CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

015bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Ubroekweg 11 en 11a Venlo.pdf

Raadsvergadering 23 maart 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 4.6: RV 15 Vaststelling bestemmingsplan ‘Ubroekweg Noord 11 / 11a, Venlo14.193 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Toetsing aan het Bevi, het Bevt en het Bevb is vereist wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn bedrijfsgebouwen, afhankelijk van hun omvang, beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten. De drie geïnteresseerde bedrijven zullen op basis van hun omvang en aantal aanwezige personen aangemerkt kunnen worden als beperkt kwetsbare objecten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de voormalige twee woningen kwetsbare objecten waren, en dat er dus sprake is van een wijziging naar een minder kwetsbare functie. Daarnaast worden in het plangebied geen risicovolle bedrijven toegelaten. Gemeentelijk beleid externe veiligheid De gemeente Venlo heeft voor haar grondgebied het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ vastgesteld. Dit beleidsplan geeft antwoord op de vraag welke risiconiveaus in Venlo acceptabel worden geacht en biedt een richtinggevend kader voor het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Toetsing Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven.

Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is het gemeentelijk beleid omtrent externe veiligheid vastgelegd in het Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015 en de hierbij behorende belemmeringskaart.

Hoofdstuk 5

31

In het kader van het voorliggende project heef M-tech in een beschouwing externe veiligheid 5 de risicobronnen in de omgeving van het plangebied in beeld gebracht. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.

Uitsnede belemmeringskaart gemeente Venlo met ligging plangebied (blauwe pijl)

5

M-tech Nederland BV, Beschouwing externe veiligheid van een ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de ontwikkeling aan de Ubroekweg Noord 11/11A in Venlo, rapportnummer UBR.VEN.21.EV02, 19 mei 2021

Hoofdstuk 5

32

Uitsnede risicokaart met ligging plangebied (blauwe pijl)

In de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig:

Inventarisatie risicobronnen

Het plangebied ligt deels binnen het invloedsgebied van het spoorwegemplacement Blerick en binnen het invloedsgebied van een aardgastransportleiding. De overige risicobronnen in de omgeving hebben

Hoofdstuk 5

33

invloedsgebieden die niet tot het plangebied reiken. Vanuit die risicobronnen bestaan er dan ook geen belemmeringen. Spoorwegemplacement Het spoorwegemplacement Blerick ligt op circa 340 meter ten zuidwesten van het plangebied en heeft een invloedsgebied van 355 meter. Daarmee ligt een gedeelte van het plangebied in het invloedgebied van het emplacement. Hierdoor moet de ontwikkeling worden verantwoord ten opzichte van het groepsrisico van het emplacement. Het spoorwegemplacement Blerick wordt genoemd in bijlage 3 van de Revi (Regeling externe veiligheid inrichtingen) als zijnde een Bevi-inrichting. Het groepsrisico voor het spoorwegemplacement Blerick is laag en de ontwikkeling van het plangebied tot bedrijskavels zal geen significante verhoging tot gevolg hebben. Ook ligt niet het hele perceel in het invloedgebied van het emplacement. Aardgasleiding De buisleiding van de Gasunie Z513-22 ligt op circa 70 meter ten noordoosten van het plangebied. Deze aardgasleiding heeft een maximale werkdruk van 40 bar, een belemmeringsstrook van 4 meter aan beide kanten van de leiding, maar geen plaatsgebonden risicocontour. De leiding heeft een 100% letaliteitsafstand van 65 meter en een 1% letaliteitsafstand van 140 meter. Het perceel ligt geheel in de 1% letaliteitszone, dus tussen 65 en 140 meter.

Daardoor moet ook het eventueel verhogen van het groepsrisico van de buisleiding worden meegewogen in de verantwoording van het groepsrisico. Door de ontwikkeling van het plangebied tot bedrijfskavels met de bijbehorende populatie op het perceel zal het groepsrisico toenemen. De exacte toename van het groepsrisico kan enkel worden bepaald indien duidelijk is welke bedrijven zich op de locatie vestigen en wat daarvan de populatiedichtheid zal zijn. Het groepsrisico vanwege de leiding is echter laag, en de ontwikkeling van het plangebied zal geen significante verhoging tot gevolg hebben. Conclusie Omdat de exacte invulling van het plangebied (en de daarmee gepaard gaande personendichtheid) nog niet vast ligt, is het niet mogelijk om exact de toename van het groepsrisico te bepalen. Wel is bekend dat het groepsrisico van zowel het emplacement als de buisleiding laag zijn en deze niet significant zal verhogen als gevolg van de ontwikkeling. Daarbij wordt de huidige kwetsbare woonfunctie wegbestemd en komen hiervoor beperkt kwetsbare functies in de plaats. Deze worden vanuit het Bevi minder beschermd. Concluderend zal deze ontwikkeling vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen opleveren.

Op basis van het voorgaande heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een advies (kenmerk 2021-020431) opgesteld: Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord  Ten behoeve van gebouwbrandbestrijding dient een bluswatervoorziening (60 m3/uur binnen 40 meter) te worden gerealiseerd nabij het plangebied.  De vluchtroutes vanuit de toekomstige bedrijven moeten zodanig worden ingericht dat van de risicobron af vluchten mogelijk is.

Hoofdstuk 5

34

 Om veilig in een gebouw te kunnen schuilen voor een toxische gaswolk, moet de mechanische ventilatie voorzien zijn van een gemakkelijk te bereiken schakelaar (bijvoorbeeld in de meterkast of op het brandmeldpaneel), zodat de ventilatie snel kan worden afgeschakeld.  Zorg dat de BHV-ers en overige werknemers op de hoogte zijn van de risico’s uit de omgeving en de voorzieningen in het gebouw, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident. Het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord wordt meegenomen in de verder uitwerking van onderhavig plan.

5.1.6 Milieueffectrapportage Beoordeling directe m.e.r.-plicht In het plangebied wordt de herbestemming van een voormalig woonperceel naar een drietal bedrijfskavels mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De ontwikkeling van bedrijventerreinen valt onder categorie onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit daarom geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarbij is het eveneens niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is.

In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk.

5.2 Archeologie Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen binnen zones met een hoge of middelhoge archeologische verwachting. Voor dergelijke gebieden geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 500 m 2. 'De omvang van het plangebied is circa 2600 m 2. Omdat met deze bestemmingswijziging de woonkavels naar bedrijfsterrein worden omgezet zullen de toekomstige bebouwingsmogelijkheden vergroot worden tot

Hoofdstuk 5

35

ruim boven de archeologische oppervlaktenormering van 500 m 2. Daarom dient in het kader van dit bestemmingsplan de archeologische verwachtingswaarde onderzocht te worden. Zodoende is er een archeologisch onderzoek6 uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.

Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo met ligging plangebied (rood omcirkeld)

Op basis van het bureauonderzoek is bepaald welke archeologische waarden te verwachten zijn in het plangebied. In het plangebied worden ooivaaggronden verwacht. Hierboven ligt geen dik bouwlanddek die het archeologisch niveau heeft afgedekt. Tijdens het gebruik als bouwland kan de top van het archeologisch niveau verstoord zijn geraakt. Ooivaaggronden hebben een lage grondwaterstrand (GWT VII) waarin organische resten vaak enkel in dieper, waterhoudende sporen zoals waterputten bewaard blijven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het plangebied is geroerd tot minimaal in de top van de natuurlijke ondergrond (C-horizont). De oorspronkelijke bodemopbouw is verdwenen mogelijk als gevolg van de egalisatie van het plangebied voorafgaand aan de bouw van het voormalige woonhuis. Als gevolg hiervan wordt kans klein geacht dat er intacte archeologische vindplaatsen aanwezig zijn in het plangebied.

6

Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Ubroekweg Noord 11-11a te Blerick (gemeente Venlo), projectnummer AM21153, 12 oktober 2021

Hoofdstuk 5

36

Conclusie Op basis van bovenstaande redenen is er zodoende geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. De gemeente Venlo neemt het advies over om op basis van bovenstaande redenen geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk te achten.

5.3 Cultuurhistorie Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn blijkens de cultuurhistorische waardenkaarten van de provincie Limburg en de gemeente Venlo geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen herbestemming.

5.4 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones) zijn ruimtelijk vastgelegd in het POL2014, dat is vastgesteld op 12 december 2014.

De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuuren landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Houtopstanden vanuit de Wet natuurbescherming De bescherming van houtopstanden conform de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer

Hoofdstuk 5

37

houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust en verblijfplaats te garanderen. Toetsing Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa 6,3 kilometer ten zuidwesten van het Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Gezien de aard van de ontwikkeling is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is hierdoor niet op voorhand uit te sluiten.

Met de komst van de nieuwe wet ‘Wet stikstofreductie en natuurverbetering’ is het niet meer noodzakelijk om een berekening uit te voeren voor de aanlegfase omdat tijdens de aanlegfase enkel sprake is van een ‘tijdelijke’ en ‘beperkte’ depositie. Mede vanwege het feit dat niet iedere kavel gelijk na oplevering ingevuld zal worden, is een effect op de Natura-2000 gebieden, tijdens de aanlegfase, te verwaarlozen.

Hoofdstuk 5

38

Zodoende is reeds een AERIUS stikstofdepositieberekening 7 uitgevoerd. Uit de berekening zijn er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Vanuit het aspect stikstofdepositie zijn er hierdoor geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Planologische gebiedsbescherming Binnen en in de directe omgeving van het plangebied komt geen provinciaal beschermde natuur voor. Op circa 540 meter ten oosten van het plangebied ligt een gebied dat deel uitmaakt van de goudgroene natuurzone. Gezien deze afstand en de aard van het plan, zijn negatieve effecten op deze provinciaal beschermde natuur op voorhand uit te sluiten. Houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom, waardoor toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming niet aan de orde is. Soortenbescherming Het plangebied betreft in de huidige situatie een braakliggend perceel zonder bebouwing of begroeiing. Gezien dit huidige gebruik kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat als gevolg van de voorliggende ontwikkeling essentieel leefgebied of vaste rust- en verblijfsplaatsen van (beschermde) soorten verloren gaan. Conclusie Gezien het onderzoeksresultaten kan de voorliggende ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd.

Vanuit het aspect ecologie zijn er hierdoor geen belemmeringen.

5.5 Leidingen en infrastructuur In het plangebied is een bovengrondse hoogspanningsverbinding aanwezig, waarvan de beschermingszone over het noordelijk en oostelijk deel van het plangebied is gelegen. In het vigerende bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' opgenomen ten behoeve van de hoogspanningsverbinding. Deze dubbelbestemming, inclusief de aanduiding 'hartlijn leiding – hoogspanningsverbinding', worden in het voorliggende bestemmingsplan eveneens opgenomen. Op basis van de dubbelbestemming mogen hier geen gebouwen worden gebouwd. Bij de situering van het bouwvlak in het voorliggende bestemmingsplan is daar rekening mee gehouden. Het bouwvlak is namelijk buiten de planologische beschermingszone van de leiding geprojecteerd. Op circa 70 meter ten noorden van het plangebied ligt een aardgastransportleiding. De planologische beschermingszone daarvan heeft een breedte van 5 meter ter weerszijden van de leiding en reikt

7

M-Tech Nederland B.V. AERIUS stikstofdepositieberekening Ubroekweg Noord 11/11A, d.d. 20 augustus 2021

Hoofdstuk 5

39

daarmee niet tot het plangebied. In paragraaf 5.1.5 is reeds ingegaan op het aspect externe veiligheid vanwege deze leiding. Voor het overige zijn er blijkens de Risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen planologisch beschermde leidingen of kabels binnen of in de directe omgeving van het plangebied gelegen. Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingswijziging.

5.6 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied wordt verkaveld in drie bedrijfskavels. Twee van deze kavels zullen worden ontsloten op de Ubroekweg Noord, die ten oosten van het plangebied ligt. De derde kavel ligt aansluitend aan de bestaande bedrijfskavel van de potentiële koper, en zal via deze bestaande bedrijfskavel worden ontsloten. Door de herbestemming van het voormalige woonperceel naar bedrijfskavels zal het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied naar verwachting toenemen. Om deze toename te bepalen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie: 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381). Voor de drie bedrijfskavels zijn geïnteresseerde kopers die ter plaatse hun bedrijfsactiviteiten willen gaan uitvoeren. Dit betreffen alle drie autohandelaren en –wasserijen. De CROW-publicatie kent geen specifieke verkeersgeneratiecijfers voor dergelijke typen bedrijvigheid. Het voorliggende bestemmingsplan maakt in het plangebied diverse typen bedrijvigheid mogelijk. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is daarom uitgegaan van het type bedrijvigheid met de hoogste verkeergeneratie (worst-case), te weten een arbeidsintensief en bezoekersextensief bedrijf. De verkeersgeneratie van dit type bedrijven ligt tussen de 8,3 en 10,1 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlak (bvo).

Binnen het plangebied is een bouwvlak geprojecteerd met een oppervlakte van circa 600 m 2, dat volledig mag worden bebouwd. Gezien de maximum gooten bouwhoogte van beide 9 meter binnen dit bouwvlak zijn bedrijfsgebouwen in twee bouwlagen mogelijk. Om de maximale verkeersgeneratie in beeld te brengen, is ervan uitgegaan dat het bouwvlak volledig wordt bebouwd in twee bouwlagen, kortom een bvo van 1.200 m2. In werkelijkheid zal het merendeel van de bedrijfsbebouwing echter uit slechts één bouwlaag bestaan. Voor wat betreft de ligging en stedelijkheidsgraad van het plangebied is uitgegaan van een ligging in de ‘rest van de bebouwde kom’ in een sterk stedelijke gemeente. Op basis van deze uitgangspunten ligt de maximale (worst-case) verkeersgeneratie van de toegestane bedrijfsactiviteiten in het plangebied tussen 99,6 en 121,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. In werkelijkheid wordt een beduidend lagere verkeersgeneratie verwacht, doordat het bouwvlak naar verwachting niet volledig zal worden bebouwd en de bebouwing grotendeels uit slechts één bouwlaag zal bestaan.

Hoofdstuk 5

40

Voorheen was in het plangebied sprake van twee wooneenheden, waarvoor op basis van de CROWpublicatie kan worden uitgegaan van 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal per woning. De netto toename van het aantal verkeersbewegingen ligt daarmee tussen de 84 en 105 motorvoertuigbewegingen per etmaal, uitgaande van een worst-case situatie. De Ubroekweg Noord en omliggende wegen kunnen dit verkeer zonder problemen verwerken. Parkeren De gemeente Venlo gaat voor de berekening van de parkeerbehoefte uit van de kencijfers uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ (publicatie 381). Op basis van dezelfde uitgangspunten als bovenstaand zijn gehanteerd voor de verkeersgeneratie, zijn voor een arbeidsintensief en bezoekersextensief bedrijf 1,9 tot 2,4 per 100 m 2 bvo benodigd. Voor de maximaal 1.200 m 2 bvo aan bedrijfsgebouwen die in het plangebied mogelijk wordt gemaakt betekent dit een maximale parkeerbehoefte van 22,8 tot 28,8 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voldoende ruimte om in de benodigde parkeerbehoefte te kunnen voorzien. De definitieve toetsing aan de parkeernormen vindt plaats in het kader van de formele omgevingsvergunningaanvraag van de bedrijven die zich in het plangebied zullen vestigen.

5.7 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodemopbouw, oppervlaktewater, hemelen afvalwater.

Hoofdstuk 5

41

Grondwater- en bodemopbouw Het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone ‘Venloschol’, zoals is opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014. In paragraaf 4.2.2 is reeds beschreven dat deze ligging in de boringsvrije zone geen belemmering vormt voor de voorliggende ontwikkeling, aangezien bij dit project geen diepe grondboringen zijn voorzien. Daarnaast ligt het plangebied binnen een strategische grondwatervoorraad en het grondwaterlichaam ‘Zand Maas’. Aangezien geen diepe grondboringen voorzien zijn, heeft het initiatief geen negatieve invloed op het grondwaterlichaam ‘Zand Maas’ en de strategische grondwatervoorraad. Oppervlaktewater In het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Middels het voorliggend initiatief zal ook geen primair oppervlaktewater worden gerealiseerd. Op een afstand van circa 650 meter ten oosten van het plangebied ligt de Maas. Het plangebied ligt hierdoor binnen de Maasvallei. Volgens het POL2014 moet bij ontwikkelingen in de Maasvallei rekening gehouden worden met de hoofdfuncties van de rivier (afvoer van water en ijs, scheepvaart, drinkwatervoorziening, waterrecreatie en aquatisch ecologie) en ook de hoofdfuncties van het gebied (agrarisch, natuur, wonen, werken, oeverrecreatie e.d.).

De bestemmingswijziging van het woonperceel naar bedrijfskavels op een bestaand bedrijventerrein heeft geen invloed op het functioneren van de Maas. Daarbij maakt het plangebied deel uit van het gedeelte van het rivierbed waar paragraaf 6 van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (artikel 6.16 van het Waterbesluit). Dit betekent dat het gebied is vrijgesteld van vergunningsplicht voor het gebruik van de waterstaatswerken. Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan er wel hoogwater optreden. Bij schade als gevolg hiervan kan geen schadevergoeding verhaald worden op het Rijk. De initiatiefnemer bouwt op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Ik verzoek u dit aan de plantoelichting toe te voegen. Tot slot is in 2020 door de minister het voornemen uitgesproken om de status als rivierbed voor gebieden achter de te versterken primaire keringen te laten vervallen. Op het moment dat de primaire kering op hoogte is zal de status van rivierbed ter plekke komen te vervallen evenals de uitzondering op tegemoetkoming schade bij overstroming. Afvalwater en hemelwater Het afvalwater van de eventuele nieuwe bedrijfsbebouwing zal worden aangesloten op het aanwezige gemeentelijk rioleringsstelsel. Wat betreft hemelwater zal de hoeveelheid verhard oppervlak in het plangebied naar verwachting toenemen, vergeleken met de voormalige woonfunctie.

De gemeente Venlo hanteert als uitgangspunt dat hemelwater van nieuwe bebouwing en verharding in principe op eigen terrein in de bodem geborgen dan wel geïnfiltreerd moet worden. Als basis hiervoor geldt de Afkoppel beslisboom. Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor berging of infiltratie van hemelwater op eigen terrein

Hoofdstuk 5

42

Volgens de Afkoppel beslisboom is bergingseis 3 van toepassing. Dit betekent dat een bui van T=10 (50 mm in 24 uur) op eigen terrein geborgen/geïnfiltreerd moet worden. Daarnaast mag een bui van T=100 (84 mm in 48 uur) geen water(schade) veroorzaken in gebouwen. Voor het plangebied zijn nog geen concrete bouwplannen beschikbaar. Het voorliggende bestemmingsplan biedt een kader waarbinnen toekomstige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Wanneer hiervoor een concreet bouwplan wordt ingediend, zullen in het kader van de omgevingsvergunning de exacte bergings- of infiltratievoorzieningen en de benodigde capaciteit hiervan worden uitgewerkt. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om voorzieningen kunnen realiseren met voldoende capaciteit.

Hoofdstuk 5

43

6.

JURIDISCHE ASPECTEN

6.1 Algemeen Het bestemmingsplan ‘Ubroekweg Noord 11/11a, Venlo’ is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012, alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor).

6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond (schaal 1:500). De bestemming ‘Bedrijf’ en de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ is weergegeven. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ is een bouwvlak ingetekend waarbinnen gebouwen zijn toegestaan. De ligging van het bouwvlak is afgestemd op de bovengrondse hoogspanningsverbinding binnen het plangebied en buiten de beschermingszone van de hoogspanningsverbinding geprojecteerd. Binnen de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ is de figuur ‘hartlijn – hoogspanningsverbinding’ ingetekend, waarmee de locatie van de hoogspanningsverbinding is aangegeven. Tot slot is de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ weergegeven.

6.3 Toelichting op de regels Bij het opstellen van de planregels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en recente bestemmingplannen uit de omgeving van het plangebied. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld;  Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Hoofdstuk 6

44

Het belangrijkste doel van de regels is om de bouw- en gebruiksregels van de nieuwe bestemmingen aan te geven. 6.3.1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Een aantal begrippen is standaard voorgeschreven in de SVBP 2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. 6.3.2 Bestemmingsplanregels Ter verkrijging van een logische opbouw wordt de navolgende volgorde in de bestemmingsregeling aangehouden voor de opgenomen bestemmingen: 1 2 3 4 5 6 7 8 9

Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. Vervolgens worden de andere aan de grond toegekende functies genoemd. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. In de nadere eisen wordt bepaalde welke aanvullende eisen het bevoegd gezag kan stellen aan de bebouwing. Van de bouwregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning (afwijken van de bouwregels).

Hoofdstuk 6

45

In de specifieke gebruiksregels staat aangegeven welke gebruik in ieder geval strijdig is met de bestemmingsomschrijving. Van de gebruiksregels kan tevens afgeweken worden middels een omgevingsvergunning voor meer gebruiksmogelijkheden (afwijken van de gebruiksregels). In de regels omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, is een vergunningplicht opgenomen voor bepaalde werkzaamheden. De regels omtrent een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk bepalen in welke gevallen het slopen van een bouwwerk vergunningplichtig is. In de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen onder welke voorwaarden een bestemming omgezet kan worden naar een andere bestemming. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Hierbij wordt, conform SVBP2012, een alfabetische volgorde aangehouden. Bedrijf De bestemming ‘Bedrijf’ is opgenomen voor het gehele plangebied. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1 bij de regels) onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen.

Daarnaast zijn productiegebonden detailhandel, ondergeschikte kantoren, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen, erven en terreinen, parkeer- en groenvoorzieningen toegestaan. Leiding - Hoogspanningsverbinding De voor ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor een hoogspanningsverbinding die is gelegen ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding – hoogspanningsverbinding', met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde – Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 500 m 2. 6.3.3 Algemene regels In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

Hoofdstuk 6

46

In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen voor bestaande afstanden en maten. In de algemene aanduidingsregels is de regeling omtrent de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ vastgelegd. De algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de algemene procedureregels is de procedure omtrent het stellen van nadere eisen beschreven. De overige regels bevatten tot slot een verwijzing naar de geldende wetten en regels. 6.3.4 Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6

47

7.

UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. Indien het de beoogde ontwikkeling geen bouwplan is in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro dan hoeven de kosten niet te worden verhaald. De gronden waarop het voorliggende bestemmingsplan betrekking heeft, zijn in eigendom van de gemeente Venlo. Hierdoor is een verplichting tot kostenverhaal niet aan de orde. Aan het kostenverhaal zal invulling worden gegeven bij de uitgifte van de gronden.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Overleg Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Het voorliggende bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Limburg en het Waterschap Limburg. De opmerkingen van de instanties zijn reeds verwerkt. 7.2.2 Inspraak De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. De gemeente Venlo volgt voor dit bestemmingsplan geen inspraakprocedure.

Hoofdstuk 7

48

8.

PROCEDURE

8.1 Procedure In het kader van de procedure ex artikel 3.1 Wro dient de procedure genoemd in afdeling 3.4 Algemene Wet Bestuursrecht gevolgd te worden. De procedure ziet er als volgt uit: - Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; - Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; - Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; - Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; - Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; - Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; - Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van

de Raad van State.

8.2 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode hebben belanghebbenden de mogelijkheid gehad om zienswijzen in te dienen. Op het ontwerpbestemmingsplan zijn geen zienswijzen ingediend.

Hoofdstuk 8

49

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

Hoofdstuk 8

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/634/documents/17114