004bijl 2 Toelichting bestemmingsplan Venrayseweg 121.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 5
53
waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. De realisatie van het bedrijfspand dient te worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Een plan voor een dergelijke ontwikkeling is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van een schadeherstelbedrijf met een bedrijfsoppervlakte van circa 1.020 m2. Daarnaast wordt voorzien in de realisatie van vier logiesverblijven (binnen een reeds bestaand pand). Gezien de omvang en aarde van voorgaande activiteiten wordt ruimschoots onder de drempelwaarde gebleven. Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017, is een m.e.r.-beoordeling echter ook vereist indien de drempelwaarden niet worden overschreden. Conclusie 1. De realisatie van een bedrijfspand en vier logies verblijven komt niet voor in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen MER te worden opgesteld.; 2.
De activiteiten vallen wel onder categorie D 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D 11.2 genoemde ‘drempelwaarde’ worden niet overschreden; 3. Omdat de activiteit wordt genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar de drempelwaarde niet worden overschreden, moet voor dit plan wel een beperkte m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd; M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk vier weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
Hoofdstuk 5
54
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 7.300 m². Het project richt zich op het omvormen van de bestaande woning tot burgerwoning, de bestaande schuur gebruiken voor de realisatie van vier logies-verblijven en de realisatie van een schadeherstelbedrijf.
Cumulatie met andere projecten
Hoofdstuk 5
Nee.
55
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied. Tijdens de aanlegfase van het bedrijfspand is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 5.1.2): De reeds aanwezige bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning voorziet niet in het toevoegen van een nieuwe geluidsgevoelig object. Daarnaast betreffen de logiesverblijven en het bedrijfspand conform de Wet Geluidhinder geen geluidsgevoelige objecten of terreinen. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 5.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 5.5): De beoogde ontwikkeling zorgt voor een totale verkeersgeneratie van 55 mvt / etmaal op een gemiddelde weekdag. Gezien het wegprofiel van de omliggende wegen (Sevenumseweg en Venrayseweg) kan deze verkeersgeneratie in voldoende mate worden geborgen. Het gebied blijft goed ontsloten voor langzaam verkeer.
Risico van ongevallen
Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron binnen het plangebied.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
De locatie ligt in het landelijk gebied aan de noordwestzijde van de stad Venlo. Het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 1379 is momenteel in gebruik als intensieve veehouderij. Op dit perceel bevinden zich twee grote stallen van 680 m2 en een kleinere stal van 325 m2. Op het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 261 is momenteel een bedrijfswoning gelegen met enkele bijgebouwen.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 5.4 ‘Ecologie’.
den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
Hoofdstuk 5
56
gebieden waarin bij communau-
Nee.
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 5.2): binnen het plangebied en de directe omge-
tureel of archeologisch belang
ving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Archeologie (zie ook paragraaf 5.2): Volgens de Archeologische Beleidskaart is het plangebied gelegen binnen een zone met een hoge of middelhoge archeologische verwachting. Ter plaatse van deze zone geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan 500 m 2. De oppervlakte van het nieuwe bedrijfspand bedraagt meer dan 500 m 2. Echter wordt deze bebouwing gerealiseerd op de gronden, waarop twee te slopen stallen zijn gelegen. Zodoende kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de gronden ter plaatse al zodanig zijn verstoord dat de trefkans op archeologische vondsten gering zal zijn. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 5.4 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale be- Nee. tekenis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk
(voormalige EHS)
Nederland (NNN). Zie paragraaf 5.4 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebie-
Locatie is gelegen binnen de ‘boringsvrije zone Venloschol’. Echter wor-
den, en grondwaterbeschermings-
den er conform de bepalingen uit de Omgevingsverordening Limburg 2014
gebieden
geen verboden activiteiten uitgevoerd, zie paragraaf 4.6 ‘Waterhuishouding’.
Hoofdstuk 5
57
Conclusie Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 5
58
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
6.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Verder is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venlo’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo op 30 maart 2011.
6.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. Opgenomen is een woonbestemming, waarbinnen één woning gerealiseerd mag worden (dit betreft de reeds bestaande woning aan de noordoostzijde van het plangebied welke gehandhaafd zal worden). Daarnaast is een aanduiding opgenomen voor de beoogde logiesverblijven. Ter plaatse van de kleinste stal is een bouwvlak opgenomen conform de bestaande bebouwing. Conform dit bouwvlak is tevens een aanduiding opgenomen die erop toeziet dat de bebouwing niet gebruik mag worden als woning. Voor de omliggende gronden is een woonbestemming opgenomen. Deze gronden worden afgestoten en gaan onderdeel uitmaken van de woonfunctie aan de Sevenumseweg 3. Tot slot is een bedrijfsbestemming opgenomen met een bouwvlak, waarbinnen een bedrijfsgebouw gerealiseerd mag worden voor een schadeherstelbedrijf.
Hoofdstuk 6
59
6.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 6.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.
6.3.1 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan.
Hoofdstuk 6
60
De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Bedrijf’ De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – schadeherstelbedrijf’ bestemd voor een kleinschalig schadeherstelbedrijf. Daarnaast zijn groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en ontsluitings- en (al dan niet verharde) parkeervoorzieningen toegestaan. Voor het bouwen van gebouwen geldt dat dit uitsluitend is toegestaan binnen het aangegeven bouwvlak. Daarnaast mag de bedrijfsbebouwing binnen het bouwvlak maximaal een goothoogte hebben van 6 meter en een bouwhoogte van 8 meter.
Tot slot is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - lichtafscherming' opgenomen. Deze aanduiding ziet erop toe dat ter plaatse een lichtafscherming van 1,80 meter gerealiseerd dient te worden. ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten (in milieucategorie 1 en 2) en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatsen van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – logiesverblijf’ zijn maximaal 4 logiesverblijven toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen ten hoogste het aangegeven aantal bedragen. 6.3.2 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.
Hoofdstuk 6
61
Algemene bouwregels In de Algemene bouwregels zijn regelingen over bestaande maten en afstanden opgenomen. Daarnaast zijn regels omtrent parkeren opgenomen. Algemene aanduidingsregels In dit artikel wordt omschreven hoe de instandhouding en realisatie van het landschappelijk inpassingsplan is gewaarborgd. Algemene afwijkingsregels In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%. Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan en is bepaald dat kleine bouwwerken van openbaar nut, mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, ook in afwijking van de bestemmingsregels vergund kunnen worden. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Tevens is een regelging opgenomen omtrent het verschuiven van het bouwvlak binnen de bedrijfsbestemming. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij het stellen van nadere eisen. 6.3.3 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn.
De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 6
62
7.
HANDHAVING
Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.
Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 7
63
8.
HAALBAARHEID
8.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Het voorliggende initiatief heeft betrekking op de bouw van een bedrijfspand en betreft daarmee een bouwplan. Aangezien de gemeente Venlo echter geen kosten maakt ten aanzien van dit plan en er daardoor geen sprake is van verhaalbare kosten, geldt ook geen verplichting tot kostenverhaal. Het afsluiten van een anterieure overeenkomst is dan ook niet noodzakelijk.
Wel wordt een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente.
8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. In het kader van het vooroverleg onderhavig bestemmingsplan naar diverse adviesinstanties verstuurd. De volgende reacties zijn binnengekomen: Provincie Limburg Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien dit plan op deze wijze wordt voortgezet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.
Hoofdstuk 8
64
Nederlandse Gasunie bv. Het voornoemde plan is door getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor de aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing wordt geconcludeerd dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Veiligheidsregio Limburg-Noord In onderhavig bestemmingsplan is een eerder afgegeven advies van de Veiligheidsregio LimburgNoord (kenmerk 2020-001546, d.d. 20-08-2020) overgenomen. Derhalve is geen nieuw advies uitgebracht door de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio dient een signaal te ontvangen na afronding van de bouwwerkzaamheden, zodat de geadviseerde voorzieningen ter plaatse gecontroleerd kunnen worden. Waterschap Limburg Voor onderhavig initiatief zal voor de verwerking van hemelwater een infiltratiesloot worden gerealiseerd die voldoet aan de norm 100 mm per m 2 verhard oppervlak. Het Waterschap heeft geen opmerkingen op dit plan. Enexis Geen opmerkingen. Wel werd als aandachtspunt vermeld dat de noodzakelijke aansluitingen tijdig aangevraagd dienen te worden. De vooroverlegreacties geven geen aanleiding tot inhoudelijke aanpassingen in onderhavig bestemmingsplan.
Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro vanaf 23 september 2021 zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.
Hoofdstuk 8
65
9.
PROCEDURE
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 9
66
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl
Hoofdstuk 9
68