CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

030 bijl1.1 bp Helschiksel vaststelling Toelichting.pdf

Raadsvergadering 26 april 2023, gemeente VenloBij agendapunt: 5.5: RV 30 Vaststellen bestemmingsplan Helschriksel ong.17.331 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op dit punt zal monitoring plaatsvinden en er wordt zo nodig gebruik gemaakt van voor Venlo nieuw instrumentarium als een doelgroepenverordening. Opgaven per stadsdeel Voor Venlo-Centrum wordt als voornaamste opgaven gezien het versterken van het aanbod voor studentenhuisvesting en het benutten van kansen voor een transformatie van cultuurhistorisch waardevolle panden naar wonen. Kwantitatief Om invulling te geven aan de beoogde versnelling wordt ingezet op een jaarlijkse groei van de woningvoorraad van 350-400 woningen. Omdat doel te bereiken wordt een programmering van circa 30% extra aangehouden, om planuitval te kunnen opvangen en toch aan de doelstelling te kunnen voldoen. Toepassingplanvoornemen Onderhavig bestemmingsplan voorziet - in lijn met de aanbevelingen uit het rapport "Venlo, brandpunt van interactie" en de herprogrammering voor Q4 (zie paragraaf 3.5.3) in woningbouwmogelijkheden voor woningzoekenden die op zoek zijn naar woningen in een centrumstedelijk woonmilieu, waarbij onder meer

28

bestemmingsplan Helschriksel ong

conform voornoemde aanbevelingen wordt voorzien in grondgebonden woningen. Het aantal woningen sluit verder aan bij het aantal dat is opgenomen in de (her)programmering voor Q4 als vastgesteld in 2017, met welk aantal ook rekening is gehouden in de Dynamische woningbouwprogrammering (zie hierna) en welk aantal past binnen de hiervóór genoemde groei van het aantal woningen van 350 tot 400 woningen per jaar. 3.5.5 Dynamische woningbouwprogrammering De dynamische woningbouwprogrammering (DWP) is een lokaal uitvoeringsinstrument, waarmee de gemeente Venlo invulling geeft aan de woningbouwkaders uit de Woonvisie. De DWP heeft als doel de beleidslijnen uit bovengenoemde bestuursdocumenten te verfijnen naar de feitelijke situatie en af te stemmen op de actuele vraag. In het DWP wordt geconstateerd dat sprake is van een overschot aan nieuw te bouwen woningen ten opzichte van de vraag. Tevens blijkt dat het totaal van de plannen meer dan noodzakelijk inzet op gestapelde woningen (appartementen). In de DWP wordt daarom ingezet op een betere fasering van de woningbouw initiatieven, mede omdat de nota is opgesteld in een periode dat de woningmarkt ernstig op slot zat. Het DWP is dus een instrument om een fasering en onderscheid in de voorgenomen woningbouwontwikkelingen aan te brengen.

Hierbij wordt gekeken naar drie elementen als het gaat om de planvoorraad (initiatieven): mate van gebondenheid, financiële betrokkenheid/risico's gemeente en doelen van de stad. De eerste schifting wordt gemaakt door te kijken naar de mate van gebondenheid (juridische status). Binnen de mate van gebondenheid zijn drie categorieën te onderscheiden, per categorie is aangegeven hoe met de initiatieven en plannen omgegaan wordt: Categorie 1. In aanbouw/ omgevingsvergunning / bestemmingsplan Het gaat hier om harde plannen die al in uitvoering zijn, of een omgevingsvergunning hebben of waarbij het bestemmingsplan onherroepelijk is. Aan deze plannen zal gemeente Venlo gewoon medewerking (blijven) verlenen. Vanuit de gemeente wordt niet actief gestuurd op een eventuele verandering van het programma of een andere fasering. Bijstelling van het programma in kwantitatieve en kwalitatieve zin of fasering is mogelijk na overleg. Categorie 2. In voorbereiding (SOK/ROK) Bij deze plannen bestaat een mate van gebondenheid. Er liggen overeenkomsten aan ten grondslag, bekrachtigd door tenminste een B&W besluit. Per plan kan de mate van gebondenheid verschillen en dit bepaalt de vrijheid die de gemeente heeft nog te sturen in programma en fasering.

Voor deze plannen staat onderling gesprek centraal, om te komen tot een kwantitatieve en kwalitatieve bijstelling en/of aanpassing van de fasering op basis van de actuele marktsituatie. Categorie 3. Ontwikkellocatie (geen afspraken) Dit zijn initiatieven waar nog geen afsprakenkader onder ligt. Gemeente is hier niet gebonden aan het plan en heeft dus nog de vrijheid om te beslissen over eventuele medewerking, het programma en fasering. De dynamische woningbouwprogrammering biedt de gemeente Venlo handvaten om haar aanwezige plancapaciteit in verhouding te brengen tot de kwantitatieve woningbehoefte. Toepassing planvoornemen Voor onderhavig plangebied worden nu nieuwe ruimtelijke kaders gesteld. De gemeente Venlo is vooralsnog eigenaar, waardoor er ook geen sprake is van een overeenkomst met een ontwikkelaar of andere (markt)partij. Het planvoornemen is daarom aan te merken als een plan van categorie 3. Op de behoefte aan het planvoornemen en op de aansluiting op de Visie Stedelijk Centrum 2022 is in voorgaande paragrafen reeds ingegaan. De ontwikkelingen passen voor wat betreft programmering binnen de (her)programmering voor Q4 als vastgesteld in 2017, met welke aantallen ook rekening is gehouden in de DWP en welke aantallen ook passen binnen de woningbouwopgave als recent vastgelegd in de nieuwe woonvisie.

bestemmingsplan Helschriksel ong

29

30

bestemmingsplan Helschriksel ong

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen.

4.2

Geluid

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. 4.2.1 Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, waarvan de breedte afhankelijk is van het aantal rijstroken. Wanneer een bestemmingsplan binnen die zone nieuwe geluidgevoelige bebouwing - zoals woningen - mogelijk maakt, dient te worden onderzocht of op de gevels van die bebouwing kan worden voldaan aan de geldende voorkeursgrenswaarde. Voor een weg bestaande uit maximaal twee rijstroken is die zone 200 meter aan weerszijde van die weg. Voor wegen waarvoor de maximumsnelheid 30 km/uur bedraagt geldt overigens géén zone. Ook woonerven kennen geen zone.

De straten in de directe omgeving van het plangebied zijn grotendeels ontoegankelijk voor autoverkeer, behoudens ten behoeve van laden en lossen en dergelijke of voor (beperkt) bestemmingsverkeer. De meest nabij gelegen wegen met een zone betreffen de Puteanusstraat en de weg Monseigneur Nolensplein in het verlengde daarvan, ten noorden van de planlocatie. De afstand tussen deze wegen en de planlocatie bedraagt circa 140 meter. Bovendien liggen tussen deze wegen en de planlocatie diverse forse gebouwen die de locatie afschermen voor invallend wegverkeerslawaai, waaronder het complex "De Commissaris" (Monseigneur Nolensplein 8 t/m 31), dat is gelegen direct ten noorden van het plangebied en dat met een hoogte van circa 20 meter de locatie volledig afschermt voor invallend wegverkeerslawaai afkomstig van voornoemde wegen. Gezien het voorgaande kan redelijkerwijs zonder akoestisch onderzoek worden aangenomen dat geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde zijn te verwachten. Gezien het autovrije c.q. autoluwe karakter van de direct omliggende woningen waarvoor geen zone geldt vanwege de maximumsnelheid van 30 km/uur, bestaat ook voor die wegen geen aanleiding om in het kader van een goede ruimtelijke ordening nader onderzoek te doen naar de geluidsbelasting op de nieuwe woningen of aan te nemen dat de uitvoerbaarheid van het plan op dit punt in het geding is.

bestemmingsplan Helschriksel ong

31

4.2.2 Spoorweglawaai Ten zuiden van het plangebied ligt het spoortraject Nijmegen-Roermond, een spoortraject waarvoor een geluidproductieplafond is vastgesteld. De afstand van deze spoorlijn tot het plangebied bedraagt circa 540 meter. Uit eerdere akoestische onderzoeken voor ontwikkelingen in Q4 zoals voor het blok 't Schriksel en de herinvulling van Sint Jacobskapel is gebleken dat op de eerstelijns bebouwing in het zuidelijk deel van Q4, nabij de Peperstraat, sprake was van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarden. Verder richting het noorden - waarbij ook de locatie Helschriksel is getoetst - niet. Uit de rapportage die is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan 't Schriksel (K+, november 2011, QR/SL/M11 419.401) blijkt dat op de locatie Helschriksel (rekenpunten 37 t/m 40) de gevelbelastingen - rekeninghoudend met de bouwhoogten die in het voorliggende plan worden voorzien - varieerden van 34 tot 39 dB op 1,5 meter hoogte en 44 tot 48 dB op 10,5 meter hoogte. Daarmee bleven de berekende belastingen ruim beneden de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Ook in de rapportage die in 2014 is opgesteld ten behoeve van de herinvulling van de schuin tegenover de locatie Helschriksel gelegen Sint Jacobskapel zijn geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde aan het licht gekomen (CroonenBuro5, mei 2014, RA001-0252861-01a).

Deze rapporten dateren van respectievelijk 2011 en 2014 en zijn daarmee al enkele jaren oud. Gelet op de systematiek van de geluidproductieplafonds, waarbij de maximale geluidproductie van het spoor op referentiepunten op 50 meter afstand van het spoor is vastgelegd c.q. beperkt, de grote afstand tussen het spoor en de locaties waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft (540 meter) en de resultaten van voornoemde onderzoeken hoeven redelijkerwijs geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB te worden verwacht. Dit wordt ook bevestigd door de informatie die over de spoorlijn beschikbaar is in de vorm van de geluidsbelastingskaart (zie uitsnede PDOK), die laat zien dat de geluidbelasting ter hoogte van het plangebied niet boven de 50 dB uitkomen (buitenste gele schil heeft betrekking op een belasting van 49,5 tot 54,5 dB). Ook het aspect spoorweglawaai vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Uitsnede geluidsbelastingkaart spoor (bron: PDOK)

32

bestemmingsplan Helschriksel ong

4.2.3 Industrielawaai Ook bedrijventerreinen waarop specifieke bedrijfsactiviteiten worden toegelaten kennen op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) een geluidzone. In de Wet geluidhinder wordt voor dergelijke terreinen het begrip 'industrieterrein' gehanteerd, in de praktijk worden deze terreinen vaak aangeduid als een gezoneerd industrieterrein. Gezien het voorgaande kennen niet alle bedrijventerreinen c.q. industrieterreinen een zone. De meest nabijgelegen gezoneerde industrieterreinen zijn Venlo Trade Port aan de overzijde van de Maas en de Centrale Verwerkingsinstallatie Raaieinde direct ten noorden daarvan (noordzijde A67). Voor beide terreinen geldt dat de geluidzones van die terreinen niet reiken tot aan het plangebied van onderhavig bestemmingsplan, waardoor er op dat punt geen belemmeringen zijn voor onderhavig planvoornemen.

4.3

Bodem

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Voor het plangebied is in 2019 een verkennende onderzoek uitgevoerd door HMB/Peeters Milieuadvies (d.d. 22 februari 2019, nr 19216701A) dat als Bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting. Daaruit blijkt dat de bovengrond met bijmengingen met puin licht verontreinigd is met kobalt en PAK. In de ondergrond met bijmengingen baksteen worden naast lichte verontreinigingen met kobalt en PAK eveneens lichte verontreinigingen met kwik en PCB aangetroffen. De zintuiglijk schone grond is ten hoogste licht verontreinigd met kobalt. De aangetroffen gehalten zijn dermate laag dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.

Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit wordt de grond met bijmengingen baksteen beoordeeld als klasse ‘Wonen’. De grond met bijmengingen met puin en de zintuiglijk schone ondergrond worden beoordeeld als klasse ‘achtergrondwaarde’. In het grondwater zijn geen van de onderzochte parameters boven de streefwaarde aangetoond. Onderdeel van de rapportage is ook een verkennend asbestonderzoek. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is het maaiveld geïnspecteerd. Ten tijde van de inspectie was het terrein braakliggend, de efficiëntie van de inspectie is geschat op 90- 100%. Tijdens de graafwerkzaamheden is het uitkomende materiaal eveneens beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Zowel op het maaiveld als in het uitkomende materiaal zijn, met uitzondering van de bijmengingen puin, zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. Analytisch is ook geen asbest aangetoond. Aangezien zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond, kan worden geconcludeerd dat de bodem niet asbesthoudend is. Gelet op het voorgaande is de bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Wanneer bij de bouw of de inrichting van het plangebied grond wordt geroerd, verplaatst, opgebracht en/of van de locatie worden aan- of afgevoerd, dan dient rekening te worden gehouden met de Wet bodembescherming en/of het Besluit bodemkwaliteit.

bestemmingsplan Helschriksel ong

33

4.4

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden teniet gedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm Woningen (maximaal) 1.500 Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op maximaal 8 woningen en blijft daarmee ruimschoots beneden de aantallen, zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate’ (< 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg). De Wet luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan. Daarbij kent Venlo geen knelpunten voor wat betreft de heersende achtergrondconcentraties (NO2, PM10 en PM2,5). Een goed woon- en leefklimaat is voor het aspect luchtkwaliteit dan ook gewaarborgd.

34

bestemmingsplan Helschriksel ong

4.5

Externe veiligheid

4.5.1 Toetsing Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het besluitgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Planvoornemen: kwetsbare objecten Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 8 woningen. Deze woningen zijn aan te merken als kwetsbare objecten. Daarom wordt hierna getoetst op de externe veiligheidsrisico's. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven, op basis van gegevens in het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS).

Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Deze kaarten zijn raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving.

bestemmingsplan Helschriksel ong

35

Uitsnede Atlas Leefomgeving, aanduiding planlocatie met zwarte pijl

Risicovolle bedrijvigheid In de omgeving van de locatie waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt, met uitzondering van het spoorwegemplacement. Dat emplacement heeft een invloedsgebied van circa 3 kilometer (toxisch scenario), maar de plaatsgebonden risicocontour dient op basis van de voor de betreffende activiteiten verleende vergunning binnen de grens van het emplacement c.q. de inrichting te blijven. Het groepsrisico is blijkens eerder uitgevoerde QRA's erg laag en er is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde, zo blijkt uit het gemeentelijk Beleidsplan Externe Veiligheid. Conform dit beleidsplan wordt voorzien in een standaard verantwoording groepsrisico. Risicovol transport over de weg / het spoor Binnen 200 meter afstand van het plangebied liggen geen transportassen (weg of spoor) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op meer dan 500 meter afstand van het plangebied vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor plaats. Ook over de Rijkswegen A67 en A73/A74 (>2,5 km afstand) vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gelet op deze afstanden vormen plaatsgebonden risicocontouren of plasbrandaandachtsgebieden voor onderhavig planvoornemen geen belemmering.

Wel wordt voorzien in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Risicovol transport over het water Over de Maas vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Binnen het definitief ontwerp Basisnet Water is de Maas aangewezen als een categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (categorieën LF1, LF2,LT1, GF3, GT3). De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) reikt niet tot buiten de oeverlijn van de Maas. Voor wat betreft het groepsrisico geldt dat, gelet op de relevante stofcategorieën, de grootste

36

bestemmingsplan Helschriksel ong

1%-letaliteitsgrens (GT3) op 1.070 meter afstand van de Maas ligt. Daarmee ligt het plangebied binnen deze contour. Langs de Maas is nog veel ruimte voor de groei van transport van gevaarlijke stoffen voordat er een externe veiligheidsknelpunt ontstaat. Dit betekent dat er nu en in de toekomst (tot 2030) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ontwikkeling langs de vaarwegen nauwelijks beperkingen zijn. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied bedraagt minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een nadere berekening van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. Risicovolle buisleidingen Er liggen in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen waarvan de de 1%-letaliteitsgrens reikt tot aan het plangebied. De meest nabij gelegen buisleiding ligt aan de overzijde van Maas op meer dan 400 meter afstand van het plangebied. Het betreft een hoge druk aardgasleiding van de Gasunie met een diameter van circa 12 inch en een ontwerpdruk van 40 bar, waarvan de de 1%-letaliteitsgrens op 140 meter afstand ligt. Gevolg planvoornemen Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron. Ook zijn de locaties niet gelegen binnen een 1%-letaliteitsgrens van een buisleiding of binnen 200 meter van een transportas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.

Voor de Maas(corridor) geldt dat het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriënterende waarde bedraagt. Nader onderzoek en/of het berekenen en het vervolgens 'volledig' verantwoorden van het groepsrisico (QRA) is daarom niet aan de orde. Wel wordt hierna conform het Besluit externe veiligheid transportroutes en op basis van het gemeentelijke Beleidsplan externe veiligheid 2012 - 2015 voorzien in een (standaard) verantwoording van het groepsrisico. 4.5.2

Verantwoording groepsrisico

Indien een ruimtelijk plan binnen het invloedsgebied, maar op een afstand van meer dan 200 meter van de betreffende transportas tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: 1. de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; 2. de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); 3. de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid.

Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van

bestemmingsplan Helschriksel ong

37

een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert. Advies veiligheidsregio Uit het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord volgt dat kan worden volstaan met het (standaard)advies van de veiligheidsregio. Dit advies is verwerkt in deze verantwoording van het groepsrisico.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf.

Werking handreiking op hoofdlijnen In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid, gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. Deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden ingedeeld in een milieucateogrie variërend van 1 tot 6. De daarmee samenhangende milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De omgeving van het plangebied is aan te merken als 'gemengd gebied'.

Gevolgen planvoornemen Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de planologische mogelijkheden om woningen te realiseren op het perceel Helschriksel ongenummerd, met eventueel een aan huis gebonden beroep of bedrijf (maximaal milieucategorie 1). De omgeving waarbinnen het plangebied is gelegen is aan te merken als 'gemengd gebied',

38

bestemmingsplan Helschriksel ong

waarbinnen een diversiteit aan (gemengde) functies is toegelaten en ook is gehuisvest. Het betreft bedrijven van milieucategorie A en B (conform systematiek functiemenging VNG-uitgave), horeca van categorie 1 en 2 (daghoreca, lunchrooms, cafetaria, café, etc), detailhandel en kantoren. Deze functies zijn op basis van de VNG-uitgave aan te merken als milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter ten opzichte van een gebied dat is aan te merken als een rustige woonwijk. Voor een gemengd gebied geldt geen richtafstand voor milieucategorie 1 (0 meter), waardoor er op dat punt geen belemmeringen zijn voor het planvoornemen. De toegelaten bedrijven van milieucategorie A en B zijn - uitgaande van de bijbehorende beoordelingsystematiek van functiemenging - toelaatbaar in de omgeving van woningen. Gelet op het voorgaande kan worden aangenomen dat op de beoogde locatie geen dusdanige gevolgen voor het woon- en leefklimaat te verwachten zijn, dat het plan daarom niet uitvoerbaar is. Bovendien zijn direct grenzend het plangebied al woningen aanwezig, waardoor de realisatie van de beoogde woningen ook geen (nieuwe) beperkingen zal opleveren voor de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied.

4.7

Kabels en leidingen

Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Wel liggen in het straatprofiel van de aangrenzende wegen de gebruikelijke leidingen voor gas, water, telefonie/internet en elektra. De aanwezigheid van deze leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig planvoornemen.

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

4.8.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen dient in de toelichting te worden voorzien in een beschrijving van de wijze waarop rekening wordt gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. 4.8.2 Archeologie De gemeente Venlo beschikt over een archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart van de gemeente laat zien dat voor onderhavig plangebied rekening moet worden gehouden met een archeologische (verwachtings)waarde.

bestemmingsplan Helschriksel ong

39

Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart

Het plangebied is op basis van de resultaten van eerdere onderzoeken in de omgeving grotendeels aangemerkt als (contour rond) een vindplaats. Aan de rest van het perceel is een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde toegekend. Voor locaties die zijn aangemerkt als vindplaats is bij ruimtelijke ontwikkelingen altijd onderzoek nodig wanneer bodemingrepen plaatsvinden dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld, ongeacht de oppervlakte van de ingreep. Voor gebieden met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde geldt - als eerder aangegeven - naast een minimale diepte van 40 centimeter beneden maaiveld als voorwaarde voor de verplichting tot het doen van onderzoek ook dat sprake moet zijn van een bodemingreep met een grotere oppervlakte dan 100 m2 . Op deze locatie heeft in het verleden echter een naoorlogs pand gestaan dat geheel was onderkelderd. Tijdens de sloop daarvan in 2014 is reeds geconstateerd dat de bodem voor de gehele locatie tot enkele meters diep is verstoord. Om die reden is het perceel reeds geheel 'vrijgegeven' voor wat betreft archeologische (verwachtings)waarden door middel van een selectiebesluit. Om die reden is voor deze locatie geen onderzoek nodig en bestaat ook geen aanleiding (meer) om een dubbelbestemming op te nemen conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het daaraan gekoppelde beleid.

Toepassing planvoornemen Gelet op het voorgaande is afdoende rekening gehouden met eventuele archeologische waarden binnen het plangebied. 4.8.3 Cultuurhistorie De gemeente Venlo beschikt over een cultuurhistorische inventarisatiekaart. Daarvan kan worden opgemaakt dat het plangebied - net als de rest van de historische binnenstad - is gelegen binnen de begrenzing van een voormalig vestigingwerk / fort. In de directe omgeving zijn diverse monumenten gelegen, net als panden die zijn opgenomen in de inventarisatie van het Monumenten Inventaristie Project (MIP), maar die niet daadwerkelijk als monument zijn aangewezen.

40

bestemmingsplan Helschriksel ong

Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart Q4 algemeen De huidige stedenbouwkundige structuur in Q4 is op te delen in drie zones: de middeleeuwse zone binnen de voormalige vestingmuren; de uitbreidingszone van 1876 van de stad Venlo (stadsplan 1872); de overgangszone tussen de bovengenoemde gebieden. Door de grootschalige ingrepen in het bouwbestand zijn de historische zones niet goed meer van elkaar te onderscheiden. De bebouwingsstructuur binnen Q4 is te karakteriseren door de typische blokkenstructuur. De bebouwing is divers qua schaal en karakteristiek. Sommige blokken hebben het van oorsprong kleinschalige karakter behouden. Bij andere blokken is dit karakter geheel verdwenen en overheerst het grootschalige karakter. In enkele delen is de historische stedelijke bebouwing nog herkenbaar of door transformatie versterkt. De belangrijkste kenmerken van dit soort bebouwing zijn de diepe percelen en de individualiteit en kleinschaligheid van de bebouwing. Cultuurhistorie is steeds een belangrijk aandachtspunt geweest bij de herontwikkeling van Q4. Het Helpoortkwartier had tot circa 1951 nog grotendeels een middeleeuws karakter. Het gebied was beperkt aangetast door het oorlogsgeweld, maar leed voornamelijk aan verkrotting. Vanaf de jaren '50 van de twintigste eeuw werd de bebouwing van de Steenstraat, de Peperstraat en het Maas- en Helschriksel vrijwel volledig gesaneerd.

Dit proces werd voltooid rond 1970, toen het laatste grote middeleeuwse pand aan het Helschriksel, huisnummer 20-22, werd gesloopt. Toepassing planvoornemen De locatie Helschriksel maakt van oudsher onderdeel uit van een bouwblok binnen de blokkenstructuur in dit deel van de binnenstad. Met de invulling van dit perceel wordt de ontbrekende zuidwesthoek van dit blok hersteld. Door aan te sluiten op de bestaande voorgevelrooilijnen wordt de begrenzing van dat blok gerespecteerd. Voor wat betreft parcellering wordt aangesloten bij de ritmiek van de historische structuur van de binnenstad, niet bij de grotere schaal van het complex De Commissaris.

bestemmingsplan Helschriksel ong

41

Gelet op het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan aan eventuele cultuurhistorische waarden. Met de herinvulling van het plangebied wordt juist voorzien een in ruimtelijke kwaliteitsimpuls, met aandacht voor herstel van cultuurhistorische waarden.

4.9

Flora en Fauna

4.9.1 Inleiding In de Wet natuurbescherming is de soortenbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming, waarin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden zijn opgenomen als Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN). 4.9.2 Gebiedsbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen allemaal binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied.

Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming (net als de regels voor soortenbescherming) vertaald in de Wet natuurbescherming. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd. De provincies werken vervolgens in beheerplannen uit welke maatregelen worden getroffen om de door de minister opgestelde instandhoudingsdoelstellingen te bereiken.

42

bestemmingsplan Helschriksel ong

Aanduiding ligging en begrenzing Natura2000-gebieden rondom Venlo

De meest nabij het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden zijn: Gebied

Afstand tot het plangebied

(1) Maasduinen

> 6,7 kilometer

(2) Hangmoor Damerbruch

> 5,8 kilometer

(3)(5) Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald und Meinweg

> 3,5 kilometer

(4) Krickenbecker Seen - De Witt-See

> 5,4 kilometer

Het plangebied is gezien het voorgaande niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit daarom een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als gevolg van het planvoornemen zijn, gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, redelijkerwijs niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de omvang van de voorgenomen plannen en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Om deze reden zijn middels een Aeriusberekening de effecten van stikstofdepositie door het planvoornemen op Natura 2000-gebieden door Pouderoyen Tonnaer onderzocht, voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. De berekening en toelichting hierop zijn toegevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting (d.d. 3 februari 2023, kenmerk J210717.005/WSW).

bestemmingsplan Helschriksel ong

43

Uit de berekening blijkt dat het realiseren van het planvoornemen niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten ten gevolge van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is derhalve niet vereist en er zijn op dit punt geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4.9.3 Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de bescherming van flora en fauna en met name de aanwezigheid van (verblijfplaatsen) van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat bij voorgenomen nieuwe ontwikkelingen op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten. Toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen hiermee in sommige situaties strijdig zijn. De werkzaamheden kunnen immers leiden tot verstoring en/of vernietiging van leefgebieden van dieren en groeiplaatsen van planten. Ook de afzonderlijke plant- en diersoorten kunnen als gevolg van de werkzaamheden (onopzettelijk) gedood, verontrust en/of verjaagd worden. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn een ontheffing aan te vragen.

Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming is ook een algemene zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend. Onderzoek Om eventuele belemmeringen voor het uitvoerbaarheid van het plan vanwege strijdigheden met de Wet natuurbescherming te kunnen uitsluiten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Nipa, die als Bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 21 maart 2022, kenmerk N221428). Ook in dit onderzoek is de locatie Ginkelstraat 3 meegenomen. Gelet op de beperking van het plangebied voor dit bestemmingsplan tot Helschriksel ongenummerd, wordt alleen ingegaan op de resultaten voor onderhavoge locatie.

Door Nipa is geconstateerd dat het terrein al enkele jaren braak ligt, maar dat de put die is achtergebleven na sloop niet is aangevuld. Het terrein is maar beperkt begroeid met een aantal heggenduizendknopen, gras en wat algemene ruigtesoorten, niet met bomen of struweel, waardoor (potentieel) geschikte nest- en verblijfplaatsen ontbreken. Gelet op de aanwezigheid van stikstofminnende plantsoorten is het ook niet aannemelijk dat hier beschermde vaatplantsoorten (kunnen) voorkomen. Ook werd het perceel ten tijde van het veldbezoek gebruikt voor de opslag van bouwmaterialen. Kortgezegd is de conclusie voor de locatie Helschriksel dat de locatie geen geschikt habitat vormt voor beschermde soorten. Gelet op het voorgaande zijn als gevolg van het planvoornemen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te verwachten in relatie tot de verbodsbepalingen als opgenomen in de Wet natuurbescherming.

4.10

Milieueffectrapportage

In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het

44

bestemmingsplan Helschriksel ong

kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D: Indien de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt een directe plan-m.e.r.-plicht. Indien sprake is van een activiteit (kolom 1) en een besluit (kolom 4), dan geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, ongeacht of al dan niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 wordt voldaan. Indien de activiteit (kolom 1) niet aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt geen directe plan-m.e.r.-plicht, maar moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. De uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling luidt: er geldt wel/geen m.e.r.-plicht. Door de wijziging van het Besluit m.e.r.

per 7 juli 2017 is de voormalige vormvrije m.e.r-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde voor besluiten (kolom 4) vervangen door de m.e.r.- beoordelingsplicht. Een belangrijke wijziging die in het Besluit m.e.r. is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Dit is het indicatief maken van de geval definities in kolom 2 in de D-lijst. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieubeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Toepassing planvoornemen De beoogde ontwikkeling (de bouw van maximaal 8 woningen) komt in de lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor.

Van de categorieën die zijn genoemd in lijst D zou in beginsel wel sprake kunnen zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onder deel D 11.2, kolom 1: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Uit jurisprudentie over dit onderwerp volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject de aard en omvang van de ontwikkeling plaatsvinden, maar ook de regio en de directe omgeving van de planlocatie. In dit geval is sprake van een relatief klein perceel (ca 845m2 ), een beperkt programma (max 8 woningen) in een (hoog)stedelijk centrum, geheel omgeven door bestaande bebouwing. Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling niet aan te merken aan een stedelijk ontwikkelingsproject en is een m.e.r.(beoordelings)plicht niet aan de orde.

bestemmingsplan Helschriksel ong

45

46

bestemmingsplan Helschriksel ong

Hoofdstuk 5 5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen.

5.2

Beleid waterschap Limburg

De wijze waarop Waterschap Limburg adviseert over de wateraspecten rondom ruimtelijke ontwikkelingen is beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Dit is nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. Uitgangspunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere: circa 10% van het plangebied reserveren voor water; rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving; uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand; toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit (hergebruik water, vasthouden water in de bodem(infiltratie), afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemegd of DWA-riool); toepassen voorkeurstabel afkoppelen; infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per twee uur (ten zuiden van Sittard), met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur; beheer en onderhoud regelen (denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid); watersysteem verankeren in het bestemmingsplan;

5.3

Huidige waterhuishoudkundige situatie

Binnen het plangebied zijn geen primaire watergangen of andere oppervlaktewateren aanwezig. Zoals al beschreven in paragraaf 3.2.2 van deze toelichting, ligt het plangebied wel binnen de begrenzing van het (niet-stroomvoerende) rivierbed van de Maas, maar levert ook dat geen belemmeringen op voor onderhavig planvoornemen.

bestemmingsplan Helschriksel ong

47

Uitsnede kaart Legger Waterschap Limburg

5.4

Invloed planvoornemen

Het plangebied is relatief beperkt van oppervlakte en is gelegen in een sterk verstedelijkte omgeving. Daarmee is er relatief weinig ruimte om binnen het plangebied te voorzien in de opvang en infiltratie van hemelwater. Toch dient dit op eigen terrein te gebeuren, conform de afkoppelbeslisboom die de gemeente Venlo hanteert. Uit de planregels volgt dat minimaal 35% van de oppervlakte van het plangebied onbebouwd dient te blijven en op de hoek van Helschriksel/Kwietheuvel is circa 140 m2 aan ruimte bestemd als en gereserveerd voor groen, wat ook de mogelijkheid biedt om ter plaatse inderdaad hemelwater op te vangen en te infiltreren. Dat hier invulling aan wordt gegeven is geborgd in de planregels. Die laten overigens ook ruimte om daar gemotiveerd van af te wijken. Het afwijken daarvan is dan onderdeel van een integrale afweging om voor een bepaald bouwplan wel of geen vergunning te verlenen. Daarmee ligt de verantwoordelijkheid om te voorzien in een waterhoudkundige oplossing primair bij de ontwikkelaar c.q. de partij die de percelen gaat bebouwen.

5.5

Conclusie

Gelet op het voorgaande zijn met onderhavig planvoornemen geen waterstaatkundige c.q. waterhuishoudkundige belangen in het geding en is geborgd dat bij invulling van het plangebied water als ontwerpprincipe wordt meegenomen.

48

bestemmingsplan Helschriksel ong

Hoofdstuk 6 6.1

Planopzet

Inleiding

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

6.2

De verbeelding

De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale BGT ondergrond met kadastrale gegevens, schaal 1:500, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de BGT ondergrond met kadastrale gegevens geen juridische status heeft.

6.3

De regels

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouwen gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Helschriksel ong’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van vigerende beheersverordening. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.

6.4

Bestemmingen

Wonen Het deel van het plangebied waarop de beoogde bouwmogelijkheden worden geboden zijn voorzien van de bestemming 'Wonen', waarbij de bouwregels en het toegelaten programma zijn afgestemd op het beoogde programma, als beschreven in paragraaf 2.3 van deze toelichting. Groen Het deel van het plangebied dat wordt ingericht als openbaar toegankelijk groen is voorzien van de bestemming 'Groen'. De gebruiksregels zijn afgestemd op het betreffende gebruik en de bouwmogelijkheden zijn gelet op het beoogde gebruik beperkt.

bestemmingsplan Helschriksel ong

49

50

bestemmingsplan Helschriksel ong

Hoofdstuk 7 7.1

Haalbaarheid

Inleiding

Naast het toetsen van een bestemmingsplan aan diverse omgevingsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij wordt gekeken naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

7.2

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. In beginsel gebeurt dit via een exploitatieplan, maar van de vaststelling van een dergelijk plan kan worden afgezien wanneer kostenverhaal 'anderszins is verzekerd'. Dit laatste is veelal de praktijk, bijvoorbeeld door het sluiten van een zogenoemde anterieure privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar c.q. initiatiefnemer. Ook voor dit plan geldt dat kostenverhaal anderszins is verzekerd, waardoor kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. In dit geval is de gemeente namelijk volledig eigenaar van de gronden en neemt de gemeente het initiatief en de kosten voor o.a. het opstellen van het bestemmingsplan voor haar eigen rekening. Kostenverhaal vindt plaats door die kosten te verdisconteren in de verkoopprijs van de locatie.

7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het planvoornemen betreft de herontwikkeling van een locatie die sinds enkele jaren braakliggend is. Deze ontwikkeling past binnen de reeds enkele jaren geleden ingezette herstructurering van de wijk Q4 en sluit goed aan bij de relatief recent gerealiseerde ontwikkelingen in de directe omgeving. Met de ontwikkeling wordt optimaal gebruik gemaakt van beschikbare ruimte binnen het stedelijk weefsel en wordt de ruimtelijke structuur ter plaatse versterkt. Bovendien past de ontwikkeling gezien deze toelichting goed binnen de actuele beleidsmatige kaders van onder meer Rijk, provincie en gemeente. Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.

7.4

Conclusie

Het planvoornemen voorziet, zoals blijkt uit deze toelichting, in een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een goede nieuwe invulling van het plangebied.

bestemmingsplan Helschriksel ong

51

52

bestemmingsplan Helschriksel ong

Hoofdstuk 8 8.1

De procedure

De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure: a. b. c. d. e.

Voorbereiding: vooroverleg met overheidsinstanties: betrokken diensten van rijk en provincie, waterschap (watertoets), eventueel buurgemeenten; Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad. Vaststelling: vaststelling door de Raad. Mogelijkheid reactieve aanwijzing. Publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn. Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan). Beroep: beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.

8.2

Kennisgeving

Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van voorliggend bestemmingsplan.

8.3

Vooroverleg/inspraak

Volgens artikel 3.1.1 van het Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal instanties. Met de provincie, het waterschap en overige relevante partijen is vooroverleg gevoerd over het planvoornemen. De provincie Limburg heeft gevraagd om de tekst inzake de Regionale woonvisie Noord-Limburg aan te passen aan de meest recente versie en de Plancapaciteitmonitor in lijn te brengen met het planvoornemen zoals dit nu in dit plan is opgenomen voor de locatie Helschriksel ongenummerd. De toelichting is geactualiseerd op basis van de meest recente regionale visie (zie paragraaf 3.4.1). De plancapaciteitsmonitor wordt ook aangepast. Waterschap Limburg heeft geen advies kenbaar gemaakt binnen de geboden adviestermijn.

8.4

Vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 20 oktober 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In die periode zijn geen zienswijzen kenbaar gemaakt ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan. Wel heeft Rijkswaterstaat verzocht aan deze toelichting een passage toe te voegen over de uitzondering op de mogelijkheid om schadevergoeding te krijgen van het Rijk bij een eventueel hoogwater en het op termijn vervallen van die uitzondering. Dit is verwerkt in paragraaf 3.2.2. Ook is de berekening van de stikstofdepositie op Natura-gebieden die bij het ontwerpbestemmingsplan was opgenomen geactualiseerd met toepassing van de meest recente Aerius Calculator (2022, verschenen januari 2023). Die geactualiseerde berekening is opgenomen als Bijlage 2 en de resultaten zijn verwerkt in paragraaf 4.9.2 van deze toelichting. De planregels en de verbeelding zijn niet gewijzigd. Het plan is daarom ongewijzigd vastgesteld.

bestemmingsplan Helschriksel ong

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/112/documents/4032