CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

039 Bijl01 Toelichting bestemmingsplan Boterstraat 18 te Venlo.pdf

Raadsvergadering 24 april 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 5.6: RV039 Vaststelling van het bestemmingsplan Boterstraat 18 te Venlo10.485 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan Boterstraat 18 te Venlo NL.IMRO.0983.BP202230BOTER18-VA01

Opgesteld door

:

Arvalis B.V.

Referentie

:

2023/707227

Inhoudsopgave

1.

Beschrijving bestaande situatie ......................................................................... 4 1.1.

Aanleiding en doel ..................................................................................... 4

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................ 4

1.3.

Vigerend bestemmingsplan ......................................................................... 4

1.4.

Leeswijzer ................................................................................................ 4

2.

Planbeschrijving .............................................................................................. 6

3.

Beleidskader ................................................................................................... 7 3.1.

Inleiding................................................................................................... 7

3.2.

Rijksbeleid ................................................................................................ 7

3.2.1.

Nationale omgevingsvisie ..................................................................... 7

3.2.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .......................................... 7

3.2.3.

Ladder duurzame verstedelijking ........................................................... 8

3.2.4.

Besluit m.e.r. ...................................................................................... 9

3.3.

Provinciaal beleid ...................................................................................... 9

3.3.1.

Provinciale Omgevingsvisie ................................................................... 9

3.3.2.

Omgevingsverordening 2014 ...............................................................10

3.3.3.

Omgevingsverordening 2021 ...............................................................11

3.4.

Regionaal beleid .......................................................................................11

3.4.1. 3.5.

4.

Regionale Woonvisie Wonen Noord-Limburg 2020-2024 ..........................11

Gemeentelijk beleid ..................................................................................11

3.5.1.

Strategische Visie Venlo 2040 ..............................................................11

3.5.2.

Ruimtelijke Structuurvisie Venlo ...........................................................13

3.5.3.

Woonvisie Venlo 2021-2026 ................................................................15

3.5.4.

Dynamische Woningbouwprogrammering ..............................................15

3.5.5.

Bestemmingsplan toetsing...................................................................15

Omgevingsaspecten ........................................................................................17 4.1.

Milieueffectrapportage ..............................................................................17

4.2.

Bodem ....................................................................................................17

4.3.

Bedrijven en milieuzonering .......................................................................18

4.4.

Luchtkwaliteit ..........................................................................................19

4.5.

Geur .......................................................................................................19

4.6.

Geluid .....................................................................................................20

4.7.

Externe veiligheid .....................................................................................20

4.7.1.

Standaard verantwoording groepsrisico .................................................22

4.7.2.

Conclusie ..........................................................................................23

4.8.

Cultuurhistorie en Archeologie ...................................................................23

4.9.

Flora en Fauna .........................................................................................23

4.9.1.

Gebiedsbescherming ...........................................................................23

4.9.2. 4.10.

5.

Water ..................................................................................................24

4.10.1.

Provinciaal waterplan Limburg ..........................................................24

4.10.2.

Watertoets .....................................................................................25

4.11.

Spuitzone .............................................................................................26

4.12.

Mobiliteit en parkeren ............................................................................26

Uitvoerbaarheid en procedure ..........................................................................27 5.1.

Economische haalbaarheid.........................................................................27

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................27

5.2.1.

6.

Soortenbescherming ...........................................................................24

Omgevingsdialoog ..............................................................................27

5.3.

Procedure ................................................................................................27

5.4.

Vooroverleg en inzage ..............................................................................27

Juridische planopzet .......................................................................................29 6.1.

Inleiding..................................................................................................29

6.2.

Toelichting op de verbeelding ....................................................................29

6.3.

Toelichting op de regels ............................................................................29

Bijlage(n) 1. Brief eindadvies omzettingen woningen 2. Bodemonderzoek Boterstraat 18 3. Advies bereikbaarheid en bluswater

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1. Aanleiding en doel Initiatiefnemer is woonachtig in de woning aan de Boterstraat 18 te Venlo. Deze woning is niet meer noodzakelijk als bedrijfswoning voor het bedrijf waartoe deze bedrijfswoning behoord. Middels het voorliggende plan worden de voormalige bedrijfswoning omgezet naar een woonbestemming conform de feitelijke situatie. Het voorliggende plan zorgt voor een juiste bestemming conform de feitelijke (eigendoms)situatie. Het plan is besproken met de gemeente Venlo, zie ook bijlage 1. In dit gesprek ging het om twee om te zetten locaties, waarvan enkel de locatie Boterstraat 18 wordt doorgezet.

1.2. Ligging en begrenzing De locatie is gelegen op ca. 1.800 meter ten westen van de Nederlands-Duitse grens aan de oostzijde van Venlo. Het bedrijf is gelegen op de percelen kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie U nummers 480 t/m 483. De woning Boterstraat 18 is gelegen op de kadastrale percelen bekend als gemeente Venlo, sectie D nummers 6303 en 7376. De locatie wordt doormiddel van de bestaande inrit ontsloten. De hoofdontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Klagenfurtlaan.

1.3. Vigerend bestemmingsplan In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.6.

Afbeelding 1. Uitsnede vigerend bestemmingsplan

In het bestemmingsplan Venlo-Oost, vastgesteld op 23 mei 2012, is voor de onderhavige locatie “Agrarisch-Bedrijf” opgenomen met deels de dubbelbestemming Archeologie. De locatie Boterstraat 18 heeft de functieaanduiding “bedrijfswoning”.

1.4. Leeswijzer Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • 4

plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2;

• •

• •

5

het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna, landschappelijke inpassing en waterparagraaf), hoofdstuk 4; Uitvoerbaarheid en procedure, met een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken (voor zover relevant), hoofdstuk 5; Juridische planopzet, hoofdstuk 6.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven. Zowel voor de huidige als de boogde situatie. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het bestemmingsplan beschreven voor de beoogde ontwikkeling. In de huidige situatie is sprake van een bedrijfswoning aan de Boterstraat 18 te Venlo. De woning aan de Boterstraat 18 is niet meer noodzakelijk als bedrijfswoning. De locatie is in eigendom van initiatiefnemer, hij heeft geen binding meer met het bedrijf. Het bestemmingsplan zorgt voor een herbestemming van de situatie conform het feitelijk gebruik en de feitelijke eigendomssituatie. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats, enkel een verandering van gebruik.

6

3. Beleidskader 3.1. Inleiding Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2. Rijksbeleid 3.2.1.Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.

3.2.2.Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor 7

een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening.

3.2.3.Ladder duurzame verstedelijking Op grond van artikel 3.1.6, lid 2 Bro dient een toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.

Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4) blijkt dat één of enkele woningen niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling. Daarbij gaat het in het voorliggende plan om een omzetting van een bestaande woning. Een toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde.

8

3.2.4. Besluit m.e.r. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht).

In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.

3.3. Provinciaal beleid 3.3.1.Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. 2. 3.

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied;. b. In landelijk gebied;. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; Klimaatadaptieve en energietransitie;

De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • •

9

Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën: • • •

Groenblauwe mantel Natuurnetwerk Limburg (incl. Natura2000 gebieden) Buitengebied

3.3.2.Omgevingsverordening 2014 Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid.

Afbeelding 2. Uitsnede kaart aandachtsgebieden Provinciale omgevingsverordening.

10

Er zijn geen provinciale aandachtsgebieden welke van invloed zijn op het planvoornemen.

3.3.3.Omgevingsverordening 2021 De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld op 16 december 2021. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening. De Omgevingsverordening 2021 is pas van kracht met de in werkintreding van de omgevingswet op 1 januari 2024.

3.4. Regionaal beleid 3.4.1.Regionale Woonvisie Wonen Noord-Limburg 2020-2024 De Regionale Woonvisie Noord-Limburg, zoals vastgesteld op 20 oktober 2020, betreft een visie waarmee verschillende gemeenten, waaronder gemeente Venlo, sturing geven aan de regionale woningmarkt. Deze visie vervangt de Regionale Structuurvisie Wonen uit 2016. In de regionale woonvisie worden verschillende opgaven benoemd: De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. ▪

▪

Mismatch woningbehoefte en woningvoorraad. De regio ziet de woonbehoefte kwalitatief veranderen. Als uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn gelden: o toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; o koppelkansen gebruiken om andere opgaven aan te pakken; o toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; o het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte. Door de veranderende samenstelling van huishoudens ontstaat een stijgende woonbehoefte aan nultredenwoningen en appartementen en een afnemende woonbehoefte aan reguliere grondgebonden woningen, zowel in de huur- als koopsector; o nastreven van sociaal duurzame woonconcepten; o aansluiting zoeken bij de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn. Zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen de woningmarkt. Denk hierbij o.a. aan zorgdoelgroepen, internationale werknemers en woonwagenbewoners. De regio heeft de ambitie om de doelgroep internationale werknemers te binden en te boeien voor een langere periode. Gemeenten hebben de mogelijkheid om het regionale beleid te vertalen in lokaal beleid. Hierbij wordt niet alleen de volkshuisvestelijke uitdaging meegenomen, maar wordt ook rekening gehouden met de sociale kant van het vraagstuk (onder andere integratie).

Regionaal worden ervaringen en goede praktijkvoorbeelden uitgewisseld in de daarvoor opgerichte ambtelijke werkgroep.

De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een kwantitatieve toename van woningen. Een bestaande woning wordt van functie gewijzigd. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’.

3.5. Gemeentelijk beleid 3.5.1.Strategische Visie Venlo 2040 De gemeente Venlo heeft in april 2021 de ‘Strategische Visie Venlo 2040’ vastgesteld. Deze strategische visie vormt een leidraad voor het bestaande stedelijke beleid. Ten 11

opzichte van de vorige strategische visie zijn nieuwe opgaven toegevoegd, bijvoorbeeld met betrekking tot de (voortgaande) digitalisering, duurzaamheid, energie en klimaat. Thuis in Venlo Er wordt ingezet op bescheiden groei van het aantal inwoners. Het aantal Venlonaren met een niet-Venlose oorsprong zal toenemen vanwege de aantrekkingskracht van onze economie. Internationale medewerkers, kenniswerkers en studenten vragen om aantrekkelijke woonmilieus en voorzieningen. Door de toename van het aantal huishoudens vraagt dit om passende woonruimte voor alle doelgroepen, met name de doelgroepen die ondervertegenwoordigd zijn. Woningbouw vindt vooral plaats binnen de huidige stedelijke contouren. De woningvoorraad zal een kwaliteitsslag moeten maken gelet op de noodzakelijke verduurzaming. Verdergaande informatisering zorgt voor grotere verschillen binnen de gemeenschap. Elkaar ontmoeten krijgt andere vormen. De openbare ruimte en onze voorzieningen vervullen daarin een belangrijke rol. Digitalisering en domotica zal een belangrijke rol vervullen bij het langer dan voorheen thuis wonen van inwoners die zorg nodig hebben. De overheid garandeert een fatsoenlijk basisniveau van voorzieningen. De overheid en inwoners moeten bescheiden zijn in hun verwachtingen over en weer. Ruimte voor initiatieven De binnenstad heeft in 2040 een andere aanblik.

Deze is groener geworden, beken zijn zichtbaar en nog meer een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied met aantrekkelijke voorzieningen. Ook in de wijken en dorpen is ontsteend en is er werk gemaakt van de klimaatopgave gecombineerd met een impuls om een kwaliteitsslag in de openbare ruimte te maken. De klimaatopgaven hebben geleid tot een andere samenstelling van energiebronnen. Landbouwgrond heeft hierdoor deels een andere invulling gekregen, desondanks zijn de opbrengsten gegroeid. De ruimte tussen de kernen worden opengehouden en wordt gebruikt voor landbouw, recreatieve en toeristische functies. Natuurwaarden zijn versterkt in combinatie met energieopwekking en klimaatadapatie. Ruimtelijke ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat er aan de westoever een stadsdeel is ontstaan dat aanvullend is op de historische stadskern. In de dorpskernen hebben gerichte investeringen bijgedragen aan unieke en kwalitatieve hoogwaardige dorpse woonmilieus. Werken in Venlo In de toekomst bevindt Venlo zich op een sleutelpositie binnen het Europese economische kerngebied. De opkomst van China als economische grootmacht en handelspartner heeft geleid tot een strategische heroriëntatie. Het logistieke belang van Venlo is gegroeid door digitalisering en robotsering. Er wordt binnen de logistiek ingezet op vergroting van de toegevoegde waarde.

En dat geldt ook voor de toegevoegde waarde die Venlo biedt op het gebied van voedselproductie en gezonde voeding. De Brightlands Campus Greenport Venlo heeft haar vleugels uitgeslagen en er vindt fundamenteel en toegepast onderzoek plaats. Met een aanzienlijke economische spin-off als gevolg. Daarmee is het economisch fundament die dankzij de sterke basis op het gebied van de maakindustrie, logistiek en agribusiness verder is verbreed. Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor diegenen die in het verleden minder gemakkelijk aan betaald werk konden komen. Een keur aan instrumenten en arrangementen hebben het in Venlo mogelijk gemaakt om zoveel mogelijk inwoners de kans te bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel de werkgever als werknemer. Grenzeloos Wat betreft de grensligging is het (relatieve) gemak toegenomen waarmee over en weer gebruik wordt gemaakt aan beide zijden van de grens van elkaars kwaliteiten en profiteren van elkaars aanwezigheid. De stedelijke en regionale programmering op een breed scala aan onderwerpen is veel hechter geworden. 12

Gezondheid De ambitie om de Gezondste regio te zijn heeft geleid tot een breed aanbod aan economische activiteiten die hieraan invulling geven. Gezonde voeding en een gezonde levensstijl hebben gemaakt dat niet alleen onze economie, maar vooral ook onze inwoners hebben geprofiteerd. De vrijetijdseconomie heeft mede daardoor een stevige impuls gekregen. Venlo is niet alleen omwille van haar historie, winkelaanbod en ligging de moeite van het bezoeken waard, maar ook door de mogelijkheden om te kunnen wandelen, te kunnen fietsen, te kunnen ontspannen en te genieten van al het goede en lekkers dat specifiek in onze regio aan voeding wordt geproduceerd. Rol van de gemeente Venlo In de toekomst is de gemeente in staat op basis van ervaring een onderscheid te maken tussen de verschillende vormen die er bestaan tussen loslaten enerzijds en overnemen anderzijds. De gemeentelijke organisatie heeft ook een transformatie doorgemaakt. Digitalisering heeft het mogelijk gemaakt dat iedere inwoner, op ieder moment van de dag, snel zijn gegevens kan inzien en van onze dienstverlening gebruik kan maken. Afweging Onderhavig plan draagt bij aan de verdere ontwikkeling van een aantrekkelijk woonklimaat binnen de gemeente Venlo, waarbij één woning wordt omgezet van bedrijfswoning naar woning. De woning is reeds bewoond en blijft door dezelfde mensen bewoond.

Hiermee is sprake van een “huis naar behoefte”. Hiermee is onderhavig initiatief in lijn met de inhoud van de ‘Strategische Visie Venlo 2040’.

3.5.2.Ruimtelijke Structuurvisie Venlo Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo unaniem vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030.

Afbeelding 3. Uitsnede ruimtelijke structuurvisie

De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde majeure opgaven. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de 'basisprincipes'. De majeure opgaven zijn als volgt: 13

▪

▪

▪ ▪ ▪

drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht.

Naast deze 'majeure opgaven' wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als: ▪ ▪ ▪

het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert; de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; het zelfde georganiseerd draagvlak geniet.

Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt. Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw. De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats van in elkaar over te gaan. De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het (open) landschap wordt vormgegeven.

Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing. Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten. In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Het besluitgebied is op de kaart aangeduid als cultuurlandschap. Binnen het cultuurlandschap dragen ontwikkelingen bij aan goede balans tussen agrarische productie, natuur, water, recreatie en cultuurhistorie. Het bestemmingsplan zorgt voor een herbestemming van de situatie conform het feitelijk gebruik en het feitelijke eigendom. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats, enkel een verandering van de bestemming van een bedrijfswoning. Dit past binnen het voornemen 14

om liever bestaande woningen of gebieden aan te passen, dan dat er wordt uitgebreid. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de structuurvisie.

3.5.3.Woonvisie Venlo 2021-2026 De gemeenteraad van Venlo heeft op 21 september 2021 de ‘Woonvisie 2021 – 2026. Op weg naar toekomstbestendig wonen’ vastgesteld. Met het vaststellen van de woonvisie schept de gemeente Venlo de randvoorwaarden om te komen tot een toekomstbestendige woningvoorraad. Om dit te bewerkstelligen werkt de gemeente met drie hoofdthema’s die in de woonvisie nader zijn uitgewerkt: 1. Een robuuste woningvoorraad 2. Beschikbaarheid en betaalbaarheid 3. Wonen en zorg Bij deze hoofdthema’s zijn doelstellingen op hoofdlijnen geformuleerd. Dit geeft enerzijds flexibiliteit en ruimte om in te spelen op ontwikkelingen die nu nog niet zijn voorzien of op goede ideeën vanuit de samenleving en de markt. Anderzijds geeft deze visie voldoende duidelijkheid en richting, zodat partners weten wat ze van de gemeente Venlo mogen verwachten. Bij de doelstellingen wordt uitgegaan van drie ordenende principes: ▪ ▪

▪

Versnellen: Waar mogelijk worden kansen gepakt om opgaven versneld op te pakken. Verbinden: Wonen staat niet op zichzelf, daarom wordt de verbinding met andere beleidsterreinen gezocht, maar ook met andere opgaven en vraagstukken- wonen kan hierin een deel van de oplossing vormen. Vernieuwen: Hiermee wordt bedoeld dat we open staan voor nieuwe initiatieven, woonvormen en instrumenten om knelpunten binnen het wonen op te lossen.

De gemeente zet in op gemengde wijken met een diversiteit aan woningbouwsegmenten. In de omgeving van het besluitgebied zijn verschillende woningtypen te vinden, zoals vrijstaande, twee-onder-een kap en geschakelde woningen. De prioriteit ligt bij het bevorderen van doorstroming op de woningmarkt. Segmenten die helpen bij de doorstroming zijn grondgebonden nultreden woningen en appartementen. Zo ontstaat er meer ruimte voor starters en doorstromers. Bij nieuwbouw worden de woonmilieus ‘rustige stadswijk’ en ‘dorps wonen’ het meest gewaardeerd. Het omzetten van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning heeft geen invloed op de doorstroming op de woningmarkt. Immers blijft de huidige gebruiker van de woning ook in de toekomst de gebruiker. Het plan zorgt voor een goede bestemming van het feitelijk gebruik van de woning en heeft geen invloed op het bestaande woonmilieu ter plaatse. De beoogde ontwikkeling past dan ook binnen de gestelde randvoorwaarde uit de Woonvisie 2021-2026 van de gemeente Venlo.

3.5.4.Dynamische Woningbouwprogrammering In de Dynamische woningbouwprogrammering is opgenomen dat er in principe geen medewerking wordt verleend aan nieuwe woningbouwinitiatieven. Met onderhavige ontwikkeling wordt slechts één woning omgezet van bedrijfswoning naar burgerwoning. Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd. Het initiatief past daarmee binnen de uitgangspunten van de Dynamische woningbouwprogrammering.

3.5.5.Bestemmingsplan toetsing Het vigerend bestemmingsplan heeft geen wijzigingsbevoegdheid om de bedrijfswoning om te zetten naar de enkelbestemming wonen. Om toch mee te kunnen werken aan het planvoornemen is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Deze ligt nu voor.

15

16

4. Omgevingsaspecten Bij dergelijke aanpassingen dient rekening gehouden te worden met mogelijke (milieu-) effecten op de omgeving en vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de diverse milieuen planologische aspecten wordt in de volgende paragrafen beschreven.

4.1. Milieueffectrapportage Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt vaak een m.e.r. doorlopen. Het doorlopen van een m.e.r. kan voortkomen uit wettelijke verplichtingen of vrijwillig opgestart worden. Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Een milieueffectrapportage voor dit plan niet aan de orde. Er wordt namelijk geen extra woning gerealiseerd.

4.2. Bodem De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In onderhavige situatie is dit het geval. Afhankelijk van het soort aanvraag voor de omgevingsvergunning kan de gemeente om verschillende redenen inzicht in de kwaliteit van de bodem verlangen. Deze redenen zijn gekoppeld aan de activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

De activiteiten waarvoor inzicht in de bodemkwaliteit kan worden verlangd zijn: 1. Het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening; 2. Het bouwen van een bouwwerk. Het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening

Met het plan wordt de voormalige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning conform de feitelijke situatie. Het bijbehorende perceel wordt omgezet van ‘agrarischbedrijf’ naar `agrarisch-onbebouwd’. Daarom is er vanuit het oogpunt van de bodem geen sprake van een verschuiving naar een gevoeligere bestemming (de locatie is al tientallen jaren in gebruik als woning met tuin). Het bouwen van een bouwwerk

De aanvraag heeft geen betrekking op het bouwen van een bouwwerk. Daarom is inzicht in de bodemkwaliteit in dat kader niet aan de orde. Voor de locatie Boterstraat 18 is echter wel een bodemonderzoek uitgevoerd, zie voor het complete rapport bijlage 2. In dit onderzoek is geconcludeerd dat gezien de 17

resultaten uit het vooronderzoek mag worden verondersteld dat het niet waarschijnlijk is dat er verontreiniging heeft plaatsgevonden op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie kan als onverdacht worden beschouwd, zodat aanvullend veldonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning wordt niet belemmerd uit oogpunt van de bodemkwaliteit.

4.3. Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: • •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

De ‘Lijst van Bedrijfsactiviteiten’, die als bijlage bij de regels van voorliggend bestemmingsplan is opgenomen, is gebaseerd op de veldinventarisatie die is verricht ten behoeve van het inventarisatierapport en de gemeentelijke bedrijvenlijst. Zowel de veldinventarisatie als de gemeentelijke bedrijvenlijst betreffen momentopnames. De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. De om te zetten woning is een milieugevoelige functie die beschermd dient te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende (agrarische) bedrijven of instellingen en anderzijds mogen die bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Nabij de planlocatie is een tweetal glastuinbouwbedrijven gelegen. Aangezien de locatie Boterstraat gelegen is in een omgeving die gekenmerkt wordt als gemengd gebied, dient de afstand tot deze bedrijven 10 meter of meer te bedragen. De afstand tussen de bouwvlakken is dermate groot dat aan deze afstand kan worden voldaan. Daarbij is één van de bestemde glastuinbouwbedrijven opgekocht door een projectontwikkelaar welke hier op termijn woningen wil realiseren. Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan de richtafstanden welke in het kader van de richtlijn bedrijven en milieuzonering gehanteerd moeten worden.

de voorliggende omzetting levert daarmee geen belemmering op voor nog actieve omliggende bedrijven. Bij besluitvorming omtrent (wijziging van) een ruimtelijk plan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of het plan niet in strijd is met het ruimtelijke ordeningsrecht. Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad. De woning kan voldoen aan de richtafstanden die gelden en vormen dan ook geen belemmering voor de omliggende bedrijven. Anderzijds is in de woning sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

18

4.4. Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • •

negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3% is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde NIBM).

Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er zal functieverandering plaatsvinden van een bedrijfswoning naar een woonbestemming. Het bestaande woon- en leefklimaat zal niet veranderen. Het planvoornemen draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie fijn stof. Er is tevens geen sprake van een intensiever gebruik van de locatie. De bestaande feitelijke situatie wijzigt niet. In de woning wordt gewoond, zowel in de oude als in de nieuwe situatie. Het bestaande woon- en leefklimaat blijft identiek. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.

4.5. Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Aangezien het in de voorgenomen ontwikkeling gaat om een woning is er sprake van een nieuw geurgevoelig object. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen geur belastende functies aanwezig. Er zijn ook geen veehouderijen met geurcontouren in de directe

19

omgeving aanwezig, die een negatief effect op de voorgenomen ontwikkeling kunnen hebben. Op het gebied van geur bestaan er dus geen belemmeringen.

4.6. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buiten stedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). In de onderhavige situatie betreft het een omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Voor een dergelijke omzetting behoeft geen onderzoek naar wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Industrie en spoor- en vaarweglawaai

In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen bedrijven gelegen welke een geluidbelasting op de ontwikkeling hebben. Een spoorweg is op dusdanige afstand van de planlocatie gelegen dat geen sprake kan zijn van een bovenmatige geluidsbelasting. Vaarwegen komen tevens niet voor in de nabijheid van het plangebied. Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.7. Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Het plan voorziet in het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het plan maakt zelf geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk en vormt daarmee geen risicobron. Het wettelijk kader voor externe veiligheid wordt gevormd door diverse besluiten en circulaires: ▪

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en bijbehorende regeling (Revi);

▪

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations;

▪

Circulaire effectafstanden externe veiligheid LNG-tankstations;

▪

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en bijbehorende regeling (Revb);

▪

Structuurvisie buisleidingen;

▪

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Regeling basisnet;

▪

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en bijbehorende regeling (Rarro);

Beschrijving toetsingskader

20

Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Vuurwerkbesluit. Dit besluit geeft veiligheidsafstanden voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk. Beleidsplan Externe veiligheid gemeente Venlo. Op 25 januari 2012 heeft de gemeenteraad van Venlo het ‘Beleidsplan Externe veiligheid gemeente Venlo 2012-2015’ vastgesteld. In het beleidsplan wordt antwoord gegeven op de vraag welke risiconiveaus acceptabel worden gevonden en welke niet. Het beleidsplan heeft geen wettelijke basis, maar is wel door de gemeenteraad van Venlo vastgesteld, waardoor het een kaderstellend beleidsstuk is. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen is aangegeven dat gemeenten die over een beleidsplan, met aandacht voor externe veiligheid beschikken, tot een lichtere invulling van de verantwoordingsplicht kunnen komen. Belangrijke afwegingen zijn immers al in het beleidsplan externe veiligheid gemaakt. Het beleidsplan is richtinggevend voor het kader in onder andere ruimtelijke plannen. Conform de belemmeringskaart externe veiligheid van de gemeente Venlo is het besluitgebied niet gelegen binnen een invloedsgebied van omringende bedrijven.

Inventarisatie van risicobronnen

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen; en (ondergrondse) buisleidingen. In onderhavig planvoornemen is geen sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object (woning is aanwezig en blijft aanwezig). Het beleid is derhalve niet van toepassing. Desalniettemin is er een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. De navolgende risicobronnen liggen in de omgeving: ▪

▪

▪

▪

21

Basisnetroute weg (A67 afrit 41 (Venlo) – Duitse grens); Op ongeveer 1500 meter van het plangebied ligt de A67, dit is een basisnetroute die valt onder het Bevt. Op basis van de Regeling basisnet vindt hierover onder andere vervoer van toxische gassen (GT4) plaats. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied (1%letaliteitszone van >4.000 meter1) van de A67 en hiermee is deze risicobron relevant voor externe veiligheid. Provinciale weg (N271: Well – A67 Afrit Velden); Het plangebied ligt op zo’n 740 meter van de N271, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het invloedsgebied van de weg is 355 meter. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied, hiermee is deze weg relevant voor externe veiligheid. Provinciale weg (Klagenfurtlaan: Europaplein – Duitse grens); Het plangebied ligt op zo’n 200 meter van de Klagenfurtlaan, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het invloedsgebied van de weg is 355 meter. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied, hiermee is deze weg relevant voor externe veiligheid. Basisnetroute spoor; Op meer dan 2 kilometer van het plangebied ligt een spoorlijn, dit is een basisnetroute die valt onder het Bevt. Hierover vindt onder

▪

andere vervoer van toxische gassen (stofcategorie B2) plaats. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied (1%-letaliteitszone van 995 meter1) van het spoor en is hiermee dus niet relevant voor externe veiligheid. BEVI-inrichting (Emplacement Venlo); Op meer dan twee kilometer van het plangebied bevindt zich een emplacement. Deze inrichting valt onder de werkingssfeer van het Bevi en kent een invloedsgebied van 995 meter (op basis van stofcategorie B2). Het plangebied valt hier buiten en hiermee is deze inrichting niet relevant voor externe veiligheid.

Toetsing aan normen externe veiligheid

Zoals hierboven staat zijn de A67 en de Klagenfurtlaan relevante risicobronnen. Om die reden dient getoetst te worden aan het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar van de A67 is 27 meter, het plan ligt hierbuiten. Ook moet getoetst worden aan het groepsrisico. Omdat de A67 op meer dan 200 meter van het plangebied ligt, kan volgens het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Venlo worden aangesloten bij de standaard verantwoording van het groepsrisico. De Klagenfurtlaan heeft geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar en daarmee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het plan. Omdat de Klagenfurtlaan op meer dan 200 meter van het plangebied ligt, kan volgens het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Venlo worden aangesloten bij de standaard verantwoording van het groepsrisico.

4.7.1.Standaard verantwoording groepsrisico Bij zone III (vanaf 200 meter tot einde invloedsgebied) dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. Onderstaande tekst kan overgenomen worden bij een ruimtelijk plan dat zich in deze zone bevindt. Ontwikkeling groepsrisico

Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: • • •

de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: ▪ ▪

toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is.

De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval

Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

22

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert.

4.7.2.Conclusie Met inachtneming van de standaard verantwoording van het groepsrisico kan worden gesteld dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de planwijziging.

4.8. Cultuurhistorie en Archeologie Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een bestemmingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historischbouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. Er is alleen sprake is van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er vinden geen ingrepen in de bodem plaats en het onderhavige plan biedt geen grotere mogelijkheden voor bebouwing dan het vigerende bestemmingsplan. Cultuurhistorischeen archeologische waarden kunnen hierdoor niet aangetast worden. Hierdoor is er geen verdere aanleiding voor nader onderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/285/documents/7944