042 RIB Bijlage 5 Ontwerpbestemmingsplan Zone Sevenumseweg, bijlagen toelichting.pdf
Tekst van het document
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 6 van 25
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 7 van 25
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.3.3
Goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone
In het provinciaal natuurbeleid (POL 2014) zijn drie groene natuurzones te onderscheiden, de goudgroene-, zilvergroene- en bronsgroene zone. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk. Binnen de goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal. De zilvergroene natuurzone maakt echter geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk, maar ondersteunt wel de functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone. De provincie stimuleert de ontwikkeling van natuur en landschap binnen de zilvergroene zones met subsidies en natuurcompensaties. De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d. Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas. In Zuid-Limburg omvatten deze zones ook de steilere hellingen, droogdalen en de belangrijkste landschappelijke verbindingen naar het Maasdal. Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is er op gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven.
Deze zone bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Binnen deze zone komen op bestemmingsplanniveau andere bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen. Ten aanzien van de bronsgroene natuurzones geldt het “ja, mits” principe. Ontwikkelingen binnen de ruimte die het POL 2014-beleid biedt zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden binnen de bronsgroene landschapszone. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 8 van 25
Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie. De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 9 van 25
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van onder andere de NDFF zijn op de onderzoeklocatie waarnemingen bekend van: huismus, gierzwaluw, boerenzwaluw, huiszwaluw, grote gele kwikstaart, roek en ooievaar, steenuil, ransuil, kerkuil, bosuil, torenvalk, boomvalk, havik, sperwer, slechtvalk en wespendief. Door het ontbreken van hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen kan verstoring van de slechtvalk worden uitgesloten. Tevens de gierzwaluw kan op voorhand uitgesloten worden door de ligging ver buiten de bebouwde kom en de verspreide ligging van de aanwezige bebouwingen. Huismus De aanwezige bebouwingen op de bestaande woonerven zijn geschikt voor een soort als de huismus. De aanwezigheid van deze soort is op voorhand niet uit te sluiten. Als gevolg van de voorgenomen plannen worden geen panden gesloopt dan wel aangepast. De bestaande woonerven worden enkel opgenomen in het bestemmingsplan, hierbij vinden geen verdere activiteiten plaats en zal dan ook geen overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus optreden. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart is volgens de NDFF waargenomen in de omgeving van de onderzoekslocatie.
De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. De grote gele kwikstaart nestelt zich graag onder een brug of bij boomwortels in oevers. Nestgelegenheden op de onderzoekslocatie ontbreken waardoor negatieve effecten ten aanzien van de grote gele kwikstaart niet te verwachten zijn. Huiszwaluw en boerenzwaluw De huiszwaluw en boerenzwaluw zijn in Limburg toegevoegd aan de lijst met jaarrond beschermde nesten. Huiszwaluwen maken hun nesten vooral tegen gevels van bebouwing, waarbij boerenzwaluwen hun nesten vaak op randen en richels in koeien-, varkens en paardenstallen maken, maar ook onder bruggetjes of tegen sluizen aan. Aangezien de bebouwing binnen de onderzoekslocatie niet volledig kon worden geïnspecteerd is het niet uit te sluiten dat boeren- en/of huiszwaluwen een nestlocatie hebben binnen de onderzoekslocatie. Het is echter wel uit te sluiten dat de desbetreffende soorten verstoord worden door de bestemmingsplanwijziging. De eventueel aanwezige nestlocaties blijven in de toekomstige situatie dan ook behouden. Ook het agrarische karakter van de Sevenumseweg blijft behouden waardoor tevens geen essentieel deel van het leefgebied van de desbetreffende soorten verloren gaat.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 10 van 25
Steenuil In de directe omgeving zijn vier steenuilterritoria bekend (zie figuur 10). Drie van de vier nestlocaties zijn buiten de invloedsfeer van de voorgenomen plannen gelegen. De nestlocatie aan de overzijde van de Sevenumseweg ter plaatse van de ‘Nieuwe Erf’ is mogelijk wel binnen de invloedsfeer van de plannen gelegen. Binnen de onderzoekslocatie zelf vormt mogelijk de tuin van de Sevenumseweg 34 onderdeel van het functionele leefgebied van de desbetreffende steenuil. De percelen binnen de invloedsfeer van de nestlocatie blijven echter in de huidige staat behouden. Enkel de aanleg en gebruik van het stroomstation ten zuiden van de Sevenumseweg 42 vormt een verandering. Gezien deze aanpassing op een huidige maisakker ontwikkeld wordt zal er als gevolg van de voorgenomen plannen geen leefgebied van de steenuil verdwijnen. Naast de bekende nestlocaties buiten de onderzoekslocatie is het daarnaast ook mogelijk dat de steenuil een nestlocatie binnen de onderzoekslocatie heeft. Ondanks dat de woonerven en tuinen niet aangepast worden kan bij de aanwezigheid van de steenuil ter plaatse wel verstoring plaatsvinden door realisatie van nieuwe bouwkavels aangrenzend aan de bestaande kavels waarbij mogelijk essentieel leefgebied verdwijnt. Aan de oostzijde van het bestemmingsplan zijn een aantal potentieel geschikte verblijfplaatsen voor de steenuil aanwezig.
Op voorhand kan dan ook niet uitgesloten worden dat er overtreding van de Wet natuurbescherming plaatsvindt als gevolg van de voorgenomen plannen.
Figuur 10. Nestlocaties van de steenuil in de directe omgeving van de onderzoekslocatie (gebaseerd op onderzoek en verspreidingsgegevens van de NDFF).
Kerkuil De bebouwing op en nabij de onderzoekslocatie kon tijdens het veldbezoek niet worden onderzocht op de aanwezigheid van nestkasten/sporen van kerkuilen. Gezien de onderzoekslocatie in een deel van Nederland ligt waar de kerkuil veelvuldig voorkomt, er waarnemingen van kerkuilen in de omgeving bekend zijn en de onderzoekslocatie geschikt habitat vormt voor de kerkuil is het niet op voorhand uitgesloten dat er een kerkuil broedt op de onderzoekslocatie. Doordat de bestaande panden behouden blijven in de toekomstige situatie en dat het agrarische karakter van de onderzoekslocatie behouden blijft zullen er geen negatieve effecten ten aanzien van een kerkuil plaatsvinden.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 11 van 25
Buizerd, boomvalk, havik, ransuil, bosuil, wespendief, sperwer en torenvalk Op de onderzoekslocatie zijn diverse bomen aanwezig welke geschikte nestlocaties vormen voor een roofvogelsoort dan wel ransuil of bosuil. Op de onderzoekslocatie is reeds een nestlocatie van de buizerd vastgesteld, zie figuur 11. Dit buizerdnest is echter buiten de verstoringsafstand van 75 meter gelegen ten opzichte van de dichtstbijzijnde wijzigingen, namelijk de bouw van het verdeelstation ten zuidwesten van het nest. In figuur 11 staan tevens opstanden weergegeven waar mogelijk nestlocaties van roofvogels te verwachten zijn. Gezien de planvorming van nieuwe woonwerkkavels beoogd is en diverse tijdelijke werkzaamheden voorzien zijn ten behoeve van herinrichting kan verstoring als gevolg van de voorgenomen plannen niet op voorhand uitgesloten worden.
Figuur 11. Bekende nestlocatie buizerd (groen) en potentieel geschikte nestlocaties roofvogels (oranje) naast de Sevenumseweg.
5.1.2
Overige broedvogels
Verspreid op de onderzoekslocatie kunnen in bomen en struiken vogelsoorten als winterkoning, vink, zanglijster, merel en roodborst worden aangetroffen. Nesten van dergelijke soorten zijn alleen beschermd als ze als zodanig in gebruik zijn (eieren of nestjongen). Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren mits dit niet mogelijk is dient er vooraf een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de zoogdiervereniging (Limpens en Regelink, 2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, baardvleermuis, franjestaart, meervleermuis, Brandt's vleermuis en watervleermuis.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 12 van 25
Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing en bomenopstand op de onderzoekslocatie vormt geschikte verblijfplaatsen voor diverse soorten vleermuizen. De bestaande bebouwing inclusief het bestaande groen blijven echter behouden waardoor verstoring van verblijfplaatsen van vleermuizen is uit te sluiten. Indien alsnog bomen gekapt en/of bebouwing gesloopt dan wel gerenoveerd dient te worden is mogelijk aanvullend onderzoek naar vleermuizen benodigd. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en het omliggende bos in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen geen aantasting van foerageer habitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, er wordt zelfs meer geschikt foerageergebied gecreëerd ter hoogte van de centrale dassenzone tussen klaver 1 en 3.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke lijnvormige elementen, zoals bomenlanen en watergangen, zijn aanwezig op de onderzoekslocatie. Het is van belang dat bij de toekomstige woonwerkkavels aandacht wordt besteed aan het voorkomen van uitstralende verlichting richting de bomenlaan naast de Sevenumseweg. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, eekhoorn, das, waterspitsmuis en bever. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Steenmarters gebruiken oude holen van onder andere konijnen, vossen en mollen, maar ook houtwallen, steenhopen, hooizolders en schuren als verblijfplaats. De aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats van de steenmarter binnen de onderzoekslocatie kan niet worden uitgesloten. Gezien de bebouwing behouden blijft gaat geen verblijfplaats van de steenmarter verloren als gevolg van de voorgenomen plannen. Daarnaast blijft een groot deel van de huidige agrarische functies in de toekomstige situatie van toepassing. Er zal dan ook geen essentieel deel van het leefgebied verdwijnen. Eekhoorn Uit verspreidingsgegevens blijkt dat in 2014 eekhoorns ter hoogte van de Sevenumseweg 35 zijn waargenomen. De onderzoekslocatie vormt door de hoog opgaande begroeiing aan de westzijde van de onderzoekslocatie geschikt habitat voor de eekhoorn.
De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het dichte bladerdek niet goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn niet kan worden uitgesloten.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 13 van 25
Das De onderzoekslocatie grenst aan de dassenlooproute welke tussen de reeds ontwikkelde bedrijventerreinen ten zuiden van de onderzoekslocatie loopt. De dichtstbijzijnde bekende hoofdburchtlocatie van de das bevindt zich circa 1,8 km ten noordwesten van de onderzoekslocatie in het bosgebied de Reulsberg. Tijdens de aanlegfase van de toekomstige groenzone ten behoeve van de doorlooproute van de das kan mogelijk verstoring van de looproute plaatsvinden. Het kan niet op voorhand uitgesloten worden dat verstoring van de das plaatsvindt. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Volgens de NDFF zijn er aan de hand van braakballenonderzoek waarnemingen gedaan van de waterspitsmuis in de omgeving van de onderzoekslocatie. Deze waarnemingen hebben waarschijnlijk betrekking op waterspitsmuizen rond de Groote Molenbeek ten westen van de onderzoekslocatie. De waterlopen op de onderzoekslocatie vormen momenteel weinig geschikt habitat voor een waterspitsmuis. De sloten op de onderzoekslocatie hebben zowel in 2018 als in 2019 gedurende een lange periode droog gestaan. Bever Uit sporenonderzoek is bekend dat de bever regelmatig gebruik maakt van de onderzoekslocatie sinds 2016.
In het bosperceel te midden van de onderzoekslocatie zijn sinds 2016 knaagsporen van de bever waargenomen. Tevens was er een beverhol aanwezig in het talud van de waterloop ten noorden van de Sevenumseweg, zie figuur 12. Tijdens de quickscan zijn geen verse knaagsporen aangetroffen en is het beverhol ten noorden van de Sevenumseweg niet in gebruik. Dit heeft naar verwachting te maken met het droogvallen van de waterloop ter plaatse waardoor de bever recent niet meer gebruik hiervan kan maken. De bosschage en het hol maken deel uit van het essentiële leefgebied van de bever.
Figuur 12. Visualisatie van verblijfslocatie van bever en knaagsporen in bosperceel naast de Gekkengraaf.
Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 14 van 25
Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, mol en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de levendbarende hagedis waargenomen. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van een kernpopulatie van de levendbarende hagedis. De onderzoekslocatie vormt namelijk geen optimaal habitat voor de desbetreffende soort. Als gevolg van de voorgenomen plannen gaat geen leefgebied van de levendbarende hagedis verloren. Gezien de levendbarende hagedis wel voorkomt in de omgeving van de onderzoekslocatie kan echter niet geheel uitgesloten worden dat sporadisch een zwervend individu van de soort voor kan komen op de onderzoekslocatie. Verstoring van de levendbarende hagedis kan niet op voorhand worden uitgesloten. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende streng beschermde soorten waargenomen: kamsalamander en alpenwatersalamander. Binnen de onderzoekslocatie zijn diverse waterlopen en poelen aanwezig waar mogelijk streng beschermde amfibieënsoorten in voor kunnen komen. De poelen ter hoogte van de Sevenumseweg 33 en 35 vormen mogelijk geschikt voortplantingshabitat voor de alpenwatersalamander en kamsalamander. Tijdens het veldbezoek konden deze poelen niet beoordeeld worden op geschiktheid voor deze soorten door het ontbreken van toegang tot het perceel.
Daarnaast vormt de gekkengraaf en aangrenzende sloten ter plaatse mogelijk geschikt habitat voor amfibieënsoorten. Het kan dan ook niet worden uitgesloten dat deze soorten voorkomen op de onderzoekslocatie. Het overige deel van de onderzoekslocatie vormt naar verwachting geen geschikt leefgebied voor desbetreffende soorten door het ontbreken van geschikt habitat. Als gevolg van de voorgenomen plannen blijven zowel de potentiële voortplantingswateren (poelen en waterlopen) en het landhabitat (groenstructuren) behouden. Het is dan ook redelijkerwijs uitgesloten dat significante negatieve effecten optreden ten aanzien van de kamsalamander en/of alpenwatersalamander. Vissen Indien werkzaamheden beoogt zijn aan de waterlopen binnen de onderzoekslocatie kan mogelijk verstoring ten aanzien van diverse vissoorten plaatsvinden. In de directe omgeving zijn geen beschermde vissoorten waargenomen. Verstoring ten aanzien van algemene vissen kan echter niet uitgesloten worden. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 15 van 25
Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Op de boomkwekerijen worden diverse bomen geteeld onder andere de sleedoorn en iep. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn) en iepenpage (iep) zijn op de onderzoekslocatie dan ook mogelijk aanwezig. Beide soorten komen echter niet voor in de wijde omgeving rondom Venlo. Daarnaast betreft het hooguit jonge beplanting voor de boomteelt. Het is dan ook redelijkerwijs uitgesloten dat als gevolg van de voorgenomen plannen een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort wordt aangetast. Daarnaast blijft een groot deel van de onderzoekslocatie de huidige agrarische functie behouden. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin, erf, boomkwekerijen en (mais)akkers is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 16 van 25
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Broedvogels
6.1.1
Jaarrond beschermde broedvogels
Steenuil De steenuil en zijn leefgebied is beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De soort staat tevens vermeld in de EU-vogelrichtlijn. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd en vallen onder categorie 1 van vogelnesten: ‘nesten die behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats’. De steenuil heeft twee relevante typen voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen. Dit zijn:
de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is.
De onderzoekslocatie kon tijdens het veldbezoek niet goed geïnspecteerd worden op potentiele nestlocaties van de steenuil. Indien een voortplantingsplaats binnen en/of directe omgeving van de onderzoekslocatie aanwezig is kunnen er mogelijk negatieve effecten optreden. Ondanks dat de bebouwing in de toekomstige situatie behouden blijft kan er mogelijk een essentieel deel van het leefgebied verloren gaan door de omvorming van agrarisch gebied naar woonwerkkavels. Het wordt dan ook geadviseerd om allereerst eenmalig een inspectie uit te voeren naar de aanwezigheid van de steenuil op de woonerven van de Sevenumseweg 2, 11 en 15. Indien hieruit blijkt dat er mogelijk een steenuil broedt op de desbetreffende woonerven dienen de te nemen maatregelen mogelijk vastgelegd te worden in een ecologisch activiteitenplan. Het ecologisch activiteitenplan kan dan ter goedkeuring worden voorgelegd bij Provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. Roofvogels In de opgaande begroeiing zijn mogelijk nestlocaties aanwezig van roofvogels. Gezien de bomen tijdens het veldbezoek niet goed te inspecteren waren op potentiële nesten dient er in het najaar van 2019 een aanvullende inspectie op aanwezige nesten te worden uitgevoerd. Op basis van deze veldgegevens kan bekeken worden of eventueel aanwezige nesten daadwerkelijk binnen de verstoringsafstand van de voorgenomen plannen vallen.
Indien nesten van roofvogels aanwezig zijn dienen de te nemen maatregelen vastgelegd te worden in een ecologisch activiteitenplan. Het ecologisch activiteitenplan kan dan ter goedkeuring worden voorgelegd bij Provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 17 van 25
6.1.2
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Op de onderzoekslocatie zijn diverse geschikte bomen en gebouwen aanwezig welke geschikt zijn als vaste rust en verblijfplaats voor diverse soorten vleermuizen. Op het moment van schrijven wordt er van uitgegaan dat alle bestaande groenopstanden en gebouwen/woonerven op de onderzoekslocatie in de toekomstige situatie behouden blijven. Indien alsnog geschikte bomen gekapt dienen te worden dan wel bebouwing gesloopt en/of gerenoveerd dient te worden is aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het meest recente protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus). Dit houdt in dat er verspreid over de periode mei tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij uitvoering van sloop en/of kapwerkzaamheden. 6.3 6.3.1
Overige zoogdieren Bever
De bever is een beschermde inheemse diersoort en tevens opgenomen in bijlage IV van de EUHabitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang, die strikt moeten worden beschermd. De bever wordt ook benoemd in Bijlage II van de Conventie van Bern. De bever staat als gevoelig vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse Zoogdieren (2009). De onderzoekslocatie vormt onderdeel van een migratieroute en leefgebied van de bever. Sinds 2016 worden namelijk regelmatig sporen van de bever aangetroffen te midden van de onderzoekslocatie direct aangrenzend van de waterloop de Gekkengraaf. Net buiten de onderzoekslocatie is tevens een beverhol aanwezig. De bever maakt gebruik van de onderzoekslocatie om voedsel te zoeken. Hierbij maakt de soort gebruik van de watergang de Gekkengraaf. De watergangen op de onderzoekslocatie en het bosperceel blijven in de toekomstige situatie behouden. Van directe aantasting van voedselhabitat is daarom geen sprake. Indirecte aantasting van leefgebied kan aan de orde zijn als de bevers het gebied vermijden als gevolg van verstoring. Direct aangrenzend van het voedselbos van de bever komen in de toekomstige situatie twee woonwerkkavels te liggen. Het is dan ook mogelijk dat door een toename in verstoring als gevolg van de realisatie van deze kavels de functie van het bosperceel komt te vervallen dan wel verslechterd.
Verstoring van de bever valt onder de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of nadere maatregelen noodzakelijk zijn zal bepaald moeten worden
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 18 van 25
welke functie de onderzoekslocatie ter plaatse momenteel nog heeft voor de bever door aanvullend onderzoek. Door gedurende meerdere maanden de activiteit van de bever te monitoren kan bepaald worden wat de huidige functie van de onderzoekslocatie is voor de bever en welke maatregelen noodzakelijk zijn om de desbetreffende functies te behouden. 6.3.2
Das
De onderzoekslocatie grenst aan de dassenlooproute welke tussen de reeds ontwikkelde bedrijventerreinen ten zuiden van de onderzoekslocatie loopt. De dichtstbijzijnde bekende hoofdburchtlocatie van de das bevindt zich circa 1,8 km ten noordwesten van de onderzoekslocatie in het bosgebied de Reulsberg. Tijdens de aanlegfase van de toekomstige groenzone ten behoeve van de doorlooproute van de das kan mogelijk verstoring van de looproute plaatsvinden. Om de functionaliteit van de looproute van de das te garanderen dient er tijdens de aanlegfase van de centrale groenzone rekening gehouden te worden met enkele maatregelen. Te treffen maatregelen dienen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol. 6.3.3
Eekhoorn
Indien de initiatiefnemer voornemens is om bomen te verwijderen dient voorafgaand aan de kapwerkzaamheden onderzocht te worden of er nesten van de eekhoorn aanwezig zijn. Het wordt geadviseerd om deze bomen in het najaar te inspecteren op holtes dan wel nesten. 6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5
Amfibieën
De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 19 van 25
6.6
Reptielen
Het is niet geheel uit te sluiten dat sporadisch een zwervend individu van de levendbarende hagedis kan worden aangetroffen, in het geval bij het onverhoopt aantreffen dient het individu zorgvuldig verplaatst te worden volgends de goedgekeurde gedragscode naar een geschikte locatie buiten de invloedsfeer van de projectlocatie. Gezien het aantoonbaar gemaakt moet worden dat conform een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt, dienen de te nemen maatregelen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. 6.7
Vissen
Indien de initiatiefnemer voornemens is om watergangen te dempen dan wel te verleggen zullen zonder maatregelen mogelijk vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Aangezien een quickscan flora en fauna over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om indien dempingswerkzaamheden voorzien zijn een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd. 6.8
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 20 van 25
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Maasduinen, bevindt zich op circa 5 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 13).
Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van het Natura-2000 gebied de Maasduinen. Indien er een effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Gezien de afstand tot het Natura 2000 gebied is er mogelijk alleen een effect te verwachten als gevolg van een toename in stikstofuitstoot. Om te bepalen of er een mogelijk effect ten aanzien van het Natura 2000 gebied te verwachten is wordt geadviseerd om een aanvullend stikstofdepositieonderzoek uit te laten voeren.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 21 van 25
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie is aan de oostzijde aangrenzend gelegen aan het Natuurnetwerk Nederland (zie figuur 14). Als gevolg van de voorgenomen plannen zullen geen wijzigingen aan de percelen direct aangrenzend aan het natuurnetwerk plaatsvinden. Het is dan ook redelijkerwijs uitgesloten dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Figuur 14. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 22 van 25
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. Als gevolg van de voorgenomen plannen zal echter geen houtopstand verwijderd worden. Indien alsnog bomen gekapt dienen te worden zal dit nader onderzocht moeten worden op hier een meldingsplicht en/of herplantplicht voor geldt.
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 23 van 25
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Sevenumseweg (ong.) te Venlo. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De initiatiefnemer is voornemens om zes nieuwe woonwerkkavels te realiseren binnen het bestemmingsplan en het bestemmingsplan een deel van de agrarische percelen om te vormen als compensatiegebied voor de das. Een groot deel van de onderzoekslocatie, zoals de bestaande woonerven en bijbehorende tuinen worden wel herbestemd maar zullen geen verdere activiteiten worden ontplooid. De bestaande bebouwing en boomopstand blijft dan ook duurzaam behouden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I.
In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
inspecties op jaarrond beschermde roofvogelnesten en steenuil benodigd. Afhankelijk daarvan mogelijk nog aanvullend onderzoek benodigd.
verblijfplaatsen
ja
nee, mits bomen en bebouwing behouden blijven
nee, mits bomen en bebouwing behouden blijven
nee, mits bomen en bebouwing behouden blijven
op de onderzoekslocatie zijn mogelijk verblijfplaatsen aanwezig in bomen en/of bebouwing. Deze blijven beide echter behouden.
foerageergebied
ja
mogelijk
nee
nee
uitstralende verlichting richting opgaand groen beperken
vliegroutes
ja
mogelijk
nee
nee
uitstralende verlichting richting opgaand groen beperken
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren als egel, mol en diverse muizensoorten
Bever
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
aanvullend onderzoek naar het gebruik van het gebied door de bever noodzakelijk
Das
ja
mogelijk
nee
nee
ecologisch werkprotocol om functionaliteit van de looproute van de das te garanderen
Eekhoorn
ja
nee, mits bomen behouden
nee, mits bomen behouden
nee
indien bomen gekapt dienen te worden dienen de bomen allereerst onderzocht te worden op aanwezigheid van nesten
Broedvogels
Vleermuizen
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 24 van 25
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
blijven
blijven
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
Amfibieën
ja
mogelijk
nee
nee
poelen, waterlopen en winterhabitat blijft behouden. Wel aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als bruine kikker en gewone pad
Reptielen
beperkt
mogelijk
nee
nee, mits aantoonbaar gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode
het is niet geheel uit te sluiten dat een zwervend individu van de levendbarende hagedis sporadisch kan worden aangetroffen. In het geval bij het onverhoopt aantreffen dient het individu zorgvuldig verplaatst te worden volgens een goedgekeurde gedragscode naar een geschikte locatie buiten de invloedsfeer van de projectlocatie.
Vissen
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene vissoorten.
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
5 km
mogelijk
ja
mogeljk
aangrenzend
nee
nee
nee
-
-
-
-
-
indien bomen gekapt moeten worden dient nader onderzocht te worden of er een melding en/of herplantplicht geldt.
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Natuurnetwerk Nederland
Houtopstanden
aanvullend stikstofdepositie onderzoek noodzakelijk
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusie Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van de bovengenoemde soort(groep)en aan de orde is. Middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing kunnen de voorgenomen plannen worden uitgevoerd. Daarnaast zal het opstellen van een ecologisch werkprotocol benodigd zijn.
Econsultancy Boxmeer, 18 juli 2019
Rapport 10067.001 versie D1
Pagina 25 van 25
GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Sevenum-Venlo, periode 2009-2019 Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
Algemene websites www.eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) www.floron.nl (soortgegevens planten) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingen-wetnatuurbescherming/ (kennisdocumenten beschermde soorten) Provinciale websites www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg) https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default (natuurbeheerplan provincie Limburg)
Rapport 10067.001 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 10067.001 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 10067.001 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieën en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander