032 Bijlage 7 bestemmingsplan Vossen-Breuers, bijlagen toelichting.pdf
Tekst van het document
BIIb Cumulatieve geluidbelastingen en eis gevelgeluidwering
BIJLAGE III Verstrekte verkeersgegevens
Voor het maatgevende jaar vanwege de autonome groei uitgaan van een weekdaggemiddelde van 8300 mvt. (autonome groei van 1% per jaar). Voor de verdeling in dag/avond en nachtperiode en de verdeling in voertuigcategorieën gelieve uit te gaan van de verdeling zoals vastgesteld op basis van onderstaande telling uit 2021.
Verkeersverdeling Roermondseweg.
BIJLAGE IV Plankaart met kavel/woningnummers
Verkennend bodemonderzoek Roermondseweg 17 te Tegelen MA200003.005.R01.V1.3 17 maart 2022
Verkennend bodemonderzoek Roermondseweg 17 te Tegelen Documentnummer MA200003.005.R01.V1.3 17 maart 2022
Opdrachtgever Lavertuur Planontwikkeling Maidstone 24 5026SK Tilburg
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Functie
Naam
Auteur
Caroline Mariotti
Projectleider Milieu
Mitch Franzen
MA200003.005.R01.V1.3
Paraaf
2 van 32
Inhoud 1
Inleiding ..........................................................................5
2
Achtergrondinformatie............................................. 7
2.1
Algemeen
7
2.2
Situering onderzoekslocatie
7
2.3
Historie
7
2.4
Vergunningen
8
2.5
Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie
10
2.6
PFAS
15
2.7
Ontplofbare oorlogsresten (OO)
15
2.8
Archeologie
15
2.9
Terreininspectie
15
2.9.1
Fase 1..........................................................................................................................................................15
2.9.2
Fase 2 .........................................................................................................................................................15
2.10
Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie
2.10.1
Asfalt..........................................................................................................................................................16
2.10.2
Fundatie en onderliggende bodem..................................................................................................17
2.10.3
PFAS...........................................................................................................................................................18
2.10.4
Asbest in bodem/puin..........................................................................................................................18
3
Veldwerk en analyses ..............................................19
3.1
Onderzoeksprogramma
19
3.2
Samenstelling en analyseparameters bodem-monsters
20
3.3
Veldwerk verkennend bodemonderzoek
20
3.4
Bodemprofiel
20
3.4.1
Fase 1 (boringen 001 t/m 024) ............................................................................................................21
3.4.2
Fase 2 (boringen 010A t/m 010E en 101 t/m 106) ..........................................................................21
3.5
Watermonstername
21
3.6
Veldwerk verkennend asbestonderzoek
21
4
Toetsingskader .......................................................... 24
4.1
Wet bodembescherming
24
4.2
Handelingskader PFAS
24
4.3
Besluit en Regeling bodemkwaliteit
24
4.4
Niet-vormgegeven bouwstoffen
24
4.5
Asbest in bodem/puin
25
4.6
Asfalt
25
4.7
Veiligheidsmaatregelen CROW 400
25
5
Asfalt ............................................................................. 26
5.1
Veldwerk
5.1.1
Dikte asfalt .............................................................................................................................................. 26
MA200003.005.R01.V1.3
16
26
3 van 32
5.2
Analyseresultaten
26
5.3
Interpretatie
27
6
Grond en grondwater ............................................... 28
6.1
Milieuhygiënische analyses
6.1.1
Asbest ....................................................................................................................................................... 29
7
Conclusies en aanbevelingen ................................31
7.1
Conclusies
31
7.2
Aanbevelingen
32
28
Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Overzicht bronnen vooronderzoek Bijlage 8 Situatietekening Bijlage 9 Toelichting berekening veiligheidsklassen (CROW 400)
MA200003.005.R01.V1.3
4 van 32
1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Lavertuur Planontwikkeling een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van een reconstructie ter plaatse van de locatie Roermondseweg 17 te Tegelen. De aanleiding voor de uitvoering van dit bodemonderzoek is de geplande herontwikkeling van de locatie ter plaatse (A&P/Lückerlocatie, bouwingsvoorstel uit 43 woningen en appartementen). In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Het verkennend onderzoek is in 2 delen opgesplitst, namelijk het onderzoek vóór de sloop (fase 1) en het onderzoek ná de sloop (fase 2). In het kader van de voorgenomen werkzaamheden wordt de milieuhygiënische kwaliteit van het asfalt, het funderingsmateriaal en eventueel de grond of het grondwater bepaald. Doel van het verkennend bodemonderzoek omvat diverse punten, te weten: •
beoordelen of in het kader van de Wet bodembescherming mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
•
beoordelen of uitkomend (bodem)materiaal voor hergebruik in aanmerking komt, onder de voorwaarden van hergebruik (Besluit bodemkwaliteit en eventueel civieltechnisch).
•
bepalen van de voorlopige veiligheidsklassen voor de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van de Arbo-wetgeving (CROW 400).
•
beoordelen of het uitkomend (bodem)materiaal verdacht is op de aanwezigheid van asbest.
Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017), de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V. en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek.
Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten.
MA200003.005.R01.V1.3
5 van 32
Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven. Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd.
MA200003.005.R01.V1.3
6 van 32
2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. De hierbij gehanteerde bronnen zijn opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.
2.2 Situering onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft de Roermondseweg 17 te Tegelen (voormalige sigarenfabriek). In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 8 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie
Circa 12.400 m2
Maaiveldhoogte
Circa 20,44 m + NAP
X-coördinaat, Y-coördinaat
X: 206.978 Y: 372.370
Kadastrale gegevens Kadastrale aanduiding gemeente Tegelen
Opp. (m²)
Eigenaar
Sectie A, nummer 9571
491
Sectie A, nummer 9230
624
Sectie A, nummer 9198
2.129
Sectie A, nummer 9197
730
Sectie A, nummer 7981
3.049
Sectie A, nummer 7980
30
Sectie A, nummer 7473
1.515
Sectie A, nummer 7472
2.032
Sectie A, nummer 6640
725
Sectie A, nummer 6639
685
Van Wijnen Ontwikkelingsgronden Zuid BV.,
Sectie A, nummer 6575
605
Baarnsche dijk 14 TE BAARN
Sectie A, nummer 6375
153
Van Wijnen Ontwikkelingsgronden Zuid BV., Baarnsche dijk 14 TE BAARN
Gemeente Venlo, Garnizoenweg 3 TE VENLO
2.3 Historie Op basis van de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat de eerst raadpleegbare kaarten dateren van ca. 1825. De onderzoekslocatie bestaat vanaf de periode 1825 uit agrarisch gebied. Ten noordwesten van de locatie bevindt zich de Maas. De weg ten oosten van de locatie is in deze periode reeds aanwezig. De Roermondseweg, ten westen van de locatie, is vanaf 1850 waarneembaar. Vanaf ca. 1935 is de locatie bebouwd met een (voormalige) sigarenfabriek.
MA200003.005.R01.V1.3
7 van 32
In de directe omgeving van de locatie bevindt zich voornamelijk bebouwing (bedrijven en woonhuizen). Vanaf eind jaren ‘40 breidt de bebouwing in de omgeving van de locatie substantieel uit. In 1961 is de sigarenfabriek op de locatie verbouwd en de bestemming gewijzigd naar grossierderij. In 1969 is de bestemming nogmaals gewijzigd en is een cartonnagebedrijf gevestigd op de locatie. Omstreeks 1972 is de bebouwing uitgebreid. Daarnaast is op de locatie in het verleden een meubelzaak (A&P Meubelen) gevestigd geweest. In 2000 is een ondergrondse rioolbuffer aangelegd ter plaatse van het zuidelijk terreindeel van de onderzoekslocatie (achter Riethstraat huisnummer 8 en 10). Op de locatie is omstreeks 2008 een deel van de bebouwing gesloopt. Momenteel vinden geen activiteiten meer op de locatie plaats. Daarnaast hebben in 2020 t/m 2022 sloopwerkzaamheden plaatsgevonden van de meubelzaak en een aantal andere gebouwen aan de oostzijde van de onderzoekslocatie. Het buitenterrein is grotendeels verhard met asfalt. Het overige deel van het buitenterrein is voorzien van gras en groenvoorziening. Ter hoogte van de groenvoorziening hebben reeds in het verleden sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. Enkele uitsneden van historisch kaartmateriaal is opgenomen in onderstaande Figuur 2.1. 1900
1945
1970
2000
Figuur 2.1: uitsneden historische kaarten
2.4 Vergunningen In de archieven van de gemeente Tegelen zijn voor de onderzoekslocatie de volgende gegevens bekend omtrent: •
voormalige Hinderwet, Wet milieubeheer, Bouwvergunningen c.q. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), sloopvergunningen.
•
archief BOOT (Besluit Opslaan Ondergrondse Tanks).
In Tabel 2.2 staan de resultaten van het archiefonderzoek vermeld.
MA200003.005.R01.V1.3
8 van 32
Tabel 2.2: overzicht vergunningen die ter beschikking zijn gesteld Hinderwet, Wet milieubeheer, bouw- en sloopvergunningen Dossiernummer, datum vergunning
Omschrijving
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
1002/21, d.d. 16 maart 1933
Bouwen van een sigarenfabriek
Gemeente Tegelen,
Aanvraag bouwvergunning
d.d. 20 oktober 1933
Bouwen van een tuinmuur (vergunning niet aanwezig in dossier)
Gemeente Tegelen,
Hinderwetvergunning
d.d. 23 februari 1934
Oprichten van een sigarenfabriek
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
1002/35, d.d. 8 maart 1934
Bouwen van een gegolfd plaat-ijzeren loods
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
4800-279, d.d. 14 december 1961
Verbouwen van de fabriek (van bestemming sigarenfabriek naar grossierderij)
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
4800-170, d.d. 30 augustus 1962
Optrekken van de bestaande liftschacht
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
4800-277, d.d. 18 juni 1969
Verbouwen van een magazijn tot cartonnagebedrijf
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
4800-109, d.d. 16 april 1970
Bouwen van een auto- en rijwielstalling
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
4800-122b, d.d. 30 september 1971
Plaatsen van een hekwerk
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
37, d.d. 2 maart 1972
Het bouwen van een productiehal
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
75, d.d. 27 april 1972
Bouwen van een magazijn
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
170, d.d. 27 juni 1974
Uitbreiden van de bestaande cartonnagefabriek
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
277, d.d. 18 november 1974
Uitbreiding/vergroten van de bestaande productiehal
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
3, d.d. 6 januari 1975
Uitbreiden van de voertuigenstalling en de fabrieksruimte
Gemeente Tegelen,
Aanvraag bouwvergunning
d.d. 25 april 1975
Veranderen van voertuigenstalling en fabriek naar kantine en directiekantoor (gunstig advies – vergunning niet aanwezig in dossier)
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
100, d.d. 2 juni 1975
Plaatsen van een autostalling
Gemeente Tegelen,
Bouwvergunning
d.d. 14 juli 2008
Veranderen van een fabriek in 12 appartementen en vrijstelling bestemmingsplan
Uit de geraadpleegde bronnen (o.a. BOOT-archief) blijken geen gegevens die duiden op de aanwezigheid van één of meerdere tanks op de onderzoekslocatie.
MA200003.005.R01.V1.3
9 van 32
2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie In Tabel 2.3 staat de bodemopbouw, geohydrologie, gegevens Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer en een samenvatting van de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie vermeld. Tabel 2.3: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en -kwaliteit Bodemopbouw Diepte in m-mv
Omschrijving
Opmerkingen
[0 - 3,8]
Formatie van Boxtel, tweede tot vierde
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn
zandige eenheid
zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
[3,8 - 15]
Formatie van Beegden, eerste tot derde
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind
zandige eenheid
en midden zand, met weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken
[15 - 22,6 ]
Kiezeloöliet Formatie, eerste kleiige eenheid
Formatie van Beegden, tweede zandige eenheid
[> 22,6 ]
Kiezeloöliet
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof
Formatie,
tweede
zandige
eenheid
zand, met weinig klei, zandige klei, fijn zand en grind en een spoor bruinkool
Geohydrologische gegevens Hoogte freatisch grondwater
Circa 16,79 m + NAP / Circa 3,65 m-mv
Stromingsrichting grondwater
Westen
Ligging van oppervlaktewater op en/of nabij de locatie
Ja, de Maas ten westen van de locatie
Het voorkomen van brak of zout grondwater
Nee
Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied
Nee
Aanwezigheid van grondwateronttrekkingen op de locatie of in de omgeving
Nee
Aanwezigheid van breukstelsels op of nabij de locatie
Nee
Bodemkwaliteitskaart / Nota bodembeheer Kenmerk, datum
Omschrijving
2015.004.R1, d.d. 25 januari 2016
Bodemkwaliteits- en bodemfunctieklassenkaart Gemeente Venlo 2016-2021
Deelgebied
Wonen en Werken
Bodemfunctieklasse
Wonen
Ontgravingsklasse
Bovengrond (0-0,5 m-mv): Wonen Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): AW2000
Bodemonderzoeken ter plaatse van onderzoekslocatie Kenmerk, datum
Omschrijving
Milieuburo,
Verkennend bodemonderzoek
99-1085-04,
Spoorstraat ong. te Tegelen (Rioolbuffer)
d.d. 16 februari 2000 Doel van het onderzoek is het bepalen van de kwaliteit van de te ontgraven partij grond, die vrij zal komen bij de aanleg van de rioolbuffer.
De bovengrond is licht verontreinigd met koper en PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Econsultancy BV.,
Verkennend bodemonderzoek
00061272A,
Spoorstraat/Riethstraat te Tegelen
MA200003.005.R01.V1.3
10 van 32
Bodemopbouw d.d. 7 september 2000
Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een mogelijke bestemmingsplanwijziging alsmede de bouwverordening.
De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met zware metalen, OAK en minerale olie. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met zink. Milieutechnisch Adviesbureau Heel bv
Verkennend bodemonderzoek
372LEP/04/R,
Roermondseweg te Tegelen
d.d. 28 juli 2004 De onderzoekslocatie betreft het bedrijfsterrein van de voormalige meubelfabriek A&P en de woning met tuin gelegen aan de Roermondseweg 23. Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen eigendomsoverdracht, bestemmingsplanwijziging en bouw ter plaatse van de onderzoekslocatie. In de funderingslaag zijn licht verhoogde gehalten aan zink en minerale olie en een licht tot matig verhoogd gehalte aan PAK aangetoond.
In de bodemlagen onder deze funderingslaag zijn licht verhoogde gehalten aan lood, zink en PAK aangetoond. In de bodemlaag op het asfalt is plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan lood aangetoond. In de zowel oorspronkelijk boven- als ondergrond overschrijdt geen van de onderzochte parameters de streefwaarde.
In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan nikkel aangetoond. Het asfalt ter plaatse van de onderzoekslocatie kan als niet teerhoudend worden afgevoerd. Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV, BV/29253, d.d. 12 november 2007
Aanvullend rapport Roermondseweg 17-23 te Tegelen - Bovengrond geen verontreinigingen - Ondergrond: plaatselijk minerale olie > S G - Geen grondwater onderzocht Vervolgonderzoek: geen vervolgonderzoek. Opmerking: De extra verrichte boringen zijn wel verricht maar de juiste tekening ontbreekt.
Tebodin,
Oriënterend bodemonderzoek
d.d. 23 januari 2007
Roermondseweg (ong.)/ Rietstraat 6/ Spoorstraat 60 te Tegelen
De
aanleiding
voor
het
verkennend
bodemonderzoek
is
de
voorgenomen
bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.
Uit het onderzoek blijkt dat in de bovengrond geen van de onderzochte parameters verhoogd t.o.v. de streefwaarde worden aangetoond.
In de ondergrond wordt een lichte verhoging t.o.v. de streefwaarde aangetoond voor pak’sTotaal aangetoond.
In het grondwater worden lichte verhogingen t.o.v. de streefwaarde aangetoond voor chroom, koper en nikkel. Adviesbureau Asbestsanering Sloop-
Rapportage volledige asbestinventarisatie
werken b.v.,
Roermondseweg 17 te Tegelen
MA200003.005.R01.V1.3
11 van 32
Bodemopbouw 2006.355,
Volledige asbest inventarisatie voor de aanvang van de sloopvergunning. Asbest is
d.d. 15 januari 2007
aangetroffen.
HMB,
Vooronderzoek
20306603H,
Roermondseweg 17 te Tegelen
d.d. 22 januari 2021 Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning.
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat onderzoekslocatie verdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest in verband met de aangetroffen puinresten in de bodem bij voorgaande bodemonderzoeken. De herkomst van de puinresten is onbekend zodat niet uitgesloten kan worden dat het puin asbesthoudende materialen bevat. Daarnaast blijkt uit de voorgaande bodemonderzoeken dat in de grond kolengruis en sintels zijn aangetroffen en analytisch licht verhoogde gehalten metalen, minerale olie en PAK zijn aangetoond.
Gelet op de ouderdom van de voorgaande bodemonderzoeken, het in het algemeen heterogene karakter van verontreinigingen in “ophooglagen” en het feit dat de destijds gekozen onderzoeksopzet niet geheel overeenkomt met de NEN 5740 wordt geadviseerd tevens een (actualiserend) verkennend bodemonderzoek uit te voeren. HMB,
Verkennend onderzoek asbest
21215201A,
Roermondseweg 17 te Tegelen
d.d. 7 april 2021 Aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het terrein.
De bovengrond is licht en plaatselijk sterk verontreinigd met kobalt. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetoond. Er zijn geen (grove) asbestverdachte materialen aangetroffen op het maaiveld (voor zover waarneembaar) en in het uitkomende materiaal. Het grondwater is sterk verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met barium, cadmium, kobalt en koper. Geonius Milieu BV,
Vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek
MA190987.012.R01.V1.0,
Spoorstraat 60 te Tegelen
d.d. 25 november 2021 Aanleiding voor dit verkennend bodemonderzoek vormt de voorgenomen verkoop van de locatie.
De bovengrond (0-0,5 m-mv) is plaatselijk (oprit langs woonhuis/moskee huisnummer 60A) licht verontreinigd met PAK en zware metalen. Ter plaatse van proefgat 101 zijn in de bovengrond geen pcb’s aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater in peilbuis 02 is licht verontreinigd met nikkel, cadmium en barium. Zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetoond. Geonius Milieu BV,
MTO herinrichting Spoorstraat-Roermondseweg Tegelen
MA190987.015.R01.V1.0, d.d. 7 maart 2022
MA200003.005.R01.V1.3
12 van 32
Bodemopbouw De aanleiding voor de uitvoering van dit bodemonderzoek is de geplande reconstructie ter plaatse waarbij tot maximaal 4,0 m-mv zal worden gegraven.
Uit de PAK-marker testen blijkt dat een deel van het asfalt als teerhoudend beschouwd dient te worden. In overleg met de opdrachtgever is besloten om geen aanvullende PAK-analyses uit te voeren. Derhalve dient het gehele asfaltpakket als teerhoudend te worden beschouwd.
Over het algemeen worden lichte verontreingingen aan diverse zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie aangetoond. Ter plaatse van boring 107 is een sterke verontreiniging met PAK aangetoond. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties gemeten t.o.v. de streefwaarde.
In proefgat 105 en 106 is asbesthoudend plaatmateriaal waargenomen. In de fijne fractie is analytisch geen asbest aangetoond. Na berekening blijkt dat ter hoogte van proefgat 105 en 106 de helft van de interventiewaarde dan wel de interventiewaarde voor asbest wordt overschreden.
Aanbevolen wordt om de sterke PAK-verontreiniging ter hoogte van boring 107 nader te onderzoeken. Daarnaast wordt aanbevolen om de verontreiniging met asbest ter hoogte van proefgat 105 en 106 nader te onderzoeken. Bodemonderzoeken in directe omgeving onderzoekslocatie Kenmerk, datum
Omschrijving
Milieutechnisch Adviesbureau Heel bv,
Verkennend bodemonderzoek
503VDL/07/R1,
Roermondseweg 15 te Tegelen
d.d. 12 november 2007 Uit de analyseresultaten blijkt dat de bodem licht verontreinigd is met koper, lood, nikkel, zink, PAK, EOX en minerale olie. Milieutechnisch Adviesbureau Heel bv,
Nader bodemonderzoek
128VWI/09/R1,
Roermondseweg 15 te Tegelen
d.d. 27 maart 2009 Doel van het nader bodemonderzoek is het vaststellen of de EOX gehalten (trigger) zoals aangetoond in het verkennend bodemonderzoek worden bevestigd / danwel het inkaderen van de destijds aangetoonde verhoogde EOX gehalten in de bodem.
Middels het voorgaand onderzoek is gebleken dat in MM1 van de bovengrond licht verhoogde gehalten aan lood, zink en PAK zijn aangetoond. In MM2 (boring 1 en 2) van de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan koper, load, nikkel, zink, PAK, minerale olie en EOX (trigger) aangetoond. In MM3 van de ondergrond is een licht verhoogd EOX gehalte (trigger) aangetoond. In het verkennend onderzoek is geadviseerd MM2 op te splitsen en te analyseren op de parameter EOX. Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat de aanwezigheid van een verhoogd EOX gehalte niet wordt bevestigd. Geonius Milieu BV,
Bodemonderzoek rioolreconstructie
MA-120040.001,
Riethstraat/Spoorstraat te Tegelen
d.d. 1 mei 2012
MA200003.005.R01.V1.3
13 van 32
Bodemopbouw De aanleiding voor de uitvoering van dit bodemonderzoek is de geplande (riool)reconstructie.
Niet vormgegeven bouwstof Spoorstraat Het funderingsmateriaal ter hoogte van de Spoorstraat is plaatselijk sterk verontreinigd met zware metalen en plaatselijk matig verontreinigd met PAK (> TW). Naast bovengenoemde verhogingen zijn in de geanalyseerde (meng)monsters worden diverse zware metalen, PAK en/of minerale olie in licht verhoogde mate aangetoond (> AW2000) ter hoogte van de Spoorstraat. Opgemerkt wordt dat in de onderliggende bodemlagen deze verontreinigingen niet of in licht verhoogde mate zijn aangetroffen.
Grond Riethstraat De funderingslaag ter hoogte van de Riethstraat is plaatselijk matig tot sterk verontreinigd met PAK (> IW). Plaatselijk wordt PAK, zware metalen en/of minerale olie in licht verhoogde mate aangetoond (> AW2000). Daarnaast zijn zware metalen aangetroffen in licht verhoogde gehalte.
Grond Spoorstraat Uit analyseresultaten blijkt dat het funderingsmateriaal licht verontreinigd is met lood, zink en PAK (> AW2000). Gemeente Venlo,
BUS-melding
GOKBE/12/9676,
Riethstraat/Spoorstraat te Tegelen
d.d. 15 mei 2012 Vanaf 27 juni 2012 kan gestart worden met de sanering. Geonius Milieu BV,
Aangepast evaluatieverslag sanering
MA-120040-001C.B03,
Riethstraat/Spoorstraat te Tegelen
d.d. 12 september 2013 Uit het evaluatieverslag blijkt dat de sanering conform de melding d.d. 15 mei 2012 is uitgevoerd. In totaal is ca. 575 m³ sterk verontreinigde grond afgevoerd. In afwijking op de BUS-melding is toch een beperkte hoeveelheid gecertificeerd zand aangeleverd. Deze afwijking heeft echter geen invloed op het resultaten van de sanering.
In een voorgaand bodemonderzoek (HMB, 21215201A, d.d. 07.04.2021) is plaatselijk een licht tot sterke verontreiniging met kobalt aangetroffen op de onderzoekslocatie. Deze verontreiniging is aangetroffen ter plaatse van de in 2022 gesloopte bebouwing, en is tijdens fase 2 onderzocht. Verder is een sterke verontreiniging met PAK en asbest aangetoond in onderzoek MA190987.015.R01.V1.0 (Geonius Milieu BV, d.d. 7 maart 2022). Deze verontreinigingen zullen nader worden onderzocht in project MA190987.015. In de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn meerdere bodemonderzoeken dan beschreven uitgevoerd. Deze hebben, gezien de aard en afstand van deze onderzoeken ten opzichte van de onderzoekslocatie, geen invloed op de bodemkwaliteit ter plaatse.
MA200003.005.R01.V1.3
14 van 32
2.6 PFAS In opdracht van Provincie Limburg is een historisch onderzoek uitgevoerd naar specifieke PFAS‐verdachte locaties binnen de gehele provincie. Hierbij is een inventarisatie gemaakt op basis van UBI‐codes. Onderhavige onderzoekslocatie komt in deze inventarisatie niet naar boven. Onderhavige onderzoekslocatie is derhalve geen verdachte locatie (puntbron) voor PFAS. De locatie is derhalve niet verdacht op de aanwezigheid van PFAS, anders dan de verdenking op het diffuus voorkomen van PFAS.
2.7 Ontplofbare oorlogsresten (OO) De onderzoekslocatie is op basis van de risicokaart van gemeente Venlo gelegen in een gebied dat verdacht is voor “ontplofbare oorlogsresten”(kans op tot verhoogde kans op aantreffen explosieven). Op basis van de historische gegevens blijkt echter dat naoorlogs dermate veel grondroeringen (aanleg omheining/muur, bouwen fabriek en loods, uitbreidingen en wijzigingen van de fabriek en loods, bouw stalling, sloopwerkzaamheden, etc.) hebben plaatsgevonden waardoor de verwachting op het aantreffen van “ontplofbare oorlogresten” laag is.
2.8 Archeologie Uit de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart van de gemeente Venlo blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een gebied waarvoor een lage archeologische verwachting geldt.
2.9 Terreininspectie 2.9.1 Fase 1 Op 7 oktober 2020 is door de heer B.M.D.M. Houben een terreininspectie uitgevoerd. Er is bebouwing (oude sigarenfabriek) aanwezig, parkeerplaats en een buitenterrein. Het buitenterrein is grotendeels verhard met asfalt. Het overige deel van het buitenterrein is voorzien van gras en groenvoorziening. In de achtertuin is opslag van kleine bouwmaterialen vastgesteld. Tijdens de terreininspectie blijkt dat een deel van de locatie niet bereikbaar is. Het betreft het gedeelte achter Riethstraat 8 t/m 12. Tijdens het terreininspectie is het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie waargenomen in de vorm van plaatmateriaal.
2.9.2 Fase 2 Op 3 maart 2022 is door de heer N. Godschalk een terreininspectie uitgevoerd. Ten tijde van de terreininspectie is gebleken dat alle bebouwing op de locatie gesloopt is. Daarnaast is ook de asfaltverharding volledig verwijderd. Op een deel van de locatie is puingranulaat aangebracht. Her en der zijn hopen met slooppuin aanwezig. Tijdens het terreininspectie is het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie waargenomen in de vorm van plaatmateriaal.
MA200003.005.R01.V1.3
15 van 32
2.10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 2.10.1 Asfalt Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK-gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). In deze richtlijnen zijn eisen aangegeven voor de acceptatie van asfaltgranulaat. Op basis van historisch vooronderzoek en een visuele inspectie van het te frezen/ op te breken weggedeelte worden eventueel te onderscheiden vakken aangegeven. Naast het “gewone” wegvak dient rekening gehouden te worden met “bijzondere weggedeelten” vakken zoals bushaltes, opstelvakken, reparatievakken, naden, etc. In onderstaande Tabel 2.4 is het minimum aantal boringen per onderzoeksvak aangegeven. Tabel 2.4: minimum aantal boringen per onderzoeksvak Situatie
Minimum aantal boringen per onderzoeksvak
Asfalt dat geheel of gedeeltelijk vóór 1995 is aangelegd Onderzoeksvak < 100 m2
1
Onderzoeksvak < 500 m2
2
Onderzoeksvak ≥ 500 m2
1 per (gedeelte van) elke 500 m2 +1 extra per onderzoeksvak
Asfalt dat volledig na 1994 is aangelegd (het werk wordt beschouwd als één onderzoeksvak) Onderzoeksvak < 1.000 m2 Onderzoeksvak ≥ 1.000 m
2
2 1 boring per (gedeelte van) elke 1.000 m2 +1 extra per onderzoeksvak
Bij zeer grote homogene asfaltoppervlakten (≥ 10.000 m2) is een verminderde onderzoeksinspanning van toepassing.
Bij het plaatsen van de boringen dient volgens CROW publicatie 210 rekening te worden gehouden met onderstaande zaken: •
Als het vak een rijstrook betreft moet de helft van de kernen in de rijsporen en de andere helft buiten de rijsporen worden geboord.
•
Het boren van de asfaltkernen wordt uitgevoerd met een boor met een diameter van minstens 100 millimeter.
•
De asfaltboringen moeten worden doorgezet tot minstens 10 centimeter onder de opgegeven onderzoeksdiepte, maar bij voorkeur tot de onderzijde van het asfalt.
•
De locatie van de asfaltkernen moet worden vastgesteld (bij voorkeur in x- en y-coördinaten) én worden vastgelegd ten opzichte van vaste referentiepunten met een afwijking van maximaal 20 centimeter.
In onderstaande Tabel 2.5 is het minimum te analyseren asfaltanalyses volgens CROW publicatie 210 en BRL 9320, d.d. 24 april 2009, weergegeven. Tabel 2.5: analysestrategie asfalt Hoeveelheid vrijkomend potentieel teervrij asfalt per onderzoeksvak
Minimum aantal analyses
Gehele werk na 1994 aangelegd èn in de PAK- detectorproef
0 analyses
0 -25 ton (alleen indien hele werk < 25 ton)
0 analyses
MA200003.005.R01.V1.3
16 van 32
0-200 ton
1 analyse
200-1.000 ton
2 analyses
1.000-2.000 ton
3 analyses
Elke 2.000 ton meer
1 analyse extra
Op de kernen is een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK-detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken is in eerste instantie bepaald of sprake is van voldoende homogeen asfalt. Indien dit niet het geval is dienen mogelijk aanvullende kernboringen en laagdiktebepalingen en PAKdetectorproeven worden uitgevoerd. Vervolgens dienen PAK in asfalt analyses te worden ingezet om de samenstellingswaarden te bepalen. Conform de CROW publicatie 210 dient bij het samenstellen van de mengmonsters met de volgende zaken rekening te worden gehouden: •
Monsters mogen worden samengesteld uit ten hoogste 3 verschillende lagen, als deze in één keer kunnen worden gefreesd.
•
Per monster mag materiaal van maximaal 3 verschillende boorkernen gebruikt worden.
•
De dikte van het asfaltpakket dat in één (meng)monster mag worden verzameld (totaal van de 3 kernen) bedraagt maximaal 20 centimeter.
•
Als meerdere boorkernen in een onderzoeksvak overeenkomstige lagen bevatten, hoeven niet alle boorkernen bemonsterd te worden. Wel moet asfalt uit de verschillende lagen in het monster aanwezig zijn.
2.10.2Fundatie en onderliggende bodem Op basis van de aangeleverde informatie blijkt dat de onderzoekslocatie in gebruik is als bebouwing, parkeerplaats en groenvoorziening. Ter plaatse van de groenvoorziening hebben reeds in het verleden sloopwerkzaamheden uitgevoerd. Gezien het gebruik van de locatie (parkeerplaats en sloopwerkzaamheden) (aanwezigheid motorvoertuigen, een fundatielaag en mogelijk asbest) is de bodem hier verdacht op bodemverontreiniging (lekkages/spills en uitloging vanuit fundatie). De bodem onder de fundatielaag / bovengrond wordt onderzocht conform strategie “verdacht, diffuus, heterogeen verdeeld, niet lijnvormig” (VED-HE-NL) uit de NEN 5740. De ondergrond is vooralsnog milieuhygiënisch “onverdacht”. In overleg met de opdrachtgever zal het onderzoek in twee fasen worden uitgevoerd. In de eerste fase zullen een aantal boringen rondom de bebouwing worden uitgevoerd om een indicatie van de bodemkwaliteit te verkrijgen. In de tweede fase zullen, na sloop, de resterende boringen worden geplaatst, zodat het onderzoek voldoet aan de NEN 5740. In een voorgaand bodemonderzoek (HMB, 21215201A, d.d. 07.04.2021) is plaatselijk een licht tot sterke verontreiniging met kobalt aangetroffen op de onderzoekslocatie. Deze verontreiniging is aangetroffen ter plaatse van de nog bestaande bebouwing. Het nader onderzoeken van deze verontreiniging is mee genomen in fase 2.
Een deel van de onderzoekslocatie is reeds in 2021 en 2022 onderzocht in onderzoeken die door Geonius Milieu B.V. zijn uitgevoerd (MA190987.012.R01.V1.0, d.d. 25 november 2021 en MA190987.015.R01.V1.0, d.d. 7 maart 2022). Derhalve zullen deze delen van de onderzoekslocatie niet nogmaals worden onderzocht.
MA200003.005.R01.V1.3
17 van 32
2.10.3PFAS Sinds december 2021 is het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” van kracht. Het Handelingskader biedt een landelijk kader voor de omgang met PFAS-houdende grond en baggerspecie. Voor hergebruik is het noodzakelijk om onderzoek te doen naar de stofgroep PFAS (poly- en perfluor alkyl-verbindingen). Gezien de aanleiding van onderhavig onderzoek wordt het stoffenpakket uitgebreid met de stofgroep PFAS. Omdat de locatie onverdacht is ten aanzien van GenX wordt deze niet op deze parameter onderzocht.
2.10.4 Asbest in bodem/puin Verharde terreindelen Het verkennend onderzoek naar asbest in bodem/puin wordt uitgevoerd volgens de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017) dan wel de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017). Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem/puin de hypothese “verdacht” van toepassing is, vanwege de mogelijke aanwezigheid van asbesthoudend plaatmateriaal in het aanwezige fundatiemateriaal. Het asbestonderzoek van het fundatiemateriaal vindt plaats volgens de strategie voor “afgedekte funderingslagen voor kleinschalige locaties” uit de NEN 5897. In aanvulling op de NEN 5897 worden alle gaten ter plaatse van het wegdek uitgevoerd tot onderzijde van de funderingslaag. Onverharde terreindelen Vanwege de aangetroffen asbestverdachte materialen op het maaiveld, de aangetroffen bodemvreemde bijmengingen (baksteen- en betonpuin) tijdens de veldwerkzaamheden alsmede het historisch gebruik en de sloop van een deel van de bebouwing in het verleden, is voor de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem de hypothese “verdacht” van toepassing, waarbij wordt uitgegaan van de strategie “heterogeen verdacht” (VED-HE) uit de NEN 5707.
Verder is de kans aanwezig dat tijdens de sloop bouwpuin in de bodem terecht is gekomen. Derhalve is na sloop van de bebouwing voor dit deel van de locatie de hypothese "verdacht" van toepassing. Een deel van de onderzoekslocatie is reeds in 2021 en 2022 onderzocht in onderzoeken die door Geonius Milieu B.V. zijn uitgevoerd (MA190987.012.R01.V1.0, d.d. 25 november 2021 en MA190987.015.R01.V1.0, d.d. 7 maart 2022). Derhalve zullen deze delen van de onderzoekslocatie niet nogmaals worden onderzocht. De hiervoor genoemde hypotheses wordt met behulp van dit bodemonderzoek getoetst. In de navolgende hoofdstukken worden de uitgevoerde werkzaamheden en de onderzoeksresultaten besproken.
MA200003.005.R01.V1.3
18 van 32
3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodem- en asbestonderzoek (Deel)locatie en OpperVeldwerk strategie vlakte (m2) Asfaltonderzoek Bodem/ (CROW210) fundering Fase 1 Roermondseweg 17 Ca. 7 kernen 18*0,5 m-mv BG: VED-HE-NL 8.758 4*2,0 m-mv OG: ONV-NL 2*peilbuis
Analyses1) Asfalt
Grond/fundatie
Grondwater
7*PAK-marker test (RAW 77.2) + laagdikte-bepaling (RAW 77.1)\ 3*PAK in asfalt (GCMS)
Bovengrond/Verdachte laag: 4*standaardpakket Ondergrond: 2*standaardpakket
2*standaardpakket
-
Bovengrond/Verdachte laag: 4*PFAS Ondergrond: 2* PFAS
-
Bovengrond/Verdachte laag: 2*standaardpakket Ondergrond: 1*standaardpakket Verdachte laag: 5*kobalt + os/lu
-
4 asbest in grond/puin (NEN 5898)
-
PFAS Roermondseweg 17 BG: VED-HE-NL OG: ONV-NL
Ca. 8.758
-
Fase 2 Roermondseweg 17 BG: VED-HE-NL OG: ONV-NL
Ca. 1.141
-
4*0,5 m-mv 2* 2,0 m-mv
-
-
-
5*1,0 m-mv
-
Ca. 8.758
21 proefgaten (0,3*0,3), waarvan 4 proefgaten tot onderzijde verdachte laag met een maximum van 2 m-mv
-
Verificatie/inkadering kobalt-verontreiniging (onderzoek 2021 (boring 10 /18-40 cmmv)) Asbestonderzoek Fase 1 Roermondseweg 17 (VED-HE/ afgedekte fundatielagen) Fase 2 Roermondseweg 17 (VED-HE) 1)
-
Ca. 1.141
6 proefgaten (0,3*0,3), waarvan 2 2 asbest in grond/puin proefgaten tot onderzijde verdachte (NEN 5898) laag met een maximum van 2 m-mv Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB’s, som-PAK’s (10) en minerale olie Stofgroep PFAS poly‐ en perfluor alkyl‐verbindingen (30‐verbindingen) Standaardpakket grondwater: 9 zware metalen vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform) minerale olie
De chemische analyses van de grond(meng)monsters, de grondwatermonster(s) zijn conform AS3000 uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 (certificaatnummer L28) en AS3000-erkend. De analyses op de stofgroep PFAS zijn eveneens uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam.
MA200003.005.R01.V1.3
19 van 32
De grond(meng)monsters ten behoeve van het asbestonderzoek zijn geanalyseerd op asbest conform NEN 5898. De (meng)monsters hebben een geschat drooggewicht van minimaal 10 kg voor grond en minimaal 25 kg voor puin.
3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Gerelateerd aan de zintuiglijke waarnemingen dan wel analyseresultaten zijn de volgende wijzigingen en/of bijzonderheden te melden: •
Vanwege de aanwezigheid van diverse hoofdbestanddelen en bodemvreemde bijmengingen in de bovengrond zijn in totaal 11 analyses op het standaardpakket landbodem uitgevoerd in plaats van de voorgestelde 9.
•
Wegens het aantreffen van asbestverdacht plaatmateriaal op het maaiveld is één analyse uitgevoerd van dit asbestverdacht plaatmateriaal;
•
Vanwege de aanwezigheid van diverse hoofdbestanddelen en bodemvreemde bijmengingen zijn in totaal 7 analyses op het asbest in grond/puin uitgevoerd in plaats van de voorgestelde 6.
De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740, waarvan een deel zijn aangevuld met de stofgroep PFAS. In Tabel 6.1 (hoofdstuk 4) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. De grondwatermonsters zijn conform de onderzoeksopzet onderzocht op het standaardpakket grondwater uit de NEN 5740:2009. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven.
3.3 Veldwerk verkennend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd van 7 september tot en met 9 september 2020 (fase 1) en op 3 maart 2022 (fase 2) conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerkers die de werkzaamheden hebben uitgevoerd, de heer B.M.D.M. Houben en de heer M. Witteveen (fase 1) en de heer N. Godschalk (fase 2), zijn in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door mevr. N. Vlieks (fase 1 en 2). Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 8. Tijdens de werkzaamheden zijn voor wat betreft de parameter PFAS maatregelen getroffen om contaminatie zoveel als mogelijk te voorkomen, zoals staat omschreven in het “Kennisdocument voor Bemonstering en analyse van PFAS-verbindingen in grond- en grondwater”. Het mechanisch veldwerk is conform BRL SIKB 2100 en de daarbij behorend protocol 2101 (Mechanisch boren versie 4.0, 1 februari 2018) uitgevoerd. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden.
3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden. De boorstaten zijn als bijlage 3 zijn toegevoegd.
MA200003.005.R01.V1.3
20 van 32
3.4.1 Fase 1 (boringen 001 t/m 024) Uit de terreininspectie blijkt dat het maaiveld bestaat uit asfalt, gras en bosgrond. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Vanaf het maaiveld wordt tot de maximaal geboorde diepte (5,0 m-mv) matig fijn zand aangetroffen. Plaatselijk zijn bodemvreemde bijmengingen met beton, baksteen, asfalt, plastic, glas, aardewerk en kolen in diverse gradaties aangetroffen. Onder de asfaltverharding is deels een puinfundering aangetroffen in de vorm van repac (baksteen- en betonpuin). Ter plaatse van het overige deel is een zandfundering aangetroffen met veelal bijmengingen aan baksteen- en betonpuin. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen.
3.4.2 Fase 2 (boringen 010A t/m 010E en 101 t/m 106) Uit de terreininspectie blijkt dat het maaiveld volledig onverhard en braakliggend is. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Vanaf het maaiveld wordt tot de maximaal geboorde diepte (2,0 m-mv) zand aangetroffen. In zowel de boven- als ondergrond worden bijmengingen aan beton, grind, baksteen, plastic, asfalt, stenen, wortels, hout, kolen en/of glas in diverse gradaties aangetroffen. Ter plaatse van boring 101 en 102 is puingranulaat aangebracht. Daar deze laag door de aannemer is aangebracht zal deze niet onderzocht worden. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen.
3.5 Watermonstername Op 18 september 2020 is het grondwater bemonsterd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters, versie 6.0, 1 februari 2018). De monsternemer, de heer M. Witteveen, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van IenW. Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer M. Damen. Voor de watermonstername is de grondwaterstand, zuurgraad, turbiditeit en geleidbaarheid bepaald. Deze zijn weergegeven in Tabel 6.2. De grondwaterstand is locatie- en seizoensgebonden en kan derhalve variëren.
3.6 Veldwerk verkennend asbestonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 7 september tot en met 9 september 2020 (fase 1) en op 3 maart 2022 (fase 2) conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018). De coördinerende veldmedewerkers, de heer B.M.D.M. Houben (fase 1) en de heer N. Godschalk (fase 2), zijn in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van IenW. Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door mevr. N. Vlieks (fase 1 en 2). Voor asbestonderzoek geldt dat bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal protocol 2018 niet van toepassing is en het asbestonderzoek niet onder het BRL SIKB 2000 certificaat kan worden uitgevoerd. Voor onderhavig onderzoek is dat deels het geval. Tijdens het veldwerk waren de omstandigheden als volgt: •
Droog (neerslag <10 mm);
•
Helder (zicht >50 m);
•
Bedekking maaiveld: 75%;
•
Toplaag: zand, los en deels vegetatie.
De inspectie-efficiëntie van de maaiveldinspectie wordt geschat op circa 25%. Vermeld wordt dat de maaiveldinspectie niet conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en
MA200003.005.R01.V1.3
21 van 32
monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018) heeft kunnen plaatsvinden. Bij een inspectieefficiëntie lager dan 50% is de waarde van een maaiveldinspectie namelijk onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de toplaag. De maaiveldinspectie kan derhalve ook niet dienen om de onderzoekstrategie (eventueel) bij te stellen. Naar aanleiding van de maaiveldinspectie is op het maaiveld ter plaatse van boring 002 asbestverdacht materiaal aangetroffen (plaatmateriaal). Van de stukken materiaal is een representatief monster genomen, gelabeld en opgestuurd naar het laboratorium voor analyse op asbest conform NEN 5896. In paragraaf 6.1.1. zijn de analyseresultaten van dit plaatmateriaal opgenomen. Op basis van de opgestelde strategie zijn proefgaten gemaakt (minimaal 30*30 centimeter). In Tabel 3.2 is een beschrijving gegeven van de verschillende proefgaten.
MA200003.005.R01.V1.3
22 van 32
Tabel 3.2: resultaten veldwerk proefgaten Proefgat Onderzocht Bodemomschrijving traject (cm-mv) 001 0-50 Zand, sporen beton, sporen baksteen, sporen grind, resten wortels 003 0-50 Zand, resten wortels, sporen grind, sporen baksteen, sporen aardewerk 004 19-50 Uiterst baksteen, sterk zand, sporen glas
Afmetingen (cm) (l x b)
Bodemvreemd materiaal (%)
Asbest aangetroffen
Mengmonster fijne fractie
30 x 30
<2
Nee
-
30 x 30
<1
Nee
-
30 x 30
>50
Nee
ASB1
005
9-50
Uiterst baksteen, sterk zand
35 x 40
Nee
ASB1
006
8-35
30 x 40
>80
Nee
ASB2
007
20-50
Sterk beton, matig aardewerk, zwak baksteen, sterk zand Volledig repac
009
10-50
010
9-50
012
0-35
013
0-50
014
0-50
016
0-50
017
0-40
019
0-50
020
0-50
021
0-50
023
0-50
024
0-50
101
30-80
102
20-70
103
0-50
104
0-50
105
0-50
106
0-25 25-50
30 x 40
100
Nee
ASB2
Zand, zwak baksteen, sporen plastic, sporen 30 x 40 kolen Zand, sterk baksteen 30 x 35
<7
Nee
ASB5
<50
Nee
ASB4
Zand, zwak beton, zwak baksteen, zwak 30 x 30 grind Zand, sporen baksteen, sporen kolen, 30 x 30 sporen grind Zand, matig baksteen, zwak beton, sporen 30 x 40 aardewerk Zand, sporen grind, sporen baksteen, 30 x 30 sporen kolen Uiterst beton, sterk zand, sporen kolen, 30 x 30 zwak baksteen Zand, sporen baksteen, sporen aardewerk, 30 x 30 sporen kolen, sporen glas Zand, sporen baksteen, sporen grind, 30 x 30 sporen aardewerk Zand, sporen baksteen, sporen kolen, 30 x 30 sporen glas, resten wortels Zand, sporen grind, sporen baksteen, 30 x 30 sporen aardewerk Zand, sporen baksteen, sporen kolen, 30 x 30 sporen glas Zand, sporen beton, sporen grind, sporen 30 x 30 baksteen, sporen plastic Zand, sporen grind, sporen beton, sporen 30 x 30 baksteen, sporen asfalt, zwak steenhoudend Zand, sporen beton, sporen grind, resten 30 x 30 wortels, resten hout Zand, sporen baksteen, sporen beton, 30 x 30 sporen grind Zand, sporen asfalt, sporen grind, sporen 30 x 30 beton, sporen glas Zand, sporen glas, sporen baksteen, sporen 30 x 30 asfalt, sporen stenen Zand 30 x 30
<10
Nee
ASB5
<1
Nee
-
<20
Nee
ASB5
<1
Nee
-
>50
Nee
ASB3
<4
Nee
-
<1
Nee
-
<1
Nee
-
<1
Nee
-
<1
Nee
-
<3
Nee
ASB6
<3
Nee
ASB7
<2
Nee
ASB6
<2
Nee
ASB6
<4
Nee
ASB7
<3
Nee
ASB7
0
Nee
-
De uit de proefgaten vrijgekomen grond is voor inspectie gezeefd (maaswijdte zeef 20 mm). De grove fractie van de uitgekomen grond is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. In het opgeboorde/opgegraven materiaal van alle proefgaten is in de grove fractie géén asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Vervolgens zijn van de grond/puin 7 mengmonster(s) samengesteld ten behoeve van de microscopische analyse van de fijne fractie conform NEN 5898.
MA200003.005.R01.V1.3
23 van 32
4 Toetsingskader 4.1 Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan de streefwaarden (S) voor grondwater, de interventiewaarden (I) voor grond en grondwater uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De streefwaarden voor grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire bodemsanering en Besluit bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen.
In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: •
Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde).
•
Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”- en interventiewaarde.
•
Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.
4.2 Handelingskader PFAS De analyseresultaten van de stofgroep PFAS zijn getoetst aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem) uit het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (versie december 2021).
4.3 Besluit en Regeling bodemkwaliteit In het geval van bodem c.q. grond zijn de analyseresultaten (indicatief) getoetst aan de maximale waarden behorende bij de diverse functieklassen zoals vermeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit.
4.4 Niet-vormgegeven bouwstoffen Voor niet-vormgegeven bouwstoffen (slakken, menggranulaten e.d.) is het toetsingskader van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. In het geval van een niet-vormgegeven bouwstof zijn de analyseresultaten tevens (indicatief) getoetst aan de maximale samenstellingswaarden voor organische parameters zoals vermeld in bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit.
MA200003.005.R01.V1.3
24 van 32
4.5 Asbest in bodem/puin De resultaten van het asbestonderzoek zijn getoetst aan de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering 2013 (versie 1 juli 2013), dan wel aan de maximale samenstellingswaarden voor niet vormgegeven bouwstoffen uit het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. In zowel de Circulaire, als het Beluit en Regeling, wordt als interventiewaarde een gehalte van 100 mg/kg d.s. gehanteerd. Het gehalte asbest wordt berekend uit het gewogen serpentijnasbestgehalte vermeerderd met 10 maal het amfiboolgehalte.
4.6 Asfalt Indien het asfalt een PAK-10 gehalte bevat van minder dan 75 mg/kg d.s. wordt dit geclassificeerd als nietteerhoudend en dan kan dit warm in asfaltmengsels worden herverwerkt. Indien het asfalt een PAK-10 gehalte heeft van meer dan 75 mg/kg d.s. wordt dit geclassificeerd als teerhoudend en mag het asfalt niet worden hergebruikt.
4.7 Veiligheidsmaatregelen CROW 400 Bij eventuele graafwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de veiligheidsvoorschriften en Arbowetgeving voor grondwerk en bodemsanering. Indien een veiligheidsklasse van toepassing is dient de aannemer vóór aanvang van het werk een (beknopt) V&G-plan uitvoeringsfase op te stellen, welke onderdeel uit kan maken van het veiligheidsplan voor het gehele civiele werk. Het bepalen van de veiligheidsklassen heeft plaatsgevonden conform de CROW Publicatie 400 (werken in of met verontreinigde grond), de 2e gewijzigde druk: december 2017. Bij het bepalen van de veiligheidsklasse zijn de hoogst verkregen waarden van de geanalyseerde parameters gehanteerd. Ten aanzien van de berekeningen wordt vermeld dat het een indicatie geeft van de betreffende gezondheidsrisico's. Bij werkzaamheden waarbij mogelijke blootstelling aan toxische stoffen mogelijk is wordt geadviseerd contact op te nemen met een deskundige zoals omschreven in module 5 “eisen aan de deskundigheid” van CROW-publicatie 400, 2e gewijzigde druk, december 2017. De aannemer is verantwoordelijk voor de veiligheidsmaatregelen die hij bij de werkzaamheden voor zijn personeel doorvoert.
MA200003.005.R01.V1.3
25 van 32
5 Asfalt 5.1 Veldwerk De asfaltkernen zijn voorzien van een barcode en verstuurd naar het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam. Het gat in het asfalt is gedicht met koud asfalt. De ligging van de kernen is conform CROW publicatie 210 met een nauwkeurigheid van 20 centimeter vastgelegd. De locaties van de asfaltboringen zijn aangegeven op de situatietekening die als bijlage 8 is toegevoegd.
5.1.1 Dikte asfalt Het asfalt ter plaatse heeft een dikte variërend van circa 8,4 tot 18,9 centimeter.
5.2 Analyseresultaten Op basis van de PAK-markertesten is bepaald van welke delen van de asfaltkern(en) analytische bepaling van de teerhoudendheid zinvol is. Gezien de opbouw en uitslagen van de PAK-marker testen zijn vervolgens, rekening houdend met het tonnage en de aanwezige asfaltvakken, 4 PAK-analyses uitgevoerd (voor een toelichting zie Tabel 5.1). De resultaten van de PAK-marker en/of analyses PAK in asfalt zijn opgenomen in Tabel 5.2. Tabel 5.1: PAK-markertest en PAK-analyses Analysepakket en -parameter Omschrijving PAK-markertest
Als bij een PAK-markertest een verkleuring ontstaat (++) is het asfalt teerhoudend. Indien geen verkleuring ontstaat (--) betekent dit niet automatisch dat het asfalt niet-teerhoudend is. Dit omdat de PAK marker pas verkleurt boven een PAK-gehalte van circa 250 mg/kg, terwijl de bovengrens voor niet-teerhoudend asfalt 75 mg/kg bedraagt. Daarom kunnen op basis van interpretatie van de PAKmarker geen uitspraken worden gedaan over de teerhoudendheid in het gebied tussen 75 mg/kg en circa 250 mg/kg. Uitsluitsel vindt plaats op basis van PAK-analyses. PAK-analyses worden verricht overeenkomstig NEN 7331 (Soxhlet extractie met PE, analyse volgens GCMS, danwel DLC)
PAK-analyses
De certificaten van de laagdiktebepaling en de PAK-markertest zijn bijgevoegd als bijlage 4. De certificaten van de PAK in asfaltbepaling zijn eveneens bijgevoegd als bijlage 4. Tabel 5.2: resultaten PAK-markertesten en PAK-analyses Kern Laagdikte-opbouw en PAK-marker Laagdikte Opbouw PAK-marker (mm)
Wegvak 1: gem. dikte 18,9 cm, opp. 100 m²; vol. 47 ton 004 0-37 DAB -37-69 DAB -69-117 GAB -117-189 GAB -Wegvak 2: gem. dikte 9,0 cm, opp. 2.450 m²; vol. 553 ton 005 0-26 DAB -26-87 STAB -006 0-29 DAB --
007
008
PAK-analyse Mengmonster nummer (traject in mm)
PAKgehalte2) (mg/kg d.s.)
Indicatief advies Bbk4)
ASF1
<10
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
ASF2
<10
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
ASF3 ASF4
<10 <10
-
-
Niet teerhoudend Niet teerhoudend Niet teerhoudend o.b.v. ASF3 Niet teerhoudend o.b.v. ASF4 Niet teerhoudend o.b.v. ASF3 Niet teerhoudend Niet teerhoudend o.b.v. ASF3
Herbruikbaar Herbruikbaar Herbruikbaar o.b.v. ASF3 Herbruikbaar o.b.v. ASF4 Herbruikbaar o.b.v. ASF3 Herbruikbaar Herbruikbaar o.b.v. ASF3
29-86
STAB
--
-
-
0-24
DAB
--
-
-
24-87
STAB
--
ASF4
<10
0-21
DAB
--
-
-
MA200003.005.R01.V1.3
Toetsing Conclusie3)
26 van 32
Kern
009
Laagdikte-opbouw en PAK-marker Laagdikte Opbouw PAK-marker (mm)
PAK-analyse Mengmonster nummer (traject in mm)
21-84
STAB
--
-
-
0-37
DAB
--
ASF3
<10
37-100
STAB
--
-
-
010
PAKgehalte2) (mg/kg d.s.)
Toetsing Conclusie3)
Niet teerhoudend o.b.v. ASF4 Niet teerhoudend Niet teerhoudend o.b.v. ASF4 Niet teerhoudend Niet teerhoudend
Indicatief advies Bbk4)
Herbruikbaar o.b.v. ASF4 Herbruikbaar Herbruikbaar o.b.v. ASF4 Herbruikbaar Herbruikbaar
0-25 DAB -ASF3 <10 25-98 STAB -ASF4 <10 Verklaring 1) PAK-marker: ++ PAK-gehalte is hoger dan 250 mg/kg ds -> asfalt is teerhoudend PAK-marker: -PAK-gehalte is lager dan 250 mg/kg ds -> asfalt is mogelijk teervrij, uitsluitsel via PAK-analyse 2) PAK-gehalte Som 10-VROM volgens de NEN 7331 (GCMS- danwel DLC-analyse) 3) Conclusie De analytische bepaling geeft de doorslag bij het bepalen van de teerhoudendheid indien de indicatieve bepaling en de analytische bepaling tegenstrijdig zijn. 4) Indicatief advies Indien het asfalt een PAK(10)-gehalte bevat van minder dan 75 mg/kg ds wordt dit geclassificeerd als nietBbk teerhoudend en dan kan dit warm in asfaltmengsels worden herverwerkt. Indien het asfalt een PAK(10)gehalte heeft van meer dan 75 mg/kg ds wordt dit geclassificeerd als teerhoudend en mag het asfalt niet worden hergebruikt.
5.3 Interpretatie Uit de PAK-marker testen alsmede de chemische analyses van de kernen blijkt dat het asfalt niet teerhoudend. Het teervrije asfalt kan warm in asfaltmengsels worden herverwerkt dan wel worden afgevoerd naar een erkend verwerker als niet teerhoudend asfalt. Indien het (gebroken) asfalt zal worden hergebruikt als een niet-vormgegeven bouwstof (b.v. fundatiemateriaal) is onderhavig onderzoek ontoereikend en dient een partijkeuring niet-vormgegeven bouwstof uitgevoerd te worden.
MA200003.005.R01.V1.3
27 van 32
6 Grond en grondwater 6.1 Milieuhygiënische analyses Voor zware metalen en organische verbindingen dient een correctie plaats te vinden op basis van het gemeten lutum- en/of organisch stofgehalte in de bodem. Op basis van de gemeten gehalten aan lutum en organische stof worden de gerapporteerde gehalten omgerekende naar standaard bodem (10% organisch stof en 25% lutum). In Tabel 6.1 (grondmonsters) en Tabel 6.2 (watermonsters) zijn alleen de onderzochte parameters vermeld waarvan de gehalten dan wel concentraties de achtergrondwaarden (grondmonsters) c.q. streefwaarden (grondwater) overschrijden. De toetsing van alle parameters is opgenomen als bijlage 5. Tabel 6.1: getoetste analyseresultaten grond(meng)monsters in mg/kg ds Analysemonster
Boring
Traject (m -mv)
Textuur
Visuele waarneming
Analyse pakket
> AW
GSSD
Toets Wbb
Toets Bbk
CROW 400
001
0,00 - 0,50
Zand
St.pakket
Lood
185
*
MWI
Basishygiëne
003
0,00 - 0,50
Zand
Zink
184
*
007
0,08 - 0,20
Zand
sp. beton, sp. baksteen, sp. grind, re. wortels re. wortels, sp. grind, sp. baksteen, sp. aardewerk sp. baksteen, sp. beton
PAK-10 PCB-7
4,20 146,5
* *
008
0,08 - 0,30
Zand
ma. baksteenh., zw. betonh., zw. asfalth.
St.pakket