de Europese richtlijn over de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project of activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen): • • • • • •
Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
47
2. De plaats van het project of activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving): • • •
Bestaand grond gebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitaten Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen over milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
3. De kenmerken van het potentiële effect oftewel de mogelijke gevolgen van de activiteit: • • • •
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
48
Beoordeling Omdat het plan voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde valt, volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. ad.1 De kenmerken van het project of activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen) Criteria
Toets
Omvang van het project
De ontwikkeling heeft betrekking op de bouw een 34 woningen in de vorm van 18 sociale huurappartementen en 16 grondgebonden levensloopbestendige woningen en bijbehorende voorzieningen.
Cumulatie met andere projecten
Nee, het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkeling van een woningbouwlocatie.
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
n.v.t.
Productie van afvalstoffen
n.v.t.
Verontreiniging en hinder
Luchtkwaliteit: zowel met als zonder ontwikkeling wordt aan alle grenswaarden voldaan (zie hiervoor paragraaf 4.1.3). Geluid: vormt en levert geen belemmering (zie hiervoor paragraaf 4.1.2). Geur: er is geen sprake van geurhinder van veehouderijen in het plangebied, gezien de grote afstand tot omliggende veehouderijen. Bodem: Uit beide onderzoeken blijkt dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling (zie hiervoor paragraaf 4..1.1)
49
Risico van ongevallen
Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied vanwege risicovolle inrichtingen en transportroutes en/of transportleidingen in de omgeving (zie hiervoor paragraaf 4.9). Conclusie
Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In de nieuwe woningen is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat.
ad.2a De plaats van het project of activiteit (kenmerk van het gebied) Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
Momenteel is het een braakliggend perceel, waarop voorheen ook woningen waren gelegen. Het terrein is momenteel ingezaaid met gras. Een deel van de gronden is nog verhard en ingericht als parkeerterrein.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
n.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het
Het plangebied is niet gelegen in een
natuurlijke milieu, met in het bijzonder
gevoelig gebied als bedoeld in artikel 1
dacht voor:
van de Bijlage bij het Besluit
- Gevoelige gebieden (wetlands,
milieueffectrapportage.
kustgebieden, berg- en bosgebieden,
Er is geen sprake van gebieden waarin bij
reservaten en natuurparken, Habitat- en
communautaire wetgeving vastgestelde
Vogelrichtlijngebieden)
normen over milieukwaliteit reeds worden overschreden.
50
- Gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen over milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge
n.v.t.
bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel
Binnen of direct buiten het besluitgebied
of archeologisch belang
zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen (zie hiervoor paragraaf 4.4.2). De gemeente Venlo geeft aan dat duidelijk is geworden dat bij de bouw en sloop van de voormalige bebouwing de bodem, in ieder geval ter plekke van de gebouwen, in meer of mindere mate is verstoord. Voor dit plangebied kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ervan uit worden gegaan, dat de bodem dermate is verstoord dat de kans op het doen van zinvol onderzoek gering of nihil is. Het plangebied kan dan ook worden vrijgegeven voor wat betreft archeologie. Voor het plangebied wordt geen archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform de Erfgoedwet melding hiervan verplicht (zie hiervoor paragraaf 4.4.1) Conclusie
Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.
51
ad.2b De plaats van het project of activiteit (de gevoeligheid of kwetsbaarheid van het gebied) Gevoeligheid
Toets
Beschermd natuurmonument
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen een Habitat en Vogelrichtlijngebied (zie par. 5.5). Gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging binnen bestaand bebouwd gebied worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten.
Watergebied van internationale
Het plangebied is niet gelegen in of in de
betekenis
nabijheid van een watergebied van internationale betekenis
Natuur Netwerk Nederland (NNN)
Het plangebied is niet gelegen in het NNN.
Landschappelijk waardevol gebied
Nee, het gebied is niet als zodanig bestemd
Waterwinlocaties, waterwingebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen
en grondwater-
dergelijke gebieden.
beschermingsgebieden Beschermd monument
Er is geen sprake van een beschermd monument in het plangebied
Belvédère-gebied
Er is geen sprake van een Belvédère gebied. Conclusie
Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.
52
ad.3 De kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
Er zijn geen effecten te verwachten die uit
zone en grootte van de getroffen
te drukken zijn in een geografische zone
bevolking)
en/of grootte van de getroffen bevolking.
Grensoverschrijdende karakter van het
Er is sprake van een kleinschalig initiatief
effect
dat geen grensoverschrijdend karakter heeft.
Waarschijnlijkheid van het effect
Geen effecten te verwachten.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Geen effecten te verwachten.
van het effect Conclusie Vanuit de kenmerken van het potentiële effect van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.
Conclusie 1.
De ontwikkeling van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld. 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde drempelwaarde wordt bij lange na niet overschreden met deze planontwikkeling ten behoeve van de realisatie van maximaal 34 woningen. 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden. De uitgevoerde onderzoeken (bodem, luchtkwaliteit, archeologie en cultuurhistorie, geluid, flora en fauna en externe veiligheid) tonen aan dat het realiseren van woningen op de planlocatie voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie inhoudt vanuit milieuoogpunt. Op basis hiervan, en op basis van de overige in dit hoofdstuk 4 behandelde milieu- en omgevingsaspecten, kan
53
geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling van de woningbouw in het plangebied in voldoende mate is afgewogen en dat gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden.
Er is geen aanleiding voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure.
54
4.2
Externe veiligheid In het kader van externe veiligheid zijn een drietal aspecten van belang: • • •
externe veiligheid als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water; externe veiligheid vanuit inrichtingen; externe veiligheid als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
De risiconormen voor inrichtingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn regels opgenomen betreffende de veiligheidsafstanden en berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het Bevi verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu en het maken van bestemmingsplannen rekening te houden met bepaalde eisen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) wordt daarin omschreven als "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Ten aanzien van het PR is een norm vastgesteld van 10-6 per jaar, dat wil zeggen dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar. Voor kwetsbare objecten (o.a. woningen, scholen en ziekenhuizen) geldt deze norm als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als richtwaarde, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.
55
Beleidskader Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015 De beleidsvisie geeft het ambitieniveau van de gemeente aan: hoe veilig moet het zijn in de gemeente Venlo? Naast externe veiligheid in het algemeen, gaat het daarbij in het bijzonder over het omgaan met de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnetroute spoor (Roermond- Venlo Oost). Op ongeveer 880 meter van het plangebied ligt een spoorlijn, dit is een basisnetroute die valt onder het Bevt. Hierover vindt onder andere vervoer van toxische gassen (stofcategorie B2) plaats. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied (1 %-letaliteitszone van 995 meter) van het spoor en is hiermee dus relevant voor externe veiligheid.
56
Het groepsrisico wordt gedefinieerd als "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Als norm voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers, 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers, 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers, enzovoort. De gemeente heeft een uitgebreide verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de Veiligheidsregio.
Door het IPO is een Risicokaart opgesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op de voorgaande afbeelding volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland met daarop de ligging van het besluitgebied weergeven. Risicobronnen en groepsrisico Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor De spoorlijn Venlo-Roermond ligt op een afstand van ongeveer 1.000 meter van de woningen.
57
Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Wet Basisnet is het niet meer noodzakelijk om een kwalitatief onderzoek op te stellen of de verantwoordingsplicht van het groepsrisico in te vullen als de planlocatie buiten een zone van 200 meter ten opzichte van risicobronnen gelegen is. Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van een weg waarover veelvuldig transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A73 is meer dan 370 meter van het plangebied gelegen. De A74/BAB61 is gelegen op een afstand van meer dan 510 meter van het plangebied. Buisleidingen Volgens de risicokaart van de provincie Limburg, het bestemmingsplan en de kaarten van Gasunie liggen er geen risicovolle kabels of leidingen in of in de directe nabijheid van het plangebied, waarmee in het kader van het voorliggende bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden. Conclusie Het plangebied ligt niet in een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle inrichting, buisleiding of weg. Daarnaast geldt dat sprake is van de toevoeging van maximaal 34 nieuwbouwwoningen op een woonperceel binnen de bebouwde kom, waarbij als gevolg hiervan slechts een geringe toename van het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied zal ontstaan.
Hierdoor wordt, gezien het omliggende bewoonde gebied, geen significante invloed uitgeoefend op het groepsrisico van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Voor alle vier de risicobronnen geldt dat een beperkte verantwoording volstaat omdat alle risicobronnen op meer dan 200 meter van het plangebied liggen. Indien het plangebied buiten 200 meter ligt van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd hoeft geen groepsrisicoanalyse te worden uitgevoerd en hoeft alleen een beperkte verantwoording van het groepsrisico gedaan te worden conform artikel 7 uit het Bevt.
58
Hieronder is de standaard verantwoording groepsrisico zone III (vanaf 200 meter tot einde invloedsgebied) opgenomen. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: • de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; • de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); • de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: • toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; • kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
59
Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Tevens wordt het plan ter advies verzonden aan de Veiligheidsregio NoordLimburg.
4.3
Waterhuishouding Door Kragten is op in mei 2022 een watertoets 7uitgevoerd voor onderhavige ontwikkeling. Hierin wordt beschreven op welke wijze rekening gehouden wordt met de waterhuishoudkundige aspecten en met de wensen en voorwaarden van de waterbeheerder. Hiervoor zijn de relevante uitgangspunten zoals het beleid, de omgeving, de bodemopbouw en de grondwaterstanden beschreven.
7.
7
Watertoets Ontwikkeling Spechtstraat Tegelen (RUR006); Kragten Roermond, 16 mei 2022
60
Vervolgens worden de beoogde waterhuishoudkundige voorzieningen getoetst aan het beleid van Waterschap Limburg ten aanzien van het afkoppelen van hemelwater. Met deze watertoets kan vervolgens de watertoetsprocedure doorlopen worden. Aan de hand van het ontwerp (d.d. juni 2021) is het toekomstig verhard oppervlak van de ontwikkeling vastgesteld. Er wordt van uitgegaan dat er in de nieuw situatie circa 4.110 m2 aan dakoppervlak, trottoirs en wegen in het plangebied komt te liggen. Daarnaast is er bij de woningen met tuin rekening gehouden met circa 20 m2 terras per woning. Dit resulteert in circa 320 m2 aan terras oppervlak. In totaal wordt er in de toekomstige situatie 4.430 m2 aan verhard oppervlak aangelegd. Berging Aan de hand van luchtfoto’s en obliekfoto’s is het huidige verhard oppervlak in beeld gebracht. In de huidige situatie is er circa 1.200 m2 aan verhard oppervlak aanwezig in het projectgebied. Door de ontwikkeling is er een toename van verhard oppervlak van circa 3.230 m2. Volgens het beleid van de gemeente Venlo moet er over dit oppervlak 71 mm / 48 uur geborgen worden. Waterschap Limburg schrijft echter 100 mm / 24 uur voor. Aangezien er geen watergangen van het waterschap in de buurt liggen waarop geloosd kan worden, wordt de eis van de gemeente aangehouden. Dit houdt in dat er 229 m3 berging gerealiseerd moet worden voor deze ontwikkeling.
Dit kan geborgen worden in zowel bovengrondse als ondergrondse voorzieningen. Ondergrondse oplossingen zijn in de regel financieel minder aantrekkelijk in aanleg- en onderhoudskosten dan bovengrondse oplossingen. Daarnaast zijn bovengrondse maatregelen ook makkelijker te onderhouden. Bovengrondse maatregelen nemen echter wel meer ruimte in op het maaiveld. In het volledige projectgebied is er voldoende ruimte voor oppervlakkige waterberging, daarom is er gekozen om de volledige waterbergingsopgave bovengronds in te richten.
61
In het ontwerp zijn infiltratiekratten in de tuinen van de woningen meegenomen. Dit zijn in totaal 16x11 = 176 kratten in de tuinen aangelegd. In totaal is dit circa 80 m2 aan infiltratiekratten. Infiltratiekratten van het type Dyka Rainbox 3S hebben een afmeting van 1,2 m * 0,6 m * 0,42 m (l * b * h). De infiltratiekratten hebben een bergingsrendement van 96%, wat inhoudt dat 1 m3 aan infiltratiekratten 0,96 m3 aan water kan bergen. De bovenkant van de Dyka Rainbox 3S infiltratiekratten dient minimaal 0,5 m beneden maaiveld aangelegd te worden om de verkeersbelasting te kunnen afdragen. Er is vanuit gegaan dat er 1 laag infiltratiekratten per tuin komt te liggen. Dit houdt in dat er in dit oppervlak (80 * 0.96 * 0.42 =) 32,3 m3 water kan worden geborgen worden. Na aftrek van het bergend vermogen van de infiltratiekratten blijft er een wateropgave over van (229 - 32,3 =) 196,7 m3. In het ontwerp liggen er groengebieden rondom de nieuwe appartementencomplexen. Deze groengebieden kunnen op een aantal locaties verlaagd worden waardoor er hier water geborgen kan worden. In onderstaande figuur is een voorzet gedaan van locaties waar dit verlaagd kan worden. Deze locaties hebben een gezamenlijk oppervlak van circa 670 m2. Wanneer op deze locaties het maaiveld met gemiddeld 0,3 m wordt verlaagd, kan hier 201 m3 water in geborgen worden.
Rekening houdend met de taluds betekent dit dat het diepste punt rond de 0,5 m beneden maaiveld ligt. Aangezien het grondwater diep onder het maaiveld zit, veroorzaakt deze diepte geen problemen.
62
Leegloop Uit het infiltratieonderzoek kwam naar voren dat de horizontale infiltratiesnelheid circa 29 m per dag en dat de verticale infiltratiesnelheid 1,7 tot 2,1 m per dag is. Dit is meer dan voldoende om de voorgestelde infiltratie voorzieningen te ledigen door middel van infiltratie. Voor het geval de bergingsinhoud ter plaatse van de voorzieningen overbelast raakt (om welke reden dan ook) dient een overstortmogelijkheid (escape) te worden voorzien. Op de perceelsgrens moet het water vrijelijk kunnen overstorten naar het openbare gebied zonder daarbij overlast te veroorzaken.
63
4.4
Archeologie en cultuurhistorie
4.4.1
Archeologie In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in de bodem bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, dan moeten de waarden worden opgegraven en uit de bodem worden gehaald en ergens anders worden bewaard. In dat geval gaat veel relevante informatie uit de omgeving van de archeologische waarden verloren. Met de Wet op de archeologische monumentenzorg is het Verdrag van Malta vertaald in de Monumentenwet 1988 (hoofdstuk 5). Ter plaatse is volgens het bestemmingsplan en de Archeologische Beleidskaart Venlo is sprake van een zone met een lage archeologische verwachtingswaarde. Er zijn geen restricties verbonden aan de planvorming. Een archeologisch onderzoek is niet (meer) noodzakelijk. De gemeente Venlo geeft aan dat duidelijk is geworden dat bij de bouw en sloop van de voormalige bebouwing de bodem, in ieder geval ter plekke van de gebouwen, in meer of mindere mate is verstoord.
Voor dit plangebied kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ervan uit worden gegaan, dat de bodem dermate is verstoord dat de kans op het doen van zinvol onderzoek gering of nihil is. Het plangebied kan dan ook worden vrijgegeven voor wat betreft archeologie. Voor het plangebied wordt geen archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform de Erfgoedwet melding hiervan verplicht. In het kader van de archeologie bestaan er voor het plangebied en de gewenste ontwikkelingen geen belemmeringen.
64
4.4.2
Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het besluitgebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Conclusie Vanuit het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ bestaan er geen belemmeringen met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.
4.5
Flora en Fauna Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige EHS. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Kragten een verkennend flora- en faunaonderzoek 8uitgevoerd. Soortenbescherming Uit het onderzoek blijkt dat enkel negatieve effecten worden verwacht op algemeen voorkomende broedvogels en algemeen voorkomende zoogdieren amfibiesoorten. Gebiedsbescherming
8.
Verkennend flora- en faunaonderzoek Ontwikkelingen woningen aan de Spechtstraat te Tegelen (20220520-RUR006-TOE-FF 1.0), Kragten Roermond, 20 mei 2022. 8
65
Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft VSG Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg, welke op 1 kilometer afstand in Duitsland is gelegen. Vawege de afstand tussen het plangebied e het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, zijn directe effecten, zoals oppervlakte aantasting, niet aan de orde. Gezien de ligging midden in een woonwijk alsmede de afstand tot het plangebied, zijn ook indirecte effecten op Natura 2000-gebieden zoals veranderingen in waterstanden, licht en geluid niet aan de orde. Door Kragten een stikstofdepositie onderzoek 9 uitgevoerd in verband met het woningbouwplan aan de Spechtstraat te Tegelen (gemeente Venlo). Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een omgevingsvergunning. Uit de stikstofdepositieberekening blijkt dat de stikstofdepositie voor de gebruiksfase van de woningen niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Door Kompas Adviseurs en Ingenieurs te Maastricht is een stikstofdepositie onderzoek 10 uitgevoerd voor de bouwfase in verband met het woningbouwplan aan de Spechtstraat te Tegelen (gemeente Venlo). Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie 0,00 mol N/ha/jaar is. Hierdoor zijn volgende stappen uit de beslisboom, zoals intern salderen of een ecologische voortoets, niet noodzakelijk.
Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Negatieve gevolgen als gevolg van het realiseren van de woningen binnen het plangebied op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten.
9.
Stikstofdepositie onderzoek Spechtstraat ong. te Tegelen(20220525-RUR006-RAP-STD 1.0); Kragten Roermond, 25 mei 2022 10. 10 Stikstofdepositieberekening Bouwfase Spechtstraat te Tegelen (22108 RAP01); Kompas Adviseurs en Ingenieurs BV Maastricht, 12 december 2022 9
66
4.5.1
Groen, Natuur en landschap Het plan voorziet in herbebouwing van een woonlocatie met voldoende groene ruimte. De nadere uitwerking zal in samenwerking met de gemeente plaatsvinden. Vanuit het aspect Flora en Fauna bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde functiewijziging.
4.6
Ontsluiting en parkeren De nieuwe ontwikkeling maakt grotendeels gebruik van de bestaande infrastructuur. Daardoor wijzigt de verkeerssituatie ter plaatse niet of nauwelijks. De grondgebonden woningen worden ontsloten via de bestaande ontsluitingswegen, de Spechtstraat en de Landweer. Het appartementencomplex krijgt een ontsluiting aan de Landweer. De woonvlekken worden omkaderd door voetpaden van waaruit de aangrenzende parkeer- en groenvoorzieningen te bereiken zijn. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 34 woningen met bijbehorende voorzieningen. Deze zijn onderverdeeld in 18 sociale huurappartementen en 16 grondgebonden levensloopbestendige woningen waarvan 12 koop en 4 sociale huur. De parkeernorm van de gemeente Venlo is afgestemd op de landelijke normen. Deze staan weergegeven in de publicatie CROW 381. Gekeken is naar de typologieën woningen binnen het sterk stedelijk gebied in rest bebouwde kom. Type woning
Aantal
parkeernorm
woningen Koop
12
1,4-2,2
tussenwoning
67
Minimale
Maximale
aantal pp
aantal pp
16,8
26,4
Huur
4
1,1-1,9
4,4
7,6
18
0,9-1,7
16,2
30,6
37,2
64,6
tussenwoning Huur appartementen 34
Op basis van het beoogde stedenbouwkundige plan worden er 54 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit komt neer op 1,6 parkeerplaats per woning. Dit houdt in dat voldaan wordt aan de geldende parkeernorm.
68
5 5.1
UITVOERBAARHEID Financiële uitvoerbaarheid en Grexwet Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt onder andere aangewezen een bouwplan voor de bouw van een of meer woningen. Het voorliggende initiatief heeft betrekking op de realisatie van een 34 woningen op het de percelen. Er is sprake van de aanleg en herinrichting van openbare ruimte.
Nadere afspraken over kostenverhaal en grondoverdrachten worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Hierin wordt ook het verhaal van planschadeaanspraken opgenomen. De kosten van het project komen voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is derhalve verzekerd.
69
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van artikel 3.1.1. Bro zal vooroverleg plaats vinden met de overheidsinstanties waarvan de belangen in het geding zijn bij de ontwikkeling.
5.2.2
Zienswijzenprocedure PM
70
Bijlagen
1
Inrichtingstekening
2a
Gevelaanzicht - gevelaanzichten totaal
2b
Gevelaanzicht - ontwerp woningen
3
Verkennend bodemonderzoek
4
Akoestisch onderzoek
5
Watertoets
6
Verkennend flora en fauna onderzoek
7
Stikstofdepositieonderzoek
8
Stikstofberekening bouwfase
71