041 Bijl01, Toelichting bestemmingsplan Maasdal-Velden ; Vorstweg 49.pdf
Tekst van het document
Afbeelding 8. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)
24
Afbeelding 9. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5)
Afbeelding 10. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NOx)
4.4.
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buiten stedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Industrielawaai 25
Direct ten zuiden van de locatie bevindt zich (nu nog) boerderijwinkel De Vorst (Vorstweg 53). Hier worden de bedrijfsactiviteiten echter ook beëindigd, eveneens ten behoeve van woningbouw. Het bestemmingsplan daartoe is al definitief, waardoor de onderzoekslocatie niet is gelegen binnen de richtafstand (of geluidzone) van enige omliggende bedrijfsbestemming. Onderzoek naar industrielawaai is dan ook niet aan de orde. wegverkeerslawaai: De omliggende wegen kennen een maximum rijsnelheid van 60 km/h en zijn daarmee zoneplichtig in het kader van de Wgh (zonebreedte 250m). Echter op basis van het verkeersmodel Noord Limburg lijkt van deze wegen alleen de Genooierweg nog enigszins relevant met een intensiteit van 800 mvt/etmaal. Volgens een berekening SRM1 ligt de geluidbelasting vanwege deze weg (afstand ca. 160 m) echter ruim beneden de voorkeursgrenswaarde. Naderonderzoek naar wegverkeer is daarmee eveneens niet nodig. Railverkeer of overige geluidbronnen zijn niet aan de orde. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.5.
Externe veiligheid
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidsituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: • • • • • • • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi); Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations; Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations; Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb); Structuurvisie buisleidingen; Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet; Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro). Vuurwerkbesluit
De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. Inventarisatie van risicobronnen
26
-
BRZO-inrichting (Broekman Logistics Venlo B.V.); Op ongeveer 2 kilometer van het plangebied bevindt zich Broekman Logistics. Deze inrichting valt onder de werkingssfeer van het BRZO en kent een invloedsgebied van bijna 2.500 meter. Het plangebied valt hier binnen en hiermee is deze inrichting relevant voor externe veiligheid.
-
Provinciale weg N271; Het plangebied ligt op zo’n 400 meter van de N271, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het invloedsgebied van de weg is 355 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied, hiermee is deze weg niet relevant voor externe veiligheid.
-
-
-
Basisnetroute water (Maascorridor); Op ongeveer 510 meter van het plangebied ligt de Maas, dit is een basisnetroute die valt onder Bevt. Op basis van de Regeling basisnet vindt hierover onder andere vervoer van toxische gassen (stofcategorie GT3) plaats. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied (1%letaliteitszone van 1070 meter1) van de Maas en is hiermee dus relevant voor externe veiligheid. Basisnetroute weg (A67 Knp. Zaarderheiken – Afrit 40 Velden); Op ongeveer 1500 meter van het plangebied ligt de A67, dit is een basisnetroute die valt onder het Bevt. Op basis van de Regeling basisnet vindt hierover onder andere vervoer van toxische vloeistoffen (LT2) plaats. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied (1%-letaliteitszone van 880 meter1) van de A67 en hiermee is deze risicobron dus niet relevant voor externe veiligheid. Buisleiding (RRP-19); Op ongeveer 160 meter van het plangebied ligt een buisleiding. Deze buisleiding valt onder het Bevb en kent een invloedsgebied van 55 meter. Het plan valt hierbuiten en hiermee is deze buisleiding niet relevant voor externe veiligheid.
Toetsing aan normen externe veiligheid Uit bovenstaande blijkt dat de Maas en de inrichting Broekman Logistics relevante risicobronnen zijn. Om die reden dient getoetst te worden aan het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico van de Maas is 0 meter en vormt geen belemmering voor het plan. Verder ligt het plan buiten de plaatsgebonden risicocontour van de inrichting Broekman Logistics. Voor het groepsrisico geldt dat voor de Maas geen groepsrisicoanalyse nodig is omdat het plan op meer dan 200 meter van de Maas ligt. Op basis van het externe veiligheidsbeleid van de gemeente kan worden volstaan met de standaard verantwoording van het groepsrisico. Ten aanzien van de inrichting Broekman logistics kan worden gesteld dat het groepsrisico niet toeneemt omdat het plan op zeer grote afstand van de inrichting ligt. Verder ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Omdat enkel een toxisch scenario relevant is voor het plan, kan ook voor de inrichting volstaan worden met de standaard verantwoording. Verantwoording groepsrisico Op grond van artikel 6 en 7 uit het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geldt een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor de Maas. Op grond van artikel 13 uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) dient het groepsrisico van de inrichting Broekman Logistics volledig verantwoord te worden.
Transportroutes Indien een ruimtelijk plan op meer dan 200 meter van de transportroutes ligt zal het groepsrisico niet significant toenemen, vanwege: • • •
27
de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen.
Broekman Logistics Het groepsrisico van Broekman Logistics ligt onder de oriëntatiewaarde. Tevens neemt het groepsrisico van de ruimtelijke ontwikkeling niet toe omdat het plan op grote afstand van het bedrijf ligt. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico Transportroutes De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: • •
toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is.
Broekman Logistics Het voorliggende plan draagt niet significant bij aan het groepsrisico omdat deze op grote afstand van de inrichtingen ligt. Het is dan ook niet nodig om voor dit plan maatregelen te treffen ter verlaging van het groepsrisico. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobronnen speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar.
Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Gelet op het voorgaande en de omvang van het plan vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.
4.6. 4.6.1.
Cultuurhistorie en Archeologie Cultuurhistorie
Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij 28
een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
4.6.2.
Archeologie
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: •
De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard.
•
Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen.
Afbeelding 11. Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart – Arcen en Velden.
29
Volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is het plangebied deels gelegen binnen een hoge archeologische verwachting voor landbouwers en deels binnen een lage archeologische verwachting voor landbouwers. Voor de locatie is door Archeopro een Inventariserend Veldonderzoek uitgevoerd. Het betreffende onderzoek is als bijlage 2 bijgevoegd. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. Hiermee vormen cultuurhistorie en archeologie geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.7. 4.7.1.
Flora en Fauna Gebiedsbescherming
De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten noorden van het plangebied is het Natura2000 gebied Maasduinen gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 2,7 kilometer. Per 1 juli 2021 geldt een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten (aanlegfase) waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. Hierdoor is een berekening met AERIUS CALCULATOR 2021 voor de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op de Natura2000-gebieden voor de bouw- aanleg- en sloopactiviteiten met betrekking tot onderhavig plan niet van toepassing.
Beoordeeld moet worden of de wijziging van het bestemmingsplan significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. In onderstaande tabel uit de handreiking Woningbouw en Aerius wordt duidelijk dat de emissies in de gebruiksfase bij woningbouwprojecten tot 50 woningen en op een afstand van 2 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied (2,7km) 0,00 mol/ha/jaar bedraagt.
30
Afbeelding 12. Tabel Indicatieve depositie als functie van de afstand tussen woningen en natuurgebied.
Door het beëindigen van het glastuinbouwbedrijf op de locatie zullen de verkeersbewegingen van en naar de locatie afnemen. Voor de nieuw te realiseren woning is tevens en Aerius berekening uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase (Bijlage 3). Op basis van bovenstaande gegevens is te concluderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve bijdrage heeft op de te beschermen gebieden.
4.7.2.
Soortenbescherming
De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. • Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden.
Bij de totstandkoming van een bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. 31
De voorliggende locatie is daarbij al jaren door de mens gereguleerd. De locatie is al jaren in gebruik als glastuinbouwlocatie en is grotendeels bebouwd met glasopstanden. Het is dan ook niet te verwachten dat een verslechtering zal optreden op het gebied voor beschermde planten en dieren. Water is binnen het plangebied niet aanwezig. Op basis van de natuurgegevens van de provincie Limburg valt te zien dat in de directe omgeving van het plangebied geen beschermde planten en broedvogels zijn waargenomen.
Afbeelding 13. Natuurgegevens Provincie Limburg( A: broedvogels, B: flora)
De locatie waar de nieuwe woning gerealiseerd wordt is al jaren in gebruik als moestuin/glasopstand en daarmee is op basis van het huidige gebruik is de aanwezigheid van beschermde flora en fauna niet aannemelijk op de locatie. Het toekomstig gebruik van de locatie kan zorgen voor verbetering van de natuurwaarden op de locatie.
Afbeelding 14. Uitsnede google maps beoogde locatie nieuwe woning.
Hiermee vormt flora en fauna geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
32
4.8.
Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan de vermindering van regels, vergunningenstelsels en administratieve lasten. De provincie Limburg heeft dit beleid vertaald in het provinciaal waterplan.
4.8.1.
Provinciaal waterplan Limburg
Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 20162021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode willen bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Water en ruimtelijke ordening Op grond van de Waterwet legt de provincie Limburg de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie.
Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen. Modern waterbeheer volgt daarmee niet langer uitsluitend mensgerichte functies en grondgebruik; kennis over watersystemen en de wateropgaven worden zo mede sturend voor ruimtelijke ontwikkelingen.
4.8.2.
Watertoets
Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoetsprocedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoetsprocedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht 33
besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoetsproces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoetsprocedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en projectafwijkingsbesluiten, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1). Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen.
4.8.3.
Waterhuishoudkundige situatie
Het plangebied is gelegen in het stroomvoerend gebied van de rivier de Maas. Onderhavig planvoornemen maakt dan ook deel uit van het project Maasdal-Velden. In het kader van het Project Maasdal – Velden heeft reeds overleg plaatsgevonden met Rijkswaterstaat, Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Rijkswaterstaat heeft aangegeven onder voorwaarden in principe medewerking te kunnen verlenen aan het project. Op deze aspecten is reeds ingegaan.
4.8.4.
Hemelwaterinfiltratie
Op de locatie zal door het verwijderen van circa 16.219 m2 aan bebouwd oppervlak een afname zijn van het op te vangen en te infiltreren hemelwater. Gelijktijdig zal de oppervlakte waar water in de grond kan infiltreren, door de afname van bebouwd oppervlak, toenemen op de locatie. Voor de reeds bestaande bedrijfswoning en te behouden bijgebouwen zullen geen veranderingen plaats vinden aan de hemelwaterafvoer. Op dit moment zijn er nog geen concrete bouwplannen voor de nieuw te realiseren woning. Uitgaande van een nieuw te bouwen woning van ca. 150 m2 en een overige erfverharding van 100 m2 is er binnen de grenzen van het perceel meer als voldoende ruimte voor het realiseren van voorzieningen ten behoeve van de infiltratie. Deze voorziening dient in ieder geval een inhoud van 25 m 3 te hebben. Op eigen terrein zal een infiltratievoorziening gerealiseerd worden welke aan de voorwaarden voldoet (berging van 100 mm neerslag).
4.8.5.
Afvalwater
De nieuw te realiseren woning zal aangesloten worden op het reeds aanwezige rioolwaterstelsel. Hiervoor zal ter zijner tijd een aansluiting aangevraagd worden
4.9.
Mobiliteit en parkeren
De nieuwe woning wordt ontsloten op de Vorstweg. De huidige woning zal zoals reeds al het geval is tevens ontsloten blijven op de Vorstweg. Door het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten op de locatie zal, ondanks het toevoegen van een woning, de verkeersaantrekkende werking naar de locatie afnemen. Bij zowel de bestaande (bedrijfs)woning als de nieuwe woning is op eigen terrein ruim voldoende mogelijkheid tot parkeren (tenminste 2 auto’s per woning). De openbare weg hoeft als gevolg hiervan derhalve niet belast te worden met geparkeerde voertuigen.
4.10.
Landschappelijke inpassing
Voor zowel de bestaande (bedrijfs)woning en loods als de nieuw te realiseren woning is een landschappelijke inpassing opgesteld. Deze inpassing is toegevoegd als bijlage 4.
34
5. Uitvoerbaarheid en procedure 5.1.
Economische haalbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening is daarbij de verplichting ontstaan om, indien er sprake is van een ontwikkeling waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, deze kosten op de initiatiefnemer te verhalen. Voorbeelden hiervan zijn de aanleg van voorzieningen van openbaar nut en de plankosten. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan, zijn terug te vinden in de vigerende bestemmingsplannen. Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.
5.3.
Procedure
Dit bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht juncto art. 3.9a Wro. Deze procedure houdt in dat het ontwerpbestemmingsplan na behandeling door het College van burgemeester en wethouders wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage wordt gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan zal ook digitaal raadpleegbaar zijn op de site van de gemeente en op www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbenden kunnen in die zes weken hun zienswijzen kenbaar maken bij de gemeente. Vervolgens wordt het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad. Daarbij worden eventueel ingediende zienswijzen betrokken. Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.4.
Vooroverleg en inzage
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
35
6. Juridische planopzet 6.1.
Inleiding
Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het plan. Dit dient te allen tijde in onderlinge samenhang bezien en toegepast te worden. De toelichting op de regels en de verbeelding is niet juridisch bindend, dit biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van het bestemmingsplan heeft geleid. Daarnaast draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
6.2.
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding is de bestemming van de gronden gelegen binnen de planlocatie aangegeven. Binnen deze bestemming zijn daarna nadere aanduidingen weergegeven. De juridische betekenis van deze aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een aantal gegevens hebben juridisch gezien geen betekenis en is alleen op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van die kaart (zoals topografische en kadastrale gegevens).
6.3.
Toelichting op de regels
Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en conform de systematiek van het bestemmingsplan buitengebied Arcen en Velden. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3: Hoofdstuk 4:
36
Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten Wijzigingsregels.; Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels en algemene afwijkings-, wijzigings- en procedureregels; Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen
Arvalis Roermond Steegstraat 5 6041 EA Roermond +31 (0)475 355 700 info@arvalis.nl
Arvalis Venlo Villafloraweg 1 5928 SZ Venlo +31 (0)478 578 257 info@arvalis.nl
Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth +31 (0)43 450 5100 info@arvalis.nl
Arvalis Deurne Heuvelstraat 12 5751 HN Deurne +31 (0)493 242 133 info@arvalis.nl
37