CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

008 Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplang Baarlosestraat ong. te Venlo.pdf

Oordeelsvormende raadsvergadering 9 februari 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 2.b: 19.25 - 19.30 uur Vaststelling ‘Baarlosestraat ong. te Venlo’ (RV 2022-8)10.471 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.2.2

Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het diepe grondwaterpakket mag enkel worden gebruikt ten behoeve van onttrekking voor menselijke consumptie. Voor onttrekkingen ten behoeve van beregening uit ondiep grondwater hanteert het waterschap een standstill beginsel. In de boringsvrije zone Venloschol geldt voor gebieden welke minder dan 5 meter boven NAP zijn gelegen regels voor het hebben van een boorput, het roeren van grond, het aanleggen en hebben van een bodemenergiesysteem en een verbod werken uit te voeren waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. In het plangebied wordt niet voorzien in dergelijke onttrekkingen, waardoor er met betrekking tot de boringsvrije zone geen belemmeringen zijn. Oppervlaktewater In het plangebied zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en zal in de nieuwe situatie geen oppervlaktewater worden gecreëerd. De Maas is op een afstand van circa 664 meter van het plangebied gelegen.

Het plangebied is gelegen binnen het gebied dat is vrijgesteld van de vergunningsplicht in het kader van de Waterwet. In het kader van de Waterwet zijn de belangen van Rijkswaterstaat als rivierbedbeheerder zodanig gering, dat voor het plangebied geen

28

extra afwegingen hoeven te worden gemaakt of belemmeringen gelden voor de gebruikers van de gronden. Echter kan op deze gronden wel wateroverlast ontstaan. Eventuele schade als gevolg hiervan kan niet worden verhaald op het Rijk. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie wordt in de huidige situatie geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. In de beoogde situatie wordt één woning op de plaats van de huidige bebouwing gerealiseerd en wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater Het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo streven ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de huidige situatie is een oppervlakte van circa 300 m2 verhard. Dit oppervlak bestaat zowel uit bebouwing als uit erfverharding voor onder andere parkeergelegenheid. In de nieuwe situatie zal het deel achter de woning, dat in de huidige situatie is verhard, worden ingericht als tuin. Het oppervlakte aan verharding zal in de beoogde situatie dan ook afnemen ten opzichte van de huidige situatie, waardoor er een groter oppervlakte beschikbaar is voor hemelwater om te kunnen infiltreren.

5.2.3

Afkoppel beslisboom De afkoppel-beslisboom van de gemeente Venlo is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, is de afkoppel beslisboom doorlopen. In dit geval is er sprake van een afname van de oppervlakte aan verharding. Gezien de oppervlakte aan verharding in de nieuwe situatie tussen 100 m2 en 2.000 m2 bedraagt, geldt ‘bergingseis 2’. Dat wil zeggen dat er een waterbergings-/infiltratievoorziening op het eigen terrein dient te worden gerealiseerd van T=2 (20 liter per m2), oftewel een waterberging van 0,02 m3 per m2 aan verhard oppervlak. In het kader van de omgevingsvergunning ‘Bouwen’ dient dus rekening te worden gehouden met een waterbergingseis van 0,02 m3 per m2 oppervlakteverharding. In het kader van de planologische procedure vormt het aspect water geen belemmering voor de ontwikkeling.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden 29

aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart te worden gebracht en te worden beoordeeld. Wanneer deze mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuur in een Natura 2000-gebied geldt een vergunningsplicht. Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Maasduinen’. Dit gebied is op een afstand van circa 8,95 kilometer ten noorden van de planlocatie gelegen.

Op een afstand van circa 13,8 tot 19 kilometer zijn de natuurgebieden ‘Swalmdal’, ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’, ‘Leudal’ en ‘Groote Peel’ gelegen. Gezien er slechts één woning wordt gerealiseerd, is de ontwikkeling kleinschalig van aard. Hierdoor kan worden aangenomen dat de ontwikkeling geen significant negatief effect heeft op omliggende natuurgebieden.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. In de huidige situatie is een aanzienlijk deel van het perceel verharding, waardoor het perceel daarom niet geschikt is als foerageergebied voor dieren. Tevens zijn er op de locatie geen geschikte verblijfsplaatsen voor dieren aanwezig zoals bomen en struiken. Daarnaast kan bebouwing tevens dienen als verblijfsplaats voor dieren. De werkplaats, welke in dit geval zal worden gesloopt, is geheel van baksteen en er zijn geen kieren aanwezig. Hierdoor wordt de werkplaats niet geschikt geacht als verblijfsplaats voor dieren. Ten slotte zijn er in de omgeving en met name in het buitengebied ten zuidwesten van de planlocatie voldoende weilanden en akkers die wel geschikt zijn als foerageergebied en (groen)elementen welke kunnen dienen als verblijfsplaats. Er kan dus worden uitgegaan dat de herontwikkeling van het perceel geen onevenredig negatieve effecten heeft ten aanzien van het aspect soortenbescherming. Om

30

eventueel verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten is het wel van belang dat de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag plaatsvinden.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. In de volgende paragraaf wordt verder ingegaan op het aspect ‘landschap en cultuurhistorie’. Conform de archeologische beleidskaart (2015) van de gemeente Venlo is de planlocatie gelegen binnen een zone met een hoge archeologische verwachting (figuur 8).

Figuur 8. Archeologische beleidskaart met planlocatie zwart omcirkeld.

Als ondergrens voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek wordt een minimale verstoringsoppervlakte van 500 m² gehanteerd. Gezien het gehele perceel circa 330 m2 bedraagt, wordt de oppervlakte van 500 m2 niet overschreden en geldt er geen archeologische onderzoeksplicht.

31

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg en de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn er geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig binnen het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling zijn de cultuurhistorische en landschappelijke kenmerken dan ook niet in het geding.

5.6

Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit Het toevoegen van een nieuw woning zal zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Gezien met onderhavige ontwikkeling slechts één woning wordt toegevoegd, zal de toename van het aantal verkeersbewegingen minimaal zijn. Deze toename zal niet tot nauwelijks merkbaar zijn. De Baarlosestraat zal de minimale toename, qua capaciteit en gezien het profiel, goed kunnen verwerken. Het perceel is vanaf de Baarlosestraat goed bereikbaar via een reeds aanwezig inrit. Deze inrit blijft ongewijzigd behouden, waardoor er geen nieuwe inrit hoeft te worden gerealiseerd. Er zijn derhalve geen aanpassingen van de huidige infrastructuur benodigd.

5.6.2

Parkeren In de deelnota ‘Bereikbaarheid en Parkeren’ heeft de gemeente Venlo parkeernormen opgenomen. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op de CROW-publicatie en hebben betrekking op de meest voorkomende functies. Wijziging naar Wonen In de nieuwe situatie is er ter plaatse van de werkplaats één vrijstaande woning aanwezig. Conform de gemeentelijke parkeernomen dient er per woning te worden voorzien in gemiddeld 2,2 parkeerplaatsen. Het perceel is voldoende groot om te kunnen voorzien in het benodigd aantal parkeerplaatsen. In het kader van de omgevingsvergunning ‘Bouwen’ zal de indeling van het perceel nader worden uitgewerkt. Qua omvang van het perceel zal kunnen worden voldaan aan het minimum aantal benodigde parkeerplaatsen volgens gemeentelijk beleid. Fietsenwinkel In de huidige situatie zijn de parkeerplaatsen ten behoeve van de fietsenwinkel aan de voorzijde van de werkplaats gesitueerd. Gezien de werkplaats wordt vervangen door een woning, valt deze parkeergelegenheid weg. Daarom dient te worden gekeken of er

32

in de beoogde situatie voldoende parkeerplaatsen zijn ten behoeve van de fietsenwinkel. De functie fietsenwinkel of een vergelijkbare functie, komt niet voor in het overzicht met gemeentelijke parkeernormen. Daarom is de geactualiseerde CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (december 2018) gehanteerd. Ook in de publicatie komt de functie fietsenwinkel niet voor, maar gezien een groot deel van de klanten te voet of met de fiets komen, een fietsenwinkel relatief veel vloeroppervlak nodig heeft ten opzichte van het aantal klanten en de koopwaar niet tot de dagelijkse boodschappen behoort, kan de functie worden vergeleken met een woonwinkel. Voor deze functie wordt uitgegaan van gemiddeld 1,85 benodigde parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. De fietsenwinkel heeft een bvo van 120 m2, waardoor er in totaal (1,85*1,2=) 2,2 parkeerplaatsen zijn benodigd. Aan de rechterzijde van de fietsenwinkel is in de beoogde situatie een strook van circa 3 meter aanwezig, welke voldoende ruimte biedt voor het parkeren van 1 auto (figuur 9). Daarnaast is er vanaf de Molenkampweg aan de achterzijde van de winkel voldoende ruimte om ten minste twee parkeerplaatsen te realiseren, waardoor kan worden voldaan aan de benodigde drie parkeerplaatsen.

Ten slotte is in de huidige situatie al voldoende parkeergelegenheid aanwezig om de parkeerdruk op te vangen op het eigen terrein. Daarnaast is hier in de buitenruimte nauwelijks ruimte voor. Vanuit de gemeente is aangegeven dat de buitenruimte dan ook niet verder mag worden ingevuld ten behoeve van parkeergelegenheid.

Figuur 9 Parkeergelegenheid ten behoeve van de fietsenwinkel

33

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de te doorlopen procedures weergegeven.

6.1

Economische uitvoerbaarheid Bij in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen dient op grond van artikel 3.6.1 van Bro in de plantoelichting de economische uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer sprake is van een bouwplan zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 van Bro, dient er conform 6.12 van Wro een exploitatieplan te worden opgesteld. Conform artikel 6.2.1 a onder c van Bro kan hiervan worden afgeweken indien sprake is van verhaalbare kosten welke uitsluitend betrekking hebben op de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen. Voor het planvoornemen zijn enkel vergunningen (zoals rioolaansluiting en inritvergunning) benodigd die op basis van legesheffing worden geïnd. Het is dan ook niet noodzakelijk om een exploitatieplan op te stellen.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. De woning past ruimtelijk-functioneel bij de aanwezige woningen aan de Baarlosestraat en omgeving. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het besluitgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is. Onderhavig bestemmingsplan wordt ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/509/documents/11122