004bijl 2 Toelichting bestemmingsplan Venrayseweg 121.pdf
Tekst van het document
Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. 3. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. 4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Afweging In de structuurvisie is het plangebied gelegen buiten het ‘mozaïeklandschap’. Waardoor zodoende het ruimtelijk beleid op grond van de ‘Structuurvisie Klavertje 4-gebied’ van toepassing is. Dit ruimtelijke beleid is uitgewerkt in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk en moet als leidend worden beschouwd. Wanneer wordt gekeken naar de kernopgave uit de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo wordt aangegeven dat er een kwaliteitsslag moet plaats vinden binnen de recreatieve faciliteiten. De toeristisch-recreatieve sector is een belangrijke economische pijler voor de regio. Het kwantitatieve aanbod van verblijfsrecreatie volstaat, de kwaliteit laat echter te wensen over. Er wordt gestreefd naar een kwaliteitsslag in de regio.
Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van vier een kwalitatief hoogwaardige logiesverblijven. Initiatieven die leiden tot kwaliteitsverbetering van de huidige verblijfsrecreatie en initiatieven die ervoor zorgen dat het aanbod niet ‘afglijdt’, krijgen de ruimte. Wat betreft wonen in het buitengebied is het gebruik van een voormalige agrarische bedrijfswoning als burgerwoning toegestaan als het agrarische bedrijf is beëindigd en de milieuvergunning is ingeleverd.
Hoofdstuk 4
30
Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo is vergunninghouder in onderhavig geval. Er is reeds een verzoek ingediend bij de gemeente Venlo om de vergunning op onderhavige locatie in te trekken ten bate van het toevoegen van de depositieruimte aan de Stikstofbank Greenport Venlo. Conform het gemeentelijk beleid zal de milieuvergunning ingetrokken zijn, voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gegaan. Voorwaardelijk hierbij dat de woning niet gelegen is in een glastuinbouwconcentratiegebied, het bestaande bedrijven niet hindert in de bedrijfsvoering en geen nieuwe óf extra stedelijke functie worden toegevoegd. Het voorliggende initiatief omvat een functiewijziging van een bestaande agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Het plangebied is daarnaast niet gelegen binnen een glastuinbouwconcentratiegebied. In paragraaf 5.1.5 van deze toelichting wordt tevens aangetoond dat bestaande bedrijven niet worden gehinderd als gevolg van de functiewijziging. Gezien het bovenstaande is het plan passend binnen de Ruimtelijke Structuurvisie 2014. Woonvisie 2016-2021 Op 21 december 2016 heeft de gemeenteraad van Venlo de Woonvisie 2016-2021 vastgesteld. In de woonvisie staan de prioriteiten van het lokale woonbeleid beschreven voor de periode 2016-2021 met een doorkijk naar de jaren daarna. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen in de sociale volkshuisvesting.
In de woonvisie is het lokale woonbeleid voor de gemeente Venlo nader uitgewerkt op basis van de afspraken uit de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Op basis van de te verwachten demografische ontwikkelingen wordt in de gemeente Venlo ingezet op twee prioritaire beleidslijnen: 1. Het versterken van het stedelijk profiel van Venlo door een accent te leggen op verdichting in en rond het centrum; 2. Een transformatieopgave in de wijken die verder van het centrum liggen door een gerichte verdunning op termijn en toevoeging van ruimtelijke kwaliteit in de woonwijken, zowel gericht op koop- als huurwoningen. De belangrijkste opgaven van het woonbeleid zijn gelegen in de thema’s leefbaarheid, betaalbaarheid en beschikbaarheid (o.a. voor bijzondere doelgroepen), wonen met zorg en verduurzaming. Afweging Het voorliggende initiatief betreft uitsluitend de functiewijziging van een bestaande agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen. Hierbij worden geen woningen toegevoegd aan de bestaande woningvoorraad. Verdere toetsing aan de Woonvisie 2016-2021 is dan ook niet vereist. Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering De Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering vormen de lokale vertaling van de woningbouwkaders die in de voormalige Woonvisie Regio Venlo e.o. 2011-2015 waren vastgelegd.
Alle woningbouwinitiatieven worden aan de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering getoetst.
Hoofdstuk 4
31
Afweging Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning. Derhalve is er geen sprake van een kwantitatieve toename binnen het aantal woningen. De eigenaar van de woning zal zelf woonachtig blijven in de woning. Kortom is er sprake van een concrete behoefte in het deelgebied. Er zijn daarmee geen belemmeringen vanuit de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering voor de voorgenomen ontwikkeling. Welstandsnota Venlo 2013 In 2010 is de gemeente Venlo gefuseerd met de gemeente Arcen en Velden. Een van de gevolgen is geweest dat diensten en taken ineengeschoven zijn en dat beleid geharmoniseerd moest worden. Zodoende ook het welstandsbeleid. Sinds de gemeentelijke fusie met Arcen en Velden was er namelijk sprake van twee welstandsnota’s met verschillende grondslag. Dit kan een rechtsongelijkheid creëren, omdat initiatieven op verschillende manieren worden gewogen. Om een eenduidig welstandsbeleid in de gehele gemeente te kunnen voeren is derhalve één welstandsnota gebaseerd op eenzelfde grondslag. Daarom is de ‘Welstandnota Venlo 2013’ geschreven. Tegelijkertijd met de integrale samenvoeging van de twee nota’s is het welstandsbeleid ook inhoudelijk bijgesteld. Mede gezien het feit er behoefte was aan meer flexibiliteit en vrijheid.
De eigen verantwoordelijkheid van de burger wordt groter, getuige ook “Programma Stad van actieve mensen”. Tot slot is er behoefte aan digitalisering. De nota is zodoende gedigitaliseerd. De digitalisering van de nota past binnen in de verbetering van de toegankelijkheid en dienstverlening van de gemeente Venlo, alsook binnen de doelstelling van de (rijks)overheid (elektronische overheid). Doel van de welstandsnota De kernopgave van de nota is het waarborgen van de kwaliteit van de verschijningsvorm van bouwwerken door het vaststellen van welstandskaders. De nota heeft zodoende de navolgende doelstellingen: Meer vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan de burgers en bedrijven van Venlo. Een sneller en slagvaardiger uitgevoerd welstandsbeleid en een betere dienstverlening. Verbetering van de toegankelijkheid van de welstandsnota en daarmee betrokkenheid creëren van burgers en bedrijven bij de kwaliteit van hun directe fysieke leefomgeving. Betere regie op de verschijningsvorm voor een aantrekkelijke fysieke leefomgeving. Wettelijke basis De gemeenteraad stelt op grond van artikel 12a van de Woningwet een welstandsnota vast waarin criteria zijn vastgelegd voor welstandstoezicht. De welstandsnota is zodoende een beleidsregel, zoals bedoeld in titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
Het college van burgemeester en wethouders van Venlo is in beginsel het bevoegde gezag om te beslissen op een bouwaanvraag. Het college brengt jaarlijks verslag uit aan de gemeenteraad hoe het college is omgegaan met de beoordeling van bouwwerken aan redelijke eisen van welstand. Het verslag kan aanleiding geven tot een (gedeeltelijke) wijziging van de nota. De welstandsnota biedt het kader voor de welstandsadvisering, de bouwverordening regelt de uitvoering daarvan.
Hoofdstuk 4
32
Afweging Conform de ‘Welstandskaart’ is het plangebied gelegen binnen het welstandsgebied ‘regulier’ (gebiedsnaam ‘Venrayseweg’). Het beleid is hier gericht op een representatieve uitstraling van de economische kracht van de Trade-Ports, Greenpark en Zon Fresh Park. Als uitgangspunt voor iedere welstandsbeoordeling gelden de redelijke eisen van welstand. In navolging van het voorgaande zal het ontwerp van de beoogde bedrijfshal beoordeeld worden door de Adviescommissie Welstand en Erfgoed (AWE).
Uitsnede Welstandskaart (globale aanduiding plangebied rood omlijnd)
Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen binnen het op 25 januari 2006 vastgestelde bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trade Port Noord en park Zaarderheiken en bestemmingsplan Buitengebied’. Het gehele plangebied is bestemd tot ‘Agrarisch gebied’ met de functieaanduiding ‘agrarisch niet grondgebonden bedrijf’, ‘agrarisch gebied met landschaps- en natuurwaarden’ en ‘stedelijk reconversiegebied’. Gronden met deze bestemming zijn onder andere aangewezen voor een duurzame agrarische bedrijfsuitoefe-
Hoofdstuk 4
33
ning. De voorgenomen ontwikkelingen voorzien niet in een agrarische bedrijfsuitoefening en zijn zodoende strijdig. De ligging van het plangebied binnen het vigerend bestemmingsplan is te zien in de onderstaande afbeelding.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trade Port Noord en park Zaarderheiken en bestemmingsplan Buitengebied’ met globale aanduiding plangebied blauw omlijnd
Afweging De gewenste ontwikkeling is strijdig met het vigerend bestemmingsplan, omdat binnen de bestemming ‘Agrarisch gebied’ de functiewijziging van een bedrijfswoning tot burgerwoning, de realisatie van vier logiesverblijven, de realisatie van een schadeherstelbedrijf en het gebruik van de kleine loods als opslag-/hobbyruimte niet kan worden aangemerkt als duurzame agrarische bedrijfsuitoefening.
Hoofdstuk 4
34
5.
ONDERZOEK
Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Binnen dit hoofdstuk wordt gekeken naar de aspecten geluid, archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In het kader van onderhavige ontwikkeling wordt er op het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 261 niet voorzien in een milieugevoelige functie. Het perceel wordt namelijk grotendeels al gebruikt voor woondoeleinden. De functiewijziging van een bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning en de realisatie van vier logiesverblijven in de bestaande bebouwing voorziet niet in een milieugevoeliger gebruik als reeds is toegestaan. Daarnaast geldt voor dit perceel reeds de bestemming ‘Agrarisch gebied’, waardoor recreatief medegebruik en het bieden van recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden aan de agrarische bedrijven reeds is toegestaan. Tot slot dient opgemerkt te worden dat er géén bouwkundige werkzaamheden voorzien worden op dit perceel. De bestaande bedrijfswoning wordt gehandhaafd, alsmede worden de logiesverblijven inpandig gerealiseerd. In het kader van onderhavig plan is voor het perceel kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 1379 wel een verkennend bodemonderzoek3 (NEN 5740) uitgevoerd door Econsultancy.
Op dit perceel wordt namelijk voorzien in de sloop van twee stallen, de realisatie van een nieuw bedrijfspand voor een kleinschalig schadeherstelbedrijf en het gebruik van de kleine bestaande stal als opslag-/hobbyruimte. De omliggende gronden om de kleine stal en de stal zelf zullen gebruikt worden ten behoeve van de woonbestemming ten noordwesten van het plangebied. Onderzoek De bovengrond ter plaatse van het agrarische bedrijf (de bestaande stallen en omliggende gronden) is plaatselijk licht verontreinigd met PCB. Deze parameter is reeds in voorgaand bodemonderzoek op de onderzoekslocatie (plaatselijk) aangetoond. In de ondergrond zijn analytisch géén verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater is licht verontreinigd met metalen. Deze metaalverontreinigingen zijn te relateren aan de regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient worden beschouwd wordt,
3
Econsultancy, Rapportage verkennend bodemonderzoek, rapportnr.: 4004.004, d.d. 21 april 2017
Hoofdstuk 5
35
op basis van de lichte verontreinigingen, bevestigd. Er bestaat echter géén aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek op de onderzochte parameters. Op de stallen binnen het plangebied zijn eternit golfplaten waargenomen. Van dit soort asbesthoudende golfplaten is bekend dat, gedurende de periode dat deze asbesthoudende golfplaten op het dak gesitueerd zijn geweest (> 20 jaar), deze onderhavig zijn aan (sterke) verwering door weersinvloeden e.d.. Als gevolg van deze verwering spoelen asbestvezels van dit plaatmateriaal van het dak af en komt op de onderliggende bodem terecht. Diverse bodemonderzoeken hebben inmiddels aangetoond dat in de "inspoelzone" van regenwater onder dergelijke asbestdaken zónder dakgoot vaak zéér hoge asbestgehalten bevatten (ver boven de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s.). Derhalve wordt geadviseerd om ten tijde van de herontwikkeling van de onderzoekslocatie (na de sloop van de stallen) over de gehele lengte van het onverharde terreindeel direct onder de dakranden, middels een BUSmelding, een bodemsanering uit te voeren. Hierbij wordt geadviseerd de bodemlaag tot 1,5 meter vanaf de muur, tot een diepte van 0,2 m –mv onder milieukundige begeleiding te saneren en af te voeren naar een erkend verwerker.
In het kader van de sloopvergunning voor de bestaande stallen zal een nader asbest onderzoek plaatsvinden, waaruit zal blijken of er sprake is van asbestverontreiniging. Op basis hiervan zal bekeken worden of er een noodzaak is tot sanerende maatregelen. Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. 5.1.2
Geluidhinder wegverkeerslawaai
Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Onderzoek Het plangebied is gelegen nabij een aantal wegen, waaronder de Sevenumseweg, Venrayseweg, Horsterweg en Californischeweg. Voor deze wegen geldt conform de Wet geluidhinder artikel 74, lid , onder b een onderzoekszone van 200 meter. Het plangebied ligt binnen deze onderzoekszones.
Dit betekent dat een akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai in principe noodzakelijk is.
Hoofdstuk 5
36
Onderhavig plan voorziet echter in de functiewijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, hetgeen per saldo niet zorgt voor de toevoeging van een nieuwe geluidgevoelig object. De vier te realiseren logiesverblijven, het bedrijfspand en de kleine stal die gebruikt wordt als opslag-/hobbyruimte worden daarnaast conform de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten. Conclusie In het kader van de Wet geluidhinder vormt de geluidbelasting vanwege de omliggende geluidgezoneerde wegen geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. 5.1.3
Luchtkwaliteit
Algemeen en Besluit NIBM Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) b) c) d)
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
NIBM-Tool Voor kleinschalige ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het toenmalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in samenwerking met InfoMil de NIBM-tool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie 2020 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdag55 gemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 0,0% Maximale bijdrage extra NO2 in μg/m3 0,05 verkeer PM10 in μg/m3 0,01 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3 1,2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Doorwerking NIBM-tool met worst-case berekening
Hoofdstuk 5
37
Uit de berekeningen met de NIBM-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) niet overschrijdt. Het project draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM 10 ter plaatse tussen de 18 en 20 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 12 en 14 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 20 en 25 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse derhalve aanvaardbaar voor de beoogde ontwikkelingen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Deze wet omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de
Hoofdstuk 5
38
maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Uitsnede Risicokaart Nederland met globale aanduiding plangebied (blauwe pijl)
Toetsing Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Gezien de beoogde ontwikkelingen zal hieronder een toetsing ten aanzien van het aspect externe veiligheid plaatsvinden. Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen te vinden. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ligt op circa 470 meter ten noorden van het plangebied. Dit is de inrichting ‘AGCO Netherlands B.V.’ aan de Horsterweg 66 te Venlo. Het betreft hier een propaanreservoir. Deze inrichting heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 45 meter. Het plangebied valt hier ruimschoots buiten. Daarnaast ligt er op circa 700 meter ten zuiden van het plangebied nog een tweede inrichting. Dit is de inrichting ‘Mts. Witlox Pulles’ aan de Berkter Hei 1 te Venlo. Het betreft hier een bovengrondse propaantank. Deze inrichting heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 25 meter. Daarnaast heeft deze inrichting een invloedsgebied van 165 meter. Ook hier valt het plangebied ruimschoots buiten.
Hoofdstuk 5
39
Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die een belemmering vormen voor de ontwikkeling. De dichtstbijzijnde leidingen zijn gelegen op meer dan 700 meter afstand ten zuiden van het plangebied en zijn in beheer van ‘N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij’. Voor deze leiding is geen plaatsgebonden risicocontouren en invloedsgebieden opgenomen binnen de Risicokaart Nederland. Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid Conform het ‘Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015’ geldt voor de Rotterdam-Rijn-Pijpleiding een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van maximaal 33 meter. Hier ligt het plangebied ruimschoots buiten. Daarnaast geldt voor deze buisleiding een invloedsgebied van maximaal 43 meter. Ook hier ligt het plangebied ruimschoots buiten, waardoor geen rekenkundige invloed wordt uitgeoefend op het groepsrisico. Spoor Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 2.1 kilometer ten zuidwesten van het plangebied en betreft de spoorlijn ‘Venlo – Eindhoven’. Uit het Basisnet Spoor blijkt dat de spoorlijn ‘Venlo – Eindhoven’ geen 10-6 contour heeft.
De plaatsgebonden risicocontour 10-8 ligt op 112 meter van de spoorlijn en reikt hiermee niet tot het plangebied. Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid Voorliggende ontwikkeling ligt met een afstand van circa 2.1 kilometer conform het Beleidsplan Externe Veiligheid 2012-2015 in zone III (> 200 meter van de risicovolle transportas). Deze zone hangt samen met het invloedsgebied voor toxische gassen. Er gelden binnen deze zone in principe geen beperkingen voor het gebruik. Bij de verantwoording van het ruimtelijk plan kan volstaan worden met de beperkte verantwoording groepsrisico, hetgeen aan het eind van deze paragraaf plaats vindt. Water Er is in de directe omgeving van het plangebied geen water gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Wegverkeer Op een afstand van ongeveer 575 meter ten oosten van het besluitgebied ligt de A73, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Op basis van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van dit wegvak zich bevindt op de weg zelf en dat de overschrijdingsfactor van het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van de A73 vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Verder vindt er in de directe omgeving van het besluitgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen plaats, dat een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 5
40
Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid Voorliggende ontwikkeling ligt met een afstand van circa 575 meter conform het Beleidsplan Externe Veiligheid 2012-2015 in zone III (> 200 meter van de risicovolle transportas). Deze zone hangt samen met het invloedsgebied voor toxische gassen. Er gelden binnen deze zone in principe geen beperkingen voor het gebruik. Bij de verantwoording van het ruimtelijk plan kan volstaan worden met de beperkte verantwoording groepsrisico, hetgeen hieronder plaats vindt. Verantwoording groepsrisico Gezien de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Venlo-Eindhoven en de A73 is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bovendien dient advies aangevraagd te worden bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Verantwoording groepsrisico Zoals reeds beschreven, is voor de spoorlijn Venlo-Eindhoven en A73 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.
De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect
Verantwoording
De mogelijkheden ter voorberei-
Voor wat betreft de A73 en de spoorweg Venlo – Eindhoven bestaan er
ding van bestrijding en beperking
met name risico’s in verband met ongelukken:
van de omvang van een ramp of
met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).
zwaar ongeval. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. De mogelijkheden voor personen
Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van
om zich in veiligheid te brengen
belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde
indien zich op de weg een ramp
calamiteiten:
voordoet (zelfredzaamheid).
Hoofdstuk 5
met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).
41
Aspect
Verantwoording Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
Verantwoording externe veiligheid op basis van artikel 7 van het Bevt
Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord Tevens is advies4 gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de A73 en de spoorlijn Venlo – Eindhoven. Hieronder wordt dit advies uiteengezet. Het plangebied is gelegen op een afstand van 500 meter van de A73 en 2 kilometer van het spoor Venlo- Eindhoven, beide routes waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Er zal worden ingegaan op de effecten van het toxisch scenario en de mogelijkheden voor bestrijding en zelfredzaamheid.
4
Bereikbaarheid: voldoet. Het plangebied is meerzijdig bereikbaar via de Venrayseweg (voorzijde woning) en de Sevenumseweg (toegankelijkheid bedrijf en logies). Bluswatervoorziening: voldoet. Aan de Venrayseweg is t.h.v. de woning op huisnr. 121 is primair een brandkraan (opbrengst 50 m 3/uur) aanwezig. Een secundaire voorziening is een brandkraan (opbrengst 95 m 3/uur) gelegen t.h.v. Sevenumseweg 3. Zelfredzaamheid o Initiatiefnemer: wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij de brandmeldinstallatie (indien van toepassing) geplaatst worden; o Informeer de initiatiefnemer van het plan over de risico’s bij een incident met gevaarlijke stoffen over de A73 of spoorlijn en het daarbij horende handelingsperspectief; o Initiatiefnemer: informeer de gebruikers over de risico’s en het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen op de A73 of spoorlijn: binnen blijven, ramen
Veiligheidsregio Limburg-Noord, Bestemmingsplan Venrayseweg 121 Venlo, kenmerk: 2020-001546, d.d. 20 augustus 2020
Hoofdstuk 5
42
en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten en neem dit scenario op in het bedrijfsnoodplan (van toepassing op de logies en het bedrijf); Bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor rampenbestrijding en hulpverlening zijn locatie specifiek en maken onderdeel uit van de verantwoording in het kader van Externe Veiligheid. In de bovenstaande beoordeling zijn de bereikbaarheid en bluswatervoorziening akkoord bevonden.
Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 5.1.5
Milieuzonering
Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd). Toetsing In de directe omgeving van het plangebied liggen een aantal verschillende bedrijfsactiviteiten. Deze worden hieronder weergeven inclusief de bijbehorende milieucategorie conform de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Naam activiteit
Omschrijving conform
Milieucategorie
Richtafstand
Afstand tot
VNG-brochure
grens plangebied
Camping Californië
Kampeerterreinen, vakan-
3.1
50 meter
80 meter5
2
30 meter
40 meter6
1
10 meter
65 meter
tiecentra, e.d. (met keuken), SBI-code 553, 552. Taxi in 't Zandt
Taxibedrijven, SBI-code 493.
Yoshikigoi-auctions
Veilingen voor huisraad, kunst e.d., SBI-code 82992.
5 6
Afstand gemeten op basis de dichtstbijzijnde standplaatsen voor campingasten van Camping Californië. Afstand gemeten op basis van de standplaats van de taxi’s.
Hoofdstuk 5
43
Handelsonderneming
Handel in auto- en motor-
Huub in 't Zandt
fietsonderdelen en –acces-
2
30 meter
160 meter
soires, SBI-code 453. Inventarisatie bedrijfsactiviteiten rondom het plangebied
Naar aanleiding van de bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet is gelegen binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijvigheid. Daarnaast zijn tevens aan of op de nabijgelegen bedrijfsgebouwen geen geluidproducerende installaties gelegen die een directe werking hebben op de functies binnen het plangebied. Zodoende vormen de omliggende bedrijven geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. Het nieuw te realiseren schadeherstelbedrijf kan mogelijkerwijs wel een negatief effect hebben op gevoelige bestemmingen in de omliggende omgeving. Een schadeherstelbedrijf is nauw gerelateerd aan de activiteit ‘Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven’ onder SBI-code 451, 452 en 454. Voor deze activiteit geldt milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter. In het voorliggende geval is echter sprake van een ‘gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door diverse functies, zoals recreatie, wonen en bedrijven. Op basis van de ligging in gemengd gebied mag de richtafstand daarom met één afstandsstap worden verlaagd naar 10 meter voor het aspect geluid. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op circa 25 meter afstand ten noordwesten van het beoogde schadeherstelbedrijf.
Daarnaast is de huidige bedrijfswoning (toekomstige burgerwoning) gelegen op circa 40 meter afstand ten noordoosten van het beoogde schadeherstelbedrijf. De beoogde bedrijfsactiviteit heeft zodoende geen negatieve werking op gevoelige bestemmingen in de omliggende omgeving. Conclusie Op basis van het aspect ‘milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief.
Hoofdstuk 5
44
5.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Volgens de Archeologische Beleidskaart is het plangebied gelegen binnen een zone waar geen specifieke verwachting voor is vastgesteld. Er geldt dat ter plaatse van het plangebied geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is ongeacht de diepte en omvang van het project. Het plangebied is zodoende vrijgegeven ten aanzien van archeologie. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Wel dient vermeld te worden dat het niet uitgesloten kan worden dat er archeologische waarde aanwezig zijn in de ondergrond. Mochten er tijdens graafwerkzaamheden toch dergelijke vondsten worden gedaan, dient dit direct te worden gemeld bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.
Uitsnede Archeologische Beleidskaart Venlo 2015
Cultuurhistorie Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg is de Sevenumseweg ter hoogte van het plangebied aangeduid als een ‘weg uit periode 1806-1890’. Daarnaast is de Venrayseweg aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Aangezien het verloop en profiel van deze wegen niet wordt veranderd door het voorliggende plan, is er geen sprake van negatieve effecten op deze wegen. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen functiewijziging. Conclusie In het plangebied bestaan er voor de voorziene ontwikkelingen geen belemmeringen in relatie tot archeologie en cultuurhistorie.
5.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een beschermingszone.
Hoofdstuk 5
45
Conclusie Leidingen en infrastructuur vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.4 Ecologie Beleidskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Hoofdstuk 5
46
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb).
Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Hoofdstuk 5
47
Toetsing In het kader van onderhavig plan heeft BRO een quickscan flora en fauna7 uitgevoerd. Hieronder worden de bevindingen uit dit onderzoek toegelicht. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebied betreft de Maasduinen op circa 4,9 kilometer ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Waar de voorgenomen ontwikkeling de herontwikkeling van een voormalig agrarisch bedrijfsperceel betreft, kan echter een significante toename aan stikstof-depositie op het Natura 2000-gebied ten tijde van de aanleg- en gebruiksfase redelijkerwijs niet worden uitgesloten. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERI-US calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten.
In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft derhalve een berekening plaatsgevonden voor de aanleg- en gebruiksfase. Binnen deze berekeningen is rekening gehouden met de realisatie van het bedrijfspand, alsmede de inpandige realisatie van de logiesverblijven. BRO heeft in het kader van deze stikstofdepositie berekeningen een notitie 8 opgesteld. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het plangebied ligt wel aansluitend aan een onderdeel van de goudgroene natuurzone. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities gelijk blijven dan wel verbeteren, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is wel gelegen binnen de zilvergroene natuurzone.
Doordat bij de ontwikkeling een intensieve veehouderij gesaneerd wordt, neemt in ieder geval de stikstofdruk op de natuur in de directe omgeving af. Doordat de nieuwe situatie eveneens veel groen bevat, en er een veel lichtere vorm van bedrijvigheid plaats gaat vinden, vindt hier een verbetering van de waarden plaats. De huidige waarde
BRO, Quickscan flora en fauna ‘Sevenumseweg 1 en Venrayseweg 121’ te Venlo, projectnr.: P01368, d.d. 1 oktober 2020 BRO, AERIUS-berekening herontwikkeling Venrayseweg 121 Venlo, Gemeente Venlo, projectnummer.: P01368, d.d. 7 april 2020 7 8
Hoofdstuk 5
48
van het plangebied bestaat uit de bomen en struiken binnen het plangebied, welke als rust- en nestplaats kunnen dienen. De bomen en struiken blijven grotendeels behouden. Waar nodig worden extra elementen toegevoegd. Deze zilvergroene natuurzone is niet gepositioneerd zodat deze een verbinding maakt tussen twee goudgroene natuurzones. De kernkwaliteiten van de zilvergroene natuurzone betreffen het groene karakter, het visueel ruimtelijke karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Het groene karakter van het plangebied blijft behouden, doordat de groene structuur binnen het plangebied behouden blijft. Waar noodzakelijk worden inheemse bomen en struiken toegevoegd. Het visueel ruimtelijk karakter zal drastisch verbeteren doordat de stallen verwijderd worden. Er is geen waardevol cultuurhistorisch erfgoed of reliëf aanwezig. Een negatief effect op de kenmerken en waarde van de zilvergroene natuurzone, of de waarde hiervan op de goudgroene natuurzone, zal redelijkerwijs niet worden aangetast.
Soortbescherming Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Houtopstanden Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden bevinden, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Wat betreft wetgeving op het gebied van natuur en flora en fauna kan de voorgenomen ontwikkeling, zoals beoogd plaats vinden binnen het plangebied.
5.5 Verkeer en parkeren Verkeer De beoogde ontwikkeling zorgt voor de realisatie van een aantal activiteiten in de vorm van een schadeherstelbedrijf en vier logiesverblijven. Deze zorgen voor een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen. De functiewijziging van de bedrijfswoning tot reguliere burgerwoning en het gebruik van de kleine stal zorgen niet voor een nieuwe verkeersgeneratie of parkeerbehoefte en worden zodoende buiten beschouwing gelaten. Onderstaand volgt de exacte verkeersgeneratie per activiteit binnen het plangebied.
Hoofdstuk 5
49
1. Logies verblijven De verwachte verkeersaantrekkende werking van de logiesverblijven is berekend op basis van de CROW rekentool ‘Verkeersgeneratie en parkeren’. Hierbij is uitgegaan van de hoofdgroep ‘wonen’, typering ‘kamerverhuur’ en ligging in het buitengebied. Binnen de berekening is rekening gehouden met 4 kamers. De vier logiesverblijven zorgen zodoende voor een verkeersgeneratie van 8 mvt / etmaal op een gemiddelde weekdag. 2. Schadeherstelbedrijf De verwachte verkeersaantrekkende werking van het schadeherstelbedrijf is berekend op basis van de CROW rekentool ‘Verkeersgeneratie en parkeren’. Hierbij is uitgegaan van de hoofdgroep ‘werken’, de typering ‘bedrijf arbeidsext./ bezoekersext. (loods, opslag, transp.)’ en de ligging in het buitengebied. Binnen de berekening is rekening gehouden met een bedrijfsoppervlakte van circa 1.020 m2. De realisatie van het schadeherstelbedrijf zorgt voor een verkeersgeneratie van 47 mvt / etmaal op een gemiddelde weekdag. De totale verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt derhalve 55 mvt / etmaal op een gemiddelde weekdag. Deze verkeersgeneratie kan in voldoende mate worden opgevangen door de omliggende wegen. Parkeren Op basis van de CROW rekentool ‘Verkeersgeneratie en parkeren’ is de parkeerbehoefte voor onderhavige ontwikkeling inzichtelijk gemaakt.
Onderstaand volgt de parkeerbehoefte per ontwikkeling: Logiesverblijven: parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen; Schadeherstelbedrijf: parkeerbehoefte van 11 parkeerplaatsen; Onderhavige ontwikkeling zorgt zodoende voor een totale parkeerbehoefte van 13 parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd binnen het plangebied, nabij de logiesverblijven en op het bedrijfsperceel van het schadeherstelbedrijf. Conclusie Vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
5.6 Waterhuishouding Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheersplan van waterschap Peel en Maasvallei, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (POL2006), de Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);
Hoofdstuk 5
50
voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken worden hierna verder toegelicht. Nationaal Waterplan 2009-2015 In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) De opgave in het POL2014 inzake het regionale water, is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. Er dient voldaan te worden aan de regionale normering voor wateroverlast.
Daarnaast is de opgave het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptatiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen voor het omgaan met huidige én toekomstige watertekorten, waarbij beschikbaarheid van voldoende water van de juiste kwaliteit een belangrijke voorwaarde is. Op die manier zijn problemen op gebied van watertekort in tijden van schaarste, beheersbaar en maatschappelijk acceptabel. Een van de provinciale doelen is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Afkoppel beslisboom Gemeente Venlo Voor nieuwbouw binnen de gemeente Venlo is met betrekking tot de afwatering de afkoppel beslisboom van toepassing. De beslisboom is opgebouwd uit een vijftal modules, te weten: 1. bepaling omgang hemelwater; 2. eisen m.b.t. het afvoeren van hemelwater; 3. toename verhard oppervlak 4. situatie wijzigen zonder toename verhard oppervlak 5. aanvullende eisen noodoverlaten/leegloopvoorzieningen. In module 1 wordt de lokale situatie bepaald, deze is van grote invloed op de verdere stappen. De aanwezigheid van oppervlaktewater is van belang wanneer een voorziening (infiltratie en/of berging) niet inpasbaar is op het terrein.
Hemelwater kan dan overstorten of afvoeren naar het oppervlakte water, hierbij worden wel door de beheerder aanvullen de eisen gesteld. Verder is het van belang in hoeverre de bestaande verhardingssituatie zal wijzigen. Het realiseren van een terrasoverkapping heeft een andere impact heeft dan het bouwen van een loods in een weiland, hiervoor gelden dus andere eisen. Indien er, wat betreft verhard oppervlak, geen vergroting plaats vindt dan worden er wel degelijk bergingseisen gesteld. In module 5 zijn de aanvullende eisen beschreven voor het toepassen van een noodoverlaat en/of leegloopvoorziening.
Hoofdstuk 5
51
De conclusie aan het eind van de beslisboom is telkens een gestelde bergingseis. De bergingseisen bevatten een bepaalde theoretische bui bv T=2, deze bui komt gemiddeld 1 keer in de 2 jaar voor, de bui T=100 gemiddeld 1 keer per 100 jaar. Deze buien hebben een bepaalde hoeveelheid hemelwater die valt in een bepaalde tijd. Op deze theoretische buien worden voorzieningen gedimensioneerd, er wordt dan berekend hoeveel water in de voorziening geborgen moet worden voordat deze zal overlopen. Om materiële schade te voorkomen vragen we u door te (laten) rekenen wat de gevolgen zijn bij een extreme bui T=100. Hiermee kunnen wellicht bepaalde keuzes gemaakt worden om schade te voorkomen. Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Het plangebied ligt niet binnen waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Het plangebied is wel binnen de boringsvrije zone Venloschol gelegen. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.
Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Uit zowel de POL2014kaarten als de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijken geen belemmeringen voor het plangebied. Hemel- en afvalwater Het afvalwater binnen het plangebied wordt geloosd op het nabijgelegen bestaande rioolstelsel. Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Wat betreft hemelwater streven het Waterschap Limburg en de gemeente Venlo ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. In de weide aan de oostzijde van de beoogde bedrijfsbebouwing wordt een infiltratiegeul aangelegd.
Hierbinnen kan het regenwater afkomstig van de bedrijfsbebouwing en verharding worden opgevangen en geïnfiltreerd. Met een bui van T= 100 zal er bij een extreme bui vanaf de nieuwe bebouwing en verharding (1500 m2) 150 m 3 water afstromen dat in de infiltratiegeul wordt geleid. Met
Hoofdstuk 5
52
een lengte van 45 meter, insteek 4 meter en een diepte van 80 cm wordt hier ruimschoots aan voldaan. Door de taluds 1 : 2 te maken, wordt de infiltratiegeul een soort wadi en is dan onderdeel van de naastgelegen weide. Een overloop is op deze plek niet noodzakelijk, daar het regenwater hier makkelijk infiltreert. De beoogde manier van infiltratie is hiermee in overeenstemming met de Keur van Waterschap Limburg (in werking getreden op 1 april 2019). Binnen de Keur geldt de norm dat 100 mm (per 24 uur) per m2 verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied. In het kader van de concrete uitwerking van het bouwplan voor het bedrijfspand (omgevingsvergunning aanvraag voor het bouwen) vindt ook de uitwerking van het infiltratiesysteem in het plangebied plaats. Hierbij worden de hiervoor genoemde richtlijnen in acht genomen. Conclusies en overleg met de waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Aangezien de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak minder zal bedragen dan 2.000 m² en er voor het overige geen waterschapsbelangen in het geding zijn, hoeft het bestemmingsplan niet aan het waterschap te worden voorgelegd.
In de huidige situatie bestaat een relatief groot gedeelte reeds uit verharding, waardoor er per saldo geen toename zal zijn van de hoeveelheid verharding ten opzichte van de huidige situatie.
5.7 M.e.r.-beoordeling Algemeen Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. Toets m.e.r.-plicht In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfspand gerealiseerd van 1.020 m 2. De ontwikkeling komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar