021bijlage 6 bestemmingsplan Greenport Businesspark bijlagen toelichting-gecomprimeerd.pdf
Tekst van het document
0
0
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA KLAVER 14 TE VENLO
Rapportage quickscan flora en fauna klaver 14 te Venlo Opdrachtgever
Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo Sint Jansweg 20 5928 RC Venlo
Rapportnummer Versienummer
8848.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
4 februari 2019
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
ing. M.H.M. Gijsbers
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ir. B.H.H. Verdijck
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen.................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 ....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 13
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels.................................................................................................................... 14 Vleermuizen.................................................................................................................... 15 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en a .................................................... 16 Levendbarende hagedis ................................................................................................. 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland............................................................................................... 18
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 8848.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Heierkerkweg (ong.) te Venlo ten behoeve van de ontwikkeling van Klaver 14. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 1 van 21
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie 31,5 ha) ligt aan de Kerkheierweg circa 6,5 kilometer ten noordwesten van de kern van Venlo. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 O (schaal 1:25.000), zijn de van het midden van de onderzoekslocatie X = 205.668, Y = 380.344.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie bestaat uit voormalige akkerpercelen gelegen aan de Heierkerkweg en Venrayseweg, een kleine houtopstand aan de zuidzijde van de Heierkerkweg, de woningen gelegen aan de Heierkerkweg en een voetgolfterrein. De noordzijde van de onderzoekslocatie wordt begrensd door de Greenportlane waarachter zich glastuinbouw bevindt. Aan de oostzijde wordt de onderzoekslocatie begrensd door de toerit naar de A73, Aan de westzijde vormt de Heierkerkweg de begrenzing van de onderzoekslocatie. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 2 van 21
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Bomenrij langs de Heierkerkweg, kijkrichting west.
Figuur 4. Begrenzing onderzoekslocatie aan de zuidzijde.
Figuur 5. Voormalig agrarisch perceel aan de noordzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 6. Bomenrij langs de Heierkerkweg, kijkrichting oost.
Figuur 7. Houtopstand op het voetbalgolf-terrein.
Figuur 8. Voetbalgolf-terrein.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 3 van 21
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens om op de onderzoekslocatie een bedrijventerrein te realiseren. Ten behoeve van dit voornemen zullen de agrarische percelen en weilanden verdwijnen en de aanwezige (agrarische) gebouwen gedeeltelijk gesloopt worden. In figuur 9 is een voorlopige inrichtingsschets van Klaver 14 opgenomen.
Figuur 9. Visiekaart van klaver 14 (bron: OBGV, d.d. 14 mei 2018).
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 4 van 21
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 3 januari 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.
- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 5 van 21
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde diervoor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht - of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 6 van 21
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 7 van 21
genaamd N werk behoren.
t-
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 8 van 21
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort w - en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied grenzend aan bosrijk gebied kunnen dit zijn: huismus, kerkuil, steenuil, roek, boerenzwaluw, huiszwaluw, torenvalk en havik zijn. Huismus, huiszwaluw en boerenzwaluw De huismus, huiszwaluw en boerenzwaluw zijn allen afhankelijk van bebouwing in de vorm van stallen dan wel woningen. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat er zich binnen en net buiten de onderzoekslocatie bebouwing bevindt welke kan dienen als foerageergebied dan wel voortplantingshabitat voor een of meerdere van deze soorten. Bij de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie is verstoring, vernietiging of wegnemen van mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van huismus, huiszwaluw en boerenzwaluw niet op voorhand uit te sluiten (hoofdstuk 6). Steenuil De onderzoekslocatie vormt deels geschikt habitat voor een steenuil. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er meerdere waarnemingen van roepende steenuilen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Deze stammen allen uit 2017. Tevens is er in 2014 een broedgeval van de steenuil vastgesteld ter hoogte van Heierkerkweg 7a. Daarnaast zijn er meerdere nestlocaties ten noorden van de Greenportlane bekend.
Op dit moment is niet bekend of er zich nestlocaties van de steenuil op de onderzoekslocatie bevinden en of er zich nestlocaties in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kunnen bevinden. Verstoring ten aanzien van de steenuil is op voorhand niet uit te sluiten (hoofdstuk 6). Kerkuil De bebouwing op en nabij de onderzoekslocatie kon tijdens het veldbezoek niet worden onderzocht op de aanwezigheid van nestkasten/sporen van kerkuilen. Gezien de onderzoekslocatie in een deel van Nederland ligt waar de kerkuil veelvuldig voorkomt, er waarnemingen van kerkuilen in de omgeving bekend zijn en de onderzoekslocatie geschikt habitat vormt voor de kerkuil is verstoring ten aanzien van de kerkuil niet op voorhand uit te sluiten (hoofdstuk 6). Havik De havik is een soort die broedt in grote nesten in loof- en naaldbossen, maar ook in moerasbossen langs rivieren. De soort is volgens de NDFF meerdere malen in de nabijheid van de onderzoekslocatie waargenomen, tevens is de havik meerdere malen in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie waargenomen tijdens het veldbezoek. Tijdens het veldbezoek is tevens gelet op nesten/horsten
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 9 van 21
binnen de onderzoekslocatie, welke niet zijn aangetroffen, waardoor een broedlocatie op de onderzoekslocatie redelijkerwijs is uit te sluiten. Het is aannemelijker dat de havik broedt in de nabijgelegen naaldbossen gelegen rond Villa Flora en de onderzoekslocatie uitsluitend gebruikt als foerageergebied. In de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat aanwezig. Negatieve effecten ten aanzien van de havik zijn niet te verwachten. Roek De roek is een echte kolonievogel die nestelt in clusters in hoge bomen, bij voorkeur langs (snel)wegen, spoorlijnen en watergangen. Dergelijke nestclusters zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen, waardoor een broedlocatie van de roek op de onderzoekslocatie redelijkerwijs is uit te sluiten. Negatieve effecten ten aanzien van de roek zijn niet te verwachten. Torenvalk De torenvalk broedt vaak in oude kraaiennesten, maar in Nederland tegenwoordig vooral in speciale open of halfopen torenvalkkasten en ook wel in nissen in gebouwen. Gezien de bebouwing op de onderzoekslocatie niet is onderzocht op de aanwezigheid van nestkasten voor de torenvalk is de aanwezigheid van een nestlocatie van de torenvalk op voorhand niet uit te sluiten. Tevens is langs de Heierkerkweg een nest oud nest van een zwarte kraai aangetroffen. Het is niet uit te sluiten dat de torenvalk dit als nestlocatie gebruikt.
Negatieve effecten ten aanzien van de torenvalk zijn niet uit te sluiten (hoofdstuk 6). 5.1.2
Overige broedvogels
De bebouwing/beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals roodborst, winterkoning, heggenmus en merel. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Van de ekster zijn een aantal nesten aangetroffen in de bomen langs de Heierkerkweg. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Daarnaast zullen de bomen in de toekomstige situatie behouden blijven. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Vleermuizen en planologie (2017) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis, Brandt's vleermuis, ingekorven vleermuis, baardvleermuis, bosvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen, vanwege de aanwezigheid van geschikte openingen die toegang verlenen tot de spouwmuren. De ruimte langs de dakranden geeft toegang tot ruimte onder de dakpannen. Verder zijn er op verscheidene plekken ruimtes achter betimmeringen waargenomen waar vleermuizen gebruik van kunnen
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 10 van 21
maken. De bebouwing is geschikt als verblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Deze soorten kunnen de bebouwing in principe gebruiken als zomerverblijf, kraamverblijf en als baltsverblijf (zie hoofdstuk 6). Tevens kunnen de aanwezige opstallen, afhankelijk van de bevindingen van een inpandige inspectie, mogelijk ook geschikt zijn voor de gewone grootoorvleermuis. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, welke kunnen - en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn op enkele locaties in het bosperceel aangetroffen. Verstoring van ten aanzien van boombewonende vleermuissoorten is niet op voorhand uit te sluiten (hoofdstuk 6). Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden door de onderlinge afstand tot mogelijke verblijfplaatsen geen potentieel belangrijke aanvliegroutes aangetast en zal er geen verstoring plaatsvinden van een in de omgeving gelegen verblijfplaats. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk enkele boombewonende soorten om te foerageren. De plannen kunnen een aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.
Het mogelijke verlies van foerageerhabitat door de voorgenomen ingrepen in de onderzoekslocatie is relatief groot. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat de impact van de ingreep op de lokale populatie kan zijn (zie hoofdstuk 6). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De aanwezige bomenrijen op de onderzoekslocatie vormen in potentie geschikte vliegroutes voor vleermuizen. Het is dan ook niet uit te sluiten dat bij de voorgenomen plannen verstoring plaatsvindt van een vliegroute voor vleermuizen. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen: bever, das, eekhoorn en steenmarter. Streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gezien de aanwezige bebouwing niet kon worden onderzocht tijdens het veldbezoek kan de aanwezigheid, en daarmee verstoring, van de steenmarter niet worden uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 11 van 21
nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn kan worden uitgesloten. De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door jkheden gedeeltelijk ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving loopsporen, haren en eetsporen aangetroffen. Verder zijn in de op de grens van de onderzoekslocatie en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie meerdere dassen- pijpen en wissels bekend. Het is daarmee aannemelijk dat de das gebruikt van de onderzoekslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen plannen zijn niet op voorhand uit te sluiten. De bever komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan verstoring ten aanzien van de bever op voorhand worden uitgesloten. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren.
Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, mol en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, a
en vissen
Reptielen Volgens de verspreidingsgegevens van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg (Van Buggenum et al. 2008), NDFF en RAVON (van Delft et al. 2015) is in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de streng beschermde levendbarende hagedis waargenomen. Op de onderzoekslocatie is geschikt habitat aanwezig voor de levendbarende hagedis in de vorm van braakliggende terreinen en meerdere wegbermen. Negatieve effecten ten aanzien van de levendbarende hagedis als gevolg van de voorgenomen plannen is niet op voorhand uit te sluiten.
Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, vinpootsalamander, heikikker, kamsalamander en kleine watersalamander. Algemene soorten als bruine kikker en gewone pad kunnen beschutting vinden in de bosschage en aanwezige siertuinen en onder het aanwezige groen. De greppels die grenzen aan de noordzijde en oostzijde van de onderzoekslocatie zijn niet jaarrond watervoerend, maar dienen voornamelijk voor de afvoer van overvloedig regenwater van de wegen waar deze greppels aan liggen. Het is daarmee redelijkerwijs uit te sluiten dat deze greppels als voortplantingshabitat gebruikt kunnen worden. De incidentele aanwezigheid van algemene soorten op de onderzoekslocatie is op voorhand niet uit te sluiten. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 12 van 21
5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Aangezien de locatie geheel bestaat uit bebouwing, verharding, tuin, erf en begraasd weiland is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, palen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 13 van 21
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Broedvogels
6.1.1 Jaarrond beschermde broedvogels Boerenzwaluw, huiszwaluw en huismus De nesten van boerenzwaluwen, huiszwaluwen en huismussen vallen in Limburg in categorie 2 van de lijst met jaarrond beschermde nesten. Dit zijn de nesten van vogels welke zeer plaats getrouw zijn of zeer afhankelijk zijn van bebouwing voor hun nesten te maken. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen deze soorten aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van deze op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van de betreffende soorten. Steenuil De steenuil is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in de Vogelrichtlijn. De steenuil staat als kwetsbaar vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (2017) en valt onder categorie 1 van beschermde broedvogelnesten. De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de functionele leefomgeving ervan. Op de onderzoekslocatie of binnen de invloedsfeer is mogelijk een voortplantingsplaats van de steenuil aanwezig. Een deel de omgeving verblijvende steenuil. De exacte locatie van de nestplaatsen van de steenuil dienen middels aanvullend onderzoek bepaald te worden.
Op basis van deze resultaten kan dan een analyse worden gedaan om de eventuele afname van het leefgebied in kaart te brengen. Kerkuil en torenvalk Nesten de kerkuil en torenvalk zijn jaarrond beschermd. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van desbetreffende soorten aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden tijdens het broedseizoen van deze soorten. Indien nesten van desbetreffende soorten aanwezig zijn dienen de te nemen maatregelen vastgelegd te worden in een activiteitenplan. Het activiteitenplan kan dan ter goedkeuring worden voorgelegd bij Provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. 6.1.2 Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 14 van 21
geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. 6.2
Vleermuizen
De te slopen bebouwing op de onderzoekslocatie is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarnaast zijn enkele van de te kappen bomen in principe geschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De gebouwbewonende vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger en mogelijk gewone grootoorvleermuis. De boombewonende vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn soorten als gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis.
Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017 iode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een projectplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3
Overige zoogdieren
6.3.1 Das Het is bekend dat de das veelvuldig in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voorkomt, en tijdens het veldbezoek zijn er tevens eet en loopsporen van de das aangetroffen op de onderzoekslocatie. Middels aanvullend onderzoek dient de exacte functie van de onderzoekslocatie voor de das te worden vastgesteld. Bij de voorgenomen werkzaamheden is overtreding van de Wet natuurbescherming mogelijk niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen. Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. 6.3.2 Steenmarter Voor werkzaamheden welke effecten hebben op de steenmarter geldt een vrijstelling indien gewerkt wordt in de periode van 15 augustus t/m februari in de provincie Limburg. Gezien de schaal van de
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 15 van 21
voorgenomen werkzaamheden is de kans dat werkzaamheden buiten de vrijstellingsperiode moeten worden uitgevoerd zeer aanwezig. Het wordt daarom aanbevolen om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter op de onderzoekslocatie. Indien deze worden aangetroffen dient er, indien sloopwerkzaamheden buiten deze vrijstellingsperiode plaatsvinden, alsnog ontheffing te worden aangevraagd. Voor de overige werkzaamheden is dit niet aan de orde. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. 6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5 Levendbarende hagedis Voor werkzaamheden welke effecten hebben op de levendbarende hagedis geldt een vrijstelling indien gewerkt wordt in de periode van 15 augustus t/m 15 oktober in de provincie Limburg.
Gezien de schaal van de voorgenomen werkzaamheden is de kans dat werkzaamheden buiten de vrijstellingsperiode moeten worden uitgevoerd zeer aannemelijk. Het wordt daarom aanbevolen om in de voortplantingsperiode van de levendbarende hagedis onderzoek te doen naar de aanwezigheid van deze soort op de onderzoekslocatie. Indien deze soort wordt aangetroffen dient er voor de werkzaamheden welke buiten deze vrijstellingsperiode plaatsvinden alsnog ontheffing te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. 6.6
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 16 van 21
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, De Maasduinen, bevindt zich op circa 4 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 9).
Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000 (bron: website provincie Limburg).
De onderzoekslocatie ligt binnen de invloedsfeer van Naturaeen effect te verwachten valt dan zal dit een extern effect zijn. Vastgesteld zal moeten worden of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, significante gevolgen kan hebben voor de aangewezen gebieden. Significante gevolgen bij Natura 2000-gebieden zijn gevolgen die in strijd zijn met de instandhoudingsdoelen van het gebied. Een globale toetsing in de vorm van een voortoets met Aerius-berekening dient te worden uitgewerkt in een separaat rapport om te beoordelen of er potentieel (negatieve) effecten op kunnen treden. Het betreft geen volledige analyse van alle mogelijke effecten. Indien effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, zal een verstoring- en verslechteringstoets of een Passende Beoordeling benodigd zijn om te bepalen of de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000 niet in het geding komen. De voortoets geeft aan op welke gebieden dergelijke toetsing benodigd is.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 17 van 21
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied grenst aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie en behoort tot de goudgroene natuurzone. Daarnaast zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie delen van het Natuurnetwerk Nederland gelegen welke tot de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone behoren. In figuur 10 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bron: website provincie Limburg).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijk situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels .
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 18 van 21
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming, waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap. Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Aangezien het niet mogelijk is om dezelfde grond te herbeplanten dient een ontheffing aangevraagd te worden voor artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Het betreft een ontheffing voor het herbeplanten op andere grond. Een ontheffing kan verleend worden, indien de herbeplanting voldoet aan de gestelde regels.
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 19 van 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de klaver 14 te Venlo. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens om op de onderzoekslocatie een bedrijventerrein te realiseren. Ten behoeve van dit voornemen zullen de agrarische percelen en weilanden verdwijnen en de aanwezige (agrarische) gebouwen gedeeltelijk gesloopt worden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen
ja
mogelijk
nee
nee
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
nader onderzoek naar huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw, steenuil, kerkuil en torenvalk
verblijfplaatsen
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
onderzoek naar gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen
foerageergebied
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
onderzoek naar gebruik van onderzoekslocatie door vleermuizen
vliegroutes
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
onderzoek naar aanwezigheid van vliegroutes langs Venrayseweg en Heierhoevenweg
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
Steenmarter
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
onderzoek naar aanwezigheid vaste rust- en verblijfplaatsen steenmarter
Das
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
onderzoek naar gebruik van onderzoekslocatie door das
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
Levendbarende hagedis
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Rapport 8848.001 versie D1
Bijzonderheden / opmerkingen* het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
onderzoek naar aanwezigheid van levendbarende hagedis op onderzoekslocatie
Pagina 20 van 21
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
nee
nee
nee
nee
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
4.5 km
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
onderzoek naar effecten op N2000 gebied
Natuurnetwerk Nederland
aangrenzend
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
onderzoek naar effecten op goudgroene natuurzone
ja
ja
nee
ja
bij kap van bomen meldings- en herplantplicht van toepassing
Vaatplanten
Gebiedsbescherming
Houtopstanden
Bijzonderheden / opmerkingen* -
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Conclusies Ten aanzien van huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw, steenuil, kerkuil, torenvalk, gebouw- en boombewonende vleermuizen, das, steenmarter en levendbarende hagedis dient middels aanvullend onderzoek meer informatie te worden verkregen over de aanwezigheid op, en het gebruik van, de onderzoekslocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura2000 gebieden dient middels een voortoets met Aerius-berekening te worden onderzocht of er kans is op significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het N2000 gebied als gevolg van de voorgenomen plannen. Ten aanzien van het NatuurNetwerk Nederop dit gebied. Ten aanzien van houtopstanden geldt een meldings- en herplantplicht.
Econsultancy Boxmeer, 4 februari 2019
Rapport 8848.001 versie D1
Pagina 21 van 21
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C. rland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Venlo noord e.o., periode 2009-2019 van Harxen, R. & P. Stroeken 2011. De Steenuil. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Literatuur Limburg van Buggenum, H.J.M., R.P.G. Geraerds & A.J.W. Lenders (red.) 2009. Herpetofauna van Limburg. -2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht. Huizinga, C.E., L.S.G.M. Verheggen & R.W. Akkermans 2005. Werkatlas zoogdieren in Limburg. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Roermond. Huizinga, C.E., R.W. Akkermans, J.C. Buys, J. van der Coelen, H. Morelissen & L.S.G.M. Verheggen 2010. Zoogdieren van Limburg. Verspreiding en ecologie in de periode 1980-2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht.
Algemene websites www.anemoon.org (soortgegevens ongewervelden) www.eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) www.floron.nl (soortgegevens planten) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg)
Rapport 8848.001 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1. 2.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 8848.001 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn