047bijl 8 Bp Hakkesstraat-Hendrikkenhofstraat Venlo - bijlagenboek 1 toelichting_Optimized.pdf
Tekst van het document
Pagina | 30
en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Deze onderzoeken zijn lopend en zullen zijn afgerond voordat het bestemmingsplan zal worden vastgesteld. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten behoeve van grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Dat houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden en verwonden van dieren te voorkomen. Tevens dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen bij de uitvoering van werkzaamheden. Het verwijderen van groen, takkenhopen en het uitvoeren van graafwerkzaamheden dient plaats te vinden buiten het broedseizoen. Globaal kan hiervoor de periode maart tot en met half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien binnen het broedseizoen bomen of struwelen verwijderd dienen te worden, dient voorafgaand aan deze werkzaamheden een broedvogelinspectie door een ter zake kundige ecoloog plaats te vinden. Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht ten aanzien van grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden en verwonden van individuen te voorkomen. De ecologische quick scan is als bijlage 14 aan de planstukken toegevoegd.
Houtopstanden Tenslotte is de eis vanuit het bevoegd gezag om de gekapte bomen vanuit het verleden binnen het plan te compenseren. Vanuit een illegale velling uit eerdere tijd is er een herplant opgelegd van 3750 m2 aaneengesloten bos. Vanuit deze basisvoorwaarden en de nieuwe functies heeft een en ander geleid tot een plan dat vanuit functionaliteit, integratie, cultuurhistorie, ecologie en ook belevingsruimte voor de mensen is bezien. Een plan dat ook vanuit de ruimere omgeving is opgesteld. Hierin staat aangegeven dat er minimaal aan groen verdwijnt en dat er een groot areaal aan nieuw groen zal verrijzen. Hierbinnen zit ook de herplant van 3750 m2 bosgebied. Wegverkeerslawaai De logiesgebouwen ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van internationale werknemers worden niet beschouwd als een geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder, maar moeten in het kader van de toepassing van het criterium van ‘een goede ruimtelijke ordening’ wel beschermd worden tegen overmatige geluidhinder. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat in de logiesgebouwen moet gegarandeerd zijn. Door Kragten is op 25 september 2020 een onderzoek naar wegverkeerslawaai op de logiesgebouwen en de beheerderswoning uitgevoerd (rapportnummer 20200925-BSM007-RAP-AKOWVL 5.0), welk onderzoek is bijgevoegd als bijlage 8.
Hierin is het volgende geconstateerd: Beheerderswoning De berekende geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Nijmeegseweg (N271), Hakkesstraat, Hendrikkenhofstraat en de L.J.Costerstraat bedraagt ten hoogste 48 dB. De voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd. Ten gevolge van het wegverkeer op de Rijksweg A67 bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 53 dB. De voorkeurswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder wordt niet gerespecteerd. Echter de maximale ontheffingswaarde (53 dB) wordt wel gerespecteerd. Maatregelen ten einde het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren. Bij de gemeente Venlo dient een hogere waarde voor de beheerderswoning te worden aangevraagd. Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel zal moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (GA;k) voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 31
Huisvesting arbeidsmigranten De berekende geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Nijmeegseweg (N271), Hakkesstraat en de L.J.Costerstraat bedraagt ten hoogste 48 dB. De voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd. Ten gevolge van het wegverkeer op de Hendrikkenhofstraat bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 49 dB. De voorkeurswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder wordt niet gerespecteerd. Echter de maximale ontheffingswaarde (63 dB) wordt wel gerespecteerd Ten gevolge van het wegverkeer op de Rijksweg A67 bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 53 dB. De voorkeurswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder wordt niet gerespecteerd. Echter de maximale ontheffingswaarde (53 dB) wordt wel gerespecteerd. Zoals reeds aangegeven wordt de onderhavig beoogde huisvesting van arbeidsmigranten conform de Wet geluidhinder niet als een geluidgevoelig object beschouwd waardoor het verlenen van een hogere waarde niet van toepassing is. Cumulatieve geluidbelasting In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de gecumuleerde geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ter plaatse van de huisvesting van de arbeidsmigranten ten hoogste 59 dB (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) en ter plaatse van de beheerderswoning ten hoogste 57 dB (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder).
Geadviseerd wordt om in het kader van een goede ruimtelijke ordening voor de beheerderswoning een aanvaardbaar binnenniveau conform het Bouwbesluit artikel 3.3 lid 1 te waarborgen. Overeenkomstig het Bouwbesluit bedraagt de eis voor de hoogste toelaatbare geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai 33 dB. Indien hierbij wordt aangesloten bedraagt de minimaal te garanderen karakteristieke geluidwering (GA;k) 24 dB. Door het bevoegd gezag is aangegeven om in het kader van een goede ruimtelijke ordening voor de arbeidsmigrantenwoningen in beginsel een binnenniveau van 33 dB conform het Bouwbesluit artikel 3.3 lid 1 na te streven. Echter, indien dit vanwege bouwvorm stuit op bezwaren van technische of financiële aard kan alsnog gemotiveerd een hoger binnenniveau door het bevoegd gezag worden vergund. Voor het nastreven van een binnenniveau van 33 dB dient de minimaal te garanderen karakteristieke geluidwering (GA;k) 26 dB te bedragen.
Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting Internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 32
het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Invloed milieuhinder op het plangebied Het plangebied ligt in het bebouwd gebied van Venlo, tussen bedrijventerrein de Veegtes, bedrijventerrein Noorderpoort en de bedrijfslocatie van Océ en ligt ten oosten van de N271 welke in noord-zuidrichting Venlo doorsnijdt. Verspreid rondom het plangebied bevinden zich ook (burger)woningen van derden. Er is hier duidelijk sprake van een dynamische omgeving.
In een straal van 100 m vanaf de randen van het plangebied zijn bedrijven toegestaan tot milieucategorie 3.2 (aan de Hendrikkenhofstraat), tot milieucategorie 3 (binnen het bestemmingsplan Océ en omgeving), tot milieucategorie 4.2 (ten noorden van Hakkesstraat, binnen bedrijventerrein Veegtes) en op het bedrijventerrein Noorderpoort zijn bedrijven tot milieucategorie 2 toegestaan. De bijbehorende richtafstanden tot gevoelige functies bedraagt: Milieucategorie Richtafstand ingeval van rustig gebied Richtafstand ingeval van gemengd gebied 1 10 m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m De ‘Veiligheidsregio Limburg-Noord’ betreft een inrichting in de milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 m; ingeval van een gemengd gebied is de richtafstand 30 m. Met deze afstand tussen het bouwvlak en de huisvestingslocatie zal rekening worden gehouden. De huisvestingslocatie voor internationale werknemers is verder niet gelegen binnen de richtafstand van 50 m voor bestaande bedrijven tot milieucategorie 3.2 in een gemengd gebied, voorzover het de zijde betreft welke is gericht op de Hendrikkenhofstraat. Aan de noordzijde van de Hakkesstraat, binnen het plangebied van bedrijventerrein Veegtes, zijn bedrijven toegestaan tot categorie 4.2. Ingeval van een gemengd gebied dient van een richtafstand van 200 m te worden uitgegaan.
Binnen die richtafstand tot aan de huisvesting voor internationale werknemers bevinden zich drie bedrijven, te weten Akarton (ingeval van een productiecapaciteit van meer dan 15 ton/uur valt dit bedrijf onder milieucategorie 4.2), Caspar de Haan schildersbedrijf, energetisch renoveren en planmatig onderhoud van gebouwen (vergelijkbaar met een bedrijf gerelateerd aan de bouwnijverheid waarbij een maximale milieucategorie van 3.2 van toepassing is) en Steigerhout RHB, een winkel in met name houten meubels (betreft bedrijf in de categorie 1). De
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 33
huisvestingslocatie voor internationale werknemers is binnen de richtafstand van Akarton gelegen. Er moet echter geconstateerd worden dat aan weerszijden van Akarton burgerwoningen zijn gesitueerd en aan de overzijde een gevoelige functie in de vorm van een onderwijsinstelling voor kinderen is gelegen. Deze gevoelige functies bevinden zich op kortere afstand van Akarton dan de huisvestingslocatie is gepland. Hierdoor kan zonder meer gesteld worden dat Akarton niet extra in de bedrijfsvoering zal worden belemmerd. De richtafstand van Akarton is gerealiseerd aan het aspect geluidhinder. Bij de vergunningverlening voor dit bedrijf dient echter rekening te worden gehouden met het behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen van derden. Logischerwijs kan derhalve worden geconcludeerd dat, nu de geluidsbelasting op de woningen ten oosten en westen van Akarton voldoet aan de milieuregelgeving, dit eveneens het geval moet zijn ter plaatse van de dichtstbij te projecteren logiesgebouwen voor internationale werknemers, welke op meer dan 100 m uit het bouwvlak van Akarton komt te staan, in vergelijking met de woning ten westen, welke op nog geen 50 m van Akarton staat. De milieuzonering rond Akarton staat het project derhalve niet in de weg.
Aan de noordzijde van de Hakkesstraat ter plaatse van het bedrijventerrein Noorderpoort zijn bedrijven, kantoren en horeca toegestaan in de bedrijfscategorie 1 en 2. De richtafstand binnen een gemengd gebied bedraagt dan 10 m, hetgeen overduidelijk aan alle zijden wordt gehaald. Ten westen van de Nijmeegseweg (N271) ligt het bedrijf Océ en is een milieucategorie van maximaal 3 toegestaan, met een richtafstand van 50 m ingeval van een gemengd gebied waarvan hier sprake is. De afstand tussen Océ en de huisvestingslocatie bedraagt vele malen meer dan 50 m, zodat ook hier milieuzonering geen belemmering vormt. De horecagelegenheid Galerie de Hoeve vormt op een afstand van circa 90 m evenmin een belemmering. De huisvestingslocatie voor internationale werknemers is derhalve geen extra belemmering voor omliggen de bedrijven en vanuit omliggende bedrijven behoeft ook niet gevreesd te worden voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de huisvestingslocatie. Binnen het plangebied wordt verder het resomeercentrum mogelijk gemaakt. Een resomeercentrum betreft een bijzondere vorm van een uitvaartcentrum (in zijn algemeenheid getypeerd met een milieucategorie 1) welke milieuvriendelijker is dan een crematorium dat valt onder milieucategorie 3.2 (in verband met geurhinder). Een crematorium is qua geur echter niet te vergelijken met een resomeercentrum.
Uit het TNO-onderzoek blijkt ten aanzien van het aspect geur en veiligheid het volgende: Ten aanzien van de arbeidsomstandigheden wordt opgemerkt dat de onprettige geur in de werkruimtes niet wenselijk is. In hoeverre deze geur tot overlast in de omgeving kan leiden (indien hij bijvoorbeeld wordt afgezogen) is niet duidelijk. Maar mocht dit zo zijn, dan kan een geurfilter een oplossing bieden. Volgens de operator was deze geur een gevolg van een lekke afdichting, waarvoor reeds vervanging gepland was. Gevaren voor de omgeving (omwonenden) als gevolg van onbedoeld vrijkomen van gevaarlijke stoffen zijn zeer onwaarschijnlijk. De inhoud van de resomator is dermate gering dat deze alleen een risico kan vormen voor (personen in) de ruimtes waar het proces wordt uitgevoerd. De beperkte hoeveelheid gevaarlijke stoffen (zuren en logen) in de installatie kan hooguit een risico vormen voor de personen in de directe nabijheid van de resomator of de opslagtanks. Door een afstand van ten minste 30 m tussen het resomeercentrum en omliggende woningen in acht te nemen, kan voldaan worden aan de eis van een voldoende ruime milieuzonering. Via milieuregelgeving kunnen alle gevaren of geuremissies tot een minimum worden beperkt.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting Internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 34
Om te onderzoeken wat de akoestische effecten op het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen zal zijn, is door K-Plus een akoestisch onderzoek (Nm200288aaA0.quro, d.d. 28 april 2020) uitgevoerd naar de verkeeraantrekkende werking vanwege het duurzaam huisvesten van internationale werknemers voor bepaalde tijd en vanwege de realisatie van een resomeercentrum. De resultaten zijn getoetst aan de circulaire “Beoordeling geluidshinder wegverkeer in verband met de vergunningsverlening Wet Milieubeheer”. Hierin is een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en een maximale grenswaarde van 65 dB(A) opgenomen. Aan de hand van de resultaten blijkt dat de optredende gevelbelasting, ook als de totale verkeersaantrekkende werking wordt beschouwd, bij de representatieve beoordelingspunten voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de voornoemde circulaire. Daarmee is aangetoond dat het extra verkeer het woon- en leefklimaat niet zal aantasten. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 5a. Er kan derhalve worden gesteld dat qua milieuzonering wordt voldaan aan de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'.
Luchtkwaliteit Stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10)vanwege de woonunits Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het project voorziet in de realisatie van 116 wooneenheden ten behoeve van in totaal maximaal 768 tijdelijke internationale werknemers én een bedrijfswoning. Analoog hieraan kan gesteld worden dat dit project ruimschoots onder de norm van 1500 woningen blijft. Het project is veel te kleinschalig om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Tevens zal er een resomeercentrum worden gerealiseerd, waarbij (gelezen het onderzoek van TNO) de verkeersbewegingen de meest relevante impact hebben op de luchtkwaliteit. Stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) vanwege de verkeersaantrekkende werking logiesgebouwen De verkeersgeneratie welke gerelateerd kan worden aan 116 logiesgebouwen voor arbeidsmiganten en een bedrijfswoning bedraagt circa 140 verkeersbewegingen per etmaal.
Met behulp van de NIBMtool (versie: 15 mei 2018) is de maximale toename van fijnstof en stikstofdioxide bepaald door de verkeersaantrekkende werking vanwege het project, waarbij de aanname is gedaan dat 5% van de verkeersbewegingen bestaat uit vrachtverkeer, hetgeen een ‘worst case scenario’ is. Uit de tool volgt dat de maximale bijdrage van de verkeersaantrekkende werking aan de luchtkwaliteit 0,28 µg/m3 stikstofdioxide (NO2) en 0,05 µg/m3 fijn stof (PM10) betreft. De verkeersaantrekkende werking valt hiermee ruimschoots binnen de ‘niet in betekende mate’ grens van 1,2 µg/m3 NO2/PM10. Het project is dan ook aan te duiden als ‘niet in betekende mate’.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 35
Stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) vanwege de verkeersaantrekkende werking resomeercentrum In de CROW-richtlijnen voor verkeersgeneratie staat dat een plechtigheid minimaal 34,8 en maximaal 48,6 verkeersbewegingen zal genereren. In de huidige plannen van het resomeercentrum zijn twee aula’s opgenomen waar een plechtigheid kan plaatsvinden. Verwacht wordt dat maximaal 3 plechtigheden per aula per dag worden gehouden (bron: Dela). In totaal zijn dit maximaal 6 plechtigheden per dag. Deze plechtigheden zullen voornamelijk overdag tussen 11:00 en 15:00 plaatsvinden. Diensten/plechtigheden starten normaliter niet tegelijkertijd, waardoor de verkeersdrukte wordt verspreid. Een plechtigheid duurt ongeveer twee uur inclusief de voorbereidingen en afsluiting. Ervan uitgaande dat de reikwijdte van het resomeercentrum in het vroege stadium zeer groot is door de beperkte hoeveelheid aan resomeercentra in Nederland en in Duitsland, zal gerekend worden met het maximaal aantal verkeersbewegingen per plechtigheid. Dit betekent dat over de gehele dag maximaal 292 extra verkeersbewegingen zullen plaatsvinden.
Met behulp van de NIBM-tool (versie: 15 mei 2018) is de maximale toename van fijnstof en stikstofdioxide bepaald door de verkeersaantrekkende werking vanwege het project, waarbij de aanname is gedaan dat 5% van de verkeersbewegingen bestaat uit vrachtverkeer, hetgeen een ‘worst case scenario’ is. Uit de tool volgt dat de maximale bijdrage van de verkeersaantrekkende werking aan de luchtkwaliteit 0,29 µg/m3 stikstofdioxide (NO2) en 0,05 µg/m3 fijn stof (PM10) betreft. De verkeersaantrekkende werking valt hiermee ruimschoots binnen de ‘niet in betekende mate’ grens van 1,2 µg/m3 NO2/PM10. Het project is dan ook aan te duiden als ‘niet in betekende mate’.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting Internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 36
Als beide projecten samen worden beoordeeld en de NIBM-tool hierop wordt toegepast, is er nog altijd sprake van ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Achtergrondconcentraties De grenswaarden voor de luchtkwaliteitseisen voor PM10, PM2,5 en NO2 - zoals opgenomen in de Wet milieubeheer – zijn in de navolgende tabel weergegeven.
tabel grenswaarden luchtkwaliteit
Op basis van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland blijkt dat de achtergrondconcentratie in 2018 nabij de projectlocatie tussen 20 en 25 µg/m3 stikstofdioxide (NO2), tussen 18 en 20 µg/m3 (PM10) en tussen 12 en 14 µg/m3 fijn stof (PM2,5) bedraagt. De totale immissie ter plaatse van de projectlocatie overschrijdt derhalve de geldende normstelling niet. De aanwezige achtergrondconcentraties inclusief de toename vanwege het project, blijven ruimschoots onder de wettelijke grenswaarden. Daarmee is ter plaatse van de projectlocatie sprake van een goed woon-en leefklimaat. Externe veiligheid De logiesgebouwen zijn, evenals het resomeercentrum, geen risicovolle inrichtingen, maar vormen zelf kwetsbare objecten. De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour).
Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 37
van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde.
Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen. Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg ligt in de omgeving (in een straal van 160 m) van de bouwvlakken binnen het plangebied géén risicovolle inrichting en zullen de kwetsbare objecten ook niet worden opgericht binnen de plaatsgebonden risicocontouren van in de verdere omgeving gelegen bedrijven, zoals op onderstaande uitsnede uit de risicokaart is weergegeven:
Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. | Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting Internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 38
Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provinciale- en spoorwegen van belang. Op een afstand van circa 160 m vanuit de grens van de meest nabijgelegen logiesgebouwen voor internationale werknemers is de Nijmeegseweg (N271) gelegen. Voor deze weg is de PR-contour 10 -6/jr. niet berekenbaar geweest. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. Of de oriënterende waarde van het groepsrisico wordt overschreden, dient te blijken uit een nog op te stellen verantwoording van het groepsrisico. Tevens ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A67 en de Weselseweg. Er kan op voorhand worden gesteld dat er een grote bufferende werking uitgaat van het tussen de huisvestingslocatie en de N271 gelegen bebouwing van de Veiligheidsregio Limburg-Noord en AmbulanceZorg Limburg-Noord, waarbinnen eveneens een logiesfunctie tot 50 personen aanwezig is. Afgezien van de bufferende werking van deze bebouwing, kan duidelijk gesteld worden dat alle in geval van calamiteiten benodigde blusapparatuur op zeer korte afstand aanwezig zijn. Er is in de omgeving van de plangebied (binnen een straal van 250 m) geen sprake van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Parallel aan de zuidzijde van de A67 ligt een aardgasleiding van Gasunie Transport Services (NEN 3650-leiding).
Uit de bijlagen behorende bij de toelichting op het vigerende bestemmingsplan Bedrijventerrein Veegtes valt op te maken dat de Gasunie een PR berekening heeft uitgevoerd naar deze leiding. Hieruit blijkt dat de leiding geen PR 10-6 contour kent. Het invloedsgebied van deze 8" leiding is 95 meter (100% letaal is 50 meter). Het plangebied voor de huisvestingslocatie voor internationale werknemers en het resomeercentrum ligt op meer dan 250 meter. Hierdoor is het niet noodzakelijk in verband met deze gasleiding een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Op basis van de quick scan ‘externe veiligheid’ kan geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van inrichtingen en buisleidingen maar dat het groepsrisico ten aanzien van de N271 verantwoord dient te worden. Zie hiervoor ook de door Kragten uitgevoerde quick scan (rapportnr: 20190507-BSM007-0001-EV-QS) welke als bijlage 6 is toegevoegd. Deze quick scan is in mei 2019 gevolgd door een door Kragten opgestelde ‘verantwoording groepsrisico’ voor onderhavig project (als bijlage 6a toegevoegd). Op dit punt wordt hier geheel naar verwezen. De Veiligheidsregio Noord-Limburg heeft inmiddels advies uitgebracht; de daarin beschreven aanbevelingen zullen in de uitvoering van de plannen worden meegenomen.
Kabels en leidingen Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
Verkeersaantrekkende werking Het resomeercentrum en de logiesverblijven voor internationale werknemers met bijbehorende bedrijfswoning worden ontsloten op de Hendrikkenhofstraat en van daaruit op de Hakkesstraat. De Hakkesstraat sluit rechtstreeks aan op de N271 (Nijmeegseweg) waar zich een verkeersregelinstallatie bevindt, van waaruit een snelle doorstroom naar de A67 in oost-westrichting mogelijk is. Een andere mogelijke ontsluiting op de N271 is via de Laurens Janszoon Costerstraat; ook hier staat een verkeersregelinstallatie. Het project leidt ten opzichte van de bestaande situatie tot extra verkeersbewegingen.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 39
Het vervoer van de internationale werknemers tussen de huisvestingslocatie en de arbeidsplaatsen waar zij werkzaam zijn, wordt geheel verzorgd door de initiatiefnemer (de werkgever). Op basis van de grootte van de groep te huisvesten internationale werknemers (maximaal 768 werknemers) zullen iedere werkdag in de dagperiode (07.00 uur-19.00 uur) gemiddeld 10 kleine busjes (max. 10 personen/bus) en 130 personenauto’s de werknemers op komen halen en weer terugbrengen naar de huisvestingslocatie. Dat betekent gemiddeld 280 voertuigbewegingen per werkdagetmaal. Het resomeercentrum is nog niet opgenomen in de landelijke richtlijnen voor parkeerplaatsen en verkeersgeneratie. Echte, een resomeercentrum is een alternatief crematorium en zal daarvan weinig afwijken. Daarom zijn bij de berekening van de verkeersgeneratie de cijfers van een crematorium gebruikt. In de CROW-richtlijnen voor verkeersgeneratie staat dat een plechtigheid minimaal 34,8 en maximaal 48,6 verkeersbewegingen zal genereren. In de huidige plannen van het resomeercentrum zijn twee aula’s opgenomen waar een plechtigheid kan plaatsvinden. Verwacht wordt dat maximaal 3 plechtigheden per aula per dag worden gehouden (bron: Dela). In totaal zijn dit maximaal 6 plechtigheden per dag. Deze plechtigheden zullen voornamelijk overdag tussen 11:00 en 15:00 plaatsvinden.
Diensten/plechtigheden starten normaliter niet tegelijkertijd, waardoor de verkeersdrukte wordt verspreid. Een plechtigheid duurt ongeveer twee uur inclusief de voorbereidingen en afsluiting. Ervan uitgaande dat de reikwijdte van het resomeercentrum in het vroege stadium zeer groot is door de beperkte hoeveelheid aan resomeercentra in Nederland en in Duitsland, zal gerekend worden met het maximaal aantal verkeersbewegingen per plechtigheid. Dit betekent dat over de gehele dag maximaal 292 extra verkeersbewegingen zullen plaatsvinden. Het verkeer zal voornamelijk van de A67 komen en via de Nijmeegseweg de Hakkesstraat bereiken. De verkeersbewegingen zullen voornamelijk buiten de spits plaatsvinden hetgeen extra verkeer tijdens de piekmomenten voorkomt. Beide ontwikkelingen hebben invloed op de verkeersafwikkeling op de aangrenzende en nabij liggende straten. In totaal leiden deze ontwikkelingen tot maximaal 572 extra voertuigbewegingen per etmaal op de Hakkesstraat. Deze aanzienlijke groei heeft maar een beperkte invloed op de totale capaciteit van de Hakkesstraat en de Nijmeegseweg. Al deze bewegingen vinden verspreid over de dag plaats waardoor de verkeersdruk tijdens de spits minimaal wordt beïnvloed. Na een plechtigheid bij het resomeercentrum vertrekken de meeste bezoekers vrijwel gelijktijdig.
De afwikkeling van deze stroom voertuigen kan tot ongewenste situaties leiden op de Hakkesstraat, indien de parkeerplaats van het resomeercentrum hierop is aangesloten. Daarom adviseerde Kragten, die de verkeersstudie heeft uitgevoerd welke is bijgevoegd als bijlage 9, om bij de ontwikkeling van het resomeercentrum de in- en uitrit van het resomeercentrum aan te sluiten op de Hendrikkenhofstraat in plaats van de Hakkesstraat. Parkeerdruk Op basis van 768 te huisvesten personen waarvan maximaal 1/3 deel over een eigen auto beschikt, betekent dat er circa 260 parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig dienen te zijn bij de logiesgebouwen. Dit is inclusief de voertuigen welke bij de bedrijfswoning geparkeerd zullen worden. Onderstaande inrichtingsschets geeft het beoogde terrein weer, inclusief de realisatie van het een zeer ruim aantal parkeerplaatsen (372).
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting Internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 40
Ten behoeve van het resomeercentrum is een eerste inrichtingsschets opgesteld; hierin is ruimte gereserveerd voor het parkeren van 100 voertuigen (bezoekers inclusief personeel), zodat in ieder geval nooit gebruik hoeft te worden gemaakt van het openbaar gebied. In de planregels zal hiertoe ook een bepaling worden opgenomen.
3.3
Overige criteria
Grensoverschrijdend karakter van het effect Dit project voor tijdelijke huisvesting van internationale werknemers levert een bijdrage aan het vergemakkelijken van het werken in Nederland door buitenlandse werknemers (internationale werknemers) en bevordert daarmee de arbeidsmobiliteit binnen de EU. Qua milieu- en ruimtelijke effecten heeft het project echter geen grensoverschrijdende effecten. Verwachte aanvang, duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect De realisatie van het project is op korte termijn voorzien, zodra de planologische procedures zijn afgerond en leidt tot beëindiging van tijdelijke huisvestingslocaties elders binnen de gemeente Venlo.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 41
Indien op termijn de huisvesting van internationale werknemers niet meer actueel mocht blijken, zal in goed overleg met het bevoegd gezag gekeken worden welk alternatief gebruik van deze locatie op dat moment in aanmerking kan komen. Cumulatie van effecten met effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten In en om de projectlocatie zijn er thans, afgezien van (ver)bouw van bedrijfspanden binnen de vigerende bestemmingen) geen andere relevante andere ruimtelijke activiteiten of projecten in ontwikkeling waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling. Landschappelijke integratie Het herdenkingspark Nilaya biedt nabestaanden de gelegenheid om in een natuurlijke, parkachtige omgeving een boom te laten planten voor een overleden dierbare of een urn te laten bijzetten in een ingetogen kunstobject, zonder dat er sprake is van een 'kerkhof-uitstraling'. Het bestaande bosgebied met de karakteristieke glooiing in het landschap zal geheel behouden blijven. Door de kunstobjecten op een afstand van ten minste 50 m uit de Nijmeegseweg te realiseren, zal de uitstraling vanuit deze weg onveranderd blijven. Binnen het deel met de bestemming 'Groen' zullen ook waterpartijen worden gerealiseerd, ter infiltratie van het hemelwater dat op het nieuw te realiseren dakvlak en parkeergelegenheid zal neerslaan.
De paden zullen zo natuurlijk mogelijk worden vormgegeven, waarbij er wel aandacht is voor de begaanbaarheid ervan voor mensen die minder goed ter been zijn; op deze manier wordt aan zoveel mogelijk gebruikers de kans gegeven om te genieten van deze groene ingetogen oase binnen de hectiek van de stad. Het park zal, na zonsopkomst en tot zonsondergang, voor iedereen toegankelijk zijn. In bijlage 7 is een verder uitgewerkt sfeerbeeld met toelichting toegevoegd.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting Internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 42
Op de schets is te zien hoe deze landschappelijke integratie, tevens inhoudende de herplant van een aaneengesloten stuk bos van 3750 m2 groot (uit te voeren vóór 31 december 2022), zal worden vormgegeven. De parkeergelegenheid langs de Hendrikkenhofstraat wordt hierdoor meegenomen binnen de nieuwe aanplant, hetgeen het straatbeeld een groene impuls zal geven.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Pagina | 43
4.
CONCLUSIE
In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Samengevat blijven de effecten van het planvoornemen beperkt tot de projectlocatie en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaald milieu- en omgevingsaspecten. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.procedure. Gelet op het vorenstaande is de conclusie dan ook dat het niet noodzakelijk is om ten behoeve van het project een milieueffectrapportage op te stellen.
| Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling huisvesting Internationale werknemers en resomeercentrum Venlo | status: definitief |
Bijlage 1 Huisvesting arbeidsmigranten: behoefte in de regio Venlo De eerste vraag die beantwoord moet worden is of er in de regio Venlo/Noord-Limburg daadwerkelijk behoefte bestaat aan uitbreiding van het aantal huisvestingsvoorzieningen voor arbeidsmigranten. Na enkele jaren van relatieve rust draait de banenmotor in de regio Noord-Limburg op volle toeren. Dit brengt een vraag naar arbeid met zich mee waarin lang niet alleen kan worden voorzien door onze eigen beroepsbevolking. Dit heeft diverse oorzaken (niet iedereen is volledig inzetbaar, aanbod sluit niet aan bij de vraag etc.); resultaat is dat er te weinig handen beschikbaar zijn om het werk uit te voeren dat er is. In het verleden werd met name in de agrarische sector gebruik gemaakt van arbeidsmigranten om, veelal seizoensgebonden, tekorten op te vullen. Nu is er een verschuiving van de agrarische sector naar een tekort aan handen in de logistiek en maakindustrie, en is er nu jaarrond behoefte aan mensen. Zeker in Venlo wordt met de ontwikkelingen op de Greenport de vraag naar arbeidsmigranten alleen maar groter. De keuzes die in het verleden zijn gemaakt voor de ontwikkelrichting van het gebied en het type bedrijven dat zich er heeft gevestigd (of gaat vestigen) maken dat de eigen beroepsbevolking, zowel kwalitatief als kwantitatief onvoldoende aansluit.
Een deel van de bedrijven kiest ervoor arbeidsmigranten in te zetten om de tekorten op te lossen. 1
In opdracht van de regiogemeenten heeft onderzoeksbureau E’til een quickscan uitgevoerd naar de toekomstige vraag naar arbeidskrachten in Noord-Limburg. Hierbij is becijferd dat de economische ambities van de regio in de komende vijf jaar een extra vraag naar arbeidsmigranten met zich meebrengt van maximaal 4800 arbeidsmigranten. Het gaat dan met name om inzet in de logistiek, maakindustrie en agrarische sector. Ook in de periode erna is de verwachting dat er vraag blijft naar arbeidsmigranten. Tot 2030 neemt de potentiele beroepsbevolking van Noord-Limburg af met 13.400 personen tot 198.900, terwijl de werkgelegenheid naar verwachting toeneemt. Ook op de nog langere termijn (tot 2040) zullen er ook in andere sectoren grote tekorten 2 aan arbeidskrachten ontstaan, denk hierbij aan sectoren als zorg, onderwijs en openbaar bestuur . Dit brengt weer hele andere vraagstukken met zich mee, maar de noodzaak van de inzet van arbeidsmigranten is dus geen tijdelijk fenomeen. Zoals uit het bovenstaande blijkt zijn arbeidsmigranten van groot belang voor onze economische bedrijvigheid. Maar er is nog een ander element dat meespeelt. Wanneer een deel van de arbeidsmigranten zich hier definitief vestigt, heeft dat een positief effect op de demografische ontwikkeling. Ambitie van de regiogemeenten is dan ook om arbeidsmigranten te verleiden zich definitief te vestigen in de regio.
Om dit te onderstrepen is door de regiogemeenten samen met andere partijen in 2011 de verklaring ‘het belang van arbeidsmigranten’ ondertekend. Tegelijkertijd is er het besef dat de komst van grote groepen arbeidsmigranten impact kan hebben op de woon- en leefomgeving.
Uit onderzoek blijkt dat niet alleen verwacht wordt dat het aantal arbeidsmigranten verder toeneemt, maar ook dat een substantieel deel van de arbeidsmigranten gehuisvest is op een wijze die niet acceptabel is; teveel mensen op een te klein oppervlak, in caravans, in kassen en in recreatiewoningen die daarvoor niet geschikt zijn. Met regelmaat wordt bij handhavingsonderzoek geconstateerd dat huisvestingsvoorzieningen niet voldoen aan de minimale eisen en worden ze gesloten. Voor de bewoners is het dan vaak erg moeilijk 1 2
Quickscan toekomstige vraag naar arbeidsmigranten Noord-Limburg, E’til, 2018 Trendverkenning demografische transitie Noord Limburg, Ruimtevolk, 2017
om vervangende woonruimte te vinden. Volgens de provincie is “gebrek aan goede huisvesting een van de meest nijpende knelpunten. Vooral voor shortstay en mid-stay zijn er te weinig goede huisvestingsmogelijkheden. De oplossingen die vanwege de urgentie worden bedacht om in dit gebrek te voorzien zijn op de lange duur gezien veelal ongewenst.” Bij short-stay (verblijf van enkele maanden) is de focus van de werknemers primair gericht op het in korte tijd verdienen van zoveel mogelijk geld. Vaak heeft dan een eenvoudige, goedkope logiesvoorziening de voorkeur en de binding van de werknemer met Limburg is beperkt . Bij mid-stay (verblijf van enkele maanden tot 5 jaar) weten de werknemers vaak nog niet precies weten hoe lang ze zullen blijven, maar vragen, gelet op hun langere verblijf, om een wat hoger kwaliteits- en voorzieningenniveau en meer integratie in de samenleving.
Doelstelling beleid Vanuit het besef dat we arbeidsmigranten nodig hebben om onze economie draaiend te houden en de ambitie om arbeidsmigranten te binden, is regionaal een bouwsteen opgesteld voor short-stay huisvesting. Hiermee is getracht zoveel mogelijk een regionaal gelijke basis te creëren voor huisvesting van arbeidsmigranten. Deze regionale basis heeft voor Venlo geresulteerd in de volgende doelstellingen van het ‘Beleidskader huisvesting arbeidsmigranten (short-stay) Venlo’: - Voldoende huisvesting bieden Het blijft arbitrair hoeveel huisvesting er precies nodig is. Op het aantal arbeidsmigranten dat hier werkzaam is, maar elders wordt gehuisvest, is bijvoorbeeld onvoldoende zicht. Wat de eerder benoemde quick-scan van E’til in ieder geval duidelijk heeft gemaakt, is dat onze economische ambities leiden tot een vraag aan maximaal 4800 extra bedden. Deze extra vraag is met name gekoppeld aan de ontwikkelingen in de Greenport en heeft hiermee een sterke link met de Greenportgemeenten. Gesprekken met bedrijven, huisvesters en uitzendbureaus wijzen er op dat dit een realistische inschatting is van de vraag. Om een substantiële bijdrage te leveren om het tekort op te lossen is de doelstelling voor Venlo om 3000 bedden te realiseren voor 2025.
Hierbij gaat het niet alleen om nieuwe plaatsen, maar deels om de vervanging van huisvesting op camping de Maasvallei-Oost en het bieden van een alternatief voor ondeugdelijke bestaande huisvesting. met onderhavige initiatief voor huisvesting van internationale werknemers wordt voor een deel invulling gegeven aan deze doelstelling. - Kwalitatief goede huisvesting realiseren Het is lang niet vanzelfsprekend dat arbeidsmigranten voor Nederland en onze regio kiezen (landen als Duitsland, Groot-Brittannië en Noorwegen zijn populairder). Ruimte bieden aan initiatieven die het verschil maken, door bijvoorbeeld extra voorzieningen, maakt onderdeel uit van een uitnodigende strategie voor arbeidsmigranten. Hiermee kunnen we ons onderscheiden als regio en ook in de toekomst arbeidsmigranten hopelijk verleiden te kiezen voor regio Venlo. Ook tijdelijke (10 + 5 jaar),flexibele huisvestingsconcepten kunnen hier een bijdrage aan leveren. We stellen geen maximum aan het aantal te huisvesten arbeidsmigranten op een locatie, de aard van locatie en omgeving bepaald wat verantwoord is. Gelet op de grote aantallen arbeidsmigranten die momenteel tijdelijk naar onze regio komen, is het wenselijk om deze groep zoveel mogelijk geconcentreerd te huisvesten, zodat goed beheer en toezicht mogelijk is.
Bij initiatieven is het aantal te huisvesten personen ook afhankelijk van beheersfactoren/ bedrijfsvoeringsmodel van het beoogde huisvestingsconcept. in paragraaf 1.3 van de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt deze kwaliteit beschreven. - Open huisvesting Hiermee bedoelen we dat huisvesting zoveel mogelijk toegankelijk moet zijn voor alle arbeidsmigranten. Dus niet alleen voor één specifiek bedrijf of uitzendbureau. Het heeft daarom
onze voorkeur om samen te werken met professionele huisvesters. Hiermee voorkom je (deels) ook een al te sterke afhankelijkheidsrelatie tussen werkgever en arbeidsmigrant. Daarbij komt dat huisvesting voor deze doelgroep een vak apart is en niet iets dat je er zomaar even bij doet. Uiteraard is het voor huisvesters noodzakelijk om contracten te sluiten met bedrijven en uitzendbureaus om voldoende bezetting en continuïteit in huisvesting te waarborgen. Daarnaast willen we afspraken maken over het percentage plekken dat beschikbaar blijft voor arbeidsmigranten die niet gelieerd zijn aan een specifiek bedrijf of uitzendbureau. Dit gaat om een ondergeschikt percentage van het aantal beschikbare bedden. initiatiefnemer zal de huisvesting voor internationale werknemers verzorgen voor diverse bedrijven die behoefte hebben aan huisvestingslocaties. Initiatiefnemer is hierin gespecialiseerd, waardoor kwaliteit, onderhoud, toezicht en dergelijke gewaarborgd kunnen worden. - Alternatieven bieden voor kamerverhuur in de wijken Onderhavig project betreft dergelijk alternatief.
Uitgangspunten beleid Om te waarborgen dat huisvesting voldoende kwaliteit biedt voor de arbeidsmigrant, zijn een aantal uitgangspunten opgesteld waaraan huisvestingsinitiatieven getoetst worden. De mate waaraan ze kunnen voldoen aan de uitgangspunten en hiermee een bijdrage leveren aan onze doelstellingen, bepaald of medewerking wenselijk is. Het is geen afvinklijstje met harde criteria, juist omdat iedere locatie zijn eigen context kent. Er is sprake van maatwerk (een goede oplossing voor locatie A, kan voor locatie B bijvoorbeeld niet werken). Vertrekpunt is dat een initiatief voor zowel de arbeidsmigrant als de omgeving passend moet zijn. 1. Minimale eisen huisvesting Huisvestingsinitiatieven moeten ten minste voldoen aan de eisen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). in paragraaf 1.3 van de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt aan deze minimale eisen gerefereerd. Initiatiefnemer is in bezit van het SNF-keurmerk zodat ervan kan worden uitgegaan dat in dit nieuwe huisvestingsproject aan die eisen wordt voldaan.
2. Onderscheidend vermogen Initiatieven kunnen zich onderscheiden door extra kwaliteit van huisvesting (privacy, recreatieve voorzieningen), waarbij tenminste een woonkamer en/of ontspanningsruimte aanwezig dient te zijn. Daarnaast kunnen initiatieven zich onderscheiden door extra aandacht voor de fysieke randvoorwaarden van de locatie en aandacht voor de ontwikkeling van de arbeidsmigrant. Denk hierbij aan informatievoorziening en mogelijkheden van scholing. Ook met het bieden van flexibele, tijdelijke en energiezuinige concepten kan een initiatiefnemer zich onderscheiden. in paragraaf 1.3 van de Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt deze kwaliteit en onderscheidendheid beschreven.
3. Beheer en toezicht Initiatiefnemer is gespecialiseerd in het verzorgen van de huisvesting van internationale werknemers voor diverse bedrijven die behoefte hebben aan huisvestingslocaties, waardoor kwaliteit, onderhoud, toezicht en dergelijke gewaarborgd kunnen worden. Er zal 24/7 een beheerder op de locatie aanwezig zijn en zal een draaiboek aanwezig zijn hoe ervoor gezorgd
wordt dat de locatie ordelijk is en blijft, en mogelijke hinder op welke manier dan ook tot een minimum wordt beperkt.
4. Parkeren Er wordt voorzien in 372 parkeerplekken welke, gerelateerd aan het aantal te huisvesten internationale werknemers en de gangbare wijze van het zich verplaatsen, voldoende moet worden geacht. Naar verwachting en gelet op ervaringsgegevens zal er niet voor iedere 2 internationale werknemers 1 auto op het terrein aanwezig zijn. Veelal zal gebruik worden gemaakt van personenbusjes, zoals ook vermeld in de aanmeldnotitie. Deze personenbusjes zullen niet voor langere periode op deze parkeerplaatsen worden geparkeerd, maar halen op een afgesproken tijdstip werknemers op en brengen hen weer terug. Voor deze bewegingen en zeer kortstondig parkeren is voldoende ruimte op het terrein aanwezig. 5. Ontsluiting In bijlage 9 (verkeerskundig onderzoek) behorende bij de aanmeldnotitie is de ontsluiting uitgebreid beschouwd en goed bevonden. 6. Bereikbaarheid voorzieningen Binnen een afstand van 1 km (10 minuten lopen) is Trefcentrum Venlo gelegen, met supermarkten en andere detailhandelsvestigingen, waardoor er sprake is van een uitstekende situering ten opzichte van de locaties voor eerste levensbehoeften. Op eigen terrein zal voorzien worden in een ontmoetingsruimte (binnen en buiten) waar (alléén voor de tijdelijke bewoners) de mogelijkheid is om in beperkte omvang recreatieve of sportieve activiteiten te ontplooien. 7.
Woon-en leefklimaat In de aanmeldnotitie is een uitgebreide toets aan milieuzoneringsaspecten opgenomen, waaruit volgt dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden en omliggende functies niet worden belemmerd. 8. Context locatie en omgeving De locatie ‘Albertushof’ is omringd door bedrijventerreinen en is in het provinciale beleid getypeerd als ‘overig bebouwd gebied’ en valt binnen de (voormalige) rode contour welke het stedelijke/bebouwde gebied omringt. Het project betreft een stedelijke functie die primair ook in het stedelijke gebied thuis hoort. Albertushof is een relatief groene locatie binnen de bedrijventerreinen direct ten zuiden van de A67 en ten oosten van de Maas; Albertushof was tot voor kort (en deels nog) bebouwd met een klooster en voormalige kleuterschool, zoals beschreven in de aanmeldnotitie. Deze bebouwing heeft zijn functie inmiddels (op een enkele bewoner van het klooster na, die hier ook zal blijven wonen) zijn functie verloren en zal stapsgewijs plaatsmaken voor de nieuwe ontwikkeling zoals beschreven in de aanmeldnotitie. De ligging binnen de bedrijventerreinen en ten opzichte van de ontsluitingswegen is dus geschikt voor huisvesting van short-stay-internationale werknemers. Eerste informatie-bijeenkomst voor de buurt heeft in juli 2018 plaatsgevonden.
Hier is het project en de behoefte hiertoe toegelicht, is uitgelegd hoe het project vormgegeven gaat worden en zijn vragen van omwonenden beantwoord. Het is van zeer groot belang om, gaande de procedure om uiteindelijk tot vaststelling van een bestemmingsplan en verlening van een omgevingsvergunning te komen, de omgeving (buurtbewoners en bedrijven) te
blijven informeren en oor en oog te hebben voor de belangen van deze groep (omgevingsdialoog). 9. Combinatie met andere opgaven zie onder punt 8.
Conclusie Op basis van bovenstaande toets aan het Beleidskader huisvesting arbeidsmigranten volgt niet alleen de constatering dat er evident behoefte is aan nieuwe huisvestingslocaties zoals Albertushof, maar tevens dat voldaan wordt cq kan worden aan de voorwaarden welke het beleid stelt aan deze huisvestingslocaties.
Urban Development Princetonlaan 6 3584 CB Utrecht Postbus 80015 3508 TA Utrecht
TNO-rapport
www.tno.nl
TNO-060-UT-2011-01366-vs2
Milieueffecten van verschillende uitvaarttechnieken
Datum
8 augustus 2011
Auteur(s)
E.E. Keijzer, MSc H.J.G. Kok, MSc
Aantal pagina's Aantal bijlagen Opdrachtgever
86 (incl. bijlagen) 5 Yarden Holding BV Almere
Projectnaam Projectnummer
034.24026
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, foto-kopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande toestemming van TNO. Indien dit rapport in opdracht werd uitgebracht, wordt voor de rechten en verplichtingen van opdrachtgever en opdrachtnemer verwezen naar de Algemene Voorwaarden voor opdrachten aan TNO, dan wel de betreffende terzake tussen de partijen gesloten overeenkomst. Het ter inzage geven van het TNO-rapport aan direct belang-hebbenden is toegestaan. © 2011 TNO
T +31 88 866 42 56 F +31 88 866 44 75 infodesk@tno.nl
2 / 54
TNO-rapport | TNO-060-UT-2011-01366-vs2
TNO-rapport | TNO-060-UT-2011-01366-vs2
3 / 54
Samenvatting Yarden is een grote en snel groeiende uitvaartorganisatie in Nederland, die uitvaartverzorging, verzekeringen en voorlichting aanbiedt. De organisatie telt bijna 1 miljoen leden. Met 41 uitvaartcentra, 22 crematoria en 7 begraafplaatsen heeft Yarden een nationale verspreiding en dekking. Met ca. 1000 medewerkers willigt men de persoonlijke wensen van de klant in. Zo wil men ook duidelijk rekening houden met milieurandvoorwaarden en –wensen. In dat kader volgt Yarden de nieuwe ontwikkelingen en investeert hierin. Zo is Yarden voornemens om twee nieuwe uitvaarttechnieken te introduceren en aan te bieden: cryomeren en resomeren. Vooralsnog voorziet de Nederlandse wet op de lijkbezorging in drie bestemmingen: Begraven, cremeren of ter beschikking stellen aan de wetenschap. Om een plaats te kunnen geven aan de twee nieuwe ontwikkelingen is een wetswijziging noodzakelijk. Voordat het tot een voorstel tot wijziging van de wet komt, zal het Ministerie van Binnenlandse Zaken willen beschikken over meer informatie met betrekking tot de nieuwe technieken. Als aanzet voor de onderbouwing heeft Yarden TNO gevraagd de milieueffecten (eco-footprint) van 4 uitvaarttechnieken (begraven, cremeren, cryomeren en resomeren) door middel van een Life Cycle Assessment (LCA) in kaart te brengen. Deze studie is conform de ISO-norm voor LCA‟s (ISO, 2006) uitgevoerd en gereviewd.
De voor het uitvoeren van de milieustudie benodigde gegevens zijn voor begraven en cremeren door de opdrachtgever verzameld en beschikbaar gesteld. Daarbij is uitgegaan van de gemiddelde situatie in Nederland en de huidige technologische stand van zaken. Voor de twee nieuwe technieken zijn de procesgegevens beschikbaar gesteld door Cryomation Ltd. en door Resomation Ltd. De nieuwe technieken zijn beschouwd alsof ze reeds volledig operationeel zijn en geïntegreerd in het Nederlandse uitvaartwezen. Voor het opstellen van de eco-footprint is uitgegaan van het vaststellen van de milieueffecten van de gehele levenscyclus van de uitvoering van een uitvaarttechniek op basis van een Life Cycle Assessment (LCA) volgens de CMLLCA2 methodiek. Volgens deze methodiek worden 11 milieueffectcategorieën beschouwd en de impact ervan berekend in equivalenten voor een voor die categorie belangrijke stof. De milieuimpact is per uitvaarttechniek bepaald met behulp van de SimaPro Life Cycle Assessment software (versie 7.2) en met de database Ecoinvent (versie 2.1), waarin de milieueffectgegevens voor allerlei typen processen en materialen zijn opgenomen. Het berekende resultaat heeft voor iedere effectcategorie een andere eenheid, waardoor de verschillen tussen de uitvaarttypen in principe slechts per effectcategorie vergeleken kunnen worden.
Uit de resultaten voor de vier verschillende uitvaarttechnieken blijkt dat: - cryomeren en resomeren voor vrijwel alle milieueffectcategorieën de kleinste impact hebben (alleen voor vermesting heeft resomeren de grootste impact, die veroorzaakt wordt door het hoge nutriëntgehalte van het afvalwater); - begraven heeft voor alle milieueffectcategorieën (behalve voor vermesting) de grootste impact, - cremeren neemt voor alle milieueffectcategorieën een tussenpositie in.
4 / 54
TNO-rapport | TNO-060-UT-2011-01366-vs2
Deze resultaten scheppen de verwachting dat de totale milieu-impact van de verschillende uitvaarttechnieken het grootst is voor begraven, het kleinst voor resomeren of cryomeren, en ergens daar tussenin voor cremeren. Om een meer kwantitatieve uitspraak over de totale milieu-impact van de vier uitvaarttechnieken te kunnen doen is gebruik gemaakt van de schaduwprijzen methode. Hierbij worden de hoogst aanvaardbare kosten voor reductiemaatregelen als een waardering voor de milieueffecten gebruikt. Het voordeel van het gebruik van schaduwprijzen is dat verschillende milieueffecten worden vertaald in (externe) kosten. Optellen van de schaduwkosten voor alle verschillende milieueffecten van een vervuilende activiteit (product of dienst) tijdens zijn levensduur geeft de totale milieukosten van de activiteit (monetarisering van milieueffecten). Hier moet bij opgemerkt worden dat dit gedeelte van de studie buiten de ISO-norm (ISO, 2006) valt, omdat de resultaten gewogen worden. Het resultaat van de berekeningen op basis de schaduwprijzen is weergegeven in onderstaande figuur voor de vier uitvaarttechnieken.
Figuur S1 - Schaduwprijzen voor de bestaande uitvaarttechnieken begraven en cremeren en de nieuwe uitvaarttechnieken cryomeren en resomeren
Het totale milieueffect van de vier uitvaarttechnieken ligt tussen de 0 euro voor het resomeren en 85 euro voor het begraven van een gemiddeld overleden persoon. De andere twee uitvaarttechnieken liggen daar tussenin: ongeveer 30 euro voor cremeren en 10 euro voor cryomeren. Bij begraven is ruimtebeslag de zwaarst meetellende milieueffectcategorie (52 euro), gevolgd door humane toxiciteit (10 euro) en broeikaseffect (9 euro). Ruimtebeslag is bij cremeren ook de grootste effectcategorie (14 euro), gevolgd door vermesting (7 euro) en humane toxiciteit (5 euro). Bij cryomeren spelen ruimtebeslag (10 euro), vermesting (4 euro) en broeikaseffect (2 euro) een grote rol. Er zijn ook effectcategorieën met negatieve waarden, hetgeen een milieuvoordeel betekent (bijvoorbeeld humane toxiciteit: -2 euro). Resomeren wordt gedomineerd door vermesting (10 euro) en de sterke negatieve waarden voor humane toxiciteit (7 euro) en broeikaseffect (-1,5 euro).
TNO-rapport | TNO-060-UT-2011-01366-vs2
5 / 54
Afgezien van bij het begraven, worden de milieueffecten van de andere uitvaarttechnieken grotendeels bepaald door de compenserende effecten van de metaalrecycling, met name bij cryomeren en resomeren. Deze uitvaarttechnieken bieden betere mogelijkheden om waardevolle metalen resten te recyclen, die anders terecht zouden komen in de bodem, het water en/of de lucht tezamen met de overblijfselen. Bij cryomeren en resomeren kunnen er ook kleine hoeveelheden edelmetalen gescheiden worden van de overblijfselen. De recycling van deze edelmetalen leidt tot een compensatie van milieueffecten. Om gevoel te krijgen voor de onzekerheid van de verkregen resultaten zijn gevoeligheidsanalyses uitgevoerd voor de bestemming van de overblijfselen, de samenstelling van het afvalwater bij resomeren, het gebruik van de hulpbronnen bij cryomeren en resomeren, de materiaalkeuze voor het grafmonument bij cryomeren, de uitgangspunten voor metaalrecycling en de samenstelling van de omhulling. De variatie van deze inputdata geeft geen belangrijke verschuivingen in het totaalbeeld. Wel wordt duidelijk dat de omhulling bepalend is voor het verschil in milieubelasting tussen cremeren en de nieuwe technieken.
Verder is de schaduwprijs voor resomeren, die na optelling van positieve en negatieve milieuaspecten in het basisscenario rond nul uitkomt, erg gevoelig voor de gebruikte gegevens met betrekking tot recycling en hoeveelheden hulpbronnen. De hoofdconclusie over de milieu-impact van de vier uitvaarttechnieken is dat de totale milieu-impact bij begraven het grootst is gevolgd door cremeren. De milieuimpact bij cryomeren en resomeren is veel kleiner dan bij begraven en cremeren, terwijl die voor resomeren (waarschijnlijk) het kleinst is. Bij deze resultaten wordt opgemerkt, dat er onafhankelijk van de toegepaste uitvaarttechniek voorbereidingen moeten plaatsvinden (voorfase), die ook bijdragen aan de milieubelasting. Dit betreft bijvoorbeeld het afleggen van het lichaam (inclusief gekoeld opbaren), het versturen van rouwberichten en de afscheidsceremonie zelf (o.a. aulagebruik, eigen vervoer genodigden en koffietafel). Deze voorfase maakt geen onderdeel van de studie uit, maar uit een oriënterende berekening is gebleken, dat de milieubelasting van de voorfase, uitgedrukt als schaduwprijs, veel groter is dan van de vier uitvaarttechnieken zelf (ca. 220 Euro per voorfase per lichaam).