004bijl 2 Toelichting bestemmingsplan Venrayseweg 121.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Venrayseweg 121 Venlo’ Gemeente Venlo Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Venrayseweg 121 Venlo’ Gemeente Venlo Vastgesteld
Rapportnummer BRO:
P01368
IMRO:
NL.IMRO.0983.BP202105VENRWEG121-VA01
Datum:
29 november 2021
Datum concept:
9 april 2020
Datum ontwerp:
augustus 2021
Datum vaststelling:
26 januari 2022
Opdrachtgever:
GD
Projectleider BRO:
ROs / LNi
Trefwoorden:
Bestemmingsplan, bedrijfsbeëindiging, burgerwoning, logiesverblijven, schadeherstelbedrijf, Venrayseweg 121, Venlo, gemeente Venlo.
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 14
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de bedrijfsbeëindiging van een intensieve veehouderij. Nieuw functioneel gebruik van het plangebied als reguliere burgerwoning, vier logiesverblijven en schadeherstelbedrijf.
de agrarische bedrijfswoningen aan de Landweerweg 14 en 16 naar burgerwoningen.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
INHOUD
1. INLEIDING
3
2. BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE
5
3. PLANBESCHRIJVING 3.1 Projectprofiel 3.2 Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten
6 6 7
4. BELEID 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal beleid 4.3 Regionaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
13 13 17 23 27
5. ONDERZOEK 5.1 Milieuaspecten
35 35
5.1.1 Bodem 5.1.2 Geluidhinder wegverkeerslawaai 5.1.3 Luchtkwaliteit 5.1.4 Externe veiligheid 5.1.5 Milieuzonering 5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.3 Leidingen en infrastructuur 5.4 Ecologie 5.5 Verkeer en parkeren 5.6 Waterhuishouding 5.7 M.e.r.-beoordeling
35 36 37 38 43 45 45 46 49 50 53
6. JURIDISCHE ASPECTEN 6.1 Planonderdelen 6.2 Toelichting op de verbeelding 6.3 Toelichting op de planregels
59 59 59 60
6.3.1 Inleidende regels 6.3.1 Bestemmingsregels
60 60
Inhoudsopgave
1
6.3.2 Algemene regels 6.3.3 Overgangs- en slotregels
61 62
7. HANDHAVING
63
8. HAALBAARHEID 8.1 Economische uitvoerbaarheid 8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
64 64 64
9. PROCEDURE
66
SEPARATE BIJLAGEN IKL, Landschapsplan in het kader van wijziging bestemmingsplan tbv sloop stallen en bouw bedrijfsruimte, projectnr.: 52-2020-ov-004, d.d. 29 april 2020 Econsultancy, Rapportage verkennend bodemonderzoek, rapportnr.: 4004.004, d.d. 21 april 2017. Veiligheidsregio Limburg-Noord, Bestemmingsplan Venrayseweg 121 Venlo, kenmerk: 2020001546, d.d. 20 augustus 2020 BRO, Quickscan flora en fauna ‘Sevenumseweg 1 en Venrayseweg 121’ te Venlo, projectnr.: P01368, d.d. 1 oktober 2020 BRO, AERIUS-berekening herontwikkeling Venrayseweg 121 Venlo, Gemeente Venlo, projectnummer.: P01368, d.d. 7 april 2020
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
Het voornemen bestaat om de bedrijfsvoering rondom de bestaande intensieve veehouderij aan de Venrayseweg 121 te beëindigen. In het kader van dit planvoornemen is initiatiefnemer voornemens de bestaande woning om te vormen tot burgerwoning en de bestaande schuur grenzend aan deze woning om te vormen tot vier logiesverblijven. Daarnaast worden twee bestaande stallen op de locatie gesloopt. Hiervoor in de plaats wordt een nieuw bedrijfspand gerealiseerd voor een schadeherstelbedrijf. Tot slot wordt een relatief kleine stal (westelijk gelegen) omgevormd tot opslag-/hobbyruimte. Daarbij zal deze stal (inclusief de omliggende grond) worden afgestoten naar de buurman (Sevenumseweg 3) en deze gronden worden dan toegevoegd aan het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 630. Het plangebied waarbinnen bovenstaande ontwikkeling plaatsvinden betreft de percelen kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nrs. 261 en 1379. De ligging en begrenzing van het plangebied wordt in de navolgende afbeeldingen weergegeven. De betreffende gronden zijn in het geldende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trade Port Noord en park Zaarderheiken en bestemmingsplan Buitengebied’ bestemd tot ‘Agrarisch gebied’, met de functieaanduiding ‘agrarisch niet grondgebonden bedrijf’, ‘agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden’ en ‘stedelijk reconversiegebied’.
Gronden met deze bestemming zijn onder andere aangewezen voor een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening. De voorgenomen ontwikkelingen (realisatie burgerwoning, logiesverblijven en een schadeherstelbedrijf) zijn hierdoor in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo heeft echter aangegeven in principe bereid te zijn om medewerking te verlenen aan dit initiatief (brief eindadvies conceptaanvraag, kenmerk: 1430361, d.d. 27 maart 2019). Middels het voorliggende bestemmingsplan worden de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied juridisch-planologisch geregeld.
Topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Hoofdstuk 1
3
Kadastrale kaart met begrenzing plangebied (blauw omlijnd)
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In het volgende hoofdstuk wordt de bestaande situatie rond het plangebied beschreven. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van de bestaande situatie weergegeven. In hoofdstuk 3 volgt een planbeschrijving met het projectprofiel en de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten van het plan. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op locatie. In hoofdstuk 5 volgt de toetsing aan de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 6 worden de juridische aspecten beschreven en in hoofdstuk 7 de handhaving. In hoofdstuk 8 wordt de haalbaarheid op het gebied van economische en maatschappelijke aspecten beschreven. Tot slot volgt in hoofdstuk 9 de uitleg van de overleg- en inspraakprocedure.
Hoofdstuk 1
4
2.
BESCHRIJVING BESTAANDE SITUATIE
Het plangebied is gelegen aan de Venrayseweg 121 te Venlo, in de gemeente Venlo. De locatie ligt in het landelijk gebied aan de noordwestzijde van de stad Venlo. Het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 1379 is momenteel in gebruik als intensieve veehouderij (initiatiefnemer is voornemens deze activiteiten te beëindigen). Op dit perceel bevinden zich twee grote stallen van 680 m2 en een kleinere stal van 325 m 2. Op het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 261 is momenteel een agrarische bedrijfswoning gelegen met enkele bijgebouwen. Het plangebied wordt aan de noordzijde ontsloten door de Sevenumseweg en aan de oostzijde door de Venrayseweg en een relatief kleine bosschage. Aan de zuidzijde grenst het plangebied direct aan een perceel voor natuurontwikkeling. Vervolgens grenst het plangebied aan de zuidwestzijde aan een agrarisch perceel. Tot slot grenst het plangebied ten noordwesten aan het achtererf van een bestaande woning. In de verdere omgeving van het plangebied is ten noordwesten aan de overzijde van de Sevenumseweg ‘Camping Californië’ gelegen. Verder liggen ten noordoosten van het plangebied nog een aantal kleine bedrijven.
Luchtfoto plangebied (blauw omlijnd) en directe omgeving
Hoofdstuk 2
5
3.
PLANBESCHRIJVING
In dit hoofdstuk wordt het beoogde project beschreven en worden de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten hiervan weergegeven.
3.1 Projectprofiel Het voorliggende plan betreft de bedrijfsbeëindiging van de bestaande intensieve veehouderij op het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 1379. Op dit perceel bevinden zich twee grote stallen van 680 m2 en een kleinere stal van 325 m 2. De twee grote stallen worden in de toekomstige situatie gesloopt. De kleinste stal (westelijk gelegen) wordt omgevormd tot opslag-/hobbyruimte. Daarbij zal deze bebouwing (inclusief de omliggende grond) worden afgestoten naar de buurman (Sevenumseweg 3) en deze gronden worden dan toegevoegd aan het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 630. Deze gronden zullen zodoende een woonbestemming krijgen. Echter wordt het gebruik van de kleine stal als woning uitgesloten. Op het perceel (nr. 1379) zal zich een nieuw kleinschalig autoherstelbedrijf vestigen met een bedrijfsoppervlakte van circa 1.020 m2. Tevens zal zich op dit perceel een ontsluiting bevinden, waardoor het nieuwe bedrijfspand bereikbaar is vanaf de Sevenumseweg.
Verbeelding met functionele indeling toekomstige situatie plangebied.
Hoofdstuk 3
6
Op het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 261 is momenteel een bedrijfswoning gelegen met enkele bijgebouwen. In de toekomstige situatie wordt het pand aan de Venrayseweg 121 bestemd tot burgerwoning en wordt de bestaande schuur (direct grenzend aan de woning) gebruikt voor de realisatie van vier logiesverblijven. Integrale situatietekening In de onderstaande afbeelding is de ligging van de nieuwe bedrijfsbebouwing weergegeven ten opzichte van de overige omliggende bestaande en toekomstige functies. In paragraaf 3.2 volgt daarnaast een weergave van het landschappelijk inpassingsplan met betrekking tot het plangebied. Hierbinnen zijn de beoogde groenstructuren weergegeven, alsmede de beoogde bedrijfsbebouwing.
Weergave locatie nieuwe bedrijfsgebouw en omliggende functies
3.2 Stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten Momenteel zijn er binnen het plangebied een aantal oudere stallen gelegen voor een intensieve veehouderij. Gezien er in de nabijheid van het plangebied burgerwoningen, recreatieve voorzieningen en bedrijvigheid zijn gelegen past dit type bedrijf niet binnen de omgeving. Daarnaast bevat de oude bebouwing asbest, hetgeen gevaarlijke situaties kan opleveren bij de leegstand en het verval van de
Hoofdstuk 3
7
stallen. Het saneren van het terrein en vervangen van de twee grootste stallen door één nieuwbedrijfspand met een hoge kwaliteit is daarom wenselijk. De kleinste stal aan de westzijde van het terrein wordt gehandhaafd, maar deze wordt wel asbest vrij gemaakt en opgeknapt. Hierdoor sluit deze stal aan op het beoogde nieuwe bedrijfspand een autoherstelbedrijf. Het saneren van de bestaande stallen en realiseren van één bedrijfspand voor een schadeherstelbedrijf en nieuwe indeling van de percelen middels (ontsluiting en groen) sluit ruimtelijk beter aan op de indeling van het buurschap Californië. Ruimtelijk gezien zal de hoeveelheid bebouwing afnemen de twee bestaande stallen hebben een oppervlakte van circa 1.360 m 2 en het beoogde nieuwe bedrijfspand heeft een oppervlakte van circa 1.020 m 2. Het bedrijfspand zal een goothoogte hebben van 6 meter en een bouwhoogte van 8 meter. De afname van bebouwing (sloop van de stallen) zorgt voor een betere aansluiting op het landschappelijke- en extensieve bebouwingsbeeld van het buitengebied. Op de onderstaande afbeelding zijn de gevelaanzichten en een plattegrond van het beoogde bedrijfspand zichtbaar.
Gevelaanzichten bedrijfspand
Hoofdstuk 3
8
Plattegrond bedrijfspand
Tot slot worden de beoogde logiesverblijven binnen de bestaande schuur (aangrenzend aan de bestaande woning) inpandig gerealiseerd, waardoor er geen negatieve ruimtelijke of stedenbouwkundige effecten voorzien zijn. In de onderstaande afbeelding is de locatie van de logiesverblijven binnen het plangebied zichtbaar, alsmede een plattegrond van het pand.
Positionering logiesverblijven plangebied
Hoofdstuk 3
9
Plattegrond begane grond
Plattegrond verdieping
Hoofdstuk 3
10
Landschapsplan In het kader van onderhavig plan is door IKL een landschappelijk inpassingsplan 1 opgesteld. Het voornemen is een nieuwe bedrijfsruimte te bouwen op de plek waar de oude stallen zullen verdwijnen. Ten aanzien van de bedrijfsruimte dienen ook parkeervoorzieningen gerealiseerd te worden en dient rekening gehouden te worden met de afvoer van regenwater. De gestelde eis is de landschappelijke integratie van de nieuwe situatie passend zal zijn binnen de reeds omliggende groene omgeving. Verder dient het regenwater afkomstig van de nieuwe bebouwing in de nabijheid geïnfiltreerd te worden (d.w.z. ter plaatse van het plangebied). De beoogde inrichtingsmaatregelen en hoofdopzet van het landschappelijk inpassingsplan is reeds akkoord bevonden door de gemeente Venlo, alsmede door het Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo. De waarborging van de realisatie en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is gewaarborgd binnen de algemene aanduidingsregels binnen het bestemmingsplan. In de onderstaande afbeelding volgt een weergave van het landschappelijk inpassingsplan, waarbij de beoogde inrichtingsmaatregelen zijn weergegeven.
Uitsnede landschappelijk inpassingsplan
Op het bestaande erf is reeds veel groen aanwezig in de vorm van hagen en bomen en met het nabijgelegen groengebied (bosschage, fruitgaard en waterelement), ligt het in een fraai groen decor. Rond 1
IKL, Landschapsplan in het kader van wijziging bestemmingsplan t.b.v. sloop stallen en bouw bedrijfsruimte, projectnr.: 522020-ov-004, d.d. 29 april 2020
Hoofdstuk 3
11
de nieuwe bedrijfsruimte (dus ter plaatse van de huidige stallen) is minder groen aanwezig. Derhalve zal in de toekomstige situatie het bestaande groene kader hier verder worden uitgebreid. De parkeerplekken worden gesitueerd op een plek waar deze beperkt zichtbaar zijn vanuit de openbare weg. Middels het landschappelijk inpassingsplan wordt het bestaande groene kader op het eigen perceel verder uitgebreid, zodat de toekomstige bedrijfslocatie past binnen het omliggende groenkader. De haag aan de zuidzijde zal ook worden doorgezet op het naastgelegen perceel met de kleinste stal. Met het uitbreiden van de gemengde haag met de juiste soorten (geen wortelwoekeraars) en hierin bomen te zetten, wordt een stevig kader verkregen. In de weide aan de oostzijde van de beoogde bedrijfsbebouwing wordt een infiltratiegeul aangelegd. Hierbinnen kan het regenwater afkomstig van de bedrijfsbebouwing en verharding worden opgevangen en geïnfiltreerd. Met een bui van T= 100 zal er bij een extreme bui vanaf de nieuwe bebouwing en verharding (1500 m2) 150 m3 water afstromen dat in de infiltratiegeul wordt geleid. Met een lengte van 45 meter, insteek 4 meter en een diepte van 80 cm wordt hier ruimschoots aan voldaan. Door de taluds 1 : 2 te maken, wordt de infiltratiegeul een soort wadi en is dan onderdeel van de naastgelegen weide.
Een overloop is op deze plek niet noodzakelijk, daar het regenwater hier makkelijk infiltreert. Naast de voorziene maatregelen binnen het plangebied zal op de aangrenzende gronden in eigendom van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo een struweelsingel van circa 3 meter breed gerealiseerd worden uit inheemse beplanting. Initiatiefnemer zal de kosten hiervan vergoeden aan Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo. De waarborging hiervan zal plaatsvinden in de overeenkomst met de gemeente Venlo. Binnen de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, welke erop toeziet dat op de scheiding van het plangebied en het natuurterrein van Greenport Venlo een voorziening wordt gerealiseerd met een hoogte van 1,80 meter. Deze voorziening zorgt ervoor dat lichtschijnsel van auto’s op het bedrijfsperceel wordt tegengehouden met een scherm op het eigen terrein. Binnen de rapportage van het landschappelijke inpassingsplan in de separate bijlage wordt een specifieke toelichting gegeven ten aanzien van de beoogde maatregelen en voorziene beplatingstypes.
Hoofdstuk 3
12
4.
BELEID
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.1, § 3.2, § 3.3 en § 3.4).
4.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit.
Hoofdstuk 4
13
3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19.
Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele wijzigingen in werking getreden. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk (NNN), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.
Hoofdstuk 4
14
Afweging Bij de voorgenomen ontwikkeling (omvorm van de bestaande woning tot burgerwoning, logiesverblijven en een schadeherstelbedrijf) zijn er geen van de bovengenoemde belangen uit het Barro in het geding. Het initiatief is kortom niet in strijd met de beleidsregels, zoals deze zijn opgenomen in het Barro. Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Venlo. Afweging Aangezien het bestemmingsplan geen windturbines of overige bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. Besluit ruimtelijke ordening Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn2. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
2
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 4
15
Afweging Ladder voor Duurzame Verstedelijking Strikt genomen betreft de beoogde realisatie van het bedrijfspand een stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking noodzakelijk is. Alhoewel het onderhavige plangebied is gelegen in het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trade Port Noord en park Zaarderheiken en bestemmingsplan Buitengebied’, maakt het ook onderdeel uit van een kleinschalige bebouwingsconcentratie van verschillende, uiteenlopende bedrijfjes. Op niet al te grote afstand van het plangebied is Greenport Venlo gelegen, dat bovendien één van de meest grootschalige bedrijvenparken van Limburg is met zeer grote bouwvolumes. In relatie tot onderhavige ontwikkeling geldt dat voorzien wordt in de realisatie van één bedrijfspand met een omvang van circa 1.020 m2. Echter ten behoeve van dit bedrijfspand vindt een sanering van bebouwing plaats ter plaatse van het plangebied. Hierbij worden twee grote bestaande stallen binnen het plangebied met een omvang van circa 1.360 m 2 geamoveerd. Deze stallen worden gebruikt voor een intensieve veehouderij. Ten aanzien onderhavige ontwikkeling geldt derhalve dat er in de toekomstige situatie geen groter ruimtebeslag plaatsvindt als op basis van het vigerend bestemmingsplan reeds is toegestaan.
Op basis van het vigerend bestemmingsplan is een "agrarisch bouwvlak" opgenomen ter plaatse van het plangebied, waarbinnen géén maximaal bebouwingspercentage of oppervlak geldt ten aanzien van agrarische bedrijfsbebouwing. Theoretisch gezien is zodoende binnen het plangebied een nog groter ruimtebeslag mogelijk als reeds aanwezig middels de twee stallen die geamoveerd worden. Er zal dus middels onderhavig plan sprake zijn van een beperking van de bebouwingsmogelijkheden en een feitelijke afname van circa 240 m2 aan bebouwing. Er vindt dus géén groter ruimtebeslag plaats middels de beoogde ontwikkeling, waardoor sprake is van duurzaam ruimtegebruik. Op basis van het voorgaande kan betoogd worden dat in casu geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ondanks dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient er wel een motivering te zijn, waaruit blijkt dat er sprake is van een behoefte aan de beoogde functie. Zie hiertoe de onderstaande uiteenzetting. Het beoogde schadeherstelbedrijf is reeds al jaren ter plaatse van het plangebied gevestigd en heeft derhalve op basis van deze locatie ook naamsbekendheid en een klantenbestand opgebouwd en voorziet daarmee in een lokale behoefte.
Vanwege de relatieve kleinschaligheid van deze bedrijvigheid, zijn na de herontwikkeling van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen ook geen (negatieve) effecten voor bestaande autobedrijven in de regio te verwachten. Regionaal beschouwd is op voorhand niet uit te sluiten, dat er mogelijkheden zijn voor vestiging van het autobedrijf in bestaand stedelijk gebied en dan specifiek op bedrijventerreinen. Dit autobedrijf heeft echter een lokaal verzorgende functie. Direct aanpalend aan het plangebied is de grootschalige ontwikkeling van Greenport Venlo gelegen. Dit gebied is zodanig ingericht dat er ter plaatse geen passende plek is voor het beoogde schadeherstelbedrijf (het bedrijf is te klein qua omvang). Verder heeft de dichtstbij gelegen kern waar dit bedrijf voor een groot deel op gericht is, namelijk Horst, haar laatste bedrijfskavels uitgegeven op het bedrijventerrein ‘Melderlosche Weiden’, waardoor het beoogde bedrijfspand ook hier niet kan landen. Opgemerkt wordt dat langs de Sevenumseweg in de ‘Structuurvisie Klavertje 4-gebied’ reeds voorzien is in een menging van wonen, werken en kleinschalige recreatie en logiesfuncties (zie paragraaf 4.4). Het plangebied wordt reeds aangeduid als een 'broedplaats'
Hoofdstuk 4
16
voor kleinschalige economische initiatieven, die te klein zijn voor het werklandschap (dit is binnen onderhavig plan het geval, omdat, zoals eerder is gezegd, de ontwikkeling niet kan landen de bedrijventerreinen Hoogveld en Trade Port Oost). Tot slot is van belang dat een verplaatsing van het autobedrijf vanuit bedrijfseconomische overwegingen niet haalbaar is. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat met het doorlopen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking geen overwegende bezwaren naar voren komen, waardoor in redelijkheid geen medewerking aan deze planontwikkeling verleend kan worden.
4.2 Provinciaal beleid Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld als opvolger van het POL2006. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in zeven soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Uitsnede POL2014-Kaart 'Zonering Limburg' met ligging plangebied (rood omlijnd)
Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied gedeeltelijk in de zones ‘Zilvergroene natuurzone’ en ‘Buitengebied’. In de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur centraal. Binnen de zilvergroen natuurzone wordt tevens ingezet op behoud en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden als onderdeel van de landschappelijke waarden. Voor de begrenzing van de zilvergroene zones geldt dat er zoveel mogelijk ingespeeld wordt op kansen die zich aandienen vanuit
Hoofdstuk 4
17
lokale en regionale initiatieven. De begrenzing is dan ook flexibel. Beleidsmatig liggen de accenten voor deze zone op: Ontwikkeling grondgebonden landbouw ; Beheer en ontwikkeling flora en fauna; Recreatief medegebruik. Het ‘Buitengebied’ omvat alle andere gronden in het landelijk gebied, die geen deel uitmaken van de goudgroene en zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Beleidsmatig liggen de accenten voor deze zone op: Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; Kwaliteit en functioneren ondergrond. Tevens wordt het plangebied binnen de kaart ‘Limburg regionaal’ aangeduid als ‘Gebiedsontwikkeling Klavertje 4’. Het Kalvertje 4-gebied is gelegen op het grondgebied van de gemeenten Venlo, Peel en Maas, en Horst aan de Maas. Het gebied is in eerste instantie planologisch vormgegeven via de POLaanvulling Gebiedsontwikkeling Klavertje 4 (2009). Deze POL-aanvulling is gebaseerd op een masterplan/ businessplan voor het Klavertje 4-gebied dat ook ten grondslag heeft gelegen aan de oprichting van een ontwikkelingsmaatschappij voor het gebied.
In 2012 is door de betreffende gemeenten een structuurvisie voor het Klavertje 4-gebied vastgesteld. De beleidsmatige uitwerking van dit beleid in relatie tot het plangebied vindt plaats in paragraaf 4.4. Afweging Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van een burgerwoning, vier logiesverblijven en een schadeherstelbedrijf, alsmede het gebruik van de kleinste stal als opslag-/hobbyruimte. Deze ontwikkelingen vinden nagenoeg allemaal plaats binnen de ‘Zilvergroene natuurzone’ (enkel de functiewijziging van de bedrijfswoning valt gedeeltelijk binnen de zone ‘Buitengebied’). Het plangebied is reeds al in gebruik voor een intensieve veehouderij, waardoor er sprake is van een transformatie van een reeds bestaand gebied. Tijdens deze transformatie worden twee bestaande stallen gesloopt en een nieuwe loods voor een schadeherstelbedrijf gerealiseerd. Tot slot zorgt de wijziging van de bestaand bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning en de realisatie van vier logiesverblijven niet voor een toename in bebouwing, omdat dit beide inpandige wijzigingen betreffen. In paragraaf 5.4 volgt een afweging ten aanzien van de ligging binnen de ‘zilvergroene natuurzone’. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling passend zijn binnen de zone ‘buitengebied’ en ‘zilvergroene natuurzone’ volgens het POL2014.
Ontwerp Provinciale omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.
Hoofdstuk 4
18
In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.
Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s. Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend.
Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende,
Hoofdstuk 4
19
meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt.
Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen en bedrijvigheid. Omdat de woonbehoeften en behoefte aan bedrijvigheid snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen/leefomgeving en bedrijvigheid, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 4.3 en 4.4).
Onderhavige ontwikkeling zorgt niet voor een kwantitatieve toename van het aantal woningen. Daarnaast wordt 1.020 m2 aan nieuwe bedrijfsactiviteiten gerealiseerd en wordt ook 1.360 m2 oude agrarische bedrijfsactiviteiten gesaneerd (ook zal ten aanzien hiervan regionale afstemming plaatsvinden). De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Ontwerp Provinciale omgevingsvisie’.
Hoofdstuk 4
20
Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Afweging Het plangebied ligt bijna geheel binnen de zone ‘zilvergroene natuurzone’. Conform artikel 2.13.2 uit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ dient de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de zilvergroene natuurzone, een beschrijving te bevatten van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten in de zilvergroene natuurzone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Voor de kernkwaliteiten in de regio Midden-Limburg wordt verwezen naar het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg.
Uitsnede kaart 4 ‘Kwaliteitskaart Landschap’ uit het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg (globale aanduiding plangebied blauw omlijnd)
Volgens het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg (kaart 4, Kwaliteitskaart landschap, zie de navolgende afbeelding) ligt het gedeelte van het plangebied dat deel uitmaakt van de ‘zilvergroene natuurzone’ binnen het landschapstypen ‘Bos- en mozaïeklandschap’.
Hoofdstuk 4
21
Algemene kenschets Het bos- en mozaïeklandschap kenmerkt zich door beslotenheid. Dit landschapstype bestaat uit de verschillende bos- en natuurgebieden met de daarin opgenomen open gebieden. Dit kunnen grazige vegetaties zijn als heide, bloemrijk grasland, hooiland of kleine akkers. Dit landschapstype heeft deels een sterke relatie met de (soms extreme) aardkundige situatie (zeer nat of zeer droog). Deels is dit landschapstype op cultuurhistorische wijze ontstaan, zoals bijvoorbeeld bij landgoederen. Landschapskenmerken Divers, afhankelijk van de ontstaansgeschiedenis (meestal hoog-droog of laag-zeer nat) Divers (diep grondwater of greppels, moerassig) Water Veelal landduinen (=stuifduinen) en venige gronden, ook wel dekzand en Bodem klei. Bospaden, weinig verharde wegen Wegenpatroon Grillig in relatie tot landduinen of rechtlijnig; Plaatselijk kleinschalig mozaVerkavelingspatroon iek van bossen en openheid (akker, gras, heide, stuifzand) Landbouwkundig gebruik Kleine akkers en weides op de open percelen Bos; Houtsingels Beplanting Geen of incidenteel Bebouwing Reliëfvorm
Kernkwaliteiten Landschapsecologie Door de vele overgangen tussen bos en openheid zijn de mozaïeklandschappen ecologisch waardevol voor onder andere struweelvogels, vlinders, mantel- en zoomvegetaties. De bossen herbergen het merendeel van met name de (grote) zoogdieren. Daarnaast liggen hier vele waardevolle vennen, hoogveengebieden en heidevegetaties. Cultuurhistorie Vanuit cultuurhistorisch perspectief is de waarde variabel, afhankelijk van de ouderdom van de bossen. De waarde is groot bij oudere bossen met oude perceleringen, oude hakhoutbossen en landgoederen. De waarde is gering bij relatief jonge bosaanplantingen. Visueel-ruimtelijk De mozaïeklandschappen zijn visueel-ruimtelijk bijzonder aantrekkelijke gebieden als gevolg van de afwisseling van kleinschalige open ruimten en besloten bosgebieden, de dominante aanwezigheid van groen en de geringe bebouwing. Er zijn veel wisselende doorzichten naar het achterliggende, meer open landschap. De rust en stilte overheersen. Een klein gedeelte van het plangebied dat deel uitmaakt van de ‘zilvergroene natuurzone’ wordt slechts aangemerkt met het landschapstypen ‘Bos- en mozaïeklandschap’. Het betreft voornamelijk de beplanting (bosschage/houtsingel) aan de noordzijde van het plangebied. Dit is een specifiek land-
Hoofdstuk 4
22
schapskenmerk van het ‘Bos- en mozaïeklandschap’. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het behoud van de reeds bestaande bosschage/houtsingel, zoals aangeduid op kaart 4 ‘Kwaliteitskaart Landschap’ uit het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg. Daarnaast vindt er tevens een versterking van de landschapskenmerken plaats, omdat binnen de nieuwe functionele indeling van het plangebied wordt voorzien in de realisatie van een nieuwe houtsingel rondom het nieuwe bedrijfspand. Dit sluit aan op de afwisseling van kleinschalige open ruimten en besloten bosgebieden binnen het ‘Bos- en mozaïeklandschap’. Onderhavige ontwikkeling sluit zodoende aan op de kernkwaliteiten rondom landschapsecologie, cultuurhistorie en visueel-ruimtelijke aspecten. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt tevens dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol is gelegen. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.
Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen aandachts- of beschermingsgebieden ten behoeve van natuur en landschap. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling zodoende binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014.
4.3 Regionaal beleid POL-uitwerking werklocaties - Regionale visie bedrijventerreinen Noord-Limburg De basisafspraken en spelregels uit het POL201, in lijn met de Ladder voor Duurzame verstedelijking, zijn door de regio uitgewerkt in de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en vormen de basis voor het gemeentelijk beleid. In 2017 is de ‘Visie bedrijventerreinen Noord-Limburg’ vastgesteld door de gemeenteraden in Noord-Limburg. Tot voor enkele jaren werden in de regio Noord Limburg bedrijventerreinen door individuele gemeenten gepland en ontwikkeld op basis van lokale motieven. Afgelopen jaren zijn de eerste stappen gezet in de regio om te komen tot een gezamenlijk bedrijventerrein beleid. Er is een versnelling opgetreden in de regionale samenwerking toen tijdens het traject van het POL2014 door de provincie nieuwe richtingen zijn aangegeven die de regio graag wil overnemen. De provincie heeft de drie Limburgse regio’s gevraagd een bedrijventerreinenvisie vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met dynamisch voorraadbeheer. In de bedrijventerreinenvisie wordt beschreven welke ambities, opgaven en principes de regio NoordLimburg nastreeft, rekening houdend met het door de provincie voorgestelde dynamisch voorraadbeheer. Ook worden de werkwijze en spelregels beschreven die gehanteerd worden.
Er wordt een beschrijving gegeven van de huidige bedrijventerreinvoorraad (vertrekpunt) en hoe de regio Noord-Limburg wil omgaan met de bestaande bedrijventerreinen (herstructurering en uitgifte) en nieuwe bedrijventerreinen (planvorming en acquisitie).
Hoofdstuk 4
23
Wanneer gekeken wordt naar de ‘spelregels en werkwijze’ blijkt dat gemeenten gaan proberen de ruimtevraag voor bedrijventerreinen zoveel mogelijk te faciliteren door intensivering van de huidige bedrijventerreinen. Hierbij heeft intensivering op kavelniveau geen gevolgen voor het dynamisch voorraadbeheer, ook niet als de intensivering een kleine uitbreiding van de kavel vergt (max 10%). Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet in principe niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen, alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. Afweging Het POL2014 legt een aantal basisprincipes vast voor de toevoeging van nieuwe terreinen of uitbreiding van bestaande terreinen. Ze moeten, in lijn met de gedachte achter het dynamisch voorraadbeheer, zorgen voor flexibiliteit: goede nieuwe plannen blijven mogelijk maar moeten wel gekoppeld zijn aan het schrappen van capaciteit elders in de regio.
In het kader van onderhavig plan zal een regionale afstemming plaatsvinden (er is sprake van nieuwe industriële bedrijfsactiviteiten buiten de bestaande contouren van bedrijventerreinen) en zal een uitspraak plaatsvinden ten aanzien van het aspect ‘salderen’ (er wordt 1.020 m2 nieuwe bedrijfsactiviteiten gerealiseerd in relatie tot de te slopen 1.360 m2 oude agrarische bedrijfsactiviteiten). De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsdoelen uit de Visie bedrijventerreinen Noord Limburg. Regionale Woonvisie Noord-Limburg In de Regionale woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen.
In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen. Gekeken dient te worden naar koppelkansen. Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte. De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na. Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen.
Hoofdstuk 4
24
Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad.
In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. Binnen het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen. Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan.
In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier fi-
Hoofdstuk 4
25
nancieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft het overzicht met theoretische tekorten en overschotten een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.
Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)
Afweging Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Hiermee neemt het aantal woningen in kwantitatieve zin niet toe. De beoogde ontwikkeling is derhalve niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
26
4.4 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Klavertje 4-gebied Om planologisch sturing te geven aan de ontwikkeling van het Klavertje 4-gebied – als vestigingsgebied voor (grootschalige) bedrijven – hebben de gemeenten Horst aan de Maas, Peel en Maas en Venlo een intergemeentelijke structuurvisie opgesteld. De gemeenteraad Horst aan de Maas heeft de structuurvisie op 11 september 2012 vastgesteld. Hiermee is beleidsmatige de basis gelegd voor uitwerking van (delen van) het Klavertje 4-gebied in bijvoorbeeld bestemmingsplannen. Gekoppeld aan de structuurvisie is een milieueffectrapport (planMER) opgesteld. Doel van het planMER is overwegingen van milieu en duurzaamheid volwaardig te betrekken bij het opstellen van de structuurvisie en de daaropvolgende plannen en projecten. Om de mogelijke gevolgen van de ontwikkelingen in het Klavertje 4-gebied voor Natura 2000-gebieden in de omgeving in beeld te brengen is een passende beoordeling opgesteld. De effecten op de gezondheid zijn onderzocht in de GezondheidsEffectScreening (GES). Afweging Het perceel is gelegen binnen het zogeheten ‘Mozaïeklandschap’ en maakt deel uit van het ‘buitengebied’. Dit gebied verbindt Houthuizerheide met de Heldense Bossen. Het versterken van de aanwezige natuur- en landschapswaarden staat binnen dit gebied centraal. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het buurtschap Californië.
Hierdoor valt het plangebied binnen de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie’. Het slopen van de twee bestaande stallen en de realisatie van een nieuw bedrijfspand sluit zodoende aan op de beoogde functionele indeling van dit gebied. Ook de functiewijziging van de bestaande bedrijfswoning tot burgerwoning sluit hierbij aan. Voor de nieuwe functionele indeling van het plangebied (verblijfsfuncties en het bedrijfspand) zijn de beoordelingsaspecten uit paragraaf 5.8 van de Structuurvisie Klavertje 4-gebied van toepassing. Daarnaast gelden ook de eisen die worden gesteld vanuit het ontwikkelperspectief uit hoofdstuk 7 (in het bijzonder het beleid uit paragraaf 7.5). Onderstaand worden deze beoordelingsaspecten en voorwaarden toegelicht. Verblijfsfuncties (paragraaf 5.8, Structuurvisie Klavertje 4-gebied) Als bedrijven in het 'buitengebied' van het Klavertje 4-gebied hun bedrijf willen beëindigen, dan kan dit worden gefaciliteerd met een beëindigings- en verplaatsingsregeling. Het toevoegen van economische functies – zoals verblijfsfuncties – wordt in deze regeling mogelijk door de bedrijfsvoering te beëindigen of te verplaatsen naar een beter passende locatie. De nieuwe functie(s) fungeert hierbij als belangrijkste kostendrager en daarmee als stimulans voor zittende ondernemers.
Onderhavige ontwikkeling betreft de beëindiging van een intensieve veehouderij in het ‘buitengebied’ van het Klavertje 4-gebied, waardoor onderhavig plan geschikt is voor het toevoegen van verblijfsfuncties.
Hoofdstuk 4
27
Het toevoegen van verblijfsfuncties uit de categorieën woningen en huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten is niet mogelijk. Onderhavige ontwikkeling voorziet slechts in de functiewijzing van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning en de realisatie van vier logiesverblijven in een bestaande schuur. Buiten de werklandschappen en bij voorkeur buiten het beekdal- en mozaïeklandschap kunnen verblijfsfuncties worden toegevoegd, met inachtneming van de volgende beoordelingsaspecten: in het algemeen geldt dat in het Klavertje 4-gebied niet meer woningen/verblijfsfuncties worden toegevoegd dan is afgesproken in het Masterplan, zijnde 150 woningen of 15 ha in de periode tot 2040; Doorwerking plangebied: Het beoogde plan voorziet niet in meer woningen/verblijfsfunctie als afgesproken binnen het Masterplan. initiatieven geven invulling aan het duurzame en innovatieve concept van Greenport Venlo, bij voorkeur agro-gerelateerd; Doorwerking plangebied: Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe bedrijvigheid en verblijfsfuncties, hetgeen zorgt voor een nieuw economisch perspectief binnen het plangebied.
initiatieven zijn gericht op verbetering van de landschaps- en omgevingskwaliteit; Doorwerking plangebied: Onderhavige ontwikkeling voorziet in de sloop van twee stallen en de realisatie van een nieuw bedrijfspand dat middels een groenplan op een verantwoorde wijze wordt ingepast binnen de omliggende omgeving. initiatieven houden rekening met de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven in de omgeving. Dit geldt ook voor toekomstige bedrijven in de werklandschappen; Doorwerking plangebied: De ontwikkeling voldoet aan de gestelde richtafstanden rondom bedrijvigheid (zie paragraaf 2.1.4). initiatieven passen binnen de beschikbare milieuruimte (CO2, NOx, etc.); Doorwerking plangebied: De ontwikkeling voldoet aan toetsingskader voor luchtkwaliteit (zie paragraaf 2.1.2) initiatieven passen binnen het gemeentelijke beleid voor wonen, recreatie en toerisme. Doorwerking plangebied: De ontwikkeling voldoet het relevante gemeentelijk beleid (zie paragraaf 4.4). Uitwerking buitengebied (hoofdstuk 7, Structuurvisie Klavertje 4-gebied) Het buurtschap Californië behoort tot de verwervingszone Horstweg en kenmerkt zich door de grote verscheidenheid aan functies (wonen, agrarische bedrijven, groen (verblijfs)recreatie, bedrijven-aanhuis etc.).
Hierdoor heeft het gebied de potentie als 'broedplaats' te fungeren voor kleinschalige economische initiatieven, die te klein zijn voor het werklandschap. Deze visie zet in op het beperkt uitbouwen van de gemengde functie in de verwevingzones, bij voorkeur in vrijkomende (agrarische) bebouwing. Daarom biedt de visie ruimte aan ontwikkelingen in de volgende functionele categorieën: verblijfsfuncties (woningen, bedrijfswoningen, extensieve verblijfsrecreatie); kleinschalige bedrijvigheid (bedrijf aan huis/in de linten);
Hoofdstuk 4
28
extensieve (dag)recreatie; grondgebonden agrarische bedrijven.
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van verblijfsfuncties (logiesverblijven) en relatief kleinschalige bedrijvigheid (schadeherstelbedrijf). De toekomstige functionele invulling van het plangebied sluit zodoende aan op de beoordelingsaspecten en voorwaarden uit hoofdstuk 7 binnen de ‘Structuurvisie Klavertje 4-gebied’. Strategische Visie Venlo 2030 Met de Strategische Visie Venlo 2030 geeft de gemeente Venlo een afwegingskader mee op basis waarvan toekomstige besluiten kunnen worden afgewogen en nieuwe ontwikkelingen binnen breder perspectief kunnen worden geplaatst. In de visie is vastgelegd hoe Venlo zich tot 2030 zal moeten ontwikkelen. Er zijn vijf thema's gekozen waarvoor een analyse voor het jaar 2010 is uitgevoerd en waarvoor de ambities voor het jaar 2030 zijn geformuleerd. Het betreft de volgende thema's: Stad van actieve mensen; Innovatieve en excellente stad; Venlo internationaal; Centrum van de Euregio: hoofdstad en vitaal hart; Veelzijdige stad in het groen. De geschetste thema's en ambities zijn samengetrokken tot een drietal scenario's waarin duidelijk herkenbare accenten worden gezet. Tijdens het besluitvormingsproces over de strategische visie in de gemeenteraad is een aantal elementen uit deze drie scenario's samengevoegd tot een samengesteld scenario: Venlo Kansenstad (Je maakt het in Venlo).
Dit is het scenario waarvoor de gemeenteraad zich raadsbreed heeft uitgesproken. Individuele ontplooiing en participatie, innovatiekracht en een aantrekkelijk woonklimaat zijn de belangrijkste karakteristieken van dit door de gemeenteraad gekozen samengesteld toekomstscenario. Afweging In de ambitie van de gemeente Venlo voor het jaar 2030 wordt het volgende gesteld: “Door het samengaan van Venlo en Arcen en Velden neemt het belang van toerisme en recreatie als vierde belangrijke economische sector verder toe”. Onderhavige ontwikkeling sluit aan op deze vierde economische sector middels het realiseren van 4 logiesverblijven. Daarnaast vormt het Klavertje 4-gebied het fysieke hart van greenport en een gebiedsontwikkeling waar in 2030 een scala aan Cradle to Cradle bedrijfslandschappen met uiteenlopende bedrijven gevestigd zijn. De bedrijven kunnen op Klavertje vier organisch groeien. De realisatie van een kleinschalig schadeherstelbedrijf is zodoende passend binnen het uiteenlopende bedrijvenlandschap. Het plan is hierdoor niet in strijd met de Strategische Visie Venlo 2030.
Hoofdstuk 4
29
Ruimtelijke Structuurvisie Venlo Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de ‘Ruimtelijke Structuurvisie Venlo’ vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema’s, de zogenaamde ‘majeure opgaven’: 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. 2.