028 bijl01. Toelichting bestemmingsplan 'Vilgert 11 en 13 te Velden'.pdf
Tekst van het document
5.2.2
Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in de planlocatie en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het diepe grondwaterpakket mag enkel worden
27
gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen ten behoeve van beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een standstill beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol geldt voor gebieden welke minder dan 5 meter boven NAP zijn gelegen regels voor het hebben van een boorput, het roeren van grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. In de planlocatie wordt niet voorzien in dergelijke onttrekkingen, waardoor er met betrekking tot de boringsvrije zone geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater Op de planlocatie zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en in de nieuwe situatie wordt geen oppervlaktewater gecreëerd. De Maas is op een afstand van ruim 1,1 kilometer meter van de planlocatie gelegen. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie wordt geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie wordt geen bebouwing gerealiseerd welke moet worden aangesloten op het rioleringsstelsel. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het afvoeren van afvalwater.
Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen de planlocatie te verwerken. Gezien er geen fysieke veranderingen plaatsvinden, neemt de oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie niet toe.
5.2.3
Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. De ontwikkeling betreft het herbestemmen van het plangebied, waarbij geen nieuwe bebouwing of verharding wordt aangelegd. Het oppervlakte aan bebouwing op de locatie aan Vilgert 13 neemt zelfs af. De bestaande bebouwing blijft ongewijzigd aangesloten op de aanwezige leidingen. De ontwikkeling heeft dan ook geen invloed op de waterhuishoudkundige situatie. De bebouwing kan, zoals in de huidige situatie, aangesloten blijven op de riolering. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
28
5.3
Natuur
5.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten.
Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 De planlocatie is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’. Dit gebied is op een afstand van circa 1,8 kilometer meter van de planlocatie gelegen. Gezien het gebruik ter plaatse van de planlocatie niet wijzigt, heeft de ontwikkeling ook geen significant negatief effect op omliggende natuurgebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden vormt de ontwikkeling geen belemmering.
5.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. De planologisch-juridische borging van de herbestemming van de percelen heeft geen significant negatieve effecten ten aanzien van soortenbescherming tot gevolg. Het komt voor dat bebouwing en/of groenelementen fungeren als vaste verblijfs- of voortplantingsplaats voor dieren. In dit geval worden geen groenelementen verwijderd.
29
Daarnaast vindt er geen toename van het oppervlakte aan verharding plaats waardoor ook mogelijke foerageergebieden van dieren niet worden aangetast. Een deel van de bestaande loods en het kleine bijgebouw aan de Vilgert 13 worden in de beoogde situatie gesloopt. Voor de volledigheid is gekeken of het de loods en het kleine bijgebouw geschikt worden geacht als mogelijke verblijfsplaats voor beschermde diersoorten. In de bijlage zijn foto’s van deze bebouwing in de huidige situatie weergegeven. Er zijn geen kieren en/of gaten aanwezig in het dakbeschot van de loods, waardoor dit geen geschikte verblijfsplaatsen is voor diersoorten zoals huismussen, vleermuizen en steenuilen. Ook is er geen sprake van een dakoverstek met ruimten welke zou kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. Ten slotte zijn er geen donkere afgesloten ruimten (zoals een zolder) aanwezig welke geschikt kunnen zijn voor een steenmarter. Kortom worden er geen beschermde soorten verwacht. Het kleine bijgebouw betreft een hok welke bestaat uit 4 houten schuttingen die tegen elkaar zijn geplaatst met daarbovenop golfplaten welke als ‘dak’ dienen. In dit hok zijn geen nesten aangetroffen en daarnaast beschikt het hok niet over een spouw, boeiboorden, dakbeschot, zolder of andere mogelijke verblijfsplaatsen voor dieren. Het hok wordt dan ook niet geschikt geacht als verblijfsplaats voor diersoorten.
Hierdoor kan worden uitgegaan dat de ontwikkeling geen significant negatief effect heeft op flora en fauna. Op dit gebied vormt onderhavige ontwikkeling dus geen belemmering. Om eventueel verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten is het wel van belang dat de werkzaamheden overdag plaatsvinden. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.4
Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft de planlocatie deels een lage archeologische verwachting en deels een hoge archeologische verwachting. Echter vinden er ten behoeve van de ontwikkeling geen bodemingrepen plaats waardoor mogelijk aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord. Hierdoor vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de ontwikkeling.
30
5.5
Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen de planlocatie. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.
5.6
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
5.6.1
Mobiliteit Ten behoeve van de reeds bestaande woningen vinden in de huidige situatie al verkeersbewegingen plaats. De woningen blijven in gebruik ten behoeve van woondoeleinden waardoor het aantal verkeersbewegingen niet zal toenemen. Daarnaast verdwijnt met de herbestemming naar ‘Wonen’ op de locatie aan Vilgert 13 de mogelijkheid voor het vestigen van een agrarisch bedrijf, wat een positief effect heeft ten aanzien van mobiliteit. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen dus niet toe. Gezien de huidige infrastructuur het aantal verkeersbewegingen zonder problemen kan verwerken, worden er voor de beoogde situatie tevens geen problemen verwacht. Kortom zijn er geen belemmeringen ten aanzien van mobiliteit. Het aanpassen van de huidige infrastructuur is niet aan de orde.
5.6.2
Parkeren Conform de parkeernormen gesteld door de gemeente Venlo, dient er ten aanzien van de woning te worden voorzien in minimaal 1,6 en daarmee afgerond 2 parkeerplaatsen op het eigen terrein. In dit geval zijn beide percelen in de huidige situatie al voldoende groot om te kunnen voorzien in dit benodigd aantal parkeerplaatsen. Om dit te borgen is in de planregels opgenomen dat per woning dient te worden voorzien in ten minste 2 parkeerplaatsen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de herbestemming.
31
HOOFDSTUK
6 Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het ruimtelijk plan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
6.1
Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Conform artikel 6.2.1 a onder c van Bro kan hiervan worden afgeweken indien sprake is van verhaalbare kosten welke uitsluitend betrekking hebben op de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Het planvoornemen heeft enkel betrekking op een functiewijziging van een reeds bebouwd perceel. Hierdoor is er geen noodzaak voor een exploitatieplan noch voor aansluiting van het perceel op de openbare ruimte of nutsvoorzieningen. Ten behoeve van de ontwikkeling is een planschadeovereenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie gelegen, waarbij gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Gedurende de tervisielegging zijn geen zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan.
32