CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

021bijlage 6 bestemmingsplan Greenport Businesspark bijlagen toelichting-gecomprimeerd.pdf

Raadsvergadering 28 april 2021, gemeente VenloBij agendapunt: 5.7: RV 21 - Bestemmingsplan Greenport Businesspark en beeldkwaliteitsplan Greenport Businesspark17.632 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

Rapport 8848.001 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine arie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel, pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst,

roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Vogels

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfi in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, n vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren

Zoogdieren

aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat* Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander

Planten

Reptielen

adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang

Vissen

beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal

Dagvlinders

aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan

Libellen

beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer

Overige soorten

Europese rivierkreeft, vliegend hert

akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam

Rapport 8848.001 versie D1

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.

Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming

Artikel 4.1

De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Artikel 4.2

1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Artikel 4.3 lid 1 en 2

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.

Artikel 4.4 lid 1

De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer

Artikel 4.5

Rapport 8848.001 versie D1

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst

Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, enoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.

Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat . Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. pgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat.

De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld e verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.

Rapport 8848.001 versie D1

Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te fplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Projectplan Een projectplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het projectplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie oleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast.

Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden. Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, enkele individuen. Zomerverblijfplaats Is een vleermuisverblijfplaats anders dan een kraamverblijf.

Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.

Rapport 8848.001 versie D1

AANVULLENDE ECOLOGISCHE ONDERZOEKEN T.B.V. TOEKOMSTIGE KLAVER 14 HEIERKERKWEG ONG. TE VENLO

Rapportage aanvullende ecologische onderzoeken t.b.v. toekomstige Klaver 14 Heierkerkweg ong. te Venlo Opdrachtgever

Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo Sint Jansweg 20 5928 RC Venlo

Rapportnummer Versienummer

8848.002 D5

Status

Eindrapportage

Datum

4 november 2019

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

drs. L.E.L. Gijsen

Paraaf

Kwaliteitscontrole

ir. B.H.H. Verdijck

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus en werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. Het onderzoek betreft echter een momentopname en geeft een inschatting van de aanwezigheid van beschermde soorten op de onderzoekslocatie. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2 2.3

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK............................................................................ 6 3.1 3.2

4

Huismus............................................................................................................................ 8 Boerenzwaluw (samen met steenmarter, kerkuil en steenuil).......................................... 8 Huiszwaluw....................................................................................................................... 8 Steenuil (samen met steenmarter, boerenzwaluw en kerkuil) ......................................... 8 Kerkuil............................................................................................................................... 9 Roofvogelnesten............................................................................................................... 9 Diverse vleermuissoorten ................................................................................................. 9 Steenmarter (samen met steenuil, boerenzwaluw en kerkuil) ....................................... 10 Das ................................................................................................................................. 10 Levendbarende hagedis ................................................................................................. 11 Overzicht veldbezoeken ................................................................................................. 12

ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................................. 13 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 5.13

6

Resultaten quickscan flora en fauna ................................................................................ 6 Verduidelijking onderzoeksvraag...................................................................................... 7

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 8 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

5

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en te verwachten werkzaamheden ........ 3 Toekomstige inrichting omgeving Klaver 14..................................................................... 4

Huismus.......................................................................................................................... 13 Boerenzwaluw ................................................................................................................ 14 Huiszwaluw..................................................................................................................... 14 Steenuil........................................................................................................................... 15 Kerkuil............................................................................................................................. 16 Roofvogelnesten............................................................................................................. 17 Diverse vleermuissoorten ............................................................................................... 18 Das ................................................................................................................................. 19 Levendbarende hagedis ................................................................................................. 21 Steenmarter ....................................................................................................................

21 Wulp................................................................................................................................ 22 Eekhoorn ........................................................................................................................ 22 Overige soorten .............................................................................................................. 22

TOETSING AAN WET- EN REGELGEVING ........................................................................... 24 6.1 6.2 6.3 6.4

Huismus.......................................................................................................................... 24 Vleermuizen.................................................................................................................... 24 Das ................................................................................................................................. 24 Steenmarter .................................................................................................................... 25

7

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ..................................................................................... 26

8

LITERATUURLIJST .................................................................................................................. 27

8848.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een aanvullend ecologisch onderzoek aan de Heierkerkweg ong. te Venlo. Het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en op termijn de mogelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, en volgde op de resultaten van de quickscan flora en fauna die Econsultancy in januari 2019 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 8848.001, d.d. 4 februari 2019). Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 1 van 28

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie 31,5 ha) ligt aan de Heierkerkweg ong., circa 6,5 kilometer ten noordwesten van de kern van Venlo (zie Figuur 1). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 O (schaal 1:25.000), zijn de van het midden van de onderzoekslocatie X = 205.668, Y = 380.344.

Figuur 1. Topografische ligging onderzoekslocatie op schaal 1:25.000.

De onderzoekslocatie bestaat uit voormalige akkerpercelen gelegen aan de Heierkerkweg en Venrayseweg, een kleine houtopstand aan de zuidzijde van de Heierkerkweg, de woningen (inclusief stallen) gelegen aan de Heierkerkweg en een voetgolfterrein. De noordzijde van de onderzoekslocatie wordt begrensd door de Greenportlane waarachter zich bomenteelt en glastuinbouw bevindt. Aan de oostzijde wordt de onderzoekslocatie begrensd door de toerit naar de A73, de zuidzijde vormt Heierkerkweg en een weiland de begrenzing van de onderzoekslocatie. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, die zijn genomen tijdens het veldbezoek op 3 januari 2019.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 2 van 28

Figuur 2. Luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving.

Figuur 3. Bomenrij langs de Heierkerkweg, kijkrichting west.

Figuur 4. Begrenzing onderzoekslocatie aan de zuidzijde.

Figuur 5. Voormalig agrarisch perceel aan de noordzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Bomenrij langs de Heierkerkweg, kijkrichting oost.

Figuur 7. Houtopstand op het voetbalgolf-terrein.

Figuur 8. Voetbalgolf-terrein.

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en te verwachten werkzaamheden

De initiatiefnemer is voornemens om op de onderzoekslocatie een bedrijventerrein te realiseren (zie Figuur 9). Ten behoeve van dit voornemen zullen de agrarische percelen en weilanden (gedeeltelijk) verdwijnen en de aanwezige gebouwen mogelijk gesloopt worden. In figuur 9 is een voorlopige inrichtingsschets van Klaver 14 opgenomen.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 3 van 28

Figuur 9. Visiekaart van Klaver 14 (bron: Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo, d.d. 14 mei 2018).

2.3

Toekomstige inrichting omgeving Klaver 14

Ten westen van de onderzoekslocatie is Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo voornemens invulling te geven aan gebiedsontwikkeling Parc Zaarderheiken. Binnen het gebied Parc Zaarderheiken ligt de ambitie om ruim 100 hectare nieuwe natuur en landschap te realiseren om daarmee invulling te geven aan de ecologische verbindingszone in de oostelijke staander (van Kraijelheide, via Parc Zaarderheiken naar de nog te realiseren faunapassage over de A73). Het ontwikkelen van 5 landschapstypen en de herinrichting van de Mierbeek zijn hierbij leidinggevend. Bovendien is men voornemens hier een 18-holtes golfbaan te realiseren. In Figuur 10 is het Integraal Ontwerp opgenomen dat inzicht geeft in de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast heeft Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo, voorafgaand aan de gebiedsontwikkeling van Greenport Venlo, ten noorden van Klaver 14 reeds een tweetal ecologische verbindingszones gerealiseerd die voorsorteren op het omleiden van diverse soorten.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 4 van 28

Figuur 10. Verbeelding toekomstige inrichting Parc Zaarderheiken met diverse kleine landschapselementen (Integraal Ontwerp 14-09-2018, bron: Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo).

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 5 van 28

3

RESULTATEN VOORGAAND ONDERZOEK

Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet natuurbescherming er op sommige punten meer informatie is benodigd. Onderstaande informatie geeft de conclusie van de quickscan weer. 3.1

Resultaten quickscan flora en fauna

De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In tabel I is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

jaarrond beschermd

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

nader onderzoek naar huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw, steenuil, kerkuil en torenvalk

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

onderzoek naar gebouwbewonende en boombewonende vleermuizen

foerageergebied

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

onderzoek naar gebruik van onderzoekslocatie door vleermuizen

vliegroutes

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

onderzoek naar aanwezigheid van vliegroutes langs Venrayseweg en Heierhoevenweg

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Steenmarter

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

onderzoek naar aanwezigheid vaste rust- en verblijfplaatsen steenmarter

Das

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

onderzoek naar gebruik van onderzoekslocatie door das

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten

Levendbarende hagedis

ja

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

4.5 km

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onder-

Broedvogels

Vleermuizen

Gebiedsbescherming Natura 2000

Rapport 8848.002 versie D5

Bijzonderheden / opmerkingen* het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

onderzoek naar aanwezigheid van levendbarende hagedis op onderzoekslocatie

onderzoek naar effecten op N2000 gebied

Pagina 6 van 28

Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen*

zoek Natuurnetwerk Nederland

Houtopstanden

aangrenzend

mogelijk

ja

afhankelijk van nader onderzoek

onderzoek naar effecten op goudgroene natuurzone

ja

ja

nee

ja

bij kap van bomen meldings- en herplantplicht van toepassing

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusies Ten aanzien van huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw, steenuil, kerkuil, torenvalk, gebouw- en boombewonende vleermuizen, das, steenmarter en levendbarende hagedis dient middels aanvullend onderzoek meer informatie te worden verkregen over de aanwezigheid op, en het gebruik van, de onderzoekslocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van Natura2000 gebieden dient middels een voortoets met Aerius-berekening te worden onderzocht of er kans is op significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van het N2000 gebied als gevolg van de voorgenomen plannen. Ten aanzien van het NatuurNetwerk Nedere worden welke effecten de voorgenomen plannen hebben op dit gebied. Ten aanzien van houtopstanden geldt een meldings- en herplantplicht. 3.2

Verduidelijking onderzoeksvraag

Deze rapportage behandelt alleen het onderdeel soortenbescherming. Het onderdeel gebiedsbescherming ten aanzien van Natura 2000 gebieden wordt uitgevoerd door derden. Ten aanzien van gebiedsbescherming in het kader van Natuurnetwerk Nederland, geldt dat de wezenlijke kenmerken op het onderdeel van de onderzoekslocatie dat Goudgroene natuurzone is (onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland) niet verandert volgens de opdrachtgever. Dit onderdeel is daarom niet meegenomen in deze rapportage. Tevens verandert de huidige situatie van Heierkerkweg 8 niet, maar wordt hier alleen een planologische aanpassing gedaan. Omdat de wezenlijke kenmerken van de bebouwing niet veranderen, is deze locatie niet specifiek onderzocht. Uiteraard is hier in de omgevingscheck wel rekening mee gehouden.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 7 van 28

4 4.1

ONDERZOEKSMETHODIEK Huismus

Voor het onderzoek naar huismus zijn tussen 1 april en 15 mei twee veldbezoeken uitgevoerd, gedurende de ochtend met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Tijdens de veldbezoeken werd htends) vaak vanaf de dakranden/goten waar hun nesten zich bevinden. Bij het aantreffen van roepenbevinden. Tevens werd gedurende de rondes in de ochtend gelet op huismussen die (met nestmateriaal) onder dakpannen of andere nestlocaties verdwijnen. Behalve op de onderzoekslocatie, werd ook de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid of geschiktheid van de bebouwing voor huismus. De onderzoeksopzet is conform hetgeen is voorgeschreven in het Kennisdocument voor de huismus (BIJ12, versie juni 2017). 4.2

Boerenzwaluw (samen met steenmarter, kerkuil en steenuil)

Boerenzwaluwen bouwen nesten bij voorkeur in boerenschuren, loodsen en dergelijke waar ze in en uit kunnen vliegen. De onderzoeksperiode voor boerenzwaluwen loopt van 20 mei t/m 30 juni met minimaal 2 inspecties. Daarom werd initieel voor deze soorten voorgesteld om tweemaal een inspectie van en in de bebouwing te doen, verspreid over mei en Tijdens de interne inspecties werd ook gelet op sporen van steenmarter, kerkuil en steenuil. Echter: na de eerste interne inspectie bleken de beide stallen op de Heierkerkweg 8ab niet geschikt te zijn voor boerenzwaluw in verband met het ontbreken van voldoende grote invliegopeningen. Bovendien zijn er tijdens de inspectie geen sporen van boerenzwaluw (zoals veren of nestjes) aangetroffen. De twee stallen op de Heierkerkweg 8ab zijn daarom na de eerste interne inspectie niet meer intern onderzocht op boerenzwaluw. 4.3

Huiszwaluw

Huiszwaluwen bouwen komvormige nesten van klei en zand tegen rotswanden, huizen van baksteen en beton. SOVON schrijft voor deze soort een onderzoeksperiode voor van half juni tot half augustus jdens de huismusrondes en eerste vleermuisrondes geen nesten van huiszwaluwen zijn aangetroffen (terwijl deze makkelijk te zien zijn) is besloten het onderzoek gecombineerd uit te voeren met het onderzoek naar vleermuizen. 4.4

Steenuil (samen met steenmarter, boerenzwaluw en kerkuil)

Voor het onderzoek naar steenuil zijn in de periode half februari tot half april een drietal bezoeken uitgevoerd en heeft er een interne inspectie van potentiele broedlocaties plaatsgevonden. Om de evonden na zonsondergang, en bezoeken werd gebruik gemaakt van geluidsnabootsing. De inventarisatiemethode is overeenkomstig met de methode die opgesteld is door Steenuilenoverleg Nederland STONE (Bloem et al., 2001). Hierbij is kaart zijn gebracht.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 8 van 28

4.5

Kerkuil

Voor het onderzoek naar kerkuil zijn op activiteit tussen begin februari en half oktober. De inventarisaties hebben tijdens goede weersomstandigheden plaatsgevonden gedurende de avond- en nachturen. De kerkuil reageert in tegenstelling tot de steenuil niet op het afspelen van de baltsroep op een geluidsrecorder. De interne inspectie heeft plaatsgevonden tijdens de interne inspectie voor de huiszwaluw en boerenzwa 4.6

Roofvogelnesten

Om aanwezigheid van roofvogels aan te tonen dan wel uit te sluiten en mogelijk de functie van de onderzoekslocatie te duiden, is tijdens de quickscan in januari 2019 de onderzoekslocatie onderzocht op aanwezigheid van grote nesten tijdens het bladloze seizoen. Daarbij zijn in de periode mei t/m juli in totaal vier veldbezoeken uitgevoerd. Hierbij is de locatie doorlopen op indicaties van roofvogels als prooiresten, braakballen en ruiveren en zijn zicht- en geluidwaarnemingen (met speciale aandacht voor nestindicerend gedrag) gedaan van roofvogels. Gedurende deze veldbezoeken werd tevens gelet worden op de aanwezigheid van eekhoornnesten. 4.7

Diverse vleermuissoorten

Soorten op de onderzoekslocatie die mogelijk in gebouwen kunnen worden aangetroffen zijn soorten als: gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en baardvleermuis. Soorten op de onderzoekslocatie die mogelijk in bomen aangetroffen kunnen worden zijn soorten als: ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, franjestaart, baardvleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Het onderzoek richtte zich op de mogelijk te slopen bebouwing van Heierkerkweg 8ab en de bomen(lanen) op de onderzoekslocatie. De veldbezoeken zijn in de avonduren en/of ochtenduren uitgevoerd en zijn conform het protocol voor vleermuisonderzoek (versie maart 2017; Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging 2017;samenvatting zie Tabel I). De onderzoeksinspanning is gebaseerd op de functies zomerverblijfplaats, kraamverblijf, paarverblijf/baltsplaats en vliegroute. Het protocol heeft tot doel het belang van de functies van onderzoekslocaties voor soorten vleermuizen effec an wel uit te sluiten. Er is geen onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van massawinterverblijfplaatsen. Massawinterverblijfplaatsen kenmerken zich door een flinke omvang waardoor een sterke temperatuurbuffering en temperatuurgradient binnen de verblijfplaats aanwezig is en de verblijfplaats voor een lange periode koel en vochtig blijft (Brekelmans & Korsten, 2014; Zoogdiervereniging, 2018).

De omvang van de aanwezige bebouwing vormt door de beperkte omvang en hoogte dan ook geen geschikte massawinterverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. Daarnaast zijn tijdens de veldbezoeken geen indicaties voor een massawinterverblijfplaats waargenomen tijdens de paarperiode. Doordat vleermuizen iedere (verblijfs)functie slechts een beperkte periode van het jaar gebruiken is onderzoek naar alle op de onderzoekslocatie mogelijke functie noodzakelijk. Iedere (verblijfs)functie afzonderlijk geniet een jaarronde bescherming. Verwacht wordt dat met in totaal negen bezoeken omtrent deze soortgroep voldoende zekerheid is verkregen over de functie van de onderzoekslocatie. Voor het onderzoek werd gebruik gemaakt van professionele batdetectors met opnamemogelijkheid (Elekon Batlogger M). Een batlogger zet het voor het menselijk gehoor niet hoorbare ultrasone geluid van vleermuizen om naar frequenties die wel hoorbaar zijn. Op basis van de geluidsfrequenties en ritmes kunnen verschillende soorten vleermuizen worden onderscheiden. De opnamemogelijkheid is

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 9 van 28

belangrijk omdat de geluidsopnames kunnen worden gebruikt voor het determineren van soorten die op basis van hun geluid moeilijk zijn te onderscheiden (met name Myotis-soort) en waarbij het sonogram uitsluitsel kan geven. Hierbij is gebruik gemaakt van analyseprogramma Batsound. Tabel I. Onderzoeksperioden voor verschillende vleermuizen conform het Vleermuisprotocol. apr

mei

jun

juli

aug

sep

okt

ruige dwergvleermuis rosse vleermuis franjestaart baardvleermuis watervleermuis gewone grootoorvleermuis gebouwbewonende soorten onderzoeksperiode kraamverblijfplaatsen onderzoeksperiode zomerverblijfplaatsen onderzoeksperiode paarverblijfplaatsen

4.8

Steenmarter (samen met steenuil, boerenzwaluw en kerkuil)

Voor het onderzoek naar steenmarter is ige intensieve inspectie uitgevoerd waarbij alle geschikte bebouwing grondig is onderzocht op verblijfsindicaties van een steenmarter. De inpandige inspectie van de steenmarter is gecombineerd uitgevoerd met de inspectie voor boerenzwaluw, kerkuil en steenuil. Daarbij is de open kapschuur meermaals tijdens de vleermuisrondes onderzocht. 4.9

Das

Aanwezigheid van de das is tijdens de quickscan flora en fauna al vastgesteld op en nabij de onderzoekslocatie. Onbekend was echter welke functie de onderzoekslocatie had voor de das, en waar het leefgebied van de das lag. Tijdens de veldbezoeken zijn daarom de onderzoekslocatie met een bufferzone van +/- 150 meter gecontroleerd op de aanwezigheid van eventueel andere dassenpijpen en sporen als wissels, prenten, latrines, mest- en snuitputjes. De veldbezoeken voor de das werden zo mogelijk gecombineerd uitgevoerd met de veldbezoeken voor roofvogels. Bovendien zijn cameravallen geplaatst in mei bij pijpen om aanwezigheid en een eventuele kraamfunctie aan te tonen danwel uit te sluiten. Voor het kwantificeren van het relatieve belang van gebieden voor de das is onderscheid gemaakt in leefgebied op basis van de huidige begroeiing en/of gebruik en daarmee samenhangend de voedselvoorziening voor de das. Regenwormen vormen het stapelvoedsel voor de das (Kennisdocument Das, 2017). Dassen zijn omnivoor en eten daarom ook bosvruchten, valfruit, noten, eikels, granen knaagdieren, egels, slakken en insecten (zoals kevers en wespen- en hommelbroed) en de larven van langpootmuggen (emelten) en kevers (engerlingen).

Hierdoor kan een gebied globaal worden onderverdeeld in: Optimaal leefgebied: begraasde weilanden Matig leefgebied: akkers, tijdelijk grasland, ruigtes en bos Ongeschikt leefgebied: verharding, bebouwing etc. Voor het bepalen van de compensatieopgave wordt gekeken naar het belang van het leefgebied voor de das.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 10 van 28

Een dassenpijp kan verschillende functies hebben. Het Kennisdocument das (BIJ12, 2017) hanteert de volgende functies met daarbij de volgende eigenschappen: Hoofdburchten: Hoofdburchten zijn in de regel relatief groot en zijn het grootste deel van het jaar in gebruik. De hoofdburcht is meestal de plek waar de jongen worden geboren. Er zijn ook permanent bewoonde burchten bekend met maar een holingang. Bijburchten: Bijburchten zijn vaak alleen op bepaalde momenten in gebruik, bijvoorbeeld als vluchtplek bij verstoring van de hoofdburcht. Ook kan de bijburcht door jong volwassen dassen worden gebruikt in de periode dat ze worden verstoten uit het territorium, of door het mannetje die in het voorjaar vanuit deze burcht zijn territorium beter kan verdedigen. Als er jongen geboren zijn, verjaagt het vrouwtje het mannetje vaak tijdelijk naar een ander gedeelte van de hoofdburcht, of uit de burcht. Hij verhuist dan tijdelijk naar een bijburcht. Ook het vrouwtje kan haar jongen grootbrengen in een bijburcht, wat het verschil tussen hoofd- en bijburcht weer vervaagt. Het voedselaanbod in de directe omgeving speelt een grote rol. Dassen wonen het liefst zo dicht mogelijk bij hun voedsel. Ze kunnen, ook tijdelijk, verhuizen naar een bijburcht in de directe omgeving van bijvoorbeeld een maisakker als de jonge, nog zachte maiskolven aan het ontspruiten zijn.

Vluchtpijpen: Vluchtpijpen liggen verspreid over het territorium. Zoals de naam doet vermoeden, worden ze bij dreigend gevaar gebruikt om in te schuilen. Aan de rand van een territorium hebben de vluchtpijpen ook een geurfunctie en bakenen zij het territorium af. Er zijn gevallen bekend dat een vrouwtje een vluchtpijp in gebruik heeft genomen om haar jongen te werpen. 4.10 Levendbarende hagedis Voor het onderzoek naar levendbarende hagedis zijn drie veldrondes uitgevoerd in de periode maart tot september. Het zoeken naar zonnende dieren, tijdens de juiste weersomstandigheden in de ochtend, en het omdraaien van objecten als boomstronken, stenen en speciaal daarvoor geplaatste tapijttegels levert naar verwachting voldoende zekerheid op om de aanwezigheid van reptielen vast te stellen dan wel uit te sluiten. De inventarisatiemethode is als voorgeschreven door RAVON (Goverse et al., 2015), met de nadruk op geschikte perioden voor het waarnemen van levendbarende hagedis.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 11 van 28

4.11 Overzicht veldbezoeken Het onderzoek zal bestaan uit diverse veldbezoeken. Onderstaande tabel 2 bevat een overzicht van de uitgevoerde veldbezoeken. Tabel 2. Onderzoeksinspanning per soortgroep

Veldinspectie sporen, nesten roofvogels en das

Huismus

Vleermuizen (en huiszwaluw)

Steenuil

Levendbarende hagedis

Interne inspectie: huiszwaluw, boerenzwaluw, steenuil, kerkuil en steenmarter

Rapport 8848.002 versie D5

tijdstip

februari

maart

-

-

april

mei

juni

5 x overdag

datum

2, 11 en 25 mei 2019 4 juli 2019 9 augustus 2019

functie

territorium

tijdstip

-

-

2 x ochtend 2 en 13 mei 2019

functie

territorium -

-

augustus

september

-

12 september 2019

-

datum

tijdstip

juli

1 x avond

1 x avond, 1x ochtend

datum

15 mei 2019

25 juni 2019 (ochtend) 15 juli 2019

16 augustus 2019 15 september 2019

functie

Zomerverblijf

kraam + zomerverblijf + vliegroute

paar/baltsverblijf + vliegroute

tijdstip

3 x avond

datum

15 februari 2019 20 maart 2019 8 april 2019

functie

territorium

tijdstip

-

-

3x in de ochtend 2 mei 2019, 25 mei 2019, 21 juni 201

functie

territorium -

2 x avond

-

datum

tijdstip

-

1x overdag

datum

24 mei 2019

functie

broedgevallen en verblijfplaatsen

-

-

Pagina 12 van 28

5 5.1

ONDERZOEKSRESULTATEN Huismus

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van huismussen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 5 C. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Onderzoeksresultaten binnen de onderzoekslocatie Binnen de onderzoekslocatie zijn huismussen alleen onderzocht op en nabij de woning van Heierkerkweg 8ab. Tijdens het eerste veldbezoek op 2 mei 2019 zijn hier minimaal 6 roepende huismusmannetjes aangetroffen in de dakgoot of op de nok van het dak. Tijdens het veldbezoek op 13 mei 2019 zijn, in additie tot de eerder aangetroffen 6 roepende mannetjes, nog 2 extra roepende mannetjes aangetroffen in de dakgoot van het woonhuis. Hieruit kan geconcludeerd worden het woonhuis en aangebouwde garage van Heierkerkweg 8ab in totaal 8 huismus territoria bevat (zie Figuur 11). De directe omgeving van het woonhuis bevat diverse bosschages, een moestuin, schuren en weilanden. Dit behoort tot het functioneel leefgebied van de huismus. Onderzoeksresultaten buiten de onderzoekslocatie Ook in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn potentieel geschikte objecten onderzocht op huismussen (zie Tabel 3). Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat deze locatie niet protocollair onderzocht zijn.

De resultaten geven echter wel een beeld van de huismuspopulatie in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Tabel 3. Aangetroffen huismussen in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

Locatie Heierkerkweg 5ab Heierkerkweg 5 Heierkerkweg 7a Heierkerkweg 8 Heierkerkweg 9 Heierkerkweg 11-13 Heierhoevenweg 8

Rapport 8848.002 versie D5

Resultaat Meer dan 5 huismusterritoria aanwezig Geen huismussen aanwezig Meer dan 5 huismusterritoria aanwezig Geen huismussen aanwezig Geen huismussen aanwezig 2 huismusterritoria aanwezig Geen huismussen aanwezig

Pagina 13 van 28

Figuur 11. Binnen de onderzoekslocatie zijn bij Heierkerkweg 8ab in totaal 8 huismusterritoria aangetroffen. Daarbij zijn bij de niet protocollaire omgevingscheck op drie andere plaatsen huismusterritoria aangetroffen.

5.2

Boerenzwaluw

Zoals reeds beschreven, zijn er op de onderzoekslocatie geen stallen aanwezig die geschikt zijn voor boerenzwaluw in verband met het ontbreken van openingen die leiden tot toegang tot de schuren en geschikte nestgelegenheden. Tijdens de interne inspectie n oren (aanwezigheid van boerenzwaluw, aanwezigheid van nest, veren of poepresten) van deze soort gevonden. Op basis van deze informatie kan geconcludeerd worden dat de onderzoekslocatie geen nestlocatie bevat van boerenzwaluw. Tijdens het veldbezoek op 13 mei 2019 naar huismussen, is een overvliegende boerenzwaluw waargenomen. Verwacht wordt dat deze soort in de omgeving van de onderzoekslocatie een nestlocatie heeft. Boerenzwaluwen worden daarom niet verder meegenomen in deze rapportage. 5.3

Huiszwaluw

Op de onderzoekslocatie zijn geen nesten van huiszwaluw aangetroffen. Ook tijdens de veldbezoeken voor de das zijn geen (overvliegende) huiszwaluwen waargenomen. Hierdoor kan worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie een functie heeft voor huiszwaluwen. Huiszwaluwen worden daarom niet verder meegenomen in deze rapportage.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 14 van 28

5.4

Steenuil

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van steenuilen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 0 C. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Onderzoeksresultaten binnen de onderzoekslocatie Binnen de onderzoekslocatie, en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, zijn op verschillende locaties (waar mogelijk nestlocaties van steenuilen aanwezig zijn) geluidsnabootsingen afgespeeld. Steenuilen kennen volgens Bloem et al. (2001) drie verschillende roepen: territoriumroep (wordt alleen geproduceerd door mannetjes, is maatgevend voor een territorium) en alarm- en overige roepen (wordt geproduceerd door zowel man als vrouw, geeft indicatie van aanwezigheid van steenuilen maar niet van een broedterritorium). De maximum territoriumgrootte van steenuilen is onder andere afhankelijk van voedselaanbod, maar varieert meestal rond een straal van 200 meter (is een gebied van 12,5 ha) rondom de nestlocatie. In gebieden met minder voedselaanbod kan de territoriumgrootte oplopen tot 300 meter (is een gebied van 28 ha) rondom de nestlocatie (zie Tabel 4). Omdat steenuilen binnen 300 meter van de onderzoekslocatie een effect van de toekomstige plannen kunnen ondervinden, is dit gebied het meest int op plekken die potentieel geschikt zijn voor steenuilen.

Op basis van ervaring en de sterkte van de speaker, valt te verwachten dat eventueel aanwezige steenuilen binnen een straal van minimaal 100 meter (zeer conservatief) van elk telpunt, de geluidsnabootsing hadden kunnen horen. Tabel 4. Literatuurwaarden homeranges (HR) steenuilen: uit wetenschappelijk onderzoek naar het terreingebruik van steenuilen komt een variatie van territoriumgroottes naar voren, waarbij de het grootste territorium ongeveer 28 ha betrof. Aantal steenuilen

Gem. HR variatie

Gem. HR

Locatie

Bron

19

1,6 - 28,1 ha

Nederrijngebied, Duitsland

Fink, 1989

11

9,0 - 27,5 ha

Oost-Polen

Grzywaczewski, 2009

8*

3,8

11,5 ha

Noord-Spanje

Zuberogoitia et al., 2007

3,7

14,6 ha

Achterhoek, Nederland

Bremer, van den et al. 2009

7

* hierbij is

n vrouwelijk exemplaar met een uitzonderlijk groot territorium buiten beschouwing gelaten

Echter, tijdens alle drie de veldrondes is geen enkele keer een reactie van een steenuil op de geluidsnabootsing gehoord. De onderzoeksinspanning met betrekking tot afspeelpunten zijn weergegeven in Figuur 12. Bij de interne inspectie op 24 mei 2019 zijn op de onderzoekslocatie (o.a. in de open kapschuur bij Heierkerkweg 8ab) geen sporen zoals braakballen, krijtstrepen of veren van de steenuil aangetroffen. Echter, bij de vleermuisronde op 25 juni 2019 werd een braakbal en krijtstrepen aangetroffen in de open kapschuur bij Heierkerkweg 8ab. In verband met de grootte en de aanwezigheid van kleine schildjes, die duidden op resten van kevers, is deze braakbal vermoedelijk van een steenuil. Na 25 juni 2019 zijn geen nieuwe braakballen en/of krijtstrepen meer gevonden in de open kapschuur. Onderzoeksresultaten buiten de onderzoekslocatie In de directe omgeving van de onderzoekslocatie (in een straal van circa 300 meter) zijn geluidsnabootsingen afgespeeld. Hierop zijn . Echter werden tijdens de vleermuisronde op 15 september 2019 diverse contactroepen van een steenuil gehoord. Deze kwamen vanuit zuidwestelijke richting. Volgens Arcadis (auteur onbekend, 2016) bevond zich bij Heierkerkweg 5 (Annahoeve) een steenuilterritorium en volgens NDFF was hier in 2017 wederom een roepende steenuil waargenomen. Echter, Pahlplatz (2019) heeft op deze locatie geen steenuilen meer aangetroffen.

Volgens Hovens en de Koning (2018) is er een steenuilterritorium aanwezig bij

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 15 van 28

Heierkerkweg 9. Mogelijk is deze betreffende steenuil afkomstig van Heierkerkweg 9. Echter, hier hebben geen inpandige inspecties plaats gevonden waardoor een territorium ter plaatse niet met zekerheid worden uitgesloten of vastgesteld. Conclusie resultaten steenuilonderzoek Uit het ontbreken van reacties op de geluidsnabootsingen, maar het aantreffen van een braakbal en krijtstrepen op de onderzoekslocatie in combinatie met een historische nestlocatie van de steenuil op Heierkerkweg 9 sch wordt gebruikt als roestplaats van een steenuil. Gezien de afstand tot de onderzoekslocatie en de geschiktheid van de directe omgeving van Heierkerkweg 9, wordt verwacht dat de onderzoekslocatie zelf geen onderdeel uit maakt Naar verwachting maakt de steenuil meer gebruik van de paardenweides en landschapselementen ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Steenuilen worden daarom niet verder meegenomen in deze rapportage.

Figuur 12. Onderzoeksinspanning steenuil, waarbij de afspeelpunten inclusief 100 meter reactiegrens zijn aangegeven. Let op: de indicatie van nestplaats van de steenuil buiten de onderzoekslocatie is indicatief en afkomstig uit een rapportage van derden (zie tekst).

5.5

Kerkuil

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van kerkuilen gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 0 C. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 16 van 28

Onderzoeksresultaten binnen de onderzoekslocatie Tijdens de interne inspecties zijn geen sporen van kerkuilen aangetroffen binnen de onderzoekslocatie. Tevens zijn tijdens de vleermuisrondes en het onderzoek naar de steenuil, geen kerkuilen waargenomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kerkuil geen nestplaats heeft op de onderzoekslocatie. Onderzoeksresultaten buiten de onderzoekslocatie Volgens Arcadis (auteur onbekend, 2016) heeft in de periode 2005-2008 een kerkuil gebroed bij Heierkerkweg 5. Volgens Hovens & de Koning (2018) heeft er een kerkuil gebroed in 2017 bij Heierkerkweg 4. Hoewel er tijdens het onderzoek geen (sporen van) kerkuil zijn waargenomen, is het mogelijk dat de broedlocatie van een eventueel aanwezige kerkuil buiten de onderzoekslocatie ligt, en Klaver 14 fungeert als onderdeel van het functioneel leefgebied. De oppervlakte van het functionele leefgebied van een kerkuil is afhankelijk van het voedselaanbod en varieert van 60-1200 ha (BIJ12, 2017). Bij geschikt voedselaanbod hebben kerkuilen voldoende aan een gebied van 500 tot 1500 meter rondom de broedplaats (BIJ12, 2017). Het habitat ten noorden en zuiden van de onderzoekslocatie is optimaal voor kerkuilen met diverse bosschages, kleine landschapselementen en weilanden.

Verwacht wordt daarom dat een eventueel aanwezige kerkuil, ook bij uitvoering van de toekomstige plannen, voldoende functioneel leefgebied zal overhouden. Kerkuilen worden daarom niet verder meegenomen in onderhavige rapportage. 5.6

Roofvogelnesten

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van roofvogels en roofvogelnesten gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 5 C. De windsnelheid lag beneden de 5 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Resultaten buizerd Tijdens diverse veldrondes zijn overvliegende buizerds waargenomen op de onderzoekslocatie. Tijdens het veldwerk in mei 2019 werd een buizerdnest aangetroffen, circa 130 meter ten zuiden van de onderzoekslocatie. In hetzelfde bosperceel zijn twee plukplaatsen van een roofvogelachtige aangetroffen. Bovendien alarmeerde de buizerd vaak bij nadering van zijn nest. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het buizerdnest dit jaar in gebruik is geweest en de buizerd hier gebroed heeft (zie Figuur 15). Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor de buizerd, gecombineerd met de aanwezigheid van een nestlocatie, kan aangenomen worden dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de buizerd, met name als foerageergebied. In de toekomst blijft echter voldoende foerageergebied voor de buizerd aanwezig, met name in Parc Zaarderheiken (zie Figuur 10). De buizerd wordt daarom niet verder meegenomen in deze rapportage. Resultaten torenvalk Er zijn geen nesten van torenvalken aangetroffen op de onderzoekslocatie.

Wel zijn diverse malen torenvalken gezien boven de onderzoekslocatie, de Greenportlane (N295) en de weilanden ten zuiden van de onderzoekslocatie. Het is daarom aannemelijk dat een (of meerdere) torenvalk(en) in de omgeving van de onderzoekslocatie een nest hebben. De onderzoekslocatie vormt geschikt foerageergebied voor de torenvalk, en maakt daarom onderdeel uit van het functionele leefgebied. In de toekomst blijft echter voldoende foerageergebied voor de torenvalk aanwezig. De torenvalk wordt daarom niet verder meegenomen in deze rapportage.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 17 van 28

Resultaten havik In mei 2019 werd een opvliegende havik waargenomen in het bos ten zuiden van de onderzoekslocatie. In de directe omgeving van de opvliegende havik werden echter geen nesten aangetroffen. Op 9 augustus 2019 werd een overvliegende havik waargenomen boven de onderzoekslocatie. De havik vloog vanuit de Greenportlane in zuidelijke richting naar het bos ten zuiden van de onderzoekslocatie. Vanuit de literatuur zijn haviknesten bekend in het bos ten zuiden van de onderzoekslocatie op circa 150 meter afstand (zie o.a. auteur onbekend, Arcadis 2016). Tijdens onderhavig onderzoek zijn geen nesten binnen de 75 meter verstoringsafstand gevonden. De havik jaagt voornamelijk in het bos met een range van vele hectaren rondom zijn nestplaats, maar ook in weilanden, akkers en soms zelfs in de stad. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van de havik. Gezien de grootte van het foerageergebied van de havik en het ontbreken van optimaal foerageergebied (bos), maakt de onderzoekslocatie geen onderdeel uit van het essentiele leefgebied en wordt de havik daarom niet verder meegenomen in deze rapportage. Resultaten ransuil Bij Heierkerkweg 7a, circa 180 meter ten westen van de onderzoekslocatie, ligt een bekend ransuilennest. Ransuilen foerageren bij voorkeur in het open veld, langs wegbermen en op open plekken in het bos.

Hoewel de onderzoekslocatie zulk habitat bevat, blijft er voldoende foerageergebied over in de directe omgeving. Gezien de afstand tot de onderzoekslocatie en het feit dat er voldoende foerageergebied over blijft, wordt de ransuil niet verder meegenomen in deze rapportage. 5.7

Diverse vleermuissoorten

Omstandigheden Tijdens de veldbezoeken waren de weersomstandigheden voor het waarnemen van diverse vleermuissoorten gunstig. Tijdens geen van de veldbezoeken was de temperatuur lager dan 12 C. De windsnelheid lag beneden de 3 Bft. en er was geen sprake van neerslag. Verblijfsfunctie binnen de onderzoekslocatie De woningen en stallen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op aanwezigheid van gebouwbewonende soorten. In tegenstelling tot een eerdere rapportage (Hovens & de Koning, 2018) zijn bij Heierkerkweg 8ab in 2019 geen verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen vastgesteld. In de paarperiode zijn bij de paardenstal van Heierkerkweg 8ab enkele malen een baltsende gewone dwergvleermuis waargenomen. Deze toonde echter geen binding met de aanwezige gebouwen, waardoor een paarverblijf niet kan worden vastgesteld. Tijdens de avondronde op 8 juli 2019 werden diverse gewone grootoorvleermuizen waargenomen bij Heierkerkweg 8ab. zwermgedrag te vertonen bij de kopgevel (Figuur 13). Vervolgens is gedurende de gehele ronde activiteit bij de kopse kant en het omliggende groen waargenomen. Doordat de zwermende grootoorvleermuizen zowel in als uit de bebouwing vlogen zijn de aantallen moeilijk te bepalen. De aanwezige individuen betreffen minimaal tien individuen van de grootoorvleermuis, maar het exacte aantal aanwezige dieren ligt naar verwachting veel hoger.

Om een beter beeld te krijgen van het exacte aantal aanwezige grootoorvleermuizen, werd voorgesteld om een extra vleermuisronde in te plannen. Echter werd hiervoor geen toestemming gegeven. Op basis van deze gegevens kan vastgesteld worden dat de paardenstal een kraamfunctie had voor minimaal 10, maar naar verwachting veel meer, gewone grootoorvleermuizen. 2019 zijn hier echter geen gewone grootoorvleermuizen meer waargenomen, met uitzondering van de ronde op 15 september 2019 waarbij tweemaal een overvliegend individu (nabij de paardenstal) werd waargenomen.

Rapport 8848.002 versie D5

Pagina 18 van 28

Vliegroutes en foerageergebied binnen de onderzoekslocatie Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Dergelijke poen onderzocht. De bomenlaan langs de Heierkerkweg, de Venrayseweg en de bosrand aan de zuidgrens van de onderzoekslocatie vormen een vliegroute voor gewone dwergvleermuizen (circa 5-7 individuen), laatvlieger (2-3 individuen) en watervleermuis (1-3). De kraamkolonie gewone grootoorvleermuizen maakt ook veelvuldig gebruik van de vliegroute langs de Heierkerkweg. Het zandpad aan de westgrens van de onderzoekslocatie vormt een vliegroute voor enkele (1-3) gewone dwergvleermuizen (zie Figuur 13). Op beide vliegroutes werd tevens foerageeractiviteit vastgesteld, waardoor deze vliegroutes tevens een foerageerfunctie hadden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/623/documents/16652